donderdag 25 december 2025

VREDE (gelegenheidsgedicht voor Kerstmis)


VREDE

Midden het jaarlijks feestgedrang,
overvloed van lampenschijn en zang,
tot beneden in een karige winterstal,

staan jij en ik, — niet van ver gekomen,
weinig koning en veel herder, — gebogen
over de onschuld van een slapend kind.

Van de houten Jozef naar zijn moeder,
zweeft de ouderlijke droom dat hun kleintje,
anders dan voorspeld, zoete vrede brengt.

Wie beweert dat zulks nooit gebeurt,
heeft, door gegronde twijfels bevangen,
voor zichzelf elke kans daartoe verbeurd.

Want vannacht, gebeiteld in de luchten
als een schreeuw van stilte,
fluistert een stem mij in: Begin

als hij, altijd pasgeboren.
Leeg en tegelijk van leven vervuld.
Niets weten, alles begrijpen.

Gans aanwezig in het messcherpe zeer
van heden. Elke geboorte anders weer,
en toch steeds opnieuw een mens.

Onze handen grijpen in elkaar.
Met de duur van één ademtocht,
vertrekt een hemelstraal duizend jaar.

© Robert Baeken - 25 december 2025


Nota:
In VREDE richt de metafoor van de pasgeborene zich evengoed tot de gelovige als vrijzinnige lezer. In plaats van over een gewapend bestand tussen twee machtsblokken, gaat het over een vrede waarvoor elk individu zijn verantwoordelijkheid draagt, wat zich uit in een staat van onschuld. De onbevangen blik van een kind komt overeen met de volwassene die handelt zonder voorkennis. 

woensdag 24 december 2025

Mededeling in verband met mijn roman DE AFWEZIGHEID


Het feuilleton van mijn roman DE AFWEZIGHEID, dagelijks verschenen als vervolgverhaal op deze blog, was gezien het aantal bezoekers van de laatste 3 maanden, een enorm succes. Om andere lezers nog een kans te geven om met deze roman kennis te maken, laat ik de 10 aparte hoofdstukken voor een onbepaalde tijd op deze blog staan. Wie liever een gedrukte tekst in handen heeft, kan dit bij Kingkongbooks uitgegeven  boek, professioneel gedrukt bij Epo, vanaf 1 jan. 2026 voor 20€ aankopen op de wekelijkse dinsdagclub van mijn zoon Vitalski. Bacchuslaan 67 - Berchem

Het verhaal is samengesteld uit tien nauw op elkaar ingrijpende hoofdstukken. Hun ontstaansgeschiedenis danken ze aan een voorval ik ooit zelf heb meegemaakt.
   Terwijl ik enkele jaren geleden met de familie op vakantie aan de kust verbleef, raakte mijn kleinzoontje op een avond in de straten zoek. Deze vreselijke situatie stelde me later in staat om zowel mijn doorstane angsten te beschrijven, als om me voor te stellen wat voor leed een werkelijke ontvoering zou meebrengen als het kind niet werd teruggevonden. Ik dacht aan het onvermogen van een gezin om, ten gevolge van het ongewisse na een dergelijke ramp, nog te kunnen functioneren. Uitgedaagd deze kwestie in een roman uit te diepen, ging ik uit van een hedendaags, samengesteld huishouden van vier kinderen. Door elk gezinslid zijn eigen op de dagelijkse werkelijkheid geënt vertelstandpunt te geven, kon ik laten zien hoe eenieder, bovenop de dagelijkse besognes, anders met zijn verdriet en schrikbeelden omgaat en, door deze ervaringen chronologisch in elkaar te passen, daarmee zowel een afgeronde evolutie als overtuigende vormeenheid te scheppen. Naast drie noodzakelijke randfiguren, zoals de labiele ontvoerster Machteld, haar vriend de zeebonk Nelson Bekker en later ook Josephine, haar gewezen lesbische vriendin, heb ik, om de intrige van spanning te laten zinderen, een laaghartig personage geïntroduceerd en voor de derde keer in mijn romans de hulp van privédetective Reinhout ingeroepen.

dinsdag 16 december 2025

De Afwezigheid hoofdstuk 10: 's Levens Hoekje


Ik was mijn stem kwijt, en mijn vermogen om licht te zien!
   Richard kwam terug zonder onze Matthias. Zijn handen zwaaiden met het geld dat een collega van hem had gejat. Zijn ogen glansden. Ik begreep niet hoe hij kon triomferen, hoe het vooruitzicht op een blinkende Mercedes hem kon helpen licht te zien op het einde van onze zwarte tunnel. Ik besloot dat zijn licht er roetzwart uitzag, dat het onmogelijk was voor mij. En daarmee werd Richard voor mij eveneens onmogelijk.
   Terwijl hij het koffertje openmaakte en die smerige biljetten in stapels legde om ze na te tellen, riep ik hem in zijn gezicht dat ik van een ander licht droomde, en van een andere waarheid. Er kwam een barst in mijn keel. Mijn uitzinnige mond braakte woorden! Ik schreeuwde tegen zijn dove oren dat ik onmogelijk langer met hem kon samenleven, dat hij weerzinwekkend was! Woorden waren niet genoeg! Ons tienjarig huwelijksleven moest eraan! Mijn handen grepen een bezemsteel en sloegen onze heilige kristallen kroonluchter aan diggelen. Om te voorkomen wat heiligs er nog aan zou geloven, had Richard mij de steel uit de handen gewrongen. Daarna had hij me een kaakslag gegeven en geroepen dat ik doktershulp nodig had.
   Omdat ik niet in zijn zwart licht wilde huilen, snelde ik naar de badkamer en sloot me op. Ik weet niet wat me hier overkwam. Ik schreeuwde boven mijn macht. Schreeuwde tegen de spiegel en de betegelde muren dat het inschakelen van een helderziende en een privédetective geen geldverspilling betekende! Daarna raakte ik mijn stem kwijt en mijn vermogen om het licht te zien. In mijn onmacht sloeg ik een haardroger tegen de spiegel. Ik zag mijn vingers een blinkende scherf uit de lavabo grijpen en de warme kraan opendraaien. Het volgende ogenblik hield ik mijn pols onder stromend water en hakte er met de scherf op in. Het deed niet eens pijn! Het water gutste dunnetjes rood. Later bonkte mijn voorhoofd tegen de koude, geëmailleerde vloer.
   Ik stapte uit mijn koortsig lichaam dat het lijf werd van een vreemde. Ik ontdekte haar kloppen. Ik ontdekte haar kwetsbaarheid, haar onderhevig zijn aan de jaren. Ik ontdekte haar nakende dood. Daarbij weet ik niet eens aan welke kant ik stond. Want dood of levend: ik was mijn beoordelingsvermogen kwijt. Ik weet enkel dat het slappe lijf op de sofa werd gelegd en dat, terwijl ik mijn eigen hopeloze zoektocht naar onze Matthias voortzette, Titus aan mijn voeten kwam zitten en zijn handje op mijn been legde. In stilte dankte ik hem voor zijn aanwezigheid tijdens een uitputtende voettocht langs rijen onbekende huizen, waar ik onbekende mensen aanklampte en door hen vernederd werd.
   Later werd ik wakker tussen witte lakens in een witte kamer. Ik sprak de zielendokters die er rondliepen niet tegen toen ze zeiden dat er veel leven uit mij was weggevloeid. Ik lag daar met een woordloze stem en uitgedoofde ogen.
   Dat wrak van een Richard deed zijn plicht. Hij deed zich voor of hij kerngezond was. Elke dag kwam hij op visite. Mijnheer Reinhout heb ik ook gezien. En speciaal uit Rome: Francesca, de zus van mijn eerste echtgenoot. Eén voor één probeerden zij me moed in te spreken, probeerden zij me wijs te maken dat er licht was op het einde van de tunnel. Natuurlijk was er licht. Maar het was een licht zonder vreugde, zonder hoop, zonder kleuren: een licht voor zelfmoordenaars.

Een gewicht op mijn borst maakte mijn adem elke dag korter. Elke dag werd mijn keel verder dichtgesnoerd. Elke dag werd ik stommer. Elke dag staarde het zwart me dieper in de ogen. Ik had de strijd opgegeven! Straks zou dit lijf leegvloeien, verzanden tot een droge bedding!
   Bij deze gedachte richtte ik me ijlend op. Ik keek naar de wegdrijvende koortsdroom van mijn leven, naar alles wat ik kwijtgespeeld was. Zo herinnerde ik me weer Titus’ hand op mijn been. En ineens vond ik mezelf laf, daar ik de verantwoordelijkheid voor hem en mijn andere kinderen had verwaarloosd. Ik probeerde mijn kleren aan te trekken. Toen ik daar ver genoeg in geslaagd was, opende ik de deur naar de binnenplaats, waar bij mooi weer altijd wel enkele patiënten op een bank zitten. De wind stormde in mijn gezicht. Ik zette mijn kraag omhoog. En met mijn ogen naar de laag drijvende koppen van een horde op hol geslagen bizons in de hemel, stapte ik naar het einde van de wereld.
   Voor mij betekent licht hetzelfde als leven, hetzelfde als hoop en geloof. Tot het besef van licht komt men in de mate duisternis wordt ervaren. Met de dood in het hart ziet men de kracht en de schoonheid van het geringste straaltje.
   Zo meende ik dat het aan de horizon van mijn eindeloze poolnacht begon te schemeren: ik zag een man langs de gaanderij tussen de autoparking en het ziekenblok in mijn richting lopen. Van ver leek hij op Richard. Eerst wantrouwde ik mijn ogen. Zijn armen droegen… een blond jongetje!
   Soms dringt een feit zich zo hard op dat een mens wel moet geloven. Bij elke voetstap werd ik van een grotere zekerheid vervuld. En zo zette ik het op een lopen: sneller en sneller, ook al raakte ik nauwelijks vooruit.
   Het volgende ogenblik waren wij verenigd: mijn kleine Matthias en ik, badend in een ongelooflijk licht. En ik huilde! Huilde, zoals ik nooit eerder gehuild had.
   Richard droeg ons naar het bed in de witte kamer. Mijn ogen volgden mijn kleine peuter nadat hij zich uit onze langdurige omarming had losgewroet. Hij had een sinaasappel uit de schaal genomen en rolde hem over de vloer. Onder het bed. Onder de kast. Tussen de poten van twee stoelen. Telkens hij de vrucht opraapte, stuurde hij me een steelse blik waaruit zowel onzekerheid over mij als een groot zelfbewustzijn sprak. Ik vond Matthias tijdens zijn afwezigheid flink gegroeid. Zijn haar leek blonder. Het was in al die tijd niet meer geknipt.
   Terwijl ik mijn hardnekkig zwijgende peuter op het voeteneinde van het bed liet klauteren, kondigde Richard aan dat hij de administratie van de inrichting op de hoogte ging stellen van mijn besluit om nog diezelfde dag naar huis te keren.
   Langzaamaan kwam ik weer op krachten. Ons bestaan hervatte zich, ook al hield ik aan mijn gevecht met Richard pijnlijke herinneringen over. Maar voorlopig wilde ik het zaakje gedekt houden, wilde ik niet klagen over onze onmogelijke verschillen. Ik bewoog me in stilte naast hem, als de heilige maagd biddend onder een glazen stolp, en met een hart vol twijfels voor de toekomst.

Ik schrijf haastig een bericht naar Francesca. Want sinds de terugkeer van Matthias word ik weinig met rust gelaten. Er zijn hier al enkele verslaggevers van kranten en weekbladen geweest. Allen willen ze dat ik voor hen ‘het verhaal’ nog eens overdoe. Aanvankelijk ging dat zeer vlot en uitgebreid. Ik kon de volgorde van de gebeurtenissen precies op een rijtje zetten. En dat deed ik ook. Maar de laatste keer kreeg ik al meer moeite; alsof er tussen mijn woorden iets niet lekker zat. Ik ging de volgorde nog eens na en de volledige waarheid. Jawel, alles klopte! Toch bekroop me het gevoel dat mijn verhaal iedere keer dunner wordt, oppervlakkiger, doorzichtiger.
   Ondertussen kost het verhaal me al zoveel moeite dat ik er de brui aan zou willen geven. Daarom vertel ik de journalisten dat mijn verhaal vooral het verhaal is van andere mensen. Ik leg ze uit dat men zou kunnen spreken van ‘rare bewegingen’, veroorzaakt door strijdige belangen.
   Morgen komt het roddelblad ‘Scandale’ aan de beurt. Zoals ik had besloten, zal ik ook deze bijkomende extra vergoeding uit dank aan Reinhout overmaken.
   Richard is voor geen enkele reportage te vinden. Hij heeft er een hekel aan dat ons gezin in de belangstelling staat. Hij zegt het met een stem alsof er iets ‘vuils’ aan die artikelen kleeft. Als hij een journalist ziet, springt hij in zijn auto of verstopt zich in zijn werkplaatsje. Ik probeer hem vergeefs aan het verstand te brengen dat hij zijn ‘zuiverheid’ te ver gaat zoeken, dat verslaggevers ook maar gewoon hun job doen. Ik weet wel: voor hem betekent zuiverheid een naar buiten toe onbesproken gedrag. Zo hecht hij er overdreven belang aan hoe anderen over ons denken. Voor hem is zuiverheid iets dat geen geurtjes heeft, iets steriels, iets dat eruitziet als de prestigieuze, metaalkleurige Mercedes waar hij van droomt: een ding waarin onderweg door de kinderen geen boterhammen mogen opgegeten worden, omdat broodkruimels er niet in thuishoren. Een ding dat eruitziet zoals het schijnt en waar ook in technisch opzicht niets op aan te merken valt. Een ding dat bij andere materialisten wellicht de valse indruk wekt dat wij goed bij kas zitten, en waaruit zij dan afleiden dat het ons voor de wind gaat.
   Niets is minder waar! Aan mijn verhaal, deze oorzakelijke beweging van strijdige belangen, zal nimmer een einde komen! Want Matthias is nu wel terug. Maar de kloof tussen Richard en mij is nog nooit zo diep geweest! Ook ondervinden wij veel tegenwerking van onze opstandige dochter.
   ‘Gisteren had zij ‘r haren blauw geverfd en in lange, stijve pieken recht omhoog gekamd. Over de enorme ruzie tussen haar en Richard, zal ik niet uitweiden, Francesca. Ik was radeloos! En nu weet ik niet meer wiens kant ik moet kiezen, wat ik moet doen. Misschien zit ik het dichtst bij de waarheid als ik die journalisten zeg dat het echte leven stinkt!’
   Mijn hoofd is leeggelopen.
   Richard opent de deur en vraagt me vanuit zijn werkplaatsje wat ik doe. Ik zeg hem dat ik bijna klaar ben met een e-mail naar Francesca. Met Italiaanse zaken heeft hij zich nooit bemoeid. Hij begint in zijn gereedschapskist te morrelen; misschien om de grasmaaier te herstellen. Om mijn schoonzus aan te zetten om de e-mail snel te beantwoorden, eindig ik met de vraag of het door hagel veroorzaakte schotwondje in haar dij volledig geheeld is. Ook ben ik benieuwd naar Fabio; al wil ik er niet op ingaan of ze al stappen heeft ondernomen om van hem te scheiden. De kans is immers groot dat Fabio over haar schouder meeleest. Bovendien wil ik Francesca’s zielenroerselen niet vrank omwoelen. Hopelijk begint zij er in haar volgende mail uit eigen beweging over.

Daar mijn verhaal rond Matthias ook het verhaal is van andere mensen, heb ik me via Reinhout in verbinding gesteld met Josephine, de gewezen buurvrouw van Machteld. Eigenlijk had ik liever met Nelson Bekker gesproken, - de langer dan twee weken in een kelder opgesloten zeebonk. Na zijn bevrijding werd hij voor medische observatie met een ambulance naar een Turnhouts ziekenhuis gevoerd. Volgens Reinhout heeft hij zijn leven te danken aan de enorme voedselvoorraad in de rekken en aan het grondwater op de bodem van een dieper gelegen kelderruimte. Ik heb het water met mijn eigen ogen gezien. Het zag wat geel en het rook onfris.
   Heus, zonder Reinhout had ik me nooit in de kelder durven wagen. Maar hij had me meegenomen, precies zoals hij me de volgende zondag had vergezeld naar het ziekenhuis.
   We vroegen naar de heer Bekker, maar vonden zijn kamer leeg. Aangezien de verpleegster hem een uur tevoren nog had gezien, geloofde ze ons niet. Dus liep ze met ons mee, opende een lege kleerkast, doorzocht alle laden. ‘Vanmorgen heeft hij zijn pak teruggekregen, nadat het mooi gereinigd was’.
   Maar het pak was foetsie, wat betekende dat Bekker het had aangetrokken en naar buiten was gegaan zonder iemand iets te zeggen.
   Reinhout vond een velletje op de nachttafel. ‘Ik voel me kiplekker,’ las hij voor. ‘Kom naar Sidney als u me nodig heeft! U kan ook schrijven. Bij de politie liggen alle gegevens over mijn boot.’
   Dat adres heb ik nog niet gehaald. Ik denk dat het er nooit van zal komen, of ik moet het meteen doen. Want het leven gaat door. En ik ben niet zo iemand die voortdurend achteromkijkt.
   Om in mijn eentje naar Josephine te gaan, had ik minder moeite. Misschien komt dat omdat zij een vrouw is. Bij haar was ik ook niet bang om met openhartige vragen aan te komen. Dat zij alleen was en tijd genoeg had om thee voor ons te zetten, maakte het nog makkelijker. Matthias om wie het allemaal begonnen was, zeulde met zijn karretje aan een touw door de woonkamer. Josephine viel zelf met de deur in huis. Ook noemde zij de dingen gewoon bij hun naam, al leek ze wel wat moeite te hebben met het woord ‘lesbisch’.
   ‘Kun je geloven, ik heb een hekel aan die benaming. Het klinkt zo definitief. Toch zou ik eindelijk moeten leren het van mezelf te aanvaarden. Om die reden ben ik gister bij Machteld op bezoek geweest. Je weet dat ze geïnterneerd is? Nee? Zij hebben haar overgebracht! En terecht, want zij hoort niet in de gevangenis. Zij is geen misdadigster. Zij is gewoon ziek. Ziek van eenzaamheid. Wij hebben samen met de therapeut gepraat.’
   Een krakend geluid richtte onze aandacht op een babyfoon.
   ‘Mijn man. Hij is terminaal ziek. Wil je even wachten? Ik geef hem wat te drinken!’
   Mijn ogen volgden Josephine terwijl ze naar de keuken liep. Ik zag haar in het deurgat terwijl ze een kop thee inschonk. Zij opende een doosje. Terwijl zij een blauwe pil tussen de vingers nam, keerde ze haar gezicht naar mij zodat ik, als op stoute blikken betrapt, mijn ogen afwendde.
   ‘Hij ligt boven,’ zei ze, terwijl ze met de thee en twee koekjes op een dienblad langs mij passeerde. Ik had de indruk dat ze probeerde haar stem gewoontjes te doen klinken, wat feitelijk betekende dat zij daar niet in slaagde. Ik voelde me gedrongen mijn ogen weer op te richten naar haar vingers, gespreid onder het dienblad. Hoewel ik daar niets opvallend aan vond, was ik er zeker van dat de blauwe pil in de thee lag. Het is normaal dat zieken een medicijn krijgen; maar dat hier geprobeerd werd iemands lijden te verkorten, daar kon ik ook begrip voor opbrengen.
   Ik hoorde Josephine de trap beklimmen. Ik hoorde het tikken van de wandklok en zag in mijn fantasie wat daarboven op een mij onbekende slaapkamer met een mij onbekende man gaande was, ook al bleven het hersenspinsels. Misschien gebeurde er helemaal niets. In dat geval kon ik mijn voorstellingen beter laten varen en bij voorkeur met alle leven dat zich elders afspeelt, geen binding hebben. Dan bleven de meeste dingen verborgen, buiten mijn bereik in een onbekende slaapkamer, achter een verborgen hoekje, of waar ook.
   Ik hoorde Josephine weer naar beneden komen. En ineens kon ik vrede nemen met de duidelijkheid van haar voetstappen, met het feit dat deze vrouw leefde, dat zij rondliep. Zij hoefde me niet nog meer over zichzelf, over de toekomst van Machteld, of over wat een of andere dokter gezegd had, te onthullen. Gifmengster of niet, voor mij was het opgehelderd. Wel eiste de beleefdheid dat ik op de terugkeer van mijn gastvrouw wachtte, dat ik in haar aanwezigheid mijn thee uitdronk en door nog een paar vragen te stellen, mijn belangstelling toonde.
   ‘En hoe is de reactie van je man?’
   ‘Mijn man heeft niets meer in de pap te brokken! Hij heeft uitgezaaide longkanker! De specialist geeft hem nog een week!’

Tijdens mijn terugkeer naar huis raakte mijn auto in de fik. Het gebeurde op een verlaten binnenweg. Nadat ik me al een poosje had afgevraagd of ik zoiets als verbrande caoutchouc rook, zag ik plotseling een zwarte sliert onder de motorkap ontsnappen. Bedachtzaam reed ik de berm op en sleurde Matthias als de bliksem uit zijn stoeltje. Daarna ging ik ijlings op zoek naar het instructieboekje en wat te doen bij hevige rookontwikkeling. Maar toen ik eindelijk met het brandblusapparaat klaarstond, kreeg ik de motorkap niet omhoog. Toevallig passeerde er juist een vrachtwagen met een behulpzame chauffeur achter het stuur. Ik hoorde de voetstappen waarmee de man kwam aangelopen. In een wip had hij het deksel open. Hij greep het apparaat uit mijn handen en spoot het tot de laatste druk leeg.
   ‘Hier zal geen wegenhulp meer baten, mevrouwtje,’ zei hij met peinzende blik op de nog rokende, zwart geblakerde boel.
   ‘Dat had ik ook al gedacht! Zou je ons een lift kunnen geven?’

   Ik had de indruk dat wij uitstapten op een plaats waar geen tijd bestond en waar buiten erosie, vergrijzing en de vorming van mos tegen de gemetselde muren, helemaal niets gebeurde. Met het wat trieste gevoel over een godvergeten begraafplaats tussen verweerde zerken te wandelen, gleed mijn blik langs de verzameling huisjes rond een bescheiden dorpskerk naar een telefooncel, naar een gesloten groentewinkel en een café waarbinnen licht brandde. Behalve ik bleek niemand zo gek om hier uit te stappen.
   Richard nam op. Ik vertelde hem waarom onze auto zijn laatste kilometer had afgelegd en dat wij van plan waren vanuit Wechelderzande met het openbaar vervoer naar huis te keren. Ik wou hem erop wijzen dat het laat kon worden, maar hij onderbrak me met de vraag waar we ons precies bevonden.
   ‘Blijf waar je bent,’ reageerde hij opgewonden. ‘Ik haal jullie!’
   ‘Hoezo? Hoe?...’
   Hij had al opgehangen. En ik was overgeleverd aan het dorp, aan treurnis, verwering, verlatenheid, aan het kruipen van de komende uren, aan de tegenslag waardoor we voor de aankoop van een andere auto stonden, aan de vraag ook wat Richard van plan was. Zijn opgewondenheid voorspelde weinig goeds.
   Ik stak de straat over, recht naar het café. De speelse Matthias holde voor me uit, duwde met heel zijn gewicht de deur open.
   Ik werd aangenaam getroffen. Het gezellige interieur bood meteen beschutting tegen mijn vorige indrukken. Aan de tapkast zaten twee grote kerels. Door mijn komst werd hun gesprek eventjes onderbroken. Beiden hadden een beroep waarvoor een overall en rubberen laarzen nodig zijn. Door de uitgestrekte weiden die ik onderweg gezien had, gingen mijn gedachten uit naar veekoopmannen.
   Matthias koos een plaatsje aan het venster. Ik bekeek de kaart en liet de patroon een trappist, water en zakje chips brengen.
   Zes uur. De radio deelde het nieuws mee. Ik haalde een kaartspel uit mijn handtas en gaf het aan Matthias om er huisjes mee te bouwen. Hij begon de kaarten op een rij te leggen.
   Ik keek naar buiten, luisterde naar het malen van de tijd, naar het verglijden van de dag en het verglijden van mijn eigen leven onder het drijven van hoge wolken. Een eindeloze stilte sijpelde doorheen alle gewaarwordingen. Ik had mijn lesje geleerd: niets duurt eeuwig.
Rond zeven kwam Richard me met een wijd openzwaaiende deur verlossen. De veekoopmannen waren een halfuur geleden opgestapt. Matthias kroop onder de stoelen en tafeltjes. Ik zat aan de bodem van mijn tweede glas trappist en legde de kaarten voor het zoveelste spelletje patience.
   ‘Komen jullie?’
   Hij bracht ons naar een blauwe combi. ‘Instappen!’
   Ik aarzelde. ‘Van wie is die auto?’
   ‘Van de garagehouder. Wij maken een proefrit!’
   Eerst reden we naar het autowrak. Nadat Richard met zijn eigen ogen had vastgesteld dat de motorkap een hoop schroot herbergde, doorzocht hij de auto en kwam terug met de officiële documenten van het voertuig. Zijn andere hand hield een touwtje vast waarmee hij Matthias’ houten karretje dat in de kofferruimte was achtergebleven, achter zich aan sleepte.
   ‘Je wilde toch een Mercedes?’ begon ik, eenmaal we goed op weg waren.
   ‘Dat is waar! Maar gister zag ik deze tweedehandse combi te koop staan. En ineens moest ik aan Umberto denken, en dat het voor het vervoer van zijn schilderijen praktischer zou zijn dan een Mercedes met platte kofferruimte. Als de doeken verticaal staan, lopen ze minder kans te worden beschadigd, weet je.’
   Ik zei niets. Ik had al genoeg moeite om recht voor me uit te staren en mijn tranen te bedwingen. Want ondanks de koelheid waarmee dit alles werd uitgesproken, wist ik welk een strijd hij had moeten leveren om zijn fixatie op prestige, waarvoor de nieuwste Mercedes zowat model stond, te laten varen. Ik legde mijn hand op zijn dij, wat een eerste stapje betekende om opnieuw met Richard te leven.
   ‘En dan is er vandaag nog iets gebeurd!’ vervolgde hij na een lange stilte. Ik had de indruk dat hij eventjes zijn adem inhield, wat weinig goeds voorspelde. Of anders was ik door de recente gebeurtenissen wat overgevoelig geworden. Bij het minste sloeg de schrik me om het hart. ‘Felicia is weggelopen!’
   ‘Wat!’
   ‘Daan heeft een ander lief!’
   ‘Dat is toch geen reden om van huis weg te lopen? Waar is ze?’
   ‘Weet ik veel! Vandaag of morgen komt zij wel weer met hangende pootjes terug!’
   Ik keek naar het einde van de weg, luisterde naar de woorden die gezegd bleven, volgde in gedachten de baan waarlangs mijn leven geleid werd, zonder dat er ooit rekening gehouden werd met mijn wens dat het anders zou zijn. Aan de journalist van het weekblad ‘Scandale’ zou ik verklaren dat een mens altijd de pias is van het toeval. ‘Dat Matthias werd ontvoerd, was louter toeval!’

Dat onze dochter verliefd werd op een jongeman die niet bij haar past: toeval! Dat we vanavond deze bomen langs de rijweg passeren: toeval!
   ‘Weet u mijnheer, misschien is het, om als individu niet steeds aan het kortste eind te trekken, belangrijk in te zien hoe met dat toeval om te gaan. Maar ik wil graag toegeven: nu mijn kind weer thuis is, heb ik mooi praten!’
   Ik keek naar de bomen langs de weg. Elke boom werd een voorbeeld, een toevallig model voor de werkelijkheid waar ik, of ik het leuk vond of niet, voorbij gejaagd werd. Misschien daardoor werd mijn kijken een vorm van accepteren, om de vlag van mijn wil te strijken, om me bij elke stand van zaken neer te leggen, hoe die er ook uitzag.
   Honderden bomen was ik op deze wijze toevallig gepasseerd.
   Toen zei Richard, half vragend: ‘Felicia wil graag kapster worden!’
   Ik liet nog enkele bomen passeren. Dan werd het tijd om ook hier de vlag van mijn wil te strijken. ‘Felicia is oud genoeg om te weten wat ze wil,’ besloot ik. ‘En ze is mijn dochter. Als zij graag kapster wordt... Wel, dan wordt zij kapster! Het is haar leven!’
   Boom. Boom. Toeval. Toeval.
   Ik wist dat Richard een andere toekomst met haar voorhad. Daar ik wist hoe het destijds bij de keuze van Umberto gegaan was, sloot ik een heftige reactie niet uit.
   Ik wachtte. Strekte mijn vingers. Ademde vastberadenheid in. Boom. Toeval. Boom. Toeval.
   ‘De tijden veranderen,’ zei Richard. ‘Vroeger gehoorzaamden wij onze ouders. Wij studeerden hard. Niet zozeer omdat het studiemateriaal ons erg interesseerde, of omdat we begaan waren met onze toekomst. Wij studeerden om aan de verwachtingen van onze ouders te beantwoorden.’
   Boom. Toeval. Boom. Toeval.
   Richard beklaagde zich. ‘Ik hield van mijn moeder en vader. En zij hielden van mij. Daarom kon ik hen niet teleurstellen! Uit liefde voor hen legde ik een claim op mijn leven, werd mijn toekomst gehypothekeerd. In feite heb ik het leven van mijn voorouders gewoon verder gezet. Ik vraag me af of dat wel goed is.’
   Boom. Toeval. Boom. Toeval.
   Toen begon Richard over de Orinoco uit zijn jeugd te vertellen. Ik had nog nooit van de Orinoco gehoord. Naar zijn uitleg is het een zilveren stroom te midden van een eindeloze groene hel waar je met een prauw overheen schiet. In zijn blinkende, voor zich uit starende ogen zag ik witte kraanvogels langs de oevers met duizenden tegelijk opvliegen. Uit zijn mond vernam ik het schreeuwen van brulapen in reusachtige kruinen. Ik keek naar zijn handen rond het stuur en zag hem als Tarzan langs vuistdikke lianen naar de hoogste bladerlagen klimmen, waar hij de hangende kolibries bewonderde en de zware trossen van de wilde orchidee en de koraalrode zeeën in de lucht ten westen. Het klonk allemaal fantastisch. Zeker. Maar mij maakte hij niks wijs! Het zit er ook vol slangen, panters, vogelspinnen, tseetseevliegen en ander dodelijk ongedierte. Bovendien smelt je ‘r weg van de hitte! Ik zei hem dat hij zijn valies mocht pakken. Ik bleef in België, bij mijn kinderen.
   ‘Nu is het te laat!’
   ‘Het is nooit te laat! Maar je twijfelt alweer. Je twijfelt tussen gek en verstandig. Dat is het! Je bent een eeuwige twijfelaar! Maar ik zal je helpen, lieverd!’ Ik legde mijn hand weer op zijn dij. ‘Eén gek in de familie is genoeg. Wees jij gerust verstandig!’

Rond schemeruur kwamen we thuis. Ik spoedde me naar Umberto die, te merken aan het kunstlicht dat langs het venster in een vierkant over het gazon viel, nog in zijn atelier moest zijn. Hij was juist bezig een doek voor te bereiden. Ik herkende de dierlijke stank van het product dat hij met een brede kwast over het ruwe linnen uitsmeerde.
   ‘Waar is Felicia?’ Umberto moest zeer direct moest worden aangepakt, wilde je iets van hem loskrijgen.
   ‘Bij Heidi!’
   ‘Ik dacht het al!’ Ik keerde me naar de deur om haar op te bellen.
   ‘Mama! Heidi gaat voortaan naar de kappersvakschool. Zij woont al een tijdje op een kamer in Gent!’
   ‘Wat wil je daarmee zeggen?’
   ‘Laat haar bij Heidi uithuilen. Zij komt wel weer naar huis!’
   ‘Je bedoelt dat ik niets meer tegen mijn dochter mag zeggen, dat ik haar ’r gang moet laten gaan?’ Het klonk zwaar dreigend.
   Niettemin knikte Umberto voorzichtig.
   Dat Umberto zich bemoeide, was nooit eerder voorgevallen. Zijn durf krenkte me. Ik stond op het punt om op mijn Italiaans tegen hem uit te varen. Mijn hijgende mond stond al open, maar doordat ik me moeilijk tegen mijn eigen zoon kon keren, tegen zijn onschuld en zijn goede bedoelingen ook, veranderde de opening tussen mijn lippen in de gapende bek van een dode vis.
   Er gebeurde iets anders. Hoewel Umberto toch al een paar maanden sprak, drong het nu pas ten volle tot me door dat hij niet langer een stomme jongen was. Ogenblikkelijk daalde er een soort van rust over me. Ik nam een stoel.
   ‘Moeten wij ons echt geen zorgen maken?’
   ‘Niet over Felicia! Je zult zien: als zij volgend jaar ook naar de… he… kappersvakschool mag, komt alles in kannen en kruiken!’
   ‘Het verwondert me dat jij zoveel vertrouwen hebt, Umberto. Hoe komt dat?’
   Mijn vraag maakte hem verlegen. Hij haalde de schouders op, stotterde zelfs een beetje. ‘Ik w... weet het niet! Ik heb er geen woorden v... voor! Het verbaast me altijd waarom anderen zo weinig vertrouwen hebben. Ik denk altijd: we zien wel!’
   ‘Richard is hier geweest. Wat heeft hij gezegd?’
   ‘Hij heeft mijn schilderijen bekeken. Daarna hadden we het over Felicia en over de kappersvakschool. En dat hij zich ermee verzoend heeft dat ik kunstenaar wil worden. Ook heeft hij me verteld over de machtige Orinoco en over het evenaarswoud in Brazilië, op de grens met...’ Umberto dacht na.
   ‘Ik weet waar de Orinoco ontspringt, waar hij zijn bedding heeft, waar hij uitmondt. Nee, niet in Zuid-Amerika! Want ook Richard leeft niet van brood alleen. Zoals ieder mens is hij de vreemdste gevangen vogel op onze planeet. Af en toe ziet hij de maan overdag. Soms laat hij ’s nachts de zon schijnen!’
   Vanuit mijn rustpunt aan de oever van de machtigste Orinoco keek ik naar mijn zoon zoals ik nooit eerder naar mijn zoon gekeken had. Hij kon nu wel spreken, maar ik zou nooit alles van hem geloven: zo zou hij altijd mijn stomme jongen blijven. En als hij ooit zal lopen, dan zou ik hem toch weer in zijn rolstoel duwen. Want Umberto was niet geschapen om te spreken of rond te lopen. Umberto was geschapen om te vliegen. Want schilderen, zoals hij het ter harte neemt, is vliegen.
   Mijn oog viel op het zelfportret met bloot bovenlijf, bovenop de ezel. Ik had het werk al eerder bekeken; daarom verbaasde het me dat ik de onduidelijke figuur op de achtergrond niet eerder had opgemerkt. ‘Hé, wat is dat? Een vleermuis?’
   ‘Zoiets, ja... Af en toe vliegt dat beest me in de nek en word ik door angstige gedachten opgevreten.’
   Tegen de muur leunde al een flink rijtje opgespannen doeken tegen elkaar aan.
   ‘Kun je nog wat laten zien?’
   ‘Dit straatje tussen enkele industriële gebouwen? ’s Levens hoekje, noem ik het.’ Umberto plaatste het werk, dat me van dichtbij eerder abstract voorkwam, voor het zelfportret. Door de breedte van de onderste steunrand lukte dit nog juist. Zijn wijsvinger wees naar de rode vlakken. ‘Dit hier zijn daken. Ik heb het hoekje gezien toen ik in de auto op Richard wachtte. Ik dacht: winter of zomer, hier komen steeds dezelfde mensen dagelijks voorbij, een heel leven lang. In de mate dat hun leven door zijn duur of door de aangroei van kennis vanzelfsprekender wordt, lijkt elk hoekje onbeduidender of onooglijker: zo gewoon dat het nauwelijks meer opvalt. Onze ogen en het gevoel zijn hun taak vergeten. Langs mijn geheugen trachtte ik dit hoekje weer in herinnering te brengen, opdat het opnieuw tot leven zou komen, en daarmee elk hoekje van ons bestaan.’
   ‘Schitterend! En wat een prachtig rood! Alsof het pas geregend heeft en de natte pannen een wonderbaarlijk licht weerkaatsen! Nee, dat hoekje zal me nooit vervelen. Als Richard het goedvindt, laat ik het inlijsten en hang het in de woonkamer.’
   Nadat ik de pracht van de Orinoco had aanschouwd, voelde ik de zachte, lieflijke dwang me weer naar mijn eigen dagelijks hoekje tussen het aanrecht en de keukenkast te verplaatsen. Vandaar keek ik naar mijn pratende zoon, naar de werkelijkheid van zijn mond en het vloeien van zijn woorden.

EINDE

zondag 7 december 2025

De Afwezigheid hoofdstuk 9: De Klacht van Vrouwen

‘Wat mannen altijd op vrouwen zullen voorhebben is hun penis,’ zei ik tegen twee van mijn beste vriendinnen, koploopsters van de vrouwenbeweging. Wij zaten in een ijssalon en lieten de kelner onze bestelling noteren: thee met pannenkoek.
   Natuurlijk waren zij het niet met me eens. Gerda beweerde dat het ‘nee’ van de vrouw evenveel recht heeft als het ‘ja’ van de man, enkel omdat deze zijn kwakje in haar kwijt wil. Sophie ging nog een stapje verder. ‘Wij vrouwen kwebbelen altijd maar over onze rechten,’ zei ze, verontwaardigd. ‘Dat is juist onze zwakheid! Wij zouden het eerder moeten hebben over de moed om ons ‘nee’ als een vlijmscherp wapen in de strijd te gooien. Kijk naar Machteld. Gister zag ik haar bij Waegemans. Zij moet geen vent. Zij voedt haar kind in ‘r eentje op.’
   ‘In afwezigheid van onze echtgenoten hebben we natuurlijk makkelijk praten. Maar die dwaze Machteld speelt het toch weer mooi klaar.’
   Gerda had dit goed begrepen. In plaats van gewoon toe te geven dat ik gelijk had, zei ze: ‘Een vrouw heeft geen keuze. Zij heeft een vent of zij heeft er geen. Zij is hem ter wille of zij is niemand!’
   Ik keek naar haar gezicht terwijl zij een sigaret opstak en zag haar in de slavinnenrol. Ik zag het malse, vochtige vruchtvlees van haar geverfde lippen waarmee zij zich aan zijn lusten onderwierp en onderging mijn spijt dat ik geen man was.
   Het ogenblik om haar erop te wijzen dat wij onze mannen niet nodig hadden, kon niet beter gekozen worden. En toch hield ik mijn mond. Toch hield ik met een misleidend lachje de schijn hoog dat ik, precies zoals zij, een ‘normale’ vrouw ben; ik bedoel: een vrouw wier behoefte om te vrijen uitsluitend op het andere geslacht gericht is.
   Onder dat ‘normale’ had ik al zwaar geleden. In het beste geval was mijn echtgenoot mijn heer en meester, was ik hem gewillig, spreidde ik mijn benen voor hem, besprong hij me als een reu. Als het dan voorbij was, wachtte ik geduldig tot hij me de rug toekeerde en begon te snurken, zodat ik het eigen zaakje ongestoord verder af kon werken. In het slechtst geval wachtte ik tot hij na middernacht thuiskwam en zijn slagen incasseerde als hij weer zwaar gedronken had. Maar in de meeste gevallen liet ik zijn pesterijen gewoon over me heen gaan, of liet ik hem de hele zondagnamiddag als dood in zijn fauteuil slapen, me beklagend over de verspilde uren, over de walgelijke uitstoot van zijn dronkenmanswinden.
   Vaak heb ik me ook verschrikkelijk boos gemaakt over zijn lompheid. Zo heb ik ooit een aardappelschiller in zijn arm geplant. Mijn bedoeling om de punt tussen zijn ribben te stoten, had het me in de gevangenis kunnen brengen. Sindsdien vergeet hij nooit me eraan te herinneren dat ik zijn brutale afweer, waarmee hij dit nog bijtijds kon verhinderen, dankbaar zou moeten zijn.
   Het beste is dat we ieder onze eigen gang gaan.
   Ik ken zijn loop. Ik had het Gerda en Sophie eerlijk moeten bekennen: na mijn vlijmscherp ‘nee’ grabbelt deze heer van de schepping in mijn portemonnee om wat het gezin toekomt aan de hoeren te verkwanselen. Als tegenprestatie laten die meiden hem in de gekke waan dat hij een hele piet is. Van mij mogen ze die sukkel met haar en huid opvreten.
   Maar nu heb ik nog niets over mijn eigen ‘abnormale’ loop gezegd, of over mijn loopsheid. Ik denk daar nu aan, omdat de ter sprake gekomen Machteld vroeger ook in de Kerkstraat woonde. Onze huizen leunden tegen elkaar aan. Door hun gemeenschappelijke scheidingsmuur en doordat de voorgevels zo sterk op elkaar leken, kon je van een Siamese tweeling spreken. Het enige onderscheid was de kleur van onze voordeur. Machteld had de hare zwart geverfd. Ik wilde in de ogen van de andere dorpelingen minder opvallen, en hield het bij wit.
   Eerlijk waar: dikwijls schaamde ik me voor Machtelds onhandigheid, haar ondoordachte of ruw kwetsende uitspraken, zodat ik meestal vermeed me in haar gezelschap te vertonen. Vaak was zij ook vreselijk koppig. Toen mijn voordeur klaar was, stond de verfpot nog voor driekwart vol. Daarom had ik voorgesteld haar deur precies eender te lakken. Maar omdat wit niet hetzelfde is als zwart, weigerde Machteld haar toestemming. En ik was boos weggelopen.
   Later liet zij zich dan weer van haar beste kant zien. Zo kwam ze naar me toe met een in haar oven gebakken appeltaart. Aangezien de voordeur nog niet droog was, kwam ze langs de tuin en klopte aan tegen mijn venster. Ik zal ‘t nooit vergeten! Zonder één woord duwde zij het gebak in mijn handen. En kijk, ik had haar nog niet bedankt of ze was er alweer vandoor. En dat wilde ik niet. Ik liep haar achterna, trok haar bij de arm, vroeg of we samen een kopje thee zouden drinken. Zij knikte. En dat werd - hoe zal ik het omschrijven? - het begin van een moeilijke vriendschap. Want Machteld is altijd stroef in de omgang geweest en zelf ben ik ook niet als iedereen.
   Dat Machteld moeite heeft zich verstaanbaar te uiten, is zeker niet het gevolg van een of ander spraakgebrek, maar doordat ze is opgegroeid op een eenzame boerderij tussen haar stille, hardwerkende vader en moeder.
   Ons eerste gesprek ging over recepten voor gebak, waarbij ik meestal aan het woord bleef.
   Een paar dagen later nodigde ik haar alweer uit. Het gebeurde op een loze namiddag. Ik keek over de heg en zag haar bezig wasgoed aan de lijn te hangen. De hemel was effen grijs, de lucht windstil. Hugo was uit werken en Robbie zou nog twee uur van school wegblijven. Ik voelde me helemaal dood van binnen; misschien daardoor overviel het zien van haar boerse vitaliteit me zo genadeloos, bracht het mij in zo grote verwarring dat ik mijn hand werktuiglijk naar de keel bracht en naar adem snakte. Mijn ogen volgden haar kloeke romp die zich na elke buiging krachtig oprichtte om een stukje nat linnen met gestrekte arm naar de waslijn te brengen. Altijd had ik het lichaam van een vrouw mooier gevonden en meer bemind dan dat van een man, maar nooit eerder had het zien ervan me zo overrompeld. Voor het eerst besloot ik mezelf echte gevoelens toe te staan: ongeoorloofde gevoelens, gevoelens waar ik al vanaf mijn prille kindertijd tegen had gevochten. En meteen was het of er een juk af mijn schouders viel. Ik stond mijn ogen toe dat ze als tastende handen langs de rondingen van haar mollig lijf gleden. Ik stond mijn gedachten nog meer toe. Ik stond toe dat mijn remmingen ontkracht werden door blinde overgave en door een wellust van de heetste soort. Maar ik zag ook dat er veel tijd en moeite nodig was om het zover te krijgen dat zij niet van me weg zou lopen.
   Het begon alles bij een kop thee. Terwijl ik langzamerhand binnen in haar wereld drong, vernam ik de reden waarom Machteld in het dorp was komen wonen. Zij koesterde wrok jegens haar ouders. Ze beweerde dat die haar altijd te kort hadden gehouden, dat zij hun enige dochter enkel zagen als een gratis werkkracht op de boerderij, - nooit als een jong meisje met haar eigen dromen over een toekomstig gezin.


Ik vernam dat het voor een vierendertigjarige boerin die wel erg bedreven is in koeien melken, maar verder nooit een ander beroep heeft uitgeoefend, niet makkelijk is om werk te vinden. Een paar maanden kon ze aan de slag in een koekjesfabriek te Herentals. Maar dan moet daar iets misgegaan zijn. Machteld beweerde dat ze er vrijwillig was opgestapt, zogenaamd omdat de opzichter handtastelijk werd. Maar van mijn neef Ronald, die daar ook werkzaam is, kreeg ik later te horen dat ze een hele lading koekjes fout had ingepakt.
   Machteld redde zich wel. Zij ontving een werkloosheidsuitkering. Daarnaast verrichtte ze nog wat zwartwerk als poetsvrouw.
   Ik won haar vertrouwen. Als we alleen waren, flapte zij er alles uit. ‘Alsjeblief, hou het tussen ons!’ zei ze telkens. Vooral als het over haar onwettige inkomsten ging, vergat zij nooit me dit op het hart te drukken. Daarna was het mijn beurt voor een bekentenis, voor een mededeling waarvan niemand lucht mocht krijgen; wat tot gevolg had dat ze op de beide oren kon slapen.
   Zo vertelde ik haar over mijn huwelijk en hoe vreselijk het me had teleurgesteld. Hugo was een knoeier. Hij knoeide in het echtelijk bed, op zijn werk, op zijn duivenkot. Hugo was een zatlap, een bruut, een botterik. Hugo liep naar andere vrouwen. Zoals de meeste mannen was hij een voyeur: hij bekeek heimelijk pornografische foto’s. ‘Ik zal ze wel eens laten zien! Op een andere keer, als we meer tijd hebben. Dadelijk komt Robbie thuis!’
   Zoals ik zei: ik drong dieper binnen in Machtelds wereld.
   Op een dag stond ze huilend voor mijn venster. Bij het openen van de deur zag ik een met bloed besmeurd vachtje in haar gevouwen armen. Ik ontfermde me over haar. Drukte haar hoofd met een grote liefde tegen mijn borst. Onder opwellende tranen snakte ik dat we voor haar overreden poesje een houten kistje zouden timmeren en dat we het mooiste plekje in de tuin zouden uitzoeken om haar te begraven. Onnodig haar te zeggen dat ik me voor iets anders liet gaan. Zij wist alles over het oude zeer dat al zolang op mij drukte. Dat ik mijn leven aan de zijde van Hugo verspilde. Dat Robbies horrelvoet als een molensteen om mijn nek hing. Dat ik een vrouw was met kapotte dromen. Wij zaten met hetzelfde verdriet.
   Het duurde even eer Machteld in staat was zekere kracht in mijn woorden te vinden.
   ‘Wanneer doen we dat, Josephine?’ Achter haar gesnotter, haar verwrongen gezicht, ontdekte ik dankbaarheid en het begin van een glimlach.
   ‘Morgen! Als Robbie naar school is!’
   De volgende dag haalde ik mijn slag thuis.
   Ondanks zijn bezwaren had Hugo een kistje getimmerd, - in een uitheemse houtsoort nog wel. En daar had Machteld haar Minoetje behoedzaam ingelegd, met haar voorste pootjes vroom tegen elkaar aan, alsof ze bezig was een poezengebedje op te zeggen. Het gebeurde allemaal in het grootste stilzwijgen: het bevestigen van een elastiekje rond de verstijfde pootjes, nadat gebleken was dat de ledematen te verstijfd waren om in de door Machteld gewenste houding te blijven, het vastspijkeren van het deksel, het bedekken van de kist door zwarte kluiten, de inplanting van een houten kruis op het hoopje aarde.
   Zonder een woord te uiten, waren we het er daarna over eens om bij mij een lekkere borrel te drinken. Ik had nog een halve fles likeur.
   Zoals dat gaat na een begrafenis, voelden wij ons getroost door de aanwezigheid van overlevenden. Ik ging naast haar op de bank zitten en trok haar liefdevol tegen me aan. Daar Machteld het liet welgevallen, begon mijn hand haar zachtjes te bewerken, zoals ik altijd al had willen doen. Eerst gingen mijn vingers over haar kleren, over haar buik en knieën; later baanden zij zich een weg tussen haar ondergoed.


Ik had de draperieën dicht moeten schuiven, maar omdat ik niet de indruk van voorbedachtheid wilde wekken, waagde ik het erop dat de hoge rugleuning ons via de straatkant voldoende tegen ongewenste blikken zou beschermen. Ik drukte mijn hoofd tussen haar ontblote dijen. Gelukkig had Machteld het risico ook begrepen: ineens kwam een belangrijk initiatief van haar. Zij vroeg niet om ermee op te houden, nee! Zij vroeg me om de draperieën te sluiten, wat erop neerkwam dat ze het lekker vond wat ik deed, en er volmondig mee instemde.
   Dit sluiten van de draperieën overdag werd voor mij dra het symbool dat tussen ons het hek nu helemaal van de dam was. Nog geen week later gebeurde het voor de tweede keer. Ditmaal waren het Machtelds draperieën.
   De aanleiding was een poesje dat pas het nest verlaten had en dat ik Machteld wilde schenken om Minoe op te volgen. Mijn vriendin draaide het beestje op de rug en ontdekte al bij de eerste oogopslag dat het om een katertje ging. ‘Geeft niet!’ lachte ze tevreden. ‘Dan noem ik hem gewoon Pitoe!’
   Nog een aanleiding vormden de gaten in haar slips waarvoor zij weinig oog had. Het viel me op dat haar wollen ondergoed zo tot de draad versleten was dat het beter als poetsdoek zou gebruikt worden. Daarom bracht ik haar van een lingeriezaak in Oostmalle af en toe wat nieuws mee, iets frivools dat zij dan voor mijn ogen zou aantrekken.
   Eens het zover was, vonden we altijd wel een reden om overdag bij elkaar te komen en de draperieën te sluiten. Tenslotte hadden wij zelfs geen aanleiding meer nodig. Machteld nam me gewoon naar haar slaapkamer waar de blinden altijd dicht bleven.
   Het liedje was zeker te mooi! Tussen ons bleef het van een leien dakje gaan. Maandenlang. Misschien wel een heel jaar! Tot Machteld op zekere dag een zeeman leerde kennen, genaamd Nelson. Ik heb nooit met de man kennisgemaakt. Heb hem nooit ontmoet! Nooit gezien! Ik zou ‘t ook niet willen. Hij heeft mijn vriendin in het ongeluk gestort. Daarvoor ben ik nog altijd spinnijdig op hem.
   Zij had hem ontmoet in Scherpenheuvel, tijdens een dagje uit met de andere buren. Ik had ook wel van de partij willen zijn, maar Robbie was ziek. Jammer! Anders had ik haar misschien nog tijdig kunnen afleiden naar de kruisweg achter de basiliek.
   Na een paar dagen was Nelson naar zijn schip vertrokken. Machteld sprak nooit over hem. Maar haar gedachten volgden hem over zee. Want voor het eerst begon ik iets aan haar te ondervinden. Zo vroeg ze me of ik voortaan bij alles het initiatief wou nemen. Ook kon ik haar nooit meer gewoon verlaten. Voor het eerst zat zij met een schuldcomplex; en dan moest ik, om haar eroverheen te helpen, telkens weer overvloedig blijk geven van mijn genegenheid of met eindeloos geduld naar haar luisteren. Terwijl we volop bezig waren elkaar te bevoelen, vroeg ze me om het kruisbeeld aan de muur naar een andere kamer te brengen. Soms vroeg ze me haar met een touw vast te knopen en haar te slaan, haar heel hard te slaan. Maar die dwaze wens heb ik slechts één keer ingewilligd. Daarna nooit meer! Want het is verschrikkelijk om iemand die je liefhebt pijn te doen.
   Anderzijds heeft de komst van Nelson op onze relatie ook wel een gunstig effect gehad. Door haar schuldcomplex voelde ik me meer met haar lot begaan. Deze vereenzaamde vrouw moest geholpen worden, beschermd en begeleid; en daarvoor was ik graag bereid het grootste deel van mijn persoonlijke verlangens opzij te schuiven. Dit onbaatzuchtige veranderde mijn kijk op haar. Eindelijk durfde ik me met Machteld in het openbaar te vertonen. Voor de buitenwereld hadden wij iets van twee onschuldige vriendinnen.
   Als haar beste vriendin was ik erbij wanneer zij af en toe haar afgeleefde ouders bezocht. Zo herinner ik me de laatste keer, op een mooie dag in de zomer. Wij hadden gepicknickt in de weiden en keerden met de fiets langs de beemden naar huis. Tussen de bomen in de verte ontdekten wij de daken van haar ouderlijke hoeve. Haar gezicht werd door een zorgelijke trek verduisterd.


Bij het volgende zandpad sloeg ze af. ‘Je raakt wel thuis!’ riep ze, zonder verder naar me om te kijken. Ik probeerde haar in te halen, wat nauwelijks lukte.
   Zwaar hijgend en badend in het zweet, bereikten we de boerderij. Ik plaatste mijn fiets tegen die van Machteld en volgde haar langs de voordeur naar de woonkamer. In de donkere koelte werd ik eventjes door een zwarte duizeling bevangen. Ik greep de rugleuning van een stoel en ging zitten.
   Het eerste dat ik zag bewegen, was Machtelds blinde moeder. Als gewoonlijk zat zij op een stoeltje bij het haardvuur aardappelen te schillen. Ik stond op om die oude vrouw, zoals ik de vorige keren ook had gedaan, met een handdruk te begroeten. Ofschoon ze alweer geen woord zei, verzuimde ik niet er iets vriendelijks aan toe te voegen.
   Daarna liep ik naar Machteld. Zij boog zich over een bed dat onder het invallende licht van een venstertje in de hoek van de woonkamer stond opgesteld. Gaandeweg onderscheidde ik de verhevenheid van een lichaam onder de slappe dekens en het naar boven gerichte, uitgemergelde hoofd van haar vader. Ik hoorde hem met veel moeite een vraag bijeenschrapen en werd er weer aan herinnerd dat Machteld eigenlijk Marthe heette.
   ‘Ja, morgen!’ antwoordde Marthe.
   Doordat ze mij met een woeste blik aankeek, bleef ik op een afstand.
   ‘Hij wil dat we het hooi binnenhalen,’ zei ze, terwijl ik haar volgde naar de keuken. Ik zag hoe ze met kloeke armen de zwengel van de handpomp bediende en een dikke straal water in de fluitketel deed stromen. Daarna plaatste zij de ketel op het fornuis en joeg er een hevige gasvlam onder. In afwachting dat het water kookte, gooide zij de keukenkast open. Zij greep een paar bokalen waarop allerlei twijgjes, blaadjes, bloempjes stonden afgebeeld. Eén ervan herkende ik als de bloesem van een vlierstruik.
   ‘Zou je niet een dokter laten komen? Zijn toestand lijkt me ernstig.’
   ‘Dat zullen we morgen zien!’
   Omdat Machteld zo bits reageerde, keerde ik terug naar de woonkamer. Vandaar hoorde ik haar een hele tijd bezig de vreselijke boel in de keuken op te ruimen. Even nadat de ketel had gefloten, hoorde ik een straal water en daarna het gekletter van potten en pannen. Ik veronderstelde dat zij in haar eentje begonnen was met de vaat. Aangezien ik begreep dat ze mijn hulp niet langer durfde inroepen, besloot ik haar rothumeur te negeren door uit eigen beweging een handje toe te steken.
   Ik verscheen opnieuw in de deuropening en zag Machteld nog juist een paar blauwe pillen bij de thee gooien. Als haar gezicht niet onmiddellijk de uitdrukking had gekregen van iemand die op heterdaad wordt betrapt, zou ik er niet de geringste aandacht aan hebben geschonken. ‘Wat zijn dat voor pillen?’
   Met het eenvoudigste antwoord zou ik al tevreden zijn geweest. Maar Machteld drukte haar lippen venijnig op elkaar, zette twee grote kommen thee verbeten zwijgend op een dienblad en bracht ze naar haar ouders.
   Daarna probeerde zij me af te leiden. Ineens werd ze poeslief. ‘Wil jij ook iets drinken?’
   Ik ben dol op koffie. En vorige keer had ik hier ook koffie gedronken, maar dat zou ik nooit meer doen. De koffie was lauw. En de kommen waarin hij geschonken werd, oogden vies.
   ‘Heb je nog een kwartier?’ vroeg ze, alweer poeslief. ‘Ja? Dan veeg ik het stof bijeen.’
   Terwijl ik wachtte, zag ik haar ouders gewoon van de thee slurpen. De moeder had de mand aardappelen opzijgezet en nu vroeg zij me haar het breiwerkje op tafel aan te reiken, terwijl de vader na de thee met een rustige adem naar dromenland vertrok.
   ‘Morgen zullen we samen het hooi binnenhalen,’ zei Machteld, toen we later weer op onze fiets stapten. Het idee om met een boerendeern op de hooizolder te ravotten bekoorde me genoeg om onmiddellijk op haar voorstel in te gaan. Maar dit betekende niet dat ik het voorval met die blauwe pillen van me had afgezet.
   Terwijl we de eerste huizen van het dorp passeerden, kwam ik er voorzichtig op terug. ‘Vertel eens eerlijk aan je beste vriendin: wat heb je in de thee gedaan?’
   ‘Kruiden!’ riep Machteld. ‘Geneeskrachtige kruiden! En wil je er nu eindelijk eens over ophouden! Ik word het stilaan beu! Straks vertel ik heel het dorp hoe je elke dag met mij rotzooit!’ Tegelijk duwde ze zo hard op haar pedalen dat ze onmiddellijk een eind vooruitschoot. Dit keer liet ik haar verder voor me uit rijden. Tot ze een stip werd.
   De volgende dag hoefden wij het hooi niet binnen te halen: haar ouders waren dood. En aan onze vriendschap kwam ook een einde. Machteld verhuisde naar de boerderij.

Na Sophies opmerking over Machtelds zelfstandigheid, bracht de kelner de pannenkoeken. Terwijl we ze, zoals het beschaafde dames past, met gesloten mond verorberden, had zich een diepe kloof voor me geopend waarin ik die hulpeloze Machteld met haar baby moederziel alleen op de bodem zag. Ik dacht aan onze laatste ontmoeting in de bus naar Antwerpen, aan mijn belofte om haar in september op te zoeken, en kijk: mijn dood hart begon weer te gloeien. Het joeg op als een vreugdevuur, zodat het me verbaasde waarom ik mijn bezoek zolang had uitgesteld.
   Pas veel later kwam het besef dat ik Gerda en Sophie de waarheid had moeten vertellen! De waarheid over Machteld, en dus ook de waarheid over mij! Want toen Sophie haar leeg bord een weinig voor zich had uitgeschoven en zich na een slok thee tot mij wendde met de vraag: ‘Zou het waar zijn, Josephine? Zou Machteld haar ouders heus vergiftigd hebben?’ Wel, toen week het antwoord in niets af van mijn eerdere verklaringen. Op een niet minder vastbesloten toon bleef ik het ook nu weer herhalen: ‘Praatjes! Allemaal lasterpraatjes van afgunstige dorpelingen!’
   Ons gesprek kabbelde gewoon verder. Zo was het daarna weer de beurt aan Gerda: ‘Zeg eens Sophie, jij bent haar dus bij Waegemans gezien! Heeft zij een jongen? Of is ‘t een meisje?’
   ‘Een jongen! Jammer, zij had haar kind niet bij zich. Het sliep. Daarom had ze ervan geprofiteerd om gauw inkopen te doen.’

   Vandaag, de negentiende september, is het zover. Na onze jaarlange scheiding haast ik me per fiets op weg naar de boerderij. Het mag gezegd dat de weersvoorspellingen kloppen. Naar verluidt wordt de kust door een gevaarlijke springvloed bedreigd. Wel, dat geloof ik best, want in het binnenland stormt het niet minder. Op mijn fiets kom ik nauwelijks vooruit; gelukkig troost de gedachte me dat ik straks de wind mee heb.
   In mijn fietstas zitten twee leuke pakjes. In het éne zit een blauw hanshopje voor een baby tot een jaar. Het andere bevat een set satijnen lingerie voor een volle dame als Machteld. In gedachten ben ik nu al bezig het initiatief te nemen. ‘Vooruit meisje, trek dat spul eventjes aan! Als het niet past, kom je terug voor de volgende maat, - had de winkeljuffrouw zelf aangeboden.'
   Verder hoor ik enkel het ruisen van de wind in de bomen en zie ik niets anders dan het verlaten zandpad dat in de verte naar de sombere hoeve leidt.
   Ondanks de tegenwind haast mijn initiatief zich moeiteloos vooruit. Misschien, als we straks na dat verloren jaar weer in elkaars armen gelukkig worden, fluister ik haar in ‘t oor: ‘Als jij het zegt Machteld, dan kom ik morgen terug! Dan wil ik voortaan zelfs twee tot drie keer per week langskomen! Volgend schooljaar gaat Robbie in Gent studeren. Dan ben ik helemaal vrij! Als jij het zegt Machteld, wil ik alle praatjes in het dorp aan mijn laars lappen! Dan trek ik met het kapitaaltje dat ik vorige week van mijn tante Albertine heb geërfd, bij jou in! Dan zijn we voor altijd samen! Dan halen we samen het hooi naar binnen! Dan zorgen we samen voor je zoontje. Dan verschillen wij in niets meer van een getrouwd stel!’
   Hijgend zet ik door, probeer ik het dwaze gevoel van me af te zetten dat ik nooit bij die donkere, stenen wallen zal geraken. Ik roep tegen de wind dat hij me niet terugdrijft, dat ik geen terrein verlies. Daarmee probeer ik mezelf ervan te overtuigen dat ik geen drievoudige zottin ben.
   Dat ik mijn fiets eindelijk tegen de oude graanschuur plaats en over het verlaten erf loop, betekent veel voor mij. Het betekent dat ik mijn gekte heb overwonnen. Maar nu lijk ik weer te worden belaagd door een beklemmende stilte en door het angstige gevoel door onzichtbare ogen te worden begluurd.

De deur naar de woonkamer is op slot. Ik raak in paniek. Probeer me te redden. Mijn samengedrukte borst opent zich voor haar naam, wijd over het erf: ‘Machteld!’ Daarna probeer ik het nog luider: ‘Marthe!’
   Terwijl ik mijn adem inhoud en het einde van mijn eigen alarmkreet beluister, worden mijn voeten een lichte trilling gewaar. Ik sta op het stalen rooster boven een keldergat.
   ‘Dame! Dame!’
   Ik spring meters ver weg. Was dat een stem? Ja, want de klanken houden niet meer op. ‘Dame, alsjeblief, schrik niet!’
   Eerst herhaalt de stem zachtjes: ‘Kom terug!’ Als ik niet gehoorzaam, begint hij te loeien: ‘Dame, alsjeblief, kom terug! Ik ben Nelson. Ik moet hier gauw uit! Ik stik! Lig hier als een beest in mijn eigen uitwerpselen!’
   Schoorvoetend keer ik terug, loer door het traliewerk naar de duisternis van een ondergronds rijk en zie de opengesperde ogen van een bebaarde man met kale kop. Een walgelijke lucht doet mij kokhalzen. ‘Waar is Machteld?’
   ‘Weet ik veel! Misschien naar de boomgaard! Appels plukken! Dat wijf is helemaal getikt! Ik zit hier al weken opgesloten! Haal me eruit voor ik stik!’ De vreselijke baardman hijst het vierkante rooster omhoog. Het is langs de binnenkant bevestigd met een ketting die dadelijk spant. De ontstane vrije ruimte is te klein om erlangs te ontsnappen. ‘Gauw! Haal een balk!’ hijgt hij.
   ‘Een balk? Waar moet ik die vinden?’
   ‘Achter de hooischuur! En breng ook een houtklomp mee!’
   ‘Een houtklomp?’
   ‘Die gebruik je als kantelpunt voor de hefboom!’
   Ik snap er niks van. Maar ik besef dat de toestand van die baardman inderdaad zorgwekkend is en dat ik geen tijd mag verliezen. En daarom haast ik me naar de schuur.
   Als ik terugkom, luister ik naar Nelsons instructies.
   Hij hijst het rooster zo hoog tot de ketting weer gestrekt is. ‘Vlug de balk ertussen! Dat is een! Nu hef je de balk en schuif je met een voet de houtklomp eronder, zo dicht mogelijk bij het keldergat. Begin maar!’
   Pas nu begrijp ik wat die afschuwelijke Nelson voorheeft. Ik moet een hefboom vormen en het rooster uit het gat lichten! Door de dikte van de ketting heb ik mijn twijfels. Maar hoewel ik mijn twijfels heb, doe ik precies wat hij zegt. Ik schuif de houtklomp tot bij het keldergat en laat de balk vallen. Daarna ga ik er op het uiteinde met het volle gewicht op staan. Doordat ik spring begint de balk te wiegen. Plotseling raakt het uiteinde met een klap de grond.
   Ik zie de afschuwelijke baardman het rooster met ketting en de losgekomen haak weggooien en moeizaam uit het keldergat klauteren. Ik sta op het punt naar mijn fiets te hollen om met behulp van de wind razendsnel weg te rijden en nooit meer, nooit meer, naar deze ongeluksplek terug te keren! Maar door me om te draaien, stoot mijn buik tegen een lange tweeloop, met Machteld aan de andere kant.
   ‘Stom wijf!’ schreeuwt ze. Dit is mijn Machteld niet, denk ik. Dit is het kreng naast wie ik een tijd geleden in de bus zat! Ik zie dat zij de baardman eveneens in bedwang houdt, want hij staat met zijn rug tegen de muur.
   ‘Ik ga naar huis,’ zeg ik.
   ‘Hier komt niemand levend vandaan, heb je dat gehoord?’
   ‘Doe wat ze zegt, dame,’ fluistert de baard. ‘Zij is getikt!’

Nu ik zijn kop in de openlucht zie, lijkt hij minder afschuwelijk en verdient hij zijn menselijke naam: Nelson.
   Ik koester de hoop Machteld met gewone praatjes tot rede te brengen, iets waarin mannen doorgaans minder sterk bedreven zijn. Hoe worden de koppensnellers in het oerwoud tot rede en vrede gebracht? Met cadeautjes natuurlijk!
   ‘Machteld, ik breng een leuk geschenk voor je! En ook voor je kind! Waar is het trouwens?’
   Zij zwenkt met haar geweer in de richting van de weide. Hé, zie ik daar een rondlopende kleuter! Hij gooit de gouden appel in zijn beide handjes voor zich uit over het gras.
   ‘Wat een mooi kind! Hoe heb je het genoemd?’
   ‘Matthias!’
   De klank van haar stem verraadt dat ze trots is op haar dreumes. Ik moet proberen haar verder aan het lijntje te houden. Nog vijf minuten, en ik heb haar helemaal op de hand!
   Machteld kijkt om. Haar aandacht word getrokken door het ronken van een naderende auto. Het ronken stijgt uit boven het geruis van de wind in de kruin boven ons hoofd.
   De bestuurder heeft opgemerkt wat hier gaande is, want aan de rand van de weide komt de wagen tot stilstand en wordt de motor stilgelegd. Een kleine Fiat. Neef Ronald heeft er ook zo een. Terwijl ik me afvraag wat er gaat gebeuren, krijgen we nog meer geronk. Ik kijk langs het struikgewas en zie een naderende politiecombi achter het Fiatje stilhouden.
   ‘Jij… jij smerige verraadster!’ krijst Machteld. ‘Ik zal je omver knallen!’
   Als zij aanlegt, laat ik me als een vormeloze zak op de grond vallen, de armen rond het hoofd. Mijn gezicht, vertrokken tot een vieze varkenssnuit, huilt: ‘Niet doen! Alsjeblief, Machteld!’
   Tezelfdertijd versplintert een oorverdovende knal de lucht. Verbaasd dat ik nog leef, kijk ik op en zie hoe Machteld haar geweerloop naar een bewegend doel in de weide richt. Ik zie een vrouw naar het kind hollen. Een tweede schot galmt over het erf. De vrouw valt neer. Dan zie ik hoe Nelson zich met de afschuwelijke kop van een vampier gierend op Machteld stort. De vuile, behaarde klauwen van het krijsende beest sluiten in een wurggreep rond haar nek. Haar gezicht wordt rood en blauw. Aangezien ’t gevaar geweken is, probeer ik dat monsterachtige lijf van haar weg te trekken. Mijn handjes blijken te klein en slap.
   Als Machteld al purper ziet, treft een agent hem met zijn matrak op de kale knikker. Nelson wil zich tegen de agent keren, maar als hij ziet dat er nog drie mannen in uniform komen toegesneld, steekt hij in een verzoenend gebaar zijn handen naar voren. ‘Oké! Het is al goed,’ zegt hij sussend.
   Ik probeer de situatie te overzien. Machteld hangt tegen de gevel naar adem te snakken. De neergeschoten vrouw wordt door een vent in burger van de grond getild en naar de politiecombi overgebracht. Ik heb de indruk dat hij zachtjes tegen haar praat.
   Machteld wordt in de boeien geslagen. Ik wil op mijn fiets stappen, maar een van de politiemannen beveelt me eerst met hem mee te komen voor een verklaring.
   Terwijl ik na Nelson in de dienstwagen stap, komt de burgerman met de peuter aandragen.
   ‘Ik breng de kleine meteen naar zijn moeder,’ zegt hij tegen de agenten. ‘Zie jullie tegen zessen op kantoor!’