‘Wat mannen altijd op vrouwen zullen voorhebben is hun penis,’ zei ik tegen twee van mijn beste vriendinnen, koploopsters van de vrouwenbeweging. Wij zaten in een ijssalon en lieten de kelner onze bestelling noteren: thee met pannenkoek.
Natuurlijk waren zij het niet met me eens. Gerda beweerde dat het ‘nee’ van de vrouw evenveel recht heeft als het ‘ja’ van de man, enkel omdat deze zijn kwakje in haar kwijt wil. Sophie ging nog een stapje verder. ‘Wij vrouwen kwebbelen altijd maar over onze rechten,’ zei ze, verontwaardigd. ‘Dat is juist onze zwakheid! Wij zouden het eerder moeten hebben over de moed om ons ‘nee’ als een vlijmscherp wapen in de strijd te gooien. Kijk naar Machteld. Gister zag ik haar bij Waegemans. Zij moet geen vent. Zij voedt haar kind in ‘r eentje op.’
‘In afwezigheid van onze echtgenoten hebben we natuurlijk makkelijk praten. Maar die dwaze Machteld speelt het toch weer mooi klaar.’
Gerda had dit goed begrepen. In plaats van gewoon toe te geven dat ik gelijk had, zei ze: ‘Een vrouw heeft geen keuze. Zij heeft een vent of zij heeft er geen. Zij is hem ter wille of zij is niemand!’
Ik keek naar haar gezicht terwijl zij een sigaret opstak en zag haar in de slavinnenrol. Ik zag het malse, vochtige vruchtvlees van haar geverfde lippen waarmee zij zich aan zijn lusten onderwierp en onderging mijn spijt dat ik geen man was.
Het ogenblik om haar erop te wijzen dat wij onze mannen niet nodig hadden, kon niet beter gekozen worden. En toch hield ik mijn mond. Toch hield ik met een misleidend lachje de schijn hoog dat ik, precies zoals zij, een ‘normale’ vrouw ben; ik bedoel: een vrouw wier behoefte om te vrijen uitsluitend op het andere geslacht gericht is.
Onder dat ‘normale’ had ik al zwaar geleden. In het beste geval was mijn echtgenoot mijn heer en meester, was ik hem gewillig, spreidde ik mijn benen voor hem, besprong hij me als een reu. Als het dan voorbij was, wachtte ik geduldig tot hij me de rug toekeerde en begon te snurken, zodat ik het eigen zaakje ongestoord verder af kon werken. In het slechtst geval wachtte ik tot hij na middernacht thuiskwam en zijn slagen incasseerde als hij weer zwaar gedronken had. Maar in de meeste gevallen liet ik zijn pesterijen gewoon over me heen gaan, of liet ik hem de hele zondagnamiddag als dood in zijn fauteuil slapen, me beklagend over de verspilde uren, over de walgelijke uitstoot van zijn dronkenmanswinden.
Vaak heb ik me ook verschrikkelijk boos gemaakt over zijn lompheid. Zo heb ik ooit een aardappelschiller in zijn arm geplant. Mijn bedoeling om de punt tussen zijn ribben te stoten, had het me in de gevangenis kunnen brengen. Sindsdien vergeet hij nooit me eraan te herinneren dat ik zijn brutale afweer, waarmee hij dit nog bijtijds kon verhinderen, dankbaar zou moeten zijn.
Het beste is dat we ieder onze eigen gang gaan.
Ik ken zijn loop. Ik had het Gerda en Sophie eerlijk moeten bekennen: na mijn vlijmscherp ‘nee’ grabbelt deze heer van de schepping in mijn portemonnee om wat het gezin toekomt aan de hoeren te verkwanselen. Als tegenprestatie laten die meiden hem in de gekke waan dat hij een hele piet is. Van mij mogen ze die sukkel met haar en huid opvreten.
Maar nu heb ik nog niets over mijn eigen ‘abnormale’ loop gezegd, of over mijn loopsheid. Ik denk daar nu aan, omdat de ter sprake gekomen Machteld vroeger ook in de Kerkstraat woonde. Onze huizen leunden tegen elkaar aan. Door hun gemeenschappelijke scheidingsmuur en doordat de voorgevels zo sterk op elkaar leken, kon je van een Siamese tweeling spreken. Het enige onderscheid was de kleur van onze voordeur. Machteld had de hare zwart geverfd. Ik wilde in de ogen van de andere dorpelingen minder opvallen, en hield het bij wit.
Natuurlijk waren zij het niet met me eens. Gerda beweerde dat het ‘nee’ van de vrouw evenveel recht heeft als het ‘ja’ van de man, enkel omdat deze zijn kwakje in haar kwijt wil. Sophie ging nog een stapje verder. ‘Wij vrouwen kwebbelen altijd maar over onze rechten,’ zei ze, verontwaardigd. ‘Dat is juist onze zwakheid! Wij zouden het eerder moeten hebben over de moed om ons ‘nee’ als een vlijmscherp wapen in de strijd te gooien. Kijk naar Machteld. Gister zag ik haar bij Waegemans. Zij moet geen vent. Zij voedt haar kind in ‘r eentje op.’
‘In afwezigheid van onze echtgenoten hebben we natuurlijk makkelijk praten. Maar die dwaze Machteld speelt het toch weer mooi klaar.’
Gerda had dit goed begrepen. In plaats van gewoon toe te geven dat ik gelijk had, zei ze: ‘Een vrouw heeft geen keuze. Zij heeft een vent of zij heeft er geen. Zij is hem ter wille of zij is niemand!’
Ik keek naar haar gezicht terwijl zij een sigaret opstak en zag haar in de slavinnenrol. Ik zag het malse, vochtige vruchtvlees van haar geverfde lippen waarmee zij zich aan zijn lusten onderwierp en onderging mijn spijt dat ik geen man was.
Het ogenblik om haar erop te wijzen dat wij onze mannen niet nodig hadden, kon niet beter gekozen worden. En toch hield ik mijn mond. Toch hield ik met een misleidend lachje de schijn hoog dat ik, precies zoals zij, een ‘normale’ vrouw ben; ik bedoel: een vrouw wier behoefte om te vrijen uitsluitend op het andere geslacht gericht is.
Onder dat ‘normale’ had ik al zwaar geleden. In het beste geval was mijn echtgenoot mijn heer en meester, was ik hem gewillig, spreidde ik mijn benen voor hem, besprong hij me als een reu. Als het dan voorbij was, wachtte ik geduldig tot hij me de rug toekeerde en begon te snurken, zodat ik het eigen zaakje ongestoord verder af kon werken. In het slechtst geval wachtte ik tot hij na middernacht thuiskwam en zijn slagen incasseerde als hij weer zwaar gedronken had. Maar in de meeste gevallen liet ik zijn pesterijen gewoon over me heen gaan, of liet ik hem de hele zondagnamiddag als dood in zijn fauteuil slapen, me beklagend over de verspilde uren, over de walgelijke uitstoot van zijn dronkenmanswinden.
Vaak heb ik me ook verschrikkelijk boos gemaakt over zijn lompheid. Zo heb ik ooit een aardappelschiller in zijn arm geplant. Mijn bedoeling om de punt tussen zijn ribben te stoten, had het me in de gevangenis kunnen brengen. Sindsdien vergeet hij nooit me eraan te herinneren dat ik zijn brutale afweer, waarmee hij dit nog bijtijds kon verhinderen, dankbaar zou moeten zijn.
Het beste is dat we ieder onze eigen gang gaan.
Ik ken zijn loop. Ik had het Gerda en Sophie eerlijk moeten bekennen: na mijn vlijmscherp ‘nee’ grabbelt deze heer van de schepping in mijn portemonnee om wat het gezin toekomt aan de hoeren te verkwanselen. Als tegenprestatie laten die meiden hem in de gekke waan dat hij een hele piet is. Van mij mogen ze die sukkel met haar en huid opvreten.
Maar nu heb ik nog niets over mijn eigen ‘abnormale’ loop gezegd, of over mijn loopsheid. Ik denk daar nu aan, omdat de ter sprake gekomen Machteld vroeger ook in de Kerkstraat woonde. Onze huizen leunden tegen elkaar aan. Door hun gemeenschappelijke scheidingsmuur en doordat de voorgevels zo sterk op elkaar leken, kon je van een Siamese tweeling spreken. Het enige onderscheid was de kleur van onze voordeur. Machteld had de hare zwart geverfd. Ik wilde in de ogen van de andere dorpelingen minder opvallen, en hield het bij wit.
Eerlijk waar: dikwijls schaamde ik me voor Machtelds onhandigheid, haar ondoordachte of ruw kwetsende uitspraken, zodat ik meestal vermeed me in haar gezelschap te vertonen. Vaak was zij ook vreselijk koppig. Toen mijn voordeur klaar was, stond de verfpot nog voor driekwart vol. Daarom had ik voorgesteld haar deur precies eender te lakken. Maar omdat wit niet hetzelfde is als zwart, weigerde Machteld haar toestemming. En ik was boos weggelopen.
Later liet zij zich dan weer van haar beste kant zien. Zo kwam ze naar me toe met een in haar oven gebakken appeltaart. Aangezien de voordeur nog niet droog was, kwam ze langs de tuin en klopte aan tegen mijn venster. Ik zal ‘t nooit vergeten! Zonder één woord duwde zij het gebak in mijn handen. En kijk, ik had haar nog niet bedankt of ze was er alweer vandoor. En dat wilde ik niet. Ik liep haar achterna, trok haar bij de arm, vroeg of we samen een kopje thee zouden drinken. Zij knikte. En dat werd - hoe zal ik het omschrijven? - het begin van een moeilijke vriendschap. Want Machteld is altijd stroef in de omgang geweest en zelf ben ik ook niet als iedereen.
Dat Machteld moeite heeft zich verstaanbaar te uiten, is zeker niet het gevolg van een of ander spraakgebrek, maar doordat ze is opgegroeid op een eenzame boerderij tussen haar stille, hardwerkende vader en moeder.
Ons eerste gesprek ging over recepten voor gebak, waarbij ik meestal aan het woord bleef.
Een paar dagen later nodigde ik haar alweer uit. Het gebeurde op een loze namiddag. Ik keek over de heg en zag haar bezig wasgoed aan de lijn te hangen. De hemel was effen grijs, de lucht windstil. Hugo was uit werken en Robbie zou nog twee uur van school wegblijven. Ik voelde me helemaal dood van binnen; misschien daardoor overviel het zien van haar boerse vitaliteit me zo genadeloos, bracht het mij in zo grote verwarring dat ik mijn hand werktuiglijk naar de keel bracht en naar adem snakte. Mijn ogen volgden haar kloeke romp die zich na elke buiging krachtig oprichtte om een stukje nat linnen met gestrekte arm naar de waslijn te brengen. Altijd had ik het lichaam van een vrouw mooier gevonden en meer bemind dan dat van een man, maar nooit eerder had het zien ervan me zo overrompeld. Voor het eerst besloot ik mezelf echte gevoelens toe te staan: ongeoorloofde gevoelens, gevoelens waar ik al vanaf mijn prille kindertijd tegen had gevochten. En meteen was het of er een juk af mijn schouders viel. Ik stond mijn ogen toe dat ze als tastende handen langs de rondingen van haar mollig lijf gleden. Ik stond mijn gedachten nog meer toe. Ik stond toe dat mijn remmingen ontkracht werden door blinde overgave en door een wellust van de heetste soort. Maar ik zag ook dat er veel tijd en moeite nodig was om het zover te krijgen dat zij niet van me weg zou lopen.
Het begon alles bij een kop thee. Terwijl ik langzamerhand binnen in haar wereld drong, vernam ik de reden waarom Machteld in het dorp was komen wonen. Zij koesterde wrok jegens haar ouders. Ze beweerde dat die haar altijd te kort hadden gehouden, dat zij hun enige dochter enkel zagen als een gratis werkkracht op de boerderij, - nooit als een jong meisje met haar eigen dromen over een toekomstig gezin.
Later liet zij zich dan weer van haar beste kant zien. Zo kwam ze naar me toe met een in haar oven gebakken appeltaart. Aangezien de voordeur nog niet droog was, kwam ze langs de tuin en klopte aan tegen mijn venster. Ik zal ‘t nooit vergeten! Zonder één woord duwde zij het gebak in mijn handen. En kijk, ik had haar nog niet bedankt of ze was er alweer vandoor. En dat wilde ik niet. Ik liep haar achterna, trok haar bij de arm, vroeg of we samen een kopje thee zouden drinken. Zij knikte. En dat werd - hoe zal ik het omschrijven? - het begin van een moeilijke vriendschap. Want Machteld is altijd stroef in de omgang geweest en zelf ben ik ook niet als iedereen.
Dat Machteld moeite heeft zich verstaanbaar te uiten, is zeker niet het gevolg van een of ander spraakgebrek, maar doordat ze is opgegroeid op een eenzame boerderij tussen haar stille, hardwerkende vader en moeder.
Ons eerste gesprek ging over recepten voor gebak, waarbij ik meestal aan het woord bleef.
Een paar dagen later nodigde ik haar alweer uit. Het gebeurde op een loze namiddag. Ik keek over de heg en zag haar bezig wasgoed aan de lijn te hangen. De hemel was effen grijs, de lucht windstil. Hugo was uit werken en Robbie zou nog twee uur van school wegblijven. Ik voelde me helemaal dood van binnen; misschien daardoor overviel het zien van haar boerse vitaliteit me zo genadeloos, bracht het mij in zo grote verwarring dat ik mijn hand werktuiglijk naar de keel bracht en naar adem snakte. Mijn ogen volgden haar kloeke romp die zich na elke buiging krachtig oprichtte om een stukje nat linnen met gestrekte arm naar de waslijn te brengen. Altijd had ik het lichaam van een vrouw mooier gevonden en meer bemind dan dat van een man, maar nooit eerder had het zien ervan me zo overrompeld. Voor het eerst besloot ik mezelf echte gevoelens toe te staan: ongeoorloofde gevoelens, gevoelens waar ik al vanaf mijn prille kindertijd tegen had gevochten. En meteen was het of er een juk af mijn schouders viel. Ik stond mijn ogen toe dat ze als tastende handen langs de rondingen van haar mollig lijf gleden. Ik stond mijn gedachten nog meer toe. Ik stond toe dat mijn remmingen ontkracht werden door blinde overgave en door een wellust van de heetste soort. Maar ik zag ook dat er veel tijd en moeite nodig was om het zover te krijgen dat zij niet van me weg zou lopen.
Het begon alles bij een kop thee. Terwijl ik langzamerhand binnen in haar wereld drong, vernam ik de reden waarom Machteld in het dorp was komen wonen. Zij koesterde wrok jegens haar ouders. Ze beweerde dat die haar altijd te kort hadden gehouden, dat zij hun enige dochter enkel zagen als een gratis werkkracht op de boerderij, - nooit als een jong meisje met haar eigen dromen over een toekomstig gezin.
Ik vernam dat het voor een vierendertigjarige boerin die wel erg bedreven is in koeien melken, maar verder nooit een ander beroep heeft uitgeoefend, niet makkelijk is om werk te vinden. Een paar maanden kon ze aan de slag in een koekjesfabriek te Herentals. Maar dan moet daar iets misgegaan zijn. Machteld beweerde dat ze er vrijwillig was opgestapt, zogenaamd omdat de opzichter handtastelijk werd. Maar van mijn neef Ronald, die daar ook werkzaam is, kreeg ik later te horen dat ze een hele lading koekjes fout had ingepakt.
Machteld redde zich wel. Zij ontving een werkloosheidsuitkering. Daarnaast verrichtte ze nog wat zwartwerk als poetsvrouw.
Ik won haar vertrouwen. Als we alleen waren, flapte zij er alles uit. ‘Alsjeblief, hou het tussen ons!’ zei ze telkens. Vooral als het over haar onwettige inkomsten ging, vergat zij nooit me dit op het hart te drukken. Daarna was het mijn beurt voor een bekentenis, voor een mededeling waarvan niemand lucht mocht krijgen; wat tot gevolg had dat ze op de beide oren kon slapen.
Zo vertelde ik haar over mijn huwelijk en hoe vreselijk het me had teleurgesteld. Hugo was een knoeier. Hij knoeide in het echtelijk bed, op zijn werk, op zijn duivenkot. Hugo was een zatlap, een bruut, een botterik. Hugo liep naar andere vrouwen. Zoals de meeste mannen was hij een voyeur: hij bekeek heimelijk pornografische foto’s. ‘Ik zal ze wel eens laten zien! Op een andere keer, als we meer tijd hebben. Dadelijk komt Robbie thuis!’
Zoals ik zei: ik drong dieper binnen in Machtelds wereld.
Op een dag stond ze huilend voor mijn venster. Bij het openen van de deur zag ik een met bloed besmeurd vachtje in haar gevouwen armen. Ik ontfermde me over haar. Drukte haar hoofd met een grote liefde tegen mijn borst. Onder opwellende tranen snakte ik dat we voor haar overreden poesje een houten kistje zouden timmeren en dat we het mooiste plekje in de tuin zouden uitzoeken om haar te begraven. Onnodig haar te zeggen dat ik me voor iets anders liet gaan. Zij wist alles over het oude zeer dat al zolang op mij drukte. Dat ik mijn leven aan de zijde van Hugo verspilde. Dat Robbies horrelvoet als een molensteen om mijn nek hing. Dat ik een vrouw was met kapotte dromen. Wij zaten met hetzelfde verdriet.
Het duurde even eer Machteld in staat was zekere kracht in mijn woorden te vinden.
‘Wanneer doen we dat, Josephine?’ Achter haar gesnotter, haar verwrongen gezicht, ontdekte ik dankbaarheid en het begin van een glimlach.
‘Morgen! Als Robbie naar school is!’
De volgende dag haalde ik mijn slag thuis.
Ondanks zijn bezwaren had Hugo een kistje getimmerd, - in een uitheemse houtsoort nog wel. En daar had Machteld haar Minoetje behoedzaam ingelegd, met haar voorste pootjes vroom tegen elkaar aan, alsof ze bezig was een poezengebedje op te zeggen. Het gebeurde allemaal in het grootste stilzwijgen: het bevestigen van een elastiekje rond de verstijfde pootjes, nadat gebleken was dat de ledematen te verstijfd waren om in de door Machteld gewenste houding te blijven, het vastspijkeren van het deksel, het bedekken van de kist door zwarte kluiten, de inplanting van een houten kruis op het hoopje aarde.
Zonder een woord te uiten, waren we het er daarna over eens om bij mij een lekkere borrel te drinken. Ik had nog een halve fles likeur.
Zoals dat gaat na een begrafenis, voelden wij ons getroost door de aanwezigheid van overlevenden. Ik ging naast haar op de bank zitten en trok haar liefdevol tegen me aan. Daar Machteld het liet welgevallen, begon mijn hand haar zachtjes te bewerken, zoals ik altijd al had willen doen. Eerst gingen mijn vingers over haar kleren, over haar buik en knieën; later baanden zij zich een weg tussen haar ondergoed.
Machteld redde zich wel. Zij ontving een werkloosheidsuitkering. Daarnaast verrichtte ze nog wat zwartwerk als poetsvrouw.
Ik won haar vertrouwen. Als we alleen waren, flapte zij er alles uit. ‘Alsjeblief, hou het tussen ons!’ zei ze telkens. Vooral als het over haar onwettige inkomsten ging, vergat zij nooit me dit op het hart te drukken. Daarna was het mijn beurt voor een bekentenis, voor een mededeling waarvan niemand lucht mocht krijgen; wat tot gevolg had dat ze op de beide oren kon slapen.
Zo vertelde ik haar over mijn huwelijk en hoe vreselijk het me had teleurgesteld. Hugo was een knoeier. Hij knoeide in het echtelijk bed, op zijn werk, op zijn duivenkot. Hugo was een zatlap, een bruut, een botterik. Hugo liep naar andere vrouwen. Zoals de meeste mannen was hij een voyeur: hij bekeek heimelijk pornografische foto’s. ‘Ik zal ze wel eens laten zien! Op een andere keer, als we meer tijd hebben. Dadelijk komt Robbie thuis!’
Zoals ik zei: ik drong dieper binnen in Machtelds wereld.
Op een dag stond ze huilend voor mijn venster. Bij het openen van de deur zag ik een met bloed besmeurd vachtje in haar gevouwen armen. Ik ontfermde me over haar. Drukte haar hoofd met een grote liefde tegen mijn borst. Onder opwellende tranen snakte ik dat we voor haar overreden poesje een houten kistje zouden timmeren en dat we het mooiste plekje in de tuin zouden uitzoeken om haar te begraven. Onnodig haar te zeggen dat ik me voor iets anders liet gaan. Zij wist alles over het oude zeer dat al zolang op mij drukte. Dat ik mijn leven aan de zijde van Hugo verspilde. Dat Robbies horrelvoet als een molensteen om mijn nek hing. Dat ik een vrouw was met kapotte dromen. Wij zaten met hetzelfde verdriet.
Het duurde even eer Machteld in staat was zekere kracht in mijn woorden te vinden.
‘Wanneer doen we dat, Josephine?’ Achter haar gesnotter, haar verwrongen gezicht, ontdekte ik dankbaarheid en het begin van een glimlach.
‘Morgen! Als Robbie naar school is!’
De volgende dag haalde ik mijn slag thuis.
Ondanks zijn bezwaren had Hugo een kistje getimmerd, - in een uitheemse houtsoort nog wel. En daar had Machteld haar Minoetje behoedzaam ingelegd, met haar voorste pootjes vroom tegen elkaar aan, alsof ze bezig was een poezengebedje op te zeggen. Het gebeurde allemaal in het grootste stilzwijgen: het bevestigen van een elastiekje rond de verstijfde pootjes, nadat gebleken was dat de ledematen te verstijfd waren om in de door Machteld gewenste houding te blijven, het vastspijkeren van het deksel, het bedekken van de kist door zwarte kluiten, de inplanting van een houten kruis op het hoopje aarde.
Zonder een woord te uiten, waren we het er daarna over eens om bij mij een lekkere borrel te drinken. Ik had nog een halve fles likeur.
Zoals dat gaat na een begrafenis, voelden wij ons getroost door de aanwezigheid van overlevenden. Ik ging naast haar op de bank zitten en trok haar liefdevol tegen me aan. Daar Machteld het liet welgevallen, begon mijn hand haar zachtjes te bewerken, zoals ik altijd al had willen doen. Eerst gingen mijn vingers over haar kleren, over haar buik en knieën; later baanden zij zich een weg tussen haar ondergoed.
Ik had de draperieën dicht moeten schuiven, maar omdat ik niet de indruk van voorbedachtheid wilde wekken, waagde ik het erop dat de hoge rugleuning ons via de straatkant voldoende tegen ongewenste blikken zou beschermen. Ik drukte mijn hoofd tussen haar ontblote dijen. Gelukkig had Machteld het risico ook begrepen: ineens kwam een belangrijk initiatief van haar. Zij vroeg niet om ermee op te houden, nee! Zij vroeg me om de draperieën te sluiten, wat erop neerkwam dat ze het lekker vond wat ik deed, en er volmondig mee instemde.
Dit sluiten van de draperieën overdag werd voor mij dra het symbool dat tussen ons het hek nu helemaal van de dam was. Nog geen week later gebeurde het voor de tweede keer. Ditmaal waren het Machtelds draperieën.
De aanleiding was een poesje dat pas het nest verlaten had en dat ik Machteld wilde schenken om Minoe op te volgen. Mijn vriendin draaide het beestje op de rug en ontdekte al bij de eerste oogopslag dat het om een katertje ging. ‘Geeft niet!’ lachte ze tevreden. ‘Dan noem ik hem gewoon Pitoe!’
Nog een aanleiding vormden de gaten in haar slips waarvoor zij weinig oog had. Het viel me op dat haar wollen ondergoed zo tot de draad versleten was dat het beter als poetsdoek zou gebruikt worden. Daarom bracht ik haar van een lingeriezaak in Oostmalle af en toe wat nieuws mee, iets frivools dat zij dan voor mijn ogen zou aantrekken.
Eens het zover was, vonden we altijd wel een reden om overdag bij elkaar te komen en de draperieën te sluiten. Tenslotte hadden wij zelfs geen aanleiding meer nodig. Machteld nam me gewoon naar haar slaapkamer waar de blinden altijd dicht bleven.
Het liedje was zeker te mooi! Tussen ons bleef het van een leien dakje gaan. Maandenlang. Misschien wel een heel jaar! Tot Machteld op zekere dag een zeeman leerde kennen, genaamd Nelson. Ik heb nooit met de man kennisgemaakt. Heb hem nooit ontmoet! Nooit gezien! Ik zou ‘t ook niet willen. Hij heeft mijn vriendin in het ongeluk gestort. Daarvoor ben ik nog altijd spinnijdig op hem.
Zij had hem ontmoet in Scherpenheuvel, tijdens een dagje uit met de andere buren. Ik had ook wel van de partij willen zijn, maar Robbie was ziek. Jammer! Anders had ik haar misschien nog tijdig kunnen afleiden naar de kruisweg achter de basiliek.
Na een paar dagen was Nelson naar zijn schip vertrokken. Machteld sprak nooit over hem. Maar haar gedachten volgden hem over zee. Want voor het eerst begon ik iets aan haar te ondervinden. Zo vroeg ze me of ik voortaan bij alles het initiatief wou nemen. Ook kon ik haar nooit meer gewoon verlaten. Voor het eerst zat zij met een schuldcomplex; en dan moest ik, om haar eroverheen te helpen, telkens weer overvloedig blijk geven van mijn genegenheid of met eindeloos geduld naar haar luisteren. Terwijl we volop bezig waren elkaar te bevoelen, vroeg ze me om het kruisbeeld aan de muur naar een andere kamer te brengen. Soms vroeg ze me haar met een touw vast te knopen en haar te slaan, haar heel hard te slaan. Maar die dwaze wens heb ik slechts één keer ingewilligd. Daarna nooit meer! Want het is verschrikkelijk om iemand die je liefhebt pijn te doen.
Anderzijds heeft de komst van Nelson op onze relatie ook wel een gunstig effect gehad. Door haar schuldcomplex voelde ik me meer met haar lot begaan. Deze vereenzaamde vrouw moest geholpen worden, beschermd en begeleid; en daarvoor was ik graag bereid het grootste deel van mijn persoonlijke verlangens opzij te schuiven. Dit onbaatzuchtige veranderde mijn kijk op haar. Eindelijk durfde ik me met Machteld in het openbaar te vertonen. Voor de buitenwereld hadden wij iets van twee onschuldige vriendinnen.
Als haar beste vriendin was ik erbij wanneer zij af en toe haar afgeleefde ouders bezocht. Zo herinner ik me de laatste keer, op een mooie dag in de zomer. Wij hadden gepicknickt in de weiden en keerden met de fiets langs de beemden naar huis. Tussen de bomen in de verte ontdekten wij de daken van haar ouderlijke hoeve. Haar gezicht werd door een zorgelijke trek verduisterd.
Dit sluiten van de draperieën overdag werd voor mij dra het symbool dat tussen ons het hek nu helemaal van de dam was. Nog geen week later gebeurde het voor de tweede keer. Ditmaal waren het Machtelds draperieën.
De aanleiding was een poesje dat pas het nest verlaten had en dat ik Machteld wilde schenken om Minoe op te volgen. Mijn vriendin draaide het beestje op de rug en ontdekte al bij de eerste oogopslag dat het om een katertje ging. ‘Geeft niet!’ lachte ze tevreden. ‘Dan noem ik hem gewoon Pitoe!’
Nog een aanleiding vormden de gaten in haar slips waarvoor zij weinig oog had. Het viel me op dat haar wollen ondergoed zo tot de draad versleten was dat het beter als poetsdoek zou gebruikt worden. Daarom bracht ik haar van een lingeriezaak in Oostmalle af en toe wat nieuws mee, iets frivools dat zij dan voor mijn ogen zou aantrekken.
Eens het zover was, vonden we altijd wel een reden om overdag bij elkaar te komen en de draperieën te sluiten. Tenslotte hadden wij zelfs geen aanleiding meer nodig. Machteld nam me gewoon naar haar slaapkamer waar de blinden altijd dicht bleven.
Het liedje was zeker te mooi! Tussen ons bleef het van een leien dakje gaan. Maandenlang. Misschien wel een heel jaar! Tot Machteld op zekere dag een zeeman leerde kennen, genaamd Nelson. Ik heb nooit met de man kennisgemaakt. Heb hem nooit ontmoet! Nooit gezien! Ik zou ‘t ook niet willen. Hij heeft mijn vriendin in het ongeluk gestort. Daarvoor ben ik nog altijd spinnijdig op hem.
Zij had hem ontmoet in Scherpenheuvel, tijdens een dagje uit met de andere buren. Ik had ook wel van de partij willen zijn, maar Robbie was ziek. Jammer! Anders had ik haar misschien nog tijdig kunnen afleiden naar de kruisweg achter de basiliek.
Na een paar dagen was Nelson naar zijn schip vertrokken. Machteld sprak nooit over hem. Maar haar gedachten volgden hem over zee. Want voor het eerst begon ik iets aan haar te ondervinden. Zo vroeg ze me of ik voortaan bij alles het initiatief wou nemen. Ook kon ik haar nooit meer gewoon verlaten. Voor het eerst zat zij met een schuldcomplex; en dan moest ik, om haar eroverheen te helpen, telkens weer overvloedig blijk geven van mijn genegenheid of met eindeloos geduld naar haar luisteren. Terwijl we volop bezig waren elkaar te bevoelen, vroeg ze me om het kruisbeeld aan de muur naar een andere kamer te brengen. Soms vroeg ze me haar met een touw vast te knopen en haar te slaan, haar heel hard te slaan. Maar die dwaze wens heb ik slechts één keer ingewilligd. Daarna nooit meer! Want het is verschrikkelijk om iemand die je liefhebt pijn te doen.
Anderzijds heeft de komst van Nelson op onze relatie ook wel een gunstig effect gehad. Door haar schuldcomplex voelde ik me meer met haar lot begaan. Deze vereenzaamde vrouw moest geholpen worden, beschermd en begeleid; en daarvoor was ik graag bereid het grootste deel van mijn persoonlijke verlangens opzij te schuiven. Dit onbaatzuchtige veranderde mijn kijk op haar. Eindelijk durfde ik me met Machteld in het openbaar te vertonen. Voor de buitenwereld hadden wij iets van twee onschuldige vriendinnen.
Als haar beste vriendin was ik erbij wanneer zij af en toe haar afgeleefde ouders bezocht. Zo herinner ik me de laatste keer, op een mooie dag in de zomer. Wij hadden gepicknickt in de weiden en keerden met de fiets langs de beemden naar huis. Tussen de bomen in de verte ontdekten wij de daken van haar ouderlijke hoeve. Haar gezicht werd door een zorgelijke trek verduisterd.
Bij het volgende zandpad sloeg ze af. ‘Je raakt wel thuis!’ riep ze, zonder verder naar me om te kijken. Ik probeerde haar in te halen, wat nauwelijks lukte.
Zwaar hijgend en badend in het zweet, bereikten we de boerderij. Ik plaatste mijn fiets tegen die van Machteld en volgde haar langs de voordeur naar de woonkamer. In de donkere koelte werd ik eventjes door een zwarte duizeling bevangen. Ik greep de rugleuning van een stoel en ging zitten.
Het eerste dat ik zag bewegen, was Machtelds blinde moeder. Als gewoonlijk zat zij op een stoeltje bij het haardvuur aardappelen te schillen. Ik stond op om die oude vrouw, zoals ik de vorige keren ook had gedaan, met een handdruk te begroeten. Ofschoon ze alweer geen woord zei, verzuimde ik niet er iets vriendelijks aan toe te voegen.
Daarna liep ik naar Machteld. Zij boog zich over een bed dat onder het invallende licht van een venstertje in de hoek van de woonkamer stond opgesteld. Gaandeweg onderscheidde ik de verhevenheid van een lichaam onder de slappe dekens en het naar boven gerichte, uitgemergelde hoofd van haar vader. Ik hoorde hem met veel moeite een vraag bijeenschrapen en werd er weer aan herinnerd dat Machteld eigenlijk Marthe heette.
‘Ja, morgen!’ antwoordde Marthe.
Doordat ze mij met een woeste blik aankeek, bleef ik op een afstand.
‘Hij wil dat we het hooi binnenhalen,’ zei ze, terwijl ik haar volgde naar de keuken. Ik zag hoe ze met kloeke armen de zwengel van de handpomp bediende en een dikke straal water in de fluitketel deed stromen. Daarna plaatste zij de ketel op het fornuis en joeg er een hevige gasvlam onder. In afwachting dat het water kookte, gooide zij de keukenkast open. Zij greep een paar bokalen waarop allerlei twijgjes, blaadjes, bloempjes stonden afgebeeld. Eén ervan herkende ik als de bloesem van een vlierstruik.
‘Zou je niet een dokter laten komen? Zijn toestand lijkt me ernstig.’
‘Dat zullen we morgen zien!’
Omdat Machteld zo bits reageerde, keerde ik terug naar de woonkamer. Vandaar hoorde ik haar een hele tijd bezig de vreselijke boel in de keuken op te ruimen. Even nadat de ketel had gefloten, hoorde ik een straal water en daarna het gekletter van potten en pannen. Ik veronderstelde dat zij in haar eentje begonnen was met de vaat. Aangezien ik begreep dat ze mijn hulp niet langer durfde inroepen, besloot ik haar rothumeur te negeren door uit eigen beweging een handje toe te steken.
Ik verscheen opnieuw in de deuropening en zag Machteld nog juist een paar blauwe pillen bij de thee gooien. Als haar gezicht niet onmiddellijk de uitdrukking had gekregen van iemand die op heterdaad wordt betrapt, zou ik er niet de geringste aandacht aan hebben geschonken. ‘Wat zijn dat voor pillen?’
Met het eenvoudigste antwoord zou ik al tevreden zijn geweest. Maar Machteld drukte haar lippen venijnig op elkaar, zette twee grote kommen thee verbeten zwijgend op een dienblad en bracht ze naar haar ouders.
Daarna probeerde zij me af te leiden. Ineens werd ze poeslief. ‘Wil jij ook iets drinken?’
Ik ben dol op koffie. En vorige keer had ik hier ook koffie gedronken, maar dat zou ik nooit meer doen. De koffie was lauw. En de kommen waarin hij geschonken werd, oogden vies.
‘Heb je nog een kwartier?’ vroeg ze, alweer poeslief. ‘Ja? Dan veeg ik het stof bijeen.’
Terwijl ik wachtte, zag ik haar ouders gewoon van de thee slurpen. De moeder had de mand aardappelen opzijgezet en nu vroeg zij me haar het breiwerkje op tafel aan te reiken, terwijl de vader na de thee met een rustige adem naar dromenland vertrok.
‘Morgen zullen we samen het hooi binnenhalen,’ zei Machteld, toen we later weer op onze fiets stapten. Het idee om met een boerendeern op de hooizolder te ravotten bekoorde me genoeg om onmiddellijk op haar voorstel in te gaan. Maar dit betekende niet dat ik het voorval met die blauwe pillen van me had afgezet.
Terwijl we de eerste huizen van het dorp passeerden, kwam ik er voorzichtig op terug. ‘Vertel eens eerlijk aan je beste vriendin: wat heb je in de thee gedaan?’
‘Kruiden!’ riep Machteld. ‘Geneeskrachtige kruiden! En wil je er nu eindelijk eens over ophouden! Ik word het stilaan beu! Straks vertel ik heel het dorp hoe je elke dag met mij rotzooit!’ Tegelijk duwde ze zo hard op haar pedalen dat ze onmiddellijk een eind vooruitschoot. Dit keer liet ik haar verder voor me uit rijden. Tot ze een stip werd.
De volgende dag hoefden wij het hooi niet binnen te halen: haar ouders waren dood. En aan onze vriendschap kwam ook een einde. Machteld verhuisde naar de boerderij.
Zwaar hijgend en badend in het zweet, bereikten we de boerderij. Ik plaatste mijn fiets tegen die van Machteld en volgde haar langs de voordeur naar de woonkamer. In de donkere koelte werd ik eventjes door een zwarte duizeling bevangen. Ik greep de rugleuning van een stoel en ging zitten.
Het eerste dat ik zag bewegen, was Machtelds blinde moeder. Als gewoonlijk zat zij op een stoeltje bij het haardvuur aardappelen te schillen. Ik stond op om die oude vrouw, zoals ik de vorige keren ook had gedaan, met een handdruk te begroeten. Ofschoon ze alweer geen woord zei, verzuimde ik niet er iets vriendelijks aan toe te voegen.
Daarna liep ik naar Machteld. Zij boog zich over een bed dat onder het invallende licht van een venstertje in de hoek van de woonkamer stond opgesteld. Gaandeweg onderscheidde ik de verhevenheid van een lichaam onder de slappe dekens en het naar boven gerichte, uitgemergelde hoofd van haar vader. Ik hoorde hem met veel moeite een vraag bijeenschrapen en werd er weer aan herinnerd dat Machteld eigenlijk Marthe heette.
‘Ja, morgen!’ antwoordde Marthe.
Doordat ze mij met een woeste blik aankeek, bleef ik op een afstand.
‘Hij wil dat we het hooi binnenhalen,’ zei ze, terwijl ik haar volgde naar de keuken. Ik zag hoe ze met kloeke armen de zwengel van de handpomp bediende en een dikke straal water in de fluitketel deed stromen. Daarna plaatste zij de ketel op het fornuis en joeg er een hevige gasvlam onder. In afwachting dat het water kookte, gooide zij de keukenkast open. Zij greep een paar bokalen waarop allerlei twijgjes, blaadjes, bloempjes stonden afgebeeld. Eén ervan herkende ik als de bloesem van een vlierstruik.
‘Zou je niet een dokter laten komen? Zijn toestand lijkt me ernstig.’
‘Dat zullen we morgen zien!’
Omdat Machteld zo bits reageerde, keerde ik terug naar de woonkamer. Vandaar hoorde ik haar een hele tijd bezig de vreselijke boel in de keuken op te ruimen. Even nadat de ketel had gefloten, hoorde ik een straal water en daarna het gekletter van potten en pannen. Ik veronderstelde dat zij in haar eentje begonnen was met de vaat. Aangezien ik begreep dat ze mijn hulp niet langer durfde inroepen, besloot ik haar rothumeur te negeren door uit eigen beweging een handje toe te steken.
Ik verscheen opnieuw in de deuropening en zag Machteld nog juist een paar blauwe pillen bij de thee gooien. Als haar gezicht niet onmiddellijk de uitdrukking had gekregen van iemand die op heterdaad wordt betrapt, zou ik er niet de geringste aandacht aan hebben geschonken. ‘Wat zijn dat voor pillen?’
Met het eenvoudigste antwoord zou ik al tevreden zijn geweest. Maar Machteld drukte haar lippen venijnig op elkaar, zette twee grote kommen thee verbeten zwijgend op een dienblad en bracht ze naar haar ouders.
Daarna probeerde zij me af te leiden. Ineens werd ze poeslief. ‘Wil jij ook iets drinken?’
Ik ben dol op koffie. En vorige keer had ik hier ook koffie gedronken, maar dat zou ik nooit meer doen. De koffie was lauw. En de kommen waarin hij geschonken werd, oogden vies.
‘Heb je nog een kwartier?’ vroeg ze, alweer poeslief. ‘Ja? Dan veeg ik het stof bijeen.’
Terwijl ik wachtte, zag ik haar ouders gewoon van de thee slurpen. De moeder had de mand aardappelen opzijgezet en nu vroeg zij me haar het breiwerkje op tafel aan te reiken, terwijl de vader na de thee met een rustige adem naar dromenland vertrok.
‘Morgen zullen we samen het hooi binnenhalen,’ zei Machteld, toen we later weer op onze fiets stapten. Het idee om met een boerendeern op de hooizolder te ravotten bekoorde me genoeg om onmiddellijk op haar voorstel in te gaan. Maar dit betekende niet dat ik het voorval met die blauwe pillen van me had afgezet.
Terwijl we de eerste huizen van het dorp passeerden, kwam ik er voorzichtig op terug. ‘Vertel eens eerlijk aan je beste vriendin: wat heb je in de thee gedaan?’
‘Kruiden!’ riep Machteld. ‘Geneeskrachtige kruiden! En wil je er nu eindelijk eens over ophouden! Ik word het stilaan beu! Straks vertel ik heel het dorp hoe je elke dag met mij rotzooit!’ Tegelijk duwde ze zo hard op haar pedalen dat ze onmiddellijk een eind vooruitschoot. Dit keer liet ik haar verder voor me uit rijden. Tot ze een stip werd.
De volgende dag hoefden wij het hooi niet binnen te halen: haar ouders waren dood. En aan onze vriendschap kwam ook een einde. Machteld verhuisde naar de boerderij.
Na Sophies opmerking over Machtelds zelfstandigheid, bracht de kelner de pannenkoeken. Terwijl we ze, zoals het beschaafde dames past, met gesloten mond verorberden, had zich een diepe kloof voor me geopend waarin ik die hulpeloze Machteld met haar baby moederziel alleen op de bodem zag. Ik dacht aan onze laatste ontmoeting in de bus naar Antwerpen, aan mijn belofte om haar in september op te zoeken, en kijk: mijn dood hart begon weer te gloeien. Het joeg op als een vreugdevuur, zodat het me verbaasde waarom ik mijn bezoek zolang had uitgesteld.
Pas veel later kwam het besef dat ik Gerda en Sophie de waarheid had moeten vertellen! De waarheid over Machteld, en dus ook de waarheid over mij! Want toen Sophie haar leeg bord een weinig voor zich had uitgeschoven en zich na een slok thee tot mij wendde met de vraag: ‘Zou het waar zijn, Josephine? Zou Machteld haar ouders heus vergiftigd hebben?’ Wel, toen week het antwoord in niets af van mijn eerdere verklaringen. Op een niet minder vastbesloten toon bleef ik het ook nu weer herhalen: ‘Praatjes! Allemaal lasterpraatjes van afgunstige dorpelingen!’
Ons gesprek kabbelde gewoon verder. Zo was het daarna weer de beurt aan Gerda: ‘Zeg eens Sophie, jij bent haar dus bij Waegemans gezien! Heeft zij een jongen? Of is ‘t een meisje?’
‘Een jongen! Jammer, zij had haar kind niet bij zich. Het sliep. Daarom had ze ervan geprofiteerd om gauw inkopen te doen.’
Vandaag, de negentiende september, is het zover. Na onze jaarlange scheiding haast ik me per fiets op weg naar de boerderij. Het mag gezegd dat de weersvoorspellingen kloppen. Naar verluidt wordt de kust door een gevaarlijke springvloed bedreigd. Wel, dat geloof ik best, want in het binnenland stormt het niet minder. Op mijn fiets kom ik nauwelijks vooruit; gelukkig troost de gedachte me dat ik straks de wind mee heb.
In mijn fietstas zitten twee leuke pakjes. In het éne zit een blauw hanshopje voor een baby tot een jaar. Het andere bevat een set satijnen lingerie voor een volle dame als Machteld. In gedachten ben ik nu al bezig het initiatief te nemen. ‘Vooruit meisje, trek dat spul eventjes aan! Als het niet past, kom je terug voor de volgende maat, - had de winkeljuffrouw zelf aangeboden.'
Verder hoor ik enkel het ruisen van de wind in de bomen en zie ik niets anders dan het verlaten zandpad dat in de verte naar de sombere hoeve leidt.
Ondanks de tegenwind haast mijn initiatief zich moeiteloos vooruit. Misschien, als we straks na dat verloren jaar weer in elkaars armen gelukkig worden, fluister ik haar in ‘t oor: ‘Als jij het zegt Machteld, dan kom ik morgen terug! Dan wil ik voortaan zelfs twee tot drie keer per week langskomen! Volgend schooljaar gaat Robbie in Gent studeren. Dan ben ik helemaal vrij! Als jij het zegt Machteld, wil ik alle praatjes in het dorp aan mijn laars lappen! Dan trek ik met het kapitaaltje dat ik vorige week van mijn tante Albertine heb geërfd, bij jou in! Dan zijn we voor altijd samen! Dan halen we samen het hooi naar binnen! Dan zorgen we samen voor je zoontje. Dan verschillen wij in niets meer van een getrouwd stel!’
Hijgend zet ik door, probeer ik het dwaze gevoel van me af te zetten dat ik nooit bij die donkere, stenen wallen zal geraken. Ik roep tegen de wind dat hij me niet terugdrijft, dat ik geen terrein verlies. Daarmee probeer ik mezelf ervan te overtuigen dat ik geen drievoudige zottin ben.
Dat ik mijn fiets eindelijk tegen de oude graanschuur plaats en over het verlaten erf loop, betekent veel voor mij. Het betekent dat ik mijn gekte heb overwonnen. Maar nu lijk ik weer te worden belaagd door een beklemmende stilte en door het angstige gevoel door onzichtbare ogen te worden begluurd.
Pas veel later kwam het besef dat ik Gerda en Sophie de waarheid had moeten vertellen! De waarheid over Machteld, en dus ook de waarheid over mij! Want toen Sophie haar leeg bord een weinig voor zich had uitgeschoven en zich na een slok thee tot mij wendde met de vraag: ‘Zou het waar zijn, Josephine? Zou Machteld haar ouders heus vergiftigd hebben?’ Wel, toen week het antwoord in niets af van mijn eerdere verklaringen. Op een niet minder vastbesloten toon bleef ik het ook nu weer herhalen: ‘Praatjes! Allemaal lasterpraatjes van afgunstige dorpelingen!’
Ons gesprek kabbelde gewoon verder. Zo was het daarna weer de beurt aan Gerda: ‘Zeg eens Sophie, jij bent haar dus bij Waegemans gezien! Heeft zij een jongen? Of is ‘t een meisje?’
‘Een jongen! Jammer, zij had haar kind niet bij zich. Het sliep. Daarom had ze ervan geprofiteerd om gauw inkopen te doen.’
Vandaag, de negentiende september, is het zover. Na onze jaarlange scheiding haast ik me per fiets op weg naar de boerderij. Het mag gezegd dat de weersvoorspellingen kloppen. Naar verluidt wordt de kust door een gevaarlijke springvloed bedreigd. Wel, dat geloof ik best, want in het binnenland stormt het niet minder. Op mijn fiets kom ik nauwelijks vooruit; gelukkig troost de gedachte me dat ik straks de wind mee heb.
In mijn fietstas zitten twee leuke pakjes. In het éne zit een blauw hanshopje voor een baby tot een jaar. Het andere bevat een set satijnen lingerie voor een volle dame als Machteld. In gedachten ben ik nu al bezig het initiatief te nemen. ‘Vooruit meisje, trek dat spul eventjes aan! Als het niet past, kom je terug voor de volgende maat, - had de winkeljuffrouw zelf aangeboden.'
Verder hoor ik enkel het ruisen van de wind in de bomen en zie ik niets anders dan het verlaten zandpad dat in de verte naar de sombere hoeve leidt.
Ondanks de tegenwind haast mijn initiatief zich moeiteloos vooruit. Misschien, als we straks na dat verloren jaar weer in elkaars armen gelukkig worden, fluister ik haar in ‘t oor: ‘Als jij het zegt Machteld, dan kom ik morgen terug! Dan wil ik voortaan zelfs twee tot drie keer per week langskomen! Volgend schooljaar gaat Robbie in Gent studeren. Dan ben ik helemaal vrij! Als jij het zegt Machteld, wil ik alle praatjes in het dorp aan mijn laars lappen! Dan trek ik met het kapitaaltje dat ik vorige week van mijn tante Albertine heb geërfd, bij jou in! Dan zijn we voor altijd samen! Dan halen we samen het hooi naar binnen! Dan zorgen we samen voor je zoontje. Dan verschillen wij in niets meer van een getrouwd stel!’
Hijgend zet ik door, probeer ik het dwaze gevoel van me af te zetten dat ik nooit bij die donkere, stenen wallen zal geraken. Ik roep tegen de wind dat hij me niet terugdrijft, dat ik geen terrein verlies. Daarmee probeer ik mezelf ervan te overtuigen dat ik geen drievoudige zottin ben.
Dat ik mijn fiets eindelijk tegen de oude graanschuur plaats en over het verlaten erf loop, betekent veel voor mij. Het betekent dat ik mijn gekte heb overwonnen. Maar nu lijk ik weer te worden belaagd door een beklemmende stilte en door het angstige gevoel door onzichtbare ogen te worden begluurd.
De deur naar de woonkamer is op slot. Ik raak in paniek. Probeer me te redden. Mijn samengedrukte borst opent zich voor haar naam, wijd over het erf: ‘Machteld!’ Daarna probeer ik het nog luider: ‘Marthe!’
Terwijl ik mijn adem inhoud en het einde van mijn eigen alarmkreet beluister, worden mijn voeten een lichte trilling gewaar. Ik sta op het stalen rooster boven een keldergat.
‘Dame! Dame!’
Ik spring meters ver weg. Was dat een stem? Ja, want de klanken houden niet meer op. ‘Dame, alsjeblief, schrik niet!’
Eerst herhaalt de stem zachtjes: ‘Kom terug!’ Als ik niet gehoorzaam, begint hij te loeien: ‘Dame, alsjeblief, kom terug! Ik ben Nelson. Ik moet hier gauw uit! Ik stik! Lig hier als een beest in mijn eigen uitwerpselen!’
Schoorvoetend keer ik terug, loer door het traliewerk naar de duisternis van een ondergronds rijk en zie de opengesperde ogen van een bebaarde man met kale kop. Een walgelijke lucht doet mij kokhalzen. ‘Waar is Machteld?’
‘Weet ik veel! Misschien naar de boomgaard! Appels plukken! Dat wijf is helemaal getikt! Ik zit hier al weken opgesloten! Haal me eruit voor ik stik!’ De vreselijke baardman hijst het vierkante rooster omhoog. Het is langs de binnenkant bevestigd met een ketting die dadelijk spant. De ontstane vrije ruimte is te klein om erlangs te ontsnappen. ‘Gauw! Haal een balk!’ hijgt hij.
‘Een balk? Waar moet ik die vinden?’
‘Achter de hooischuur! En breng ook een houtklomp mee!’
‘Een houtklomp?’
‘Die gebruik je als kantelpunt voor de hefboom!’
Ik snap er niks van. Maar ik besef dat de toestand van die baardman inderdaad zorgwekkend is en dat ik geen tijd mag verliezen. En daarom haast ik me naar de schuur.
Als ik terugkom, luister ik naar Nelsons instructies.
Hij hijst het rooster zo hoog tot de ketting weer gestrekt is. ‘Vlug de balk ertussen! Dat is een! Nu hef je de balk en schuif je met een voet de houtklomp eronder, zo dicht mogelijk bij het keldergat. Begin maar!’
Pas nu begrijp ik wat die afschuwelijke Nelson voorheeft. Ik moet een hefboom vormen en het rooster uit het gat lichten! Door de dikte van de ketting heb ik mijn twijfels. Maar hoewel ik mijn twijfels heb, doe ik precies wat hij zegt. Ik schuif de houtklomp tot bij het keldergat en laat de balk vallen. Daarna ga ik er op het uiteinde met het volle gewicht op staan. Doordat ik spring begint de balk te wiegen. Plotseling raakt het uiteinde met een klap de grond.
Ik zie de afschuwelijke baardman het rooster met ketting en de losgekomen haak weggooien en moeizaam uit het keldergat klauteren. Ik sta op het punt naar mijn fiets te hollen om met behulp van de wind razendsnel weg te rijden en nooit meer, nooit meer, naar deze ongeluksplek terug te keren! Maar door me om te draaien, stoot mijn buik tegen een lange tweeloop, met Machteld aan de andere kant.
‘Stom wijf!’ schreeuwt ze. Dit is mijn Machteld niet, denk ik. Dit is het kreng naast wie ik een tijd geleden in de bus zat! Ik zie dat zij de baardman eveneens in bedwang houdt, want hij staat met zijn rug tegen de muur.
‘Ik ga naar huis,’ zeg ik.
‘Hier komt niemand levend vandaan, heb je dat gehoord?’
‘Doe wat ze zegt, dame,’ fluistert de baard. ‘Zij is getikt!’
Terwijl ik mijn adem inhoud en het einde van mijn eigen alarmkreet beluister, worden mijn voeten een lichte trilling gewaar. Ik sta op het stalen rooster boven een keldergat.
‘Dame! Dame!’
Ik spring meters ver weg. Was dat een stem? Ja, want de klanken houden niet meer op. ‘Dame, alsjeblief, schrik niet!’
Eerst herhaalt de stem zachtjes: ‘Kom terug!’ Als ik niet gehoorzaam, begint hij te loeien: ‘Dame, alsjeblief, kom terug! Ik ben Nelson. Ik moet hier gauw uit! Ik stik! Lig hier als een beest in mijn eigen uitwerpselen!’
Schoorvoetend keer ik terug, loer door het traliewerk naar de duisternis van een ondergronds rijk en zie de opengesperde ogen van een bebaarde man met kale kop. Een walgelijke lucht doet mij kokhalzen. ‘Waar is Machteld?’
‘Weet ik veel! Misschien naar de boomgaard! Appels plukken! Dat wijf is helemaal getikt! Ik zit hier al weken opgesloten! Haal me eruit voor ik stik!’ De vreselijke baardman hijst het vierkante rooster omhoog. Het is langs de binnenkant bevestigd met een ketting die dadelijk spant. De ontstane vrije ruimte is te klein om erlangs te ontsnappen. ‘Gauw! Haal een balk!’ hijgt hij.
‘Een balk? Waar moet ik die vinden?’
‘Achter de hooischuur! En breng ook een houtklomp mee!’
‘Een houtklomp?’
‘Die gebruik je als kantelpunt voor de hefboom!’
Ik snap er niks van. Maar ik besef dat de toestand van die baardman inderdaad zorgwekkend is en dat ik geen tijd mag verliezen. En daarom haast ik me naar de schuur.
Als ik terugkom, luister ik naar Nelsons instructies.
Hij hijst het rooster zo hoog tot de ketting weer gestrekt is. ‘Vlug de balk ertussen! Dat is een! Nu hef je de balk en schuif je met een voet de houtklomp eronder, zo dicht mogelijk bij het keldergat. Begin maar!’
Pas nu begrijp ik wat die afschuwelijke Nelson voorheeft. Ik moet een hefboom vormen en het rooster uit het gat lichten! Door de dikte van de ketting heb ik mijn twijfels. Maar hoewel ik mijn twijfels heb, doe ik precies wat hij zegt. Ik schuif de houtklomp tot bij het keldergat en laat de balk vallen. Daarna ga ik er op het uiteinde met het volle gewicht op staan. Doordat ik spring begint de balk te wiegen. Plotseling raakt het uiteinde met een klap de grond.
Ik zie de afschuwelijke baardman het rooster met ketting en de losgekomen haak weggooien en moeizaam uit het keldergat klauteren. Ik sta op het punt naar mijn fiets te hollen om met behulp van de wind razendsnel weg te rijden en nooit meer, nooit meer, naar deze ongeluksplek terug te keren! Maar door me om te draaien, stoot mijn buik tegen een lange tweeloop, met Machteld aan de andere kant.
‘Stom wijf!’ schreeuwt ze. Dit is mijn Machteld niet, denk ik. Dit is het kreng naast wie ik een tijd geleden in de bus zat! Ik zie dat zij de baardman eveneens in bedwang houdt, want hij staat met zijn rug tegen de muur.
‘Ik ga naar huis,’ zeg ik.
‘Hier komt niemand levend vandaan, heb je dat gehoord?’
‘Doe wat ze zegt, dame,’ fluistert de baard. ‘Zij is getikt!’
Nu ik zijn kop in de openlucht zie, lijkt hij minder afschuwelijk en verdient hij zijn menselijke naam: Nelson.
Ik koester de hoop Machteld met gewone praatjes tot rede te brengen, iets waarin mannen doorgaans minder sterk bedreven zijn. Hoe worden de koppensnellers in het oerwoud tot rede en vrede gebracht? Met cadeautjes natuurlijk!
‘Machteld, ik breng een leuk geschenk voor je! En ook voor je kind! Waar is het trouwens?’
Zij zwenkt met haar geweer in de richting van de weide. Hé, zie ik daar een rondlopende kleuter! Hij gooit de gouden appel in zijn beide handjes voor zich uit over het gras.
‘Wat een mooi kind! Hoe heb je het genoemd?’
‘Matthias!’
De klank van haar stem verraadt dat ze trots is op haar dreumes. Ik moet proberen haar verder aan het lijntje te houden. Nog vijf minuten, en ik heb haar helemaal op de hand!
Machteld kijkt om. Haar aandacht word getrokken door het ronken van een naderende auto. Het ronken stijgt uit boven het geruis van de wind in de kruin boven ons hoofd.
De bestuurder heeft opgemerkt wat hier gaande is, want aan de rand van de weide komt de wagen tot stilstand en wordt de motor stilgelegd. Een kleine Fiat. Neef Ronald heeft er ook zo een. Terwijl ik me afvraag wat er gaat gebeuren, krijgen we nog meer geronk. Ik kijk langs het struikgewas en zie een naderende politiecombi achter het Fiatje stilhouden.
‘Jij… jij smerige verraadster!’ krijst Machteld. ‘Ik zal je omver knallen!’
Als zij aanlegt, laat ik me als een vormeloze zak op de grond vallen, de armen rond het hoofd. Mijn gezicht, vertrokken tot een vieze varkenssnuit, huilt: ‘Niet doen! Alsjeblief, Machteld!’
Tezelfdertijd versplintert een oorverdovende knal de lucht. Verbaasd dat ik nog leef, kijk ik op en zie hoe Machteld haar geweerloop naar een bewegend doel in de weide richt. Ik zie een vrouw naar het kind hollen. Een tweede schot galmt over het erf. De vrouw valt neer. Dan zie ik hoe Nelson zich met de afschuwelijke kop van een vampier gierend op Machteld stort. De vuile, behaarde klauwen van het krijsende beest sluiten in een wurggreep rond haar nek. Haar gezicht wordt rood en blauw. Aangezien ’t gevaar geweken is, probeer ik dat monsterachtige lijf van haar weg te trekken. Mijn handjes blijken te klein en slap.
Als Machteld al purper ziet, treft een agent hem met zijn matrak op de kale knikker. Nelson wil zich tegen de agent keren, maar als hij ziet dat er nog drie mannen in uniform komen toegesneld, steekt hij in een verzoenend gebaar zijn handen naar voren. ‘Oké! Het is al goed,’ zegt hij sussend.
Ik probeer de situatie te overzien. Machteld hangt tegen de gevel naar adem te snakken. De neergeschoten vrouw wordt door een vent in burger van de grond getild en naar de politiecombi overgebracht. Ik heb de indruk dat hij zachtjes tegen haar praat.
Machteld wordt in de boeien geslagen. Ik wil op mijn fiets stappen, maar een van de politiemannen beveelt me eerst met hem mee te komen voor een verklaring.
Terwijl ik na Nelson in de dienstwagen stap, komt de burgerman met de peuter aandragen.
‘Ik breng de kleine meteen naar zijn moeder,’ zegt hij tegen de agenten. ‘Zie jullie tegen zessen op kantoor!’
Ik koester de hoop Machteld met gewone praatjes tot rede te brengen, iets waarin mannen doorgaans minder sterk bedreven zijn. Hoe worden de koppensnellers in het oerwoud tot rede en vrede gebracht? Met cadeautjes natuurlijk!
‘Machteld, ik breng een leuk geschenk voor je! En ook voor je kind! Waar is het trouwens?’
Zij zwenkt met haar geweer in de richting van de weide. Hé, zie ik daar een rondlopende kleuter! Hij gooit de gouden appel in zijn beide handjes voor zich uit over het gras.
‘Wat een mooi kind! Hoe heb je het genoemd?’
‘Matthias!’
De klank van haar stem verraadt dat ze trots is op haar dreumes. Ik moet proberen haar verder aan het lijntje te houden. Nog vijf minuten, en ik heb haar helemaal op de hand!
Machteld kijkt om. Haar aandacht word getrokken door het ronken van een naderende auto. Het ronken stijgt uit boven het geruis van de wind in de kruin boven ons hoofd.
De bestuurder heeft opgemerkt wat hier gaande is, want aan de rand van de weide komt de wagen tot stilstand en wordt de motor stilgelegd. Een kleine Fiat. Neef Ronald heeft er ook zo een. Terwijl ik me afvraag wat er gaat gebeuren, krijgen we nog meer geronk. Ik kijk langs het struikgewas en zie een naderende politiecombi achter het Fiatje stilhouden.
‘Jij… jij smerige verraadster!’ krijst Machteld. ‘Ik zal je omver knallen!’
Als zij aanlegt, laat ik me als een vormeloze zak op de grond vallen, de armen rond het hoofd. Mijn gezicht, vertrokken tot een vieze varkenssnuit, huilt: ‘Niet doen! Alsjeblief, Machteld!’
Tezelfdertijd versplintert een oorverdovende knal de lucht. Verbaasd dat ik nog leef, kijk ik op en zie hoe Machteld haar geweerloop naar een bewegend doel in de weide richt. Ik zie een vrouw naar het kind hollen. Een tweede schot galmt over het erf. De vrouw valt neer. Dan zie ik hoe Nelson zich met de afschuwelijke kop van een vampier gierend op Machteld stort. De vuile, behaarde klauwen van het krijsende beest sluiten in een wurggreep rond haar nek. Haar gezicht wordt rood en blauw. Aangezien ’t gevaar geweken is, probeer ik dat monsterachtige lijf van haar weg te trekken. Mijn handjes blijken te klein en slap.
Als Machteld al purper ziet, treft een agent hem met zijn matrak op de kale knikker. Nelson wil zich tegen de agent keren, maar als hij ziet dat er nog drie mannen in uniform komen toegesneld, steekt hij in een verzoenend gebaar zijn handen naar voren. ‘Oké! Het is al goed,’ zegt hij sussend.
Ik probeer de situatie te overzien. Machteld hangt tegen de gevel naar adem te snakken. De neergeschoten vrouw wordt door een vent in burger van de grond getild en naar de politiecombi overgebracht. Ik heb de indruk dat hij zachtjes tegen haar praat.
Machteld wordt in de boeien geslagen. Ik wil op mijn fiets stappen, maar een van de politiemannen beveelt me eerst met hem mee te komen voor een verklaring.
Terwijl ik na Nelson in de dienstwagen stap, komt de burgerman met de peuter aandragen.
‘Ik breng de kleine meteen naar zijn moeder,’ zegt hij tegen de agenten. ‘Zie jullie tegen zessen op kantoor!’
Geen opmerkingen:
Een reactie posten