zondag 11 oktober 2026

LOTGEVALLEN (deel 5)

 

Het gareel (5)

Thuis en op school werden wij zoals de ganse Vlaamse bevolking traditioneel katholiek opge­voed. Dit wil zeggen dat wij, als we tweeduizend kilometer verder naar het oosten waren geboren, eerder een koran dan een bijbel op onze schoorsteenmantel zouden hebben liggen. Elke zondagmorgen woonde Moe met haar hele gezin de vroegmis bij. Wij hoorden de pastoor preken over het hiernamaals zonder dat het bestaan ervan ooit in vraag werd gesteld. Angst voor het hellevuur moest de gelovigen op het rechte pad houden. In de praktijk bracht dit op aarde zoveel verschrikking teweeg dat de belangrijkste doodzonde - elk toegeven aan seksuele lust - zo snel mogelijk werd opgebiecht. Tot daar.

   Dit veranderde toen een schoolmakker die ik voor intelligent en erg belezen hield me op ‘n dag met zelfzekere, doodgemoedereerde stem vertelde dat God niet bestond. Bonk! De eerste keer dat ik zoiets hoorde. Harder dan een vuistslag kegelde deze totaal onverwachte mogelijkheid me omver; alsof de aarde onder mijn voeten openscheurde en me als gevolg van dit evenwichtsverlies plots tot ongeneeslijke twijfels veroordeelde. Instinctief zette ik me in om het geloof te verdedigen. Niet dat het wel of niet bestaan van God mij zoveel kon schelen. Dat ik als verblind terugsloeg, kwam eerder door de vrees een belangrijke, met religie samenhangend houvast te verliezen, zoals het bestaan van de hemel en daarmee de hoop om mijn kleine broertje ooit weer te zullen terugzien. Maar verblind, zo begreep ik direct, raak je enkel lucht. Ik verstomde en begon voor mezelf te denken.

   Het fenomeen dat de wereld bestaat en dat er zoiets is als leven­, had ik altijd al fascinerend gevonden; temeer omdat het niet-bestaan meer voor de hand ligt. Volgens mij bestond het grote vraagstuk simpelweg uit het onloochenbare feit dat wij wél bestaan! En dat niemand daar een verklaring voor heeft.

    Al van jongs af vatte ik de eenvoudigste beweging van het leven op als een mirakel, waardoor ik wel geheel spontaan de hogere macht moest herkennen, zoals beschreven in de bijbel op onze schoorsteenmantel. He­laas zadelde dit geloof me algauw op met een heus schuldgevoel. In feite slaagde het hierin door misbruik te maken van mijn ver­beelding. Zo werd me aangemaand een goede relatie te hebben met de Schepper, wat resultee­rde in een nobel gevoel van reinheid, van zalig wegglijden in volkomen onschuld. Als men daar sterk genoeg in meegaat, intens de eredien­sten bij­woont, met ingetogenheid de reli­gieu­ze ge­zangen aanhoort, zich met hart en ziel onder­dompelt in de sfeer van de opeenvolgende ceremoniële handelingen bij kaars­licht, wie­rook, crucifix en heiligenbeelden, hoeft men zelfs niet over zoveel fantasie te beschikken om deelachtig te worden aan de sentimenten van een zuiver hart. Maar dan is daaren­tegen het kwellende gevoel van be­zoedeling ook waar; zelfs als men niet an­ders kan dan toege­ven aan de onbedwingbare, ‘vuile manieren’ van een jong, gezond li­ch­aam.

   Me nog te weinig bewust van het mechanisme waarmee het geloof beroep doet op de menselijke verbeel­ding raakte ik uitzichtloos ge­van­gen tussen de ver­ra­der­lijke obstakels die men­sen telkens opnieuw over zichzelf doen struikelen om hen daar­na weer aan te moedi­gen op te staan met de woorden waar­mee Jezus zich tot een over­spe­lige vrouw richtte­: 'Zon­dig niet meer!'

   Elke religie heeft wel zijn eigen heilige wetten. En doordat zelfs niet het geringste ver­grijp hiertegen aan het goddelijke oog ontsnapt, zijn deze gebo­den strenger nog dan de tirannie van poli­tiestaat. Deze beoordeling van daden blijkt zich trouwens gestaag te hebben uitgebreid naar terreinen die allang niet meer tot de reli­gie behoren. Op school betekent 'goed' de leerstof machtig zijn. Ik was beslist een voorbeeldige leerling. Want hoewel ik in het laatste leerjaar tegelijk het dag- als hoger avondonderwijs volgde, be­haalde ik mijn diploma met onderscheiding. Thuis deed ik mijn best een ge­hoorzame en liefdevolle zoon te zijn. Ook hier scoorde ik goed. Na mijn studies werkte ik vier maanden als dagloner op een Nederlands bedrijf waar diverse groenten werden ingevroren. Als tegenprestatie voor deze arbeid ontving ik wekelijks een ferm loon dat ik aan mijn moeder overhandigde.

   Ik had nog drie jaar in het hoger avondonderwijs kunnen doorgaan. Maar hoe­wel ik schoonheid zag in de abstracte constructies van het integraal- en differentiaal-rekenen en respect voelde voor ontdek­kers van fy­sieke wetma­tigheden, kwam het technisch onderwijs me eerder saai voor. Daar­naast stel­de ik grote vraagtekens bij veel van die techno­logi­sche toe­pas­sin­gen. Zij maakten de men­sen welvarender, niet geluk­ki­ger. Had moeder mijn beweegredenen aangevoeld? Ook zij meende dat ik niet te hoog moest grijpen.

   Het dient hier trouwens gezegd dat ik meer belangstelling had voor de leuke meisjes in de door mij in het weekend vaak bezochte dancings. Zo moest het er wel van komen: op een keer werd ik smoor op een vrouw uit een naburig dorp. Ik zeg wel vrouw, - niet meisje. Want haar schoonheid was mooi meegenomen, maar wat me bijzonder in haar aantrok was dat zij erg zelfbewust en volwassen bij me over kwam. Enkele dagen later was ik zelfs zo vermetel om te doen wat ik nooit eerder had gedaan: ik belde haar op, zomaar voor een afspraakje. Niet enkel leek zij het vanzelfsprekend te vinden, het viel meteen ook in goede aarde. Op het vervolg - de bezoekjes in cafés in Turnhout en omliggend of op festiviteiten in haar dorp wil ik niet uitweiden. Iedereen kent die plaatjes als achtergronden waarbij geliefden elkaar alles over hun bezigheden, over zichzelf en hun familie vertellen en geheime zaken uit het verleden worden opgebiecht of verzwegen. Hoewel ik hierover geen details wilde vernemen, kreeg ik van haar te horen dat zij zopas een relatie achter de rug had. Aan de te vroeg opgebruikte lucht waarmee zij de naam van haar vorige partner uitsprak, kwam ik tot het besef dat zij nog altijd onder die breuk leed, wat me ineens voor het voldongen feit stelde dat ik direct zou worden gedumpt, indien haar vorige vrijer zou terugkeren. Zeker zou dit nooit gebeuren. Dat ik haar tweede keuze was, tot daar. Had haar vorige relatie het platonische overschreden? Daar wilde ik zelfs niet op ingaan. Wel vertrouwde zij me toe dat haar tijdens een heelkundig ingrijpen een eierstok was afgenomen. Had de mogelijkheid dat zij onvruchtbaar kon zijn iets met hun breuk te maken? Doordat ik kort daarna voor mijn legerdienst werd opgeroepen naar Duitsland, waardoor ik maandenlang geen toestemming kreeg om naar huis te gaan, waren onze openhartige gesprekken schaars. Natuurlijk belette niets me om haar te schrijven. Een keer stuurde ik haar, zoals ik me vaag herinner, een erg idealistische brief waarin ik onze toekomst al te rooskleurig voorstelde. Maar omdat ik daar nooit een antwoord op kreeg, kwam er geen vervolg op.

dinsdag 6 oktober 2026

Ernst Löw leest een gedicht van Robert Baeken: "Achter de lijkbaar"




Achter de lijkbaar

Vanmorgen werd ons opperhoofd,
bijgenaamd Oude Beer,
in plecht ten grave gedragen.

Ernstig passeerden wij straten
waar reclamebordjes hingen
en vlaggen, gestrekt in strakke wind.

Bevallige meisjes langs de kant
wekten onze wellustige jongensdriften,
waardoor, ongepast bij een uitvaart,

de ongeduldige boodschap luidde:
Begraven worden wij.
Vandaag hij. Morgen ik, misschien jij.

zaterdag 3 oktober 2026

LOTGEVALLEN (deel 4)

 

Hoe het verder ging (4)

Anders dan na de dood van mijn broertje, hebben wij vader, hoewel weinig over hem gesproken werd, nooit als volledig afwezig ervaren. Toen mijn sportief aangelegde broer wielrenner wou worden en van Moe meteen toestemming kreeg een koersfiets te kopen, herinnerde dit de familie eraan hoe Va, toen grote broer nog klein was hem, zoals elke hoopvolle vader, trots bij het middel in de hoogte stak met de woorden: ‘Jij zal het later maken, zeker weten!’ Van financieel succes of roem was bij Va geen sprake, zoals hij tijdens de oorlog als metselaar van beroep met weinig werk in de bouwsector, werd overschaduwd door zijn broer Peer, destijds een bekende bokser.

   Toen mijn broer met succes aan wielerwedstrijden begon deel te nemen, was Peers loopbaan allang voorbij. Gesterkt door het geloof in zijn capaciteiten, meende onze nonkel hem door zijn tussenkomsten te helpen om vaders voorspelling waar te maken. Het idee dat wij een tweede Fausto Coppi in ons midden hadden, werd een belangrijk deel van ons familiaal leven. Hij en zijn sportieve vrienden kwamen over de vloer en er werd fel gediscussieerd over trainingsmethoden, dieet, massage, fietsmerken, banden, oliën.

   Eerder al had Moe, toen mijn broer op zijn veertiende niet langer schoolplichtig was, hem nodig als dagelijkse hulp bij het opstellen van de kraam en de verkoop van breigoederen. Even na de middag kwamen zij alweer thuis, zodat broer na de maaltijd niets anders om handen had dan de sportkrant lezen, aan zijn koersfiets sleutelen of in het gezelschap van twee beloftevolle kompanen langs ‘s heren wegen scheuren.

   Van zo gauw de gelegenheid zich voordeed om broer bij het koersen aan te moedigen, hield het verkennen van de bossen voor me op. Graag ruilde ik de Chiro in voor de tal van Vlaamse dorpskermissen waar ter bevordering van de feeststemming vaak velokoersen werden ingericht. Meestal bestonden die circuits uit keer op keer het blok omrijden zodat, telkens iemand riep dat de renners in aantocht waren, de supporters in de bomvolle cafés prompt hun biertje lieten staan om zich bij de deur doorheen het massale gedrang naar buiten te wroeten. Luidkeels en met opvallend armgezwaai werden de renners aangemoedigd. Maar ondanks de felle kleuren van de voorbijflitsende maillots, werden weinig favorieten opgemerkt. Liever wachtte ik bij mooi weer in openlucht, waar ik onder vrolijke straatmuziek naar de leuk passerende dorpsmeisjes keek of bij een frituur of ijscoman aanschoof. Honderden kermiskoersen heb ik zo bijgewoond. Wat me na al die jaren opviel: om het even hoeveel renners aan de startlijn verschenen, mijn broer was steeds bij de koplopers. Maar hoewel hij geweldig snel kon sprinten, overschreed hij zelden als winnaar de eindstreep, zodat ik me begon af te vragen of vader, afgaand op zijn buikgevoel, mogelijk de verkeerde zoon als uitverkorene in de hoogte had gestoken. De aankoop van een betere fiets veranderde daar niets aan. Wel ging die eerste koersfiets vanzelf naar mij. Zo trots was ik op mijn erfstuk dat ik er tot vervelens toe aan sleutelde. Geen avond ging voorbij of ik reed ermee naar het Turnhoutse stadspark waar een piste met tribune voor de vele kijkers was aangelegd en ik, in de hoop mijn prestaties tegen het uurwerk te verbeteren, tal van rondjes aflegde. Misschien zou het mij wél lukken een beroemd wielrenner te worden. Die ambitie heeft niet lang geduurd. Ik was een sterke fond- en tijdrijder, jawel. Maar als het bij de eindmeet, waar de prijzen werden uitgereikt, op sprinten aankwam, lukte het me niet een hogere snelheid te halen dan tijdens de vele kilometers hieraan vooraf. Nooit zou ik een prof worden.

   Na de lagere school moest er een keuze gemaakt worden over mijn studierichting. Afgaand op de povere re­sul­taten bleek ik voorbeschikt om de pre-industriële richting te volgen en later als leerjongen in een stiel te gaan. Misschien werd ik wel mecanicien. In die jaren vijftig nam de autoverkoop snel uitbreiding. Men kon toen al voor­spellen dat zulks veel werk­gele­genheid zou schep­pen.

   Ik had nooit over mijn toekomst ingezeten. Dit veranderde toen de wettelijke leerplicht tot achttien jaar werd uitgebreid. Op een avond brachten twee heren een bezoek aan mijn moeder. Daar zij gekomen waren om leerlingen te ronselen voor een zopas opgerichte technische rijksschool, werd ik erbij geroepen. Na een kort vraaggesprek werd Moe aangeraden mijn naam aan hun lijstje toe te voegen. De heren beweerden dat uit jon­gens van mijn slag die zich, zoals ik, tijdens hun vrije uren graag onledig hielden door aan fiet­sen te sleutelen, vanzelfsprekend bekwame mekaniekers zouden­ groei­en. Maar dan moest ik wel een theoretische vakoplei­ding krijgen.

   Doordat ik dit keer met de neus op reële feiten werd gedrukt, besloot ik het roer radicaal om te gooien. Aan mijn kin­der­tijd kwam bruusk een ein­de. Voor het eerst legde ik mijn strips opzij om ‘De gebroeders Karamazow’ van Dostojewski te lezen. Ook zou ik wekelijks naar de openbare bibliotheek gaan, waar ik urenlang verbleef, - niet enkel om er boe­ken te lenen die tege­moet­kwamen aan mijn be­langstelling voor vreemde lan­den en culturen, maar ook omdat ik de stille, inge­togen sfeer rond zo­veel opgeslagen kennis pret­tig vond. Zelfs liep ik het volgende schooljaar uit eigen bewe­ging naar de avondschool om Frans te leren. Hoewel ik het een leuke ervaring vond na al die voorafgaande jaren in een jongensschool in een gemengde klas te zitten, was er door mijn abnormale verlegenheid ook een gênant kantje aan. Want zie, telkens het gebeurde dat ik met de mond vol tanden stond, werd mijn kop tussen al die jongedames tot in mijn nekhaartjes vuurrood. Voelde ik me door een gebrek aan ontwikkeling te min, of minder dan ik wenste te zijn? Ik had er geen verklaring voor. Nooit heb ik aan iemand één woord losgelaten over mijn schaamte, de onrust, de kwelling dat ik slechts was wie ik was. Moeder had, vond ik, op haar levenspad al genoeg tegenslagen te verwerken gekregen. En een vader om me met raad of daad bij te staan, had ik evenmin.

   Ik was niet de enige met dit probleem. Op een nacht stond broer naast mijn bed. In het schijnsel van de lamp merkte ik dat er iets vreselijks aan de hand was, iets waardoor hij me de indruk gaf dat hij tijdelijk zijn verstand verloren had en daardoor zelfs op het punt stond een noodlottig ongeluk te begaan. Met de daver op het lijf dacht ik eraan hoe stapelgek hij was op een meisje uit een naburige gemeente. Door haar gezaghebbende tussenkomst had Moe, met het argument dat het om een ordinair wicht ging, ondanks de hete tranen van haar zoon een vrijage kunnen voorkomen. Als troost kreeg hij een gouden cachetring.

   Maar nu geen woord over dit alles. Voor het eerst kreeg ik te horen dat hij onder een minderwaardigheidscomplex leed. Bij de geringste op hem gerichte aandacht gloeide zijn gezicht vuurrood. Oei, wie begreep hem beter dan ik? Het enige verschil leek me dat hij er veel zwaarder aan tilde. Waar ik er nog in slaagde mijn gebrek te relativeren, had hij het over een handicap waaronder hij levenslang gebukt zou gaan. Zoals ik al begon te vermoeden, bekende hij me opeens waarom hij zich tegen het einde van elke koers zodanig inhield dat hij niet als eerste over de meet zou gaan.

   Ja, vaders afwezigheid maakte hem voor ons beiden des te aanweziger.

   Wat mij betreft lag het voor de hand dat ik mijn studies nog niet zou beëindigen. Doordat ik een primus was in sterkteleer en er daarnaast opmerkelijk goed in slaagde ingewik­kelde figuren en vlak­ken op papier te projec­teren, koos ik ­tech­nisch tekenen als specialiteit.

   Over deze nieuwe school niets dan lof! Naast een degelijke technische opleiding kregen de leerlingen van de hogere middelbare als bijdrage tot hun algemene kennis ook Nederland­s, Duits, Engels, geschiede­nis. Zo herinner ik me nog hoe verzot ik was op de les Nederlandse litera­tuur, waar we naast moderne poëzie en proza wekelijks een verklarende lezing kregen uit tal van middeleeuwse teksten, zoals Beatrijs. Of op de les Duits en Engels, waarbij ik gretig kennismaak­te met boeiende kortverha­len van Rilke, Kafka, Tucholsky, Maug­ham, Greene. Eén leraar raak­te zelfs zo begeesterd dat hij een muziekinstallatie meebracht om ons - allen verzot op het nieuwe van de rock’n roll - na de lesuren te laten kennismaken met een orato­rium van J. S. Bach, terwijl de leraar geschiedenis door het projecteren van diverse kunstwerken ons dan weer inzicht verschafte over de af­wisse­lende stijlperioden in de beeldende kunsten.

   Hoewel de sch­ool door de ontspannen sfeer die er heerste me ten zeerste be­viel, drong het tot me door dat ik niet op de juiste bank zat. Graag illustreer ik dit met een voorval waarbij de leraar mechanica ons mee naar buiten nam om in helder daglicht de werking van een diktemeter te laten zien, waarbij de verschuivende nonius ons toeliet om de laatste millimeter tot een of twee cijfers na de komma te kunnen aflezen. Hoe ik ook mijn best deed, het lukte me zelfs niet om rechtstaand wakker te blijven.

   Aan hun reactie te horen, ervaarden de andere jongens die saaie lesuren gans anders. Allen waren ze laai­end en­thousiast bij het vooruitzicht dat ze weldra in een of ande­re werkplaats grof geld konden verdie­nen. Maar ik was niet blind voor de walmen uit de fa­brieksschouwen. Tijdens een schoolreis naar het Luikse Cockerill-Sambre be­zochten we de hoogovens. De witte gloed van gesmol­ten staal, de denderende plaatwalsen, de rook, het lawaai, het stof, ervoer ik als de hel. En met de arme duivels die daar met een pook in de hand voor hun kost rondliepen, voelde ik oprecht medelij­den.

   Helaas bestond er voor mij geen weg terug. Gelukkig had ik één houvast: ik kon aan zelf­studie te doen door me uit eigen bewe­ging in de letteren te ver­diepen. Daarom kwam het krijgen van een aparte kamer in ons nieuwe huis voor mij goed uit. Eigen­lijk betekende het meer een toevluchts­oord waar ik me met mijn literaire boeken en mijn pas gewekte belangstelling voor klassieke muziek en jazz in een eigen wereld­je kon terugtrekken. En aan zakgeld voor leesvoer geen gebrek! Moe­ had een gulle hand. Op mijn achttiende liet ze me voor een maand in mijn eentje met de trein naar Cannes vertrekken voor een cursus Frans, ingericht door de universiteit van Aix-en-Provence voor buitenlandse studenten. Weg van huis leerde het groentje zijn plan trekken. In Parijs de metro nemen naar Gare de Lyon waar de nachttrein vertrok. Zonder reservatie noodgedwongen plaatsnemen op de eigen valies tussen de nozems in de gang. Tot ik een passerende conducteur aansprak en tegen betaling er alsnog in slaagde een couchette te bekomen.

woensdag 30 september 2026

Ernst Löw leest een gedicht van Robert Baeken: "Baalbek 6. Baalbek na duizend jaar"




6. Baalbek na duizend jaar

Slangen kwamen uit de woestijn gekropen,
toen zwervers Baäl onthoofdden en dat gebroed
vluchtte in de holten van zijn leeggestolen ogen.

Bazuinen bevroren in de harde lucht,
sindsdien beitels slaand tussen de voegen
om plaats te ruimen voor een teer groen zaadje
over de beenderen van al die ’s middags verrast

omarmd als eeuwig parend te rusten liggen:
mannen en vrouwen sinds Baäls laatste orgie,
gebogen over het raadselachtig afwezige raderwerk
dat de hoeren dreef, de landbouwers, en de koningen.

Aandacht wekt de schedel van een kind.
Het ene handje zoek, het andere grijpend in de lucht,
als zocht het nog naar Baäls speelgoed
tussen verbrijzelde schalen neergevallen.

Baalbeks stilte, heden een loodgewicht,
weegt op de laatste bezoeker de vraag
naar gepaste muziek, aangelijmd in de avond.

In Baalbek, de onleesbare ruïne,
wroet ongedierte nu massaal het puin,
tot de komst van een praalzieke nieuwgeleerde
elk dood leven bijzet in het massagraf.

dinsdag 22 september 2026

Ernst Löw leest een gedicht van Robert Baeken: "Baalbek 5: Geschiedenis van Baalbek"




5. Geschiedenis van Baalbek

Waar het Hooglied de hemel bidt
en Baäls spraak verdicht,
volgden de horigen hun leider in de tijd,
elke verovering vermeld als roemrijk wapenfeit.

Nog getuigen bloedstollende volksverhalen
van de dorst hun afgod te horen spreken.
Maar al bezong het schrift troost alom,
Baäl bleef doof en stom.

Levens doven uit. Blijft het monument:
Het verre verleden met grote namen
overdreven beschreven.
Woordjes van geliefden doodgezwegen.

LOTGEVALLEN (Deel 3)

 

Litteken (3)

Op een doordeweekse dag in het voorjaar gaf Moe na lang gezeur van haar twee oudste jongens toestemming om naar de namiddagvertoning van Quo Vadis te gaan: de beroemde historische film, met Peter Ustinov in de rol van keizer Nero. Daar ons jongste broertje last kreeg van beginnend sinusitis kon hij niet met ons mee. Moe had een afspraak geregeld met een gespecialiseerde dokter.

   Wij zaten in de donkere zaal. De Romeinse legioenen keerden terug van een veldtocht tegen Gallië. Onheilspellend gaven de slagen op een trom het ritme aan waarmee de soldaten trots marcheerden, terwijl achter hen knallende zweepslagen neerkwamen op de bebloede ruggen van overwonnen slaven, bezwijkend onder het trekken van zware karren met oorlogsbuit. Klappertandend liet ik me tussen de rijen stoelen wegzinken. Eenmaal weer boven water duurde het niet lang of broer werd door een onbekende fluisterstem weggeroepen. Opeens betraden wij het daglicht. Ik moest weer achteraan op de fiets plaatsnemen zonder dat broer me uitlegde waarom hij daarna huilend als gek in ongelooflijk vliegende vaart de terugweg aanvatte.

   Thuis zat Moe in haar fauteuil te midden van de ontdane gezichten van mijn zussen, familieleden en buren als gebroken te snikken. Pas toen ik boven op het kamertje kwam waar ik ons broertje aantrof met gesloten ogen en zijn handjes gevouwen als in gebed, ben ik op mijn beurt in een onbedaarlijke huilbui uitgebarsten.

   Terwijl ik als in een paniekaanval tussen de rijen stoelen zat ondergedoken, zag een voorbijganger rond datzelfde tijdstip hoe broertje op zijn nieuwe stelten met reuzeschreden over de brede strook tussen de voortuintjes en de rijbaan stapte, plotseling van de hoge stokken sprong, naar de keel greep alsof hij geen adem meer kon krijgen en schreeuwend om zijn moeder naar huis holde. Aan de voordeur viel het ventje stuiptrekkend neer. De voorbijganger veegde zijn lippenschuim af, droeg het levenloze lijfje naar binnen en legde het in de armen van zijn moeder. Zolang het gewicht levenswarmte bleef uitstralen, zolang hield zij haar zoontje smartelijk tegen zich aangedrukt. Tot een buurvrouw zich op de duur genoodzaakt zag hem voor de nodige toebereidselen zachtjes van haar los te weken.

   De daaropvolgende nacht keerde ik in mijn gedachten herhaaldelijk terug naar het zolderkamertje op ons vorig adres waar wij, de drie broertjes, te slapen werden gelegd en waar Moe op een nacht het licht aanstak. Niet zo vreemd dat haar gil mij opnieuw van dichtbij raakte. Twee ratten besnuffelden zijn hoofdkussen en gezichtje wat, gezien wij naast een boerenerf woonden, allicht niet zo ongewoon was. Moe greep haar kleintje om het, zogezegd uit veiligheidsoverwegingen zolang wij ginds woonden, voortaan elke nacht aan haar zijde tussen haar warme dekens te koesteren. Wellicht daardoor kreeg dit opgeroepen beeld voor mij iets van een nare voorspelling.

   De volgende morgen trof ik ons broertje gans alleen in die andere kamer aan. Telkens het door zijn verstijfde houding tot me doordrong dat ik hem spoedig nooit meer zou zien, nooit meer met hem samen te voet langs de in onbruik geraakte tramsporen naar school zou gaan, begon ik langdurig te wenen. Wat ik vooral voelde was spijt voor al die keren ik op zijn vraag geweigerd had met hem te spelen. Door hem ondanks zijn afwezigheid te laten deelnemen aan een race met onze autootjes slaagde ik erin mezelf te troosten. Hij de gele, ik de rode. En anders dan vorige keren keer bleek geel die dag het snelst.

   Achter mij werd de radio opengedraaid. Onthutst omdat het leven ondanks alle rampen gewoon doorging, hoorde ik het nieuws.

 

 

dinsdag 15 september 2026

LOTGEVALLEN (deel 2)

 

Jongensavonturen (2)

Tussen mij en mijn één jaar oudere neef Johan is nooit zo‘n groot woord als ‘vriend’ gevallen. Wij verstonden elkaar. Deelden als jongens dezelfde avonturen, dezelfde dromen. Zijn vader was conciërge in een lagere school, wat betekende dat wij op vrije dagen gebruik maakten van de verlaten, met reusachtige notenbomen overdekte speelplaats. Evenwijdig daarmee bevond zich een hangar waar we onze opwindende spelen bij regen of sneeuw gewoon konden voortzetten. Nog zie ik Johan met grote snelheid achter mij aan fietsen, zwaaiend met zijn krom zwaard dat hij tevoren handig uit een dunne plank had gekerfd. Na zichzelf schreef hij me in als het tweede lid van zijn padvindersclub. Zo maakte hij mijn hoofd dol met het idee dat wij op een dag samen in de bossen zouden kamperen. Hiervoor stelde hij een inventaris op van alle benodigdheden, zoals een bijl, twintig meter touw, veiligheidsspelden, een hamer. De veiligheidsspelden en meters touw hadden we al. Dankzij de regelmatige bijdragen van het lidgeld zouden we mettertijd, naast een tent, alle benodigdheden in een grote kartonnen doos stoppen.

   Op een keer daagde nog een neefje op. Ook hij werd prompt ingeschreven en van zijn zakgeld beroofd. Maar hoe bereidwillig hij aanvankelijk ook overkwam, het liep slecht af. Ofwel had hij te zwaar met zijn pistool op Johans hoofd getikt, ofwel had ik hem, zoals al eerder was gebeurd, onvrijwillig verwond door het gooien van een gehalveerde baksteen tegen zijn jukbeen. Het incident eindigde met tranen, woeste kreten, heen en weer gestamp en de onmiddellijke ontbinding van de club. Woedend werd het zakgeld teruggegooid, het touw in drie stukken gehakt. Wij vonden het dadelijk jammer, maar onze koppigheid maakte het op dat ogenblik onmogelijk aan de ander toe te geven.

   Dat ik me de volgende zondag aansloot bij een plaatselijke jeugdbeweging heette allicht geen toeval. Gekleed in korte broek, groen hemd en gele das trokken we wekelijks door de bossen: avonturiers, op strooptocht door een ontoegankelijk woud, met indianen op de loer om ons onverhoeds aan te vallen. Stonden we voor een beek, dan werd die hindernis overwonnen door een manhaftige sprong of, zoals het helden past, er doorheen te waden zonder eerst onze schoenen uit te trekken.

   Minder opwindend waren de dagen dat het zo fel regende dat we in onze lokalen bij het oude speelgoed bleven, strips lazen, of naar de enige rolprent keken die de Chiro rijk was: een druk joelende cowboy- en indianenfilm met de toen bekende acteur Roy Rogers. Wij hadden de film al zo vaak gezien dat de leider de spoelen omdraaide, zodat we alle bewegingen, zoals paardrijden en met revolvers schieten, tot eenieders jolijt achterstevoren konden bekijken. Alles liever dan tijdens het lof een uur in de kerk doorbrengen, waartoe de geestelijke Chiroleider, een bruine pater, zijn jongens af en toe verplichtte.

   Elke zomer gingen we gedurende tien dagen in bosrijke Limburgse gebieden kamperen. Wij sliepen op strozakken in groepstenten. Vroeg in de ochtend werden we door hoorngeschal gewekt. Hoewel de lucht koud was, deden wij gymnastiek in bloot bovenlijf. Daarna begaven we ons naar een als kapel ingerichte tent om er de mis bij te wonen. Tijdens een heftige preek had de pater de hele tijd zijn mond vol over onze roemrijke Vlaamse bodem. Daarna ging het over Christuskoning - een krachtige, erg Vlaams klinkende benaming voor Jezus die minder zoet overkwam. Terwijl hij ‘zijn jongens’ van diens grootheid probeerde te overtuigen, wachtten wij op alles wat na zijn toespraak zou gebeuren. Ontbijten aan een primitieve tafel. De tent ordenen. Zich aandienen voor karweitjes, zoals hout hakken voor het kampvuur, of water putten bij de dichtstbijzijnde hoeve. Elke dag trokken wij eropuit. Beklommen heuvels, doorkruisten weilanden, akkers, dichte bossen, marcheerden vele uren langs eenzame wegeltjes. ’s Middags hielden we halt, liefst aan de oever van een rivier. Eenieder pakte zijn eigen aan de broeksriem bungelende dolk of zakmes om het brood in plakken te snijden.

   Ondertussen wierp het werk van Moe zijn eerste vruchten af. Het begon met de aankoop van een groot automatisch toestel dienend als hulp voor het huishouden. Verbaasd keek ik in de geopende bovenkant en zag hoe vuil linnen, zonder dat er een hand aan te pas kwam door een schijf met rechtopstaande vleugels draaiend in een metalen trommel, krachtig heen een weer door het sop werd geslingerd. De volgende stap was een chique personenwagen. Een Amerikaanse Dodge nog wel. Weliswaar tweedehands gekocht, veranderde dit ons armmoedig bestaan in snel tempo. In plaats van thuis te naaien, greep Moe de kans wekelijks breigoederen aan te kopen in grote confectiemagazijnen te Sint-Niklaas. Als gevolg van het vroegtijdig overlijden van haar man trok zij op een dag van de overheid een flinke som achterstallige gelden. Hiermee kon het nieuwe huis dat ze al zinnens was te laten bouwen, gedeeltelijk worden gefinancierd. Toen ik een paar maanden in het vierde leerjaar zat, was het zover. Wij verhuisden naar de rand van Oud-Turnhout, een naburige gemeente, vanwaar we naar andere filialen van dezelfde rijksschool werden gestuurd.

   Ik nam achteraan in de klas plaats. De jongen naast me had als bijnaam ‘de Snoek’. Hij blonk uit in krachttoeren die niets met de lessen te maken hadden. Alle jongens liepen een eindje om, als hij eraan kwam. Liever dan deze vernederende situatie te ondergaan, kreeg ik een pak slaag. Eens nadat ik hem een beentje had gelicht, bleef ik pal staan om zijn aanval af te slaan. In dat ene moment waarop hij met dreigend armgezwaai op me af kwam, ontdekte ik het trucje om hem van schrik te doen verlammen. Door een gelukkig toeval keilde ik hem direct over de vloer. Noodgedwongen, doordat wij op de speelkoer elkaar dagelijks op leven en dood in de haren vlogen, om daarbij steeds afwisselend het meesterschap van de ander te ondervinden, eindigde dit door tegen wil en dank elkanders maatje te worden.

   Ons nieuwe huis was een doolhof van gangen en ruime, stille kamers. Hoewel Moe haar luidruchtige stadskinderen had gevraagd minder lawaai  te maken, had ik de indruk dat wij door die stille omgeving daar vanzelf toe neigden. Wij liepen in de met hoog gras en onkruid begroeide tuin en keken naar de noeste werkzaamheden van onze buurman, bezig vettige grond om te spitten. Zonder iets te zeggen, blikte hij even opzij om onze gezichtjes te bekijken. Ik kan me best voorstellen dat wij, het rijtje achter de lage heg, evenmin iets zeiden. De natuurlijke glimlach van een groepje kinderen werd hem als een gratis ruiker toegesmeten, zonder dat het zwoegen ophield. De buurman had een dochter van mijn leeftijd. Laurette heette het kind, een droomprinses. Zij had immers nooit vuile handen of knieën, zoals wij. Zij leefde hoog in haar ivoren toren waar ze na schooltijd roerloos zat te studeren of onze wilde spelen met een stil, verdrietig oog gadesloeg.

   Achter onze tuin strekte zich een immens landbouwgebied uit. Veel van mijn nieuwe vriendjes waren zodanig met de natuur verweven dat zij als hobby zelf een groentebed onderhielden, konijnen fokten, de koe molken, in hoge bomen klommen om eksterjongen uit het nest te roven of zeldzame vogeleieren aan hun diverse verzameling toe te voegen. Het duurde niet lang of ik timmerde onder ons afdakje op mijn beurt een hok voor twee konijnen. Een witje en een bruintje. Hoewel ze van mij dagelijks meer dan genoeg vers gras te eten kregen, wisten ze om de haverklap naar de tuin van onze buurman te ontsnappen. Lastig. Want voor mij was hij een nette burger die behalve dat hij kanarievogels kweekte, jaarlijks aardappelen voor eigen gebruik rooide. Zijn knappe vrouw stond de hele dag met een emmer, dweil en borstel in de hand. Door hun nette manieren voelde ik de plicht me even afstandelijk te gedragen. Zo had deze houding minder te maken met hun rijke aardappeloogst dan met het groene lover dat in hun tuin in netjes afgemeten rijen boven de grond uitgroeide en waar mijn konijnen het zo op gemunt hadden. Ik zie nog hoe hij en ik, sluipend zonder een blaadje te verroeren, op één stap van bruintje genaderd waren. Uit eerbied voor het aardappelloof, wat zowat hetzelfde betekende als mijn eerbied voor zijn persoon, durfde ik, afwachtend wat hij zou doen, geen eerste sprong wagen. En bruintje maar vreten ondertussen. Dan gebeurde iets wat ik niet had verwacht: buurman stortte zich met gestrekte armen over het gave lover neer. Desondanks kon het diertje nog op het nippertje van tussen zijn grijpende vingers ontsnappen. Verslagen of diep vernederd, zo leek me, bleef hij op het verpletterde groen liggen. Het speet me enorm; vooral omdat het mijn konijn was.

   Geleidelijk aan kwam ik op de leeftijd dat ik het verschil tussen jongens en meisjes ontdekte, wat maakte dat mijn omgang met het andere geslacht veranderde in een boeiend spel van ontmoetingen op een verlaten karspoor, waar het rook naar koemest en avonddauw. In het donker drukten wij onze lippen hoofs tegen elkaar, wisselden liefdesbriefjes uit, bootsten het gedrag van volwassenen na, zoals we dat gezien hadden op het witte doek of in het dagelijks leven, waarbij de mannen zich in de liefde meestal zachtaardig, ridderlijk en onbaatzuchtig gedroegen. In schril contrast hiermee vertel ik een bijzonder voorval dat plaats vond in de Liereman, een moerassig gebied waar ik in het gezelschap van enkele dorpsjongens en een buurmeisje als een ontdekkingsreiziger vergeefs op zoek gegaan was naar de bronnen van de Aa, - een riviertje dat door het dorp stroomt om verder in de Nete uit te monden. Tegen het donker trokken wij in de richting van de kerktoren naar huis. Zonder dat ik ervan op de hoogte was, hadden de jongens het plan opgevat om het meisje ‘keizerin’ te maken, wat erop neerkwam haar tussen de verlaten struiken vast te grijpen en haar broekje uit te trekken om te zien wat daar precies onder zat. Hoe graag ik ook had meegekeken, toen het kind luid spartelend alarm sloeg, wierp ik me van mijn kant op als een koene ridder, precies zoals Don Quichotte in mijn gelijknamig stripverhaal ook deed om zijn geliefde Dulcinea tegen bandieten te beschermen. Na een flinke dreun op mijn neus liet ik me als bewusteloos op het mos vallen. Afgaand op de geluiden richtte ik mijn hoofd pas na een veilige pauze weer op om tot mijn plaatsvervangende schaamte vast te stellen hoe mijn belager, omringd door zijn nieuwsgierige bende, zijn elfde vinger voor het buurmeisje ontblootte. Zij zat op een boomstronk en keek met gretige, medeplichtige blik naar zijn ‘vuile manieren’ die, hoewel ik me met dodelijke schrik voor het hellevuur aan dezelfde schandelijke maar onweerstaanbare lusten overgaf, achteraf ook mij steeds weer met schuldgevoelens vervulden.

dinsdag 8 september 2026

Ernst Löw leest een gedicht van Robert Baeken: "Baalbek 4: Schavot"




Baalbel 4: Schavot

Gister werd een verrader betrapt.
Tussen twee beulen opgebracht
gaapte zijn mond zwart.
Een overreden kat.

Lust bestreek nieuwsgierigen onderaan.
Eens Sultans strop omgedaan
loeide hun keelwind massale stemmen,
kwaadaardig en vol beschuldiging.

Anoniem kwam hij ten val.
Zijn stinkend vlees gebracht
naar een stortplaats voor gieren
ver buiten Baalbeks sinistere wal.

Dieper geschroeid dan zijn vergrijp
stonk Sultans brandmerk het vel.
Verbeurd het leven in schone schijn,
ligt hij ginds Baäl lasterlijk te zijn.

zondag 6 september 2026

ROBERTS LOTGEVALLEN

EEN GESCHIEDENIS VAN HET LOT

Autobiografische notities te lezen als een wekelijks vervolgverhaal waarin de auteur  afrekent  met enkele gebeurtenissen uit zijn jeugd.

 

Eerste schooldag (1)

In mijn herinnering bestaat een grijze ochtend tegen het einde van de zomer. Aan de zijde van mijn grote broer liep ik de wijde wereld in. Wij passeerden fraai onderhouden straten die ik nooit eerder gezien had. Enkele maanden tevoren waren er verkiezin­gen geweest. Tegen deze muren kleefden geen half verwijderde aanplakbiljetten met nummers van politieke partijen, zoals in onze buurt.

   Wij passeerden een driehoekig pleintje met in het midden een arduinen sokkel waarop een oorlogs­monu­ment: een zwarte beeldengroep van neerstuikende soldaten tegen een kluwen van engelen met triomfantelijk in de hoogte gestoken bazuinen die, mits wat verbeelding, door opstotend geschal de overwinning voorstelden.

   Meer belangstelling had ik voor de rondrijdende treintjes­ achter de uitstal­ramen van een speelgoedwinkel, op een steenworp daarvan. Na het oversteken ving ik een glimp op van een kasteel met brede slot­gracht waar, zoals broer me vertelde, volgende zondag een honderdjarige werd gehuldigd. Zijn ver­dien­ste be­stond eruit dat hij op 11 september 1849, niet lang na de val van Napoleon, zou geboren zijn.

   Het overdadige pleisterwerk van de deftige herenhuizen bedrukte me. Op onverklaarbare wijze bracht ik hun voorgevels in verband met de hangende kwasten op de epauletten van maarschalken, zoals te zien in mijn verzameling prenten van  Historia rond diezelfde Napoleon. Hun gezichten wedijverden in gestrengheid, vervul­den me met het beklemmende voorgevoel dat ik dra aan dergelijke onbuigzame bestuursorganen gehoor zou moeten geven.

   Langs diezelfde slotgracht bereikten we de school: een grauw bolwerk met de gekleurde glasramen van een kapel aan de buitenkant. Nog angstiger werd ik toen broerlief me via een hol klinkende lange doorgang naar een geplaveide binnenplaats leidde waar zich een menigte jongens had verza­meld. Broer liet mijn hand los en holde naar zijn voetballende kameraden.

   Aan mijn lot overgela­ten, bleef ik bedrem­meld staan en keek rond, verloren te midden van oor­verd­ovend gejoel dat huilend neersloeg tegen de sombere klaslokalen waar een kloosterbroeder straks de plak over ons zou zwaaien. Rijen grote knullen wedijverden met elkaar in hoogspringen. Zij waren hier al goed thuis. Ik zag de kuif van een branieschopper tijdens zijn sprong hoog boven de hoofden flitsen. Een innerlijke stem fluisterde me in dat ik anders was dan de anderen, hulpeloos en alleen. Want alle ande­re jongens lachten, renden zorgeloos in het rond, voetbalden, sprongen haasje-over.

   Het gejoel verstomde en een samenscholing stoof in paniek uiteen. Daar kwam een broeder aanlopen. Zijn gestalte even breed als hoog. Enorme sandalen legden de nadruk op zijn onbehouwen reuzenschreden en bleke voeten onder de zwarte pij. Het was of vlak voor mij de kop van een gek geworden nijlpaard druisend boven water kwam. Een opengesperde muil waarin weinige bruine tanden, spatte overdadig speeksel en loeide: ‘Wat vuile manieren!’ Ik gluurde naar het grauw van de weergalmende muren. De klem­toon op ‘manieren’ wekte het geluid van knarsende ketens en een ijzeren slot dat met harde klak dichtsloeg. ‘Vuile manieren’, daar had ik nog nooit van gehoord. En daar­na spuugde diezelfde speekselkrater weer van ‘goede manieren’. Ook dat voorspelde weinig goeds. Volgens mij had het te maken met de opgedofte schouderstukken van de patriciërhuizen. Een ruwe korst binnenin schuurde tegen mijn borst.

   De bel ging. Onder het toeziend oog van een lijkkleurig klashoofd, wijd bemanteld in zwarte pij, betraden de in dodelijke stilte gehulde belhamels het klaslokaal. Vanaf hier ademde ik een vervaarlijke, met giftige ernst vermengde nabijheid in. Tegen die dreiging was het gek geworden nijlpaard nog een lieverdje.

    Zo gauw de laatste jongen neer­zat, stelde het bleke doodshoofd doodernstig de vraag wie van ons later ook een zwarte pij wilde dragen. Daar er tus­sen het ernstige hoofd en mij, op de laat­ste bank achter­aan, op slag evenveel handen als leerlin­gen de hoog­te in schoten, bleek ik de enige die niet zo van het prettige van het broederschap was over­tuigd. Het deed de ronde dat het doodshoofd zo hard kon bulderen dat de muren ervan barsten. Mijn glurende ogen ontdekten inderdaad een verdacht spoor in het pleisterwerk.

   ‘Ernstig nu! Vouw beide armen bovenop de lessenaar!’

   Vermoedelijk was mijn blik niet ernstig genoeg; of anders vond de lijkkleurige de gezonde blos op mijn wangen verdacht. Want de volgende dagen leerde ik wel rekenen, schrijven en lezen, maar minder vlot dan de anderen. Volgens mijn eerste cijfers was het doodshoofd ervan overtuigd dat stomme kalveren niets op school te zoeken hadden. En ik had er inderdaad de pest in. Elke morgen als ik de grauwe vesting naderde, voelde ik in mijn beklemde binnenste alweer het schuren van de harde korst.

   Op een mooie dag weigerde het knaapje naar school te gaan. Hij stond op de drempel aan de voeten van een vrouw, dagelijkse hulp in het huishouden. In zijn geheugen staat zij daar nog: zonder naam, zonder aangezicht. Achter haar jurk haalde een kwaaie hand scherp uit naar zijn appelwangetjes. Als de bliksem schoot het ventje de kamer in, maar de raak zwiepende hand volgde zijn vlucht tot de verste hoeken van het achterhuis. En hoe het rebelse joch doorheen een vloed van snot en tranen ook krijste, het ontving nog meer striemen; tot het met zijn schooltasje onder de oksel murw op de str­aat­keien belandde.

   De volgende morgen, vlak voor zijn vertrek naar school, vond het jochie plotseling geen steun meer in de knieën. Zijn bovenlijf gleed als een zak meel over de drempel. En hoe vrese­lijk het kind ook zijn best deed, het raakte niet over­eind. Een dokter kwam er niet aan te pas. Zijn oudste zus die, opdat iemand het huishouden moest doen, een jaar vroeger van haar schoolplicht was ontheven, legde  uit dat hij als gevolg van zijn groei water in de knieën had. Het dertienjarige meisje reikte hem zijn collectie aan: een schoen­doos vol afbeeldingen van bekende wielren­ners die, net als de prenten van Napoleons entourage, van tussen verpakte chocoladerepen kwamen. Zij tilde haar broertje op en bracht hem naar de bank midden een zonni­g plekje in een door muren omsloten lap zwarte aarde.

   Va was al twee jaar dood. Voor Moe die op haar dertigste met vijf nakomelingen achterbleef, begonnen harde tij­den. Deze moeilijke omstandigheden brachten haar tot een zekere heldhaftigheid, temeer daar zij geen andere relatie meer wenste aan te knopen.

   Jaren later zou ik van een tante vernemen dat Moe het risico wou vermijden dat een vreemde kostwinner voogdij over haar kinderen zou krijgen. Wij zaten in de bus van Antwerpen naar Turnhout. In één adem voegde zij eraan toe dat mijn ouders elkaar buitensporig hadden liefgehad, - wat voor Moe de doorslag gaf om in haar eentje verder te boeren.

   Zoals bij de meeste levensmiddelen bleek tijdens die eerste jaren na de oorlog ook de vraag naar kleding groter dan het aan­bod. Moe kwam uit een kleermakersgezin en zij had die nood goed begrepen. Hoewel zij als kind tegen haar zin had leren naaien, heeft zij in haar leven nooit veel anders gedaan. In Antwerpen kocht zij stoffen op de rol die zij thuis verknipte, aan haar voetmatig aangedreven naaimachine as­sembleerde en achter een onooglijk kraampje op de openbare markten te koop aanbood. De verkoop liep op wieltjes. Maar dan moest er na haar thuiskomst elke middag weer tot diep in de nacht tegen een razend tempo ge­knipt en genaaid wor­den. Bewonderenswaardig vond ik de marskramer die zo met haar lot begaan was dat hij achteraan tussen de hoge stapels schoendozen in zijn camionette een open plekje ruimde zodat zij er met haar bundel opgevouwen koopwaren kon plaatsnemen. Op dagen dat zulks onmogelijk was, legde zij haar gerief in een kruiwagen en bracht het te voet naar het station, waar een tram haar en het hele boeltje naar de markt in een naburige gemeente voerde. Mijn oudste zus, een groot kind, bracht de lege kruiwagen weer naar huis. Eens vertelde zij me over haar schaamte telkens zij op straat een opgedirkt vriendinnetje tegenkwam. Voor mijn part mocht ook zij een medaille voor bewonderingswaardigheid opgespeld krijgen.

   Het spreekt vanzelf dat Moe geen tijd had om ons bij huistaken bij te staan, zoals dit wél gebeurde bij de andere kin­de­ren, aangezien toentertijd weinig huismoeders uit werken gingen. Daardoor gaat me vandaag een licht op over haar motief om ons al bij klaarlichte avond naar bed te sturen: dan kon zij ongestoord werken. Het volkse gezegde dat kinderen voor hun gezondheid vroegtijdig in bed horen, vond bij haar meer gehoor dan de mening dat een te lange nachtrust hun ontwikkeling kan schaden. Ik gaf dat eerste gezegde groot ongelijk. Zolang het gejoel van spelende kinderen op straat te horen was, raakten wij immers niet in slaap. Daarom probeerde ik me, van zodra het duisterde, te verstoppen. Op een winteravond gebeurde iets merkwaardigs. Terwijl het gezin gezellig rond de kachel zat, had ik me achter de rugleuning van een fauteuil geprangd. Vandaar hoorde ik mijn oudste broer pochen dat hij op beide handen kon lopen. Hoewel ik vanaf dat lage plekje enkel de onderbenen van mijn moeder kon zien, moest ik zijn prestatie voor waar aannemen. Want mijn grootvader die toevallig op bezoek was, reageerde verschrikt: ‘Jongen, pas op! Val niet om!’

   Voor de eerste keer verzamelde ik mijn indrukken alsof het ging om de totaalsom van een bewuste droom. Niets ontsnapte me. Ik wist dat Moe volop bezig was aan de keukentafel een patroon uit te knippen. Ik verwachtte dat ze de fauteuil elk ogenblik van de muur weg zou schuiven. Ik proefde de ganse sfeer en stelde me voor dat dit geheel zolang ik leefde zou voortduren, - weliswaar telkens met andere beelden en sferen, maar wezenlijk onophoudelijk puur en hetzelfde.

   Van zodra zich na deze buitengewone ontdekking een gunstige gelegenheid voordeed, gleed ik als een schim naar buiten en vond een plekje bovenop de vliering van een afgedankt varkenshok. Andere beelden en een andere sfeer, jazeker; maar dit keer voelde de ligplaats zo hard, ongezellig en koud, dat ik algauw opkraste. Behalve op zijn handen lopen, kon mijn oudste broer in zijn bed naast het mijne, ook de dramatische cowboyliedjes uit High Noon nabootsen die wij op een plaat hadden. ‘Do not forsake me oh my darling!’ Misschien konden wij een duet vormen?

   's Morgens trof ik mijn boekentasje in dezelfde hoek van de kamer waar ik het daags voordien na school­tijd had neergeworpen. De leer­stof van de doodskop kwam me de strot uit. Nooit had ik met zijn dorre letters en cijfers leren omgaan: op een spee­lse wijze, zoals kinderen graag rond een bal huppelen. Daar ik de twaalf artikelen van het christelijk geloof niet kon afdreunen, moest ik alleen na­blij­ven.

   'Begin opnieuw! Opnieuw! Ja weer!'

   Terwijl ik voor de zoveelste keer de artikelen afhaspelde, leidde een gereutel mijn aandacht af. Uit een duistere spookhoek trad de zwarte gedaante met doodskop. Mijn oog viel op de blin­kende, voor zich uit gestoken punt van een zakmes.

   Mogelijk zou het joch erin ge­slaagd zijn alle arti­kelen tijdig af te ronden. Maar zijn adem stok­te. Voor zijn voe­ten opende zich een bodemloze diepte. Niet enkel liepen de knieën weer vol water. De ruwe korst reet zijn lijf helemaal open! Het stikkende knaapje had zich niet vergist, - niet in de deftige stadsgevels, niet in de opgedofte uniformen van Napoleons legerofficieren, niet in deze sombere school.

   ‘Ach ja, op de keper beschouwd waren die broeders ook maar stumperds,’ legde ik mijn tante later in die bus naar Turnhout hun frustraties uit. ‘Levenslang te zijn opgesloten in een naargeestig gebouw en lijdend onder het celibaat. Hun was een droevig lot beschoren.’

   Op ’n heldere voormiddag rolde er een druppel inkt uit mijn pen, zomaar midden mijn geopende schrift. Nu ging de doodskop zo te keer of ik de schande van mijn moeder was. Loerend naar de barst in het pleisterwerk kwam het me voor dat die heus wijder werd. Voor mijn straf werd ik wande­len gestuurd: vijf keer heen en weer over de speel­plaats die volliep met toekomstige dragers van de zwarte pij. Maar eerst scheurde het welgemanierde doodshoofd de kladvellen uit om ze duidelijk zichtbaar aan de re­vers van mijn jasje vast te spelden.

   Door dit uithangbord van de schande werd ik nog stommer dan een kalf. Zoals de wrede jongens met hun gladde spekgezichten me op de speelplaats vanaf een veilige afstand beschimpten, stonken de kladvellen naar viezigheid. Naast oliedom bleek ik besmettelijk, onwaardig gelijk een kruipende mestkever.

   Op een keer, toen Moe bemerkte dat ik tijdens mijn huiswerk hopeloos in tranen schoot, boog zij zich mee over het vraagstuk en legde me in één handomdraai de wiskundige regel van drie uit. Moe had mijn nood aangevoeld. Zij en de brave huishoudster Nette waren het met elkaar eens dat ik ongewoon veel huilde. Nochtans vonden zij me niet onhandiger of dommer dan mijn broertjes en zusjes. Van zodra de gelegenheid zich voordeed, stuurde zij me naar een naburig wijkschooltje van het rijksonderwijs.

   Hier bestonden de klaslokalen uit eenvoudige paviljoentjes. Een met metaalgaas afgespannen zandplein deed dienst als speelplaats. De kinderen werden niet gedwongen tot voetballen of hoogspringen, maar mochten doen waar ze zin in hadden, zoals knikkeren in het zand. Belangstelling voor de leerstof laaide helaas niet in me op. Geluk­kig kweten de leerkrach­ten zich bescheiden van hun taak. Zelfs als deze huisvaders uit kinderboeken voor­lazen, ge­beurde dit even betoverend als gewoon, zonder de mond vol te hebben over ‘manieren’, en zonder de kinderen door gestrengheid te belet­ten met deze verhalen weg te dromen. 

dinsdag 1 september 2026

Ernst Löw leest een gedicht van Robert Baeken: "Baalbek 3: De ziekten van Baalbek"




Baalbek 3: De ziekten van Baalbek

Angst voor Baäl boog elk ja om naar nee.
Oprechtheid drukte een gewicht in de keel.
Lepra vrat elke dag een zielenpoot.
Weinig verweer tegen de vloek aan elke deur.

Het bevel bond ooglappen voor,
maakte de slaven zoals hun paarden,
klaar voor de krijg, de speren spits
tot behoud van de dagelijkse sleur.

Geregistreerd het ziekelijk verraad
van zonen en dochters om zo vaak
ontucht te bedrijven dat het traditie werd,
waaraan nog moeilijk te ontsnappen.

Gewend aan ongezonde ernst
durfden kind en kluchtzanger
niet langer met een onnozelheid of lach
te spelen op markt en plein.

In spijkerschrift gevraagd:
Zes poetsvrouwen
om Baäls heiligdom vrij te houden
van builenpest.

dinsdag 25 augustus 2026

Ernst Löw leest een gedicht van Robert Baeken: "Baalbek 2: Verboden visioen"




Baalbek 2: Verboden visioen

Over de bedrieglijke ochtendschemer
en het verzuchten naar vrije luchten
brullen de gebedsheren dagelijks in het oor
welk een verderf het is.

Leg alle leugens het zwijgen op.
Dat de zwakken kruipen met de ouden,
erin berusten dat leven in Baalbek is:
geloven dat zand het bestaan dieper delft.

Zij weten: betoverde vrouwen liegen
over hemelen, zo fabelachtig blauw.
Onmogelijk om door de lucht te vliegen,
te staren in de zon, te dansen op het water.

En waar het sommige honden
wel zou lukken te fladderen in het donker,
zal Baäl, eens de maan gedoofd,
hun vleugels nagelen aan de hemelse poort.

zaterdag 22 augustus 2026

STRIJD (Essay)

 

STRIJD

Het zelfbeeld

Om hoogte te krijgen van zich­zelf en te begrij­pen hoe dat beeld eruitziet, is het logischerwijze nodig de blik naar bin­nen te richten, - wat onmo­ge­lijk zou zijn als de inner­lijk­heid zich niet zou manifesteren als een verhulde bui­ten­kant. Zo speelt alle leven zich af binnen een entourage, samengesteld uit een ons vertrouwde buitenwereld en een innerlijk sentiment dat die buitenwereld wekt. Buiten en binnen zijn onafscheidelijk. Samen vormen zij het geheel van onze gewaarwordingen. Enerzijds zijn er de zichtbare dingen, anderzijds de individueel gekleurde invalshoek van waaruit wordt geobserveerd.

   Het eerste wat de naar binnen gerichte blik opvalt, is de wisselende gedaante van die verbor­genheid. De ene dag is er volop kleur en vrolijkheid, de volgende dag droefenis alom. Het heeft wat van kijken naar foto’s uit een oude doos. Herinneringen en constanten in het eigen gedrag glippen mee naar binnen, - aangenaam of niet. Afgezien daarvan blijft de vraag: ‘Wie ben ik, wars van alle karaktereigenschappen?’

   Maar voor een vereenzelviging die de actualiteit overstijgt, zou men uit het causale verband van de kersverse gebeurtenissen moeten treden: een onmogelijke zaak, daar de zintuigen uitsluitend zicht hebben op het heden.

   Vandaar lijkt ononderbroken aandacht mij de enige manier om tot zelfkennis te komen. Maar de moeite die men zich bij een dergelijke opdracht voorstelt, is vast teveel gevraagd. Vergelijk het probleem met dat van een metselaar die al doodmoe wordt bij de gedachte aan de nakende bouw van een huis. Nochtans voltrekt de constructie zich ook hier enkel steen na steen.

   In plaats in te zetten op waakzaamheid vindt men het handiger de oude fotodoos weer boven te halen. Deze schijnt genoeg elemen­ten te bevatten om een statisch beeld mogelijk te maken. Zelfs bij therapieën wordt hiervan gebruikgemaakt. Daarbij wordt uitgegaan van de veronder­stel­ling dat voorbije levensprocessen, persoonlijke en familiale ervaringen, spe­cifieke lichamelijke condities of maatschappelijke invloeden, elk individu maken tot wat hij is. Dit zelfbeeld wordt nog versterkt doordat oude gewoonten vroeg of laat on­ver­mij­de­lijk weer op­dui­ken. In de psychoanaly­se ontleedt een bevoegde ie­mands le­vensver­haal om op grond daarvan diens wezenlijke aard te beschrijven.

   Een zelfbeeld dat is samengesteld uit oude beelden wordt, daar er steeds weer nieuwe beelden bijkomen, altijd wel gecor­ri­geerd maar is, in ver­gelij­king met het veranderlijke van de blote fei­ten, toch overwegend statisch: een eigenschap die velen een psychologisch houvast verleent. Mensen richten zich op het fysieke bestaan dat in grove lijnen voorkomt als een voorspelbare continuïteit waarin orde heerst en regelmaat, zelfs al klop­pen deze uitgetekende levenslijnen lang niet altijd met de werkelijkheid.

   Eenieder die zich­zelf met fijngevoelige aan­dacht bekijkt, moet toegeven dat het in­der­daad onmogelijk is zich los te zien van het veranderlijke milieu en de gebeurtenissen. Zo sluipt er al­tijd wel iets binnen het totale blikveld waardoor men anders voorkomt. Rekening houdend met de omstandigheden verschilt elk actueel levensge­voel van alle vorige gewaarwordingen.

   Wel is het mogelijk om gedachten, ervaringen en gevoelens onder gene­ralise­rende noe­mers te brengen, waardoor zij na­der kunnen worden om­schre­ven, maar ook wel versterkt of zelfs uit hun verband gerukt. De gewaarwordingen heb­ben zelf evenwel geen be­hoefte aan taal. Zij doen zich voor en daar­mee houdt het op.

   Dit alleen is al een goede reden om wantrouwend te staan tegen­over termen. Beter dan het woord ‘zelfkennis’ in de mond te nemen, zou men spreken over ‘zelfwaarneming’. Nog beter zou het zijn hele­maal niets te zeg­gen. Het inner­lijke blik­veld biedt immers de enige ware kennis over zich­zelf; ook al is die ondeelbaar verweven met het heden en de hui­dige wereld. Bovendien kan aan die ken­nis, de aard en de reikwijdte van dat blik­veld, onmoge­lijk uitdruk­king worden gegeven. Hiervoor sch­iet taal te­kort, pre­cies zoals het psychoanalytische beeld als uit­komst van al­lerlei samengestelde beel­den uit iemands ver­le­den, tekort­schiet.

 

Eigenheid versus modellen

Om hoogte te krijgen van de unieke structuur die het zelf met de uiterlij­ke wereld ver­bindt, zou men zich beter niet op enige conventie richten. Zo zit mijn eigenheid niet in een naam, noch in een be­schrij­ving van mijn karak­ter, noch in het beeld dat ik van mezelf heb of anderen van mij hebben. Mijn eigenheid is voortdurend in beweging; daardoor zit zij die­per - of juist min­der diep - dan elke vorm van reflectie.

   Als mijn identiteit ­niet vrij is van kennis of vaardigheden, als zij niet vrij is van ­voorstellingen, als ik haar niet kan losmaken van alle materieel- of geestelijk erf­goed, zoals bezittingen, baan, dage­lijk­se gebrui­ken en dat gemeenschappelijk bolwerk waar­mee mijn persoonlijke levensvorm is vervlochten, dan ben ik het afgietsel van een in zwang zijnde model.

   Zich als een heremiet in een grot terugtrekken helpt niet om aan dit hele gedoe te ontsnappen. Het lijkt me juist erg belangrijk zich bewust te zijn van alle individuele banden met de buitenwereld: zelfs als het zou gaan om valse schijn. Immers, van zodra de komedie doorzien wordt, houdt alle komedie op. Gekleed lopen wil niet altijd zeggen dat het daardoor vergeten wordt wezenlijk naakt te zijn.

   Door zich glad­jes naar de ande­ren te voegen, komt een individu al gauw voor als een brave bur­ger. Maar ook dit heeft niets van doen met eigenheid.

   Eigenheid zit in het directe contact met de ogenblikkelijke gewaarwordingen. Dit contact manifes­teert zich niet noodzakelijk naar buiten. Het is juist een zeer interne aange­legenheid die voortkomt uit het besef dat jij als persoon ieder ogenblik in een andere staat verkeert ten opzich­te van het vorige moment, waardoor je niet enkel ten opzichte van jezelf, maar ook ten opzichte van de anderen telkens weer anders voorkomt. Die anderen passeren wel langs jou, en daarbij voel je je volkomen vrij om al dan niet in die stroom mee te gaan. Dit betekent evenwel niet dat je je daaraan conformeert. Terwijl je meedrijft, belet immers niets je van wat jou overkomt indirect als een unie­ke waar­heid naar de ande­ren uit te dra­gen.

   Het is begrijpelijk dat als het al enorme moeite kost behoorlijk met zichzelf te leven, het nog moeilijker wordt om in harmonie met anderen om te gaan. Een genuanceerde blik is nodig. Dat alle mensen onderling van elkaar verschillen, maar ook dat zij steeds weer een tikkeltje an­ders voorkomen, houdt de spontane be­lang­stel­ling voor de ander gaande. In dat geval kijkt men zonder nor­men te hanteren, zonder dat stati­sche beelden de blik ver­troe­belen, zonder te ver­ge­lij­ken, zonder te oor­de­len. Wellicht ontstaat er uit deze belangstelling naast verwondering ook empathie, begrip, mede­dogen, gene­gen­heid.

   Het vermogen tot abstraheren is een menselijke eigenschap. Het rationele brein legt onop­houde­lijk ver­banden. Het treedt buiten het heden. Het houdt reke­ning met het verle­den en probeert de toekomst te plannen. Hieruit zijn aller­lei psychologische constructies ontstaan die ertoe bijdragen om het dagelijkse leven praktisch in te richten en een geordende samenle­ving moge­lijk te maken. Maar juist doordat dergelijke abs­trac­ties niet altijd netjes zijn afgelijnd en daardoor vaak fout gehan­teerd worden, is het belangrijk te blij­ven inzien dat het slechts gaat om technische hulpmid­delen bezij­den de waar­heid. Want niets schijnt mensen te verhinderen om zich via malafide gewoonten ongelimiteerd te buiten gaan.

   Zo zadelt een individu zich algauw op met een kant-en-klaar beeld van zichzelf en de ander. Niet langer kijkt hij met een onbevangen blik. Nee, hij zit met statische modellen waarvan hij overtuigd is dat de werke­lijk­heid hieraan beantwoordt. Die beelden kunnen zowel ideaal zijn als negatief, zowel hoog verhe­ven als platvloers. Door­gaans zijn het modellen die beantwoorden aan hoopvolle verwachtingen, afgeleid van oudere waarnemingen en vandaar tweedehands. Hoe minder correct met dit gegeven wordt omgegaan des te gro­ter de kans dat deze verwachtingen mensen van zichzelf en de ander vervreemden.

      Pas gevaarlijk wordt het als hele bevolkingsgroepen zich verenigen rond ideeën, geponeerd als absolute waar­heden die het verdienen om col­lectief te wor­den nagestreefd. Er ontstaat dan zoiets als indoctrinatie. Meestal gaat het om populistische model­len die in staat zijn grote massa’s te beïnvloeden. Zij zaaien verdeeldheid en geven aanleiding tot bloedige twis­ten of ‘heilige’ oorlo­gen, waarbij de legers aan beide kanten van het slagveld gezegend worden.

  

Strijd

Nochtans gaan heel wat individuen er prat op dat zij zich niet door omstandigheden laten dwin­gen. Als hen ver­boden wordt van een appel te eten, groeit de aandacht voor die appel plotseling mijlenver boven het ni­veau van de aandacht die deze vrucht in gewone omstandigheden zou verdienen. Hoe strenger het taboe, hoe onweerstaanbaarder hij er gaat uit­zien. De appel wordt het voorwerp van een ware ver­zoeking; het gezonde beoordelingsvermo­gen dat het sap reeds in de mond voelt opstijgen, vraagt zich terecht af wat er mis aan zou zijn om de tanden te zetten in iets wat symbool staat voor alles wat de geest verworpen heeft zonder dat het van het lijf toestemming heeft gekre­gen.

   Men kan niet zichzelf op een vergulde sokkel plaatsen­ en tegelijk beide handen aan het dage­lijkse leven bevuilen. Daarom gaan weer anderen liefst stiekem, met een bocht voorbij het ideale, maar hinder­lijke beeld dat de goegemeente voor eenieders neus in zijn majestei­telijke glorie heeft opgericht. Ook zij gehoorzamen aan een natuurlij­ke drang, want het leven laat zich niet in een hoek­je drummen.

   Het re­sultaat is dat allen, door niet te beantwoorden aan het voorgeschreven model, zich uiteindelijk mislukt voelen. Hun specifieke mense­lijk tekort krijgt een naam, wat een soort van diagnose is, een lelijk brandmerk, een ziektebeeld, een vonnis. Na de goede voornemens kan de strijd om een ‘beter’ mens te worden overnieuw beginnen. Deze strijd duurt al zol­ang als de mensheid zelf. Zo blijkt de wereld nog steeds bevolkt door grote en kleine mislukkelingen die de ver­halen leveren waarmee de kranten vol sta­an.

   Zolang het menselijke gedrag gericht is op woorden, beelden, modellen, wordt er geoordeeld. Dit weeft een web van tegenstellingen waar niemand ooit uit­ geraakt. Want zoals meestal wordt voorge­steld, bestaat het goede als een tegenvoeter van het kwade. Zoals licht en duisternis: het ene dankt zijn bestaan aan het andere, terwijl ook het omgekeerde waar is.

   Om die reden zou ieder voor zichzelf beter de handdoek in de ring gooien door elke schuldvraag van de hand wijzen: het goede en het kwade als verzamelnamen voor alle ethische, religieuze of maatschappelijke beginselen. Ten­ min­ste zou het goed zijn in­ te zien dat het onmogelijk is deugdzaamheid te verwer­ven zonder het ego op te hemelen.

   Leven met de nodige aan­dacht, waar­bij naar toe­stan­den in zichzelf wordt gekeken zon­der ze te formuleren, te verge­lij­ken, te beoordelen en zonder zich daarbij door andermans kijk te laten beïnvloeden, kweekt naast een vrije keuze ook persoon­lijke gevoeligheid aan. Immers, het toe­zien op het eigen ge­drag met al zijn wisselende nuances, tekent dit gedrag ook. Het neemt de ziener zodanig in beslag dat som­mige overblijfselen uit het verleden, zoals schadelijke gewoonten, door in te zien dat ze niet meer zijn dan het opduiken van herhalingspatronen waarmee genot wordt opgezocht of innerlijke verveling wordt bestreden, moeiteloos aan de kant kunnen worden geschoven.

   Heel wat modellen komen voort uit histo­risch-cultu­reel erfgoed. Ik ben in België geboren. Daar­door draag ik een pantalon en hemd, al dan niet met stropdas­ - geen lenden­doek of tulband. Een mens blijkt er zich te weinig van bewust hoe sterk hij zich daarmee vereenzelvigt. Zich baserend op het bedrieglijke van de continuïteit, verslapt zijn aan­dacht en stompt hij af. Ik merk bij mezelf hoe het hoofd bij het geringste op hol slaat. De geest kwettert als een mus. De noodzaak dringt zich op die dwingende stemmen tot zwijgen te brengen.

   Het helpt niet om een door de wil gestuurde act op zichzelf uit te oefenen. Men wordt niet stil na goede voornemens of overwegingen die zeggen dat het denken moet ophouden. Het gekwetter zwijgt pas als het wordt opgemerkt, dus terwijl het zich laat horen en, doordat gedachten alles over jezelf vertellen, daarbij tot het einde toe worden gevolgd.

 

Genieten

Maar - fluistert een stem in, - waartoe al die inspanningen? Ben je gek? Genie­ten is de boodschap! Een mens leeft maar één keer. Kan jou de waar­heid wat schelen. Wat waar is zorgt wel voor zich­zelf!

   Al hoor ik hier de echo van de commercie, deze aanmoedigende stem lijkt een redelijke taal te spreken. Maar over welke vorm van genieten gaat het? Integer zijn zonder hoop op beloning, straks of in een hiernamaals, ziet er weinig aanlokkelijk uit. Desondanks blijft elk individu aan zichzelf verplicht waarheid van begoocheling te onderscheiden. Niet enkel om het inzicht te verscherpen, maar omdat het anders onmogelijk is ten volle te leven.

   Bovendien is genieten eerder een kwestie van ontvankelijkheid en eenvoudige sma­ak, dan van de door de commercie aangeprezen consumptie. Wie dit inziet hoeft het genot niet eens op te zoeken, want het is er al. Moet je nagaan, de groo­tste genoegens liggen voor het rapen. Lichamelijke gewaarwordingen zijn gratis. Om die reden zou een mens beter gelukzaligheid vinden in gezondheid en eenvoudige lichamelijke functies, zoals diep ademhalen en het genieten van zijn omgeving. Eenvoud helpt om een grotere gevoeligheid hiervoor aan de dag te leg­gen.

   Een mens kan zich volledig ontspannen. Hij kan uitbreken uit zijn ei. Hij kan vertrouwde denkpistes in vraag stel­len. Indien nodig kan hij de conformiteit verlaten en  de grootheid van zijn eigen aanwezigheid onderkennen, gewoon door zichzelf te zien in contrast met de grote leegte, het volslagen niets.

   Ook al slaag je er niet in je gedachtestroom in één handomdraai stil te leggen, noch hinderlijke gewoonten met wortel en al uit te roeien, het blijft steeds mogelijk om zonder tussenkomst van het opgestoken moraliserende vingertje te zien wat er bij jezelf aan de oppervlakte drijft. Wellicht bestaat het belangrijkste uiterlijke hulpmiddel er wel uit je leven te vereenvoudigen, vooral als zich daarin heel wat ingewikkelde bijzaken voordoen die afleiden van het nauwe contact met wat om je heen gebeurt.

   Het is waar: aan­dacht kost inspan­ning en doorgaans wordt die liever besteed aan het verlangen om te beant­woorden aan de hoopvolle verwachtingen die mensen zich stellen aan de hand van traditionele denkpatronen over hoe een geslaagd leven er hoort uit te zien. Dit leven bezit echter een duur die uitsluitend in de verbeelding bestaat, uitge­drukt in jaartellingen, verhalen, romans, speelfilms of andere droomconcepten; een spanwijd­te die tastbaar lijkt bij het ophalen van herin­ne­ringen.

   Waarachtig leven bezit echter geen duur, en vandaar ook geen duurzaamheid. Het kan niet eens écht aangeduid worden. Maar tege­lijk is dit gegeven zoveel meer. Leven beantwoordt nergens aan. Leven is ogenblikkelijke gewaarwording, telkens anders dan wat men zich hierover voor­stelt.

 

©Robert Baeken – Augustus 2026

dinsdag 11 augustus 2026

Ernst Löw leest een gedicht van Robert Baeken: "Baalbek 1: Het Massagraf"




Baalbek 1: Het massagraf

Het museum: een rommeltje gouden brokken.
In het massagraf onder een gloeiende hemel
zucht de toerist de laatste adem van de stad,
smoort zijn heimwee naar de kille regens thuis.

Baalbek, een vreettrog voor de burger.
Waar kramp om de eindeloze uren
over de onblusbare verlangens 
van armoezaaiers en loonslaven hing. 

De naar verveling stinkende horigen
arbeidden in verplichte zandmijnen.
Ruggen gebogen. Na de slag van houweel
volgde in snedig ritme elk truweel.

Onderwijl met gezegende rust
de hogepriester, handhaver van dit hol,
met de lach van een hongerige hyena
gekerm van geofferde kinderen smoorde.

Liever dan aan zelfmoordenaars
Baalbeks uitgang te verklappen
naar een handvol geluk, grapte hij
over het bloedspatje op de tempelvloer.

dinsdag 4 augustus 2026

Ernst Löw leest een gedicht van Robert Baeken: "Dorst naar leven"




Dorst naar leven

Onder kille nevelwolken
draaft een paard in de morgen.
Wind doet de landlucht wel.

Ten oost schudt een bleke horizon
de weidse aarde, klaar om te ontginnen.
Dorst dwingt het lijf te drinken.

Van het zwijgen dat alles weet, leert het
zich te binden met de hemel en hoe de aarde
elk gewaarworden aanduidt als het oerbegin.

dinsdag 28 juli 2026

Ernst Löw leest een gedicht van Robert Baeken: "Een huis"




Een huis

Een huis is wat een schelp betekent voor een slak: anders voor elke bewoner. Van kerker, bewaarplaats voor zieken, heiligdom, tot nest voor elk ei.

Oud geworden draagt het de geschiedenis van families, - begraven of uitgestrooid.

Elk huis leidt zijn eigen leven. Beschermt tegen nattigheid buiten of orkanen van hartstocht binnen. Geeft onderdak aan gruwel en tederheid. Dempt vloeken, spreken, vrolijk zingen.

Een huis drukt een zoen op de lippen bij de deur. Biedt een wachtplaats; vaak met zicht op ‘n broederlijke rij.

dinsdag 21 juli 2026

Ernst Löw leest een gedicht van Robert Baeken: "Verhalen van de ziener"




Verhalen van de ziener

Op zijn reizen trekken landschap en
geschiedenis eindeloos de ziener voorbij.

In Venetië onder de scherpe maan
boven de Rialtobrug kan hij getuigen
hoe een Don zijn aanstaande kuste,
waar, na zijn dolkstoot om vermeend onrecht,
een jongen, midden verwijderende waterkringen
zich vergeefs naar de oppervlakte vecht.

Bazuinen klinken bij zijn bezoek aan Karels stad.
Duizend handen hebben de Dom opgericht
vol kerkelijk goud en glorie, wijl zijn jongste broertje
uitgehongerd bezweek onder een slepend gewicht.
Langs de straat treft hij zijn laatste steen
waartegen sindsdien elke hond zijn pootje licht.

Niet iedereen ziet de wolken boven elk verhaal,
zwaar van water, vegend over het kabaal.