Essay over de
macht der gewoonten
SARTRE EN VRIJHEID
'Er is geen menselijke natuur, gezien de mens vrij is en er niets in hem bestaat waarop men kan bouwen,' legt Sartre zijn leer van het existentialisme uit. Zoals dat gaat met leringen wordt hier abstract geredeneerd. Dat merken we aan de woordkeuze. De mens, zoals Sartre het individu aan de hand van zijn verschijning formuleert, kan niet echt worden omschreven. Niet voor niets voert hij een soort van substituut in om het daarna te hebben over een universeel mens-zijn, een vertrouwd milieu dat door Jan, Piet, Klaas ervaren wordt binnen een plaatselijke historische context waarin zij elkaar kunnen vinden. Nochtans verwerpt Sartre het begrip menselijke natuur. Hij schrijft: 'Als het bestaan aan de wezensbepaling voorafgaat, kan men nimmer een gegeven en vaststaande menselijke natuur ter verklaring aanvoeren; met andere woorden, van determinisme kan geen sprake zijn; de mens is vrij, de mens is vrijheid.'
In die geest van juistheid kunnen belangrijke besluiten genomen worden, zoals Sartre wanneer hij zegt dat wij door de keuzes die we maken en door ons gedrag, verantwoordelijk zijn voor onszelf en, vermits wij niet alleen bestaan, voor de anderen. Een ander besluit van hem is dat er geen algemene moraal geldt. En inderdaad: de moraal zoals die overal ter wereld gebruikelijk is, wordt uitsluitend bepaald door het gedrag van een plaatselijke meerderheid waarvan mensen als Jan, Piet en Klaas deel uitmaken, zodat die veranderlijk blijkt en van streek tot streek zelfs zeer verschillend. Toen ik een knaap was, stak de pastoor op zijn kansel, telkens het thema overspel aan de orde kwam, een donderpreek af. Sinds het huwelijk door de gewijzigde levensomstandigheden veelal met losse flodders aan elkaar hangt, hoort men hier nog weinig negatiefs over. Als gevolg van de noodwendigheid komen er wel nieuwe geboden op de proppen, zoals: 'Geen plastic bij het tuinafval gooien!' Aldus blijkt dat een individu voortdurend in staat is om op zelfstandige basis, wars van elke bestaande moraal, keuzes te maken. Maar zelfs als deze enkeling vrij rondloopt, wil dit niet zeggen dat hij geen onderdeel is van de algehele natuur. De ervaring leert hem dat zijn lijf afhankelijk is van allerlei noodwendigheden. Mensen kunnen niet zonder lucht of water. Zij kleden zich tegen de vrieskou. Hun gedrag wordt grotendeels bepaald door leeftijd en aangeboren sekse.
Een andere vaststelling is het algemene
besef dat er slechts één universum geldt, één objectief kenbare wereld
waarbinnen de natuur voor alle schepsels werkzaam is; een universum dat
bestudeerd kan worden. Naarmate deze voorstelling geperfectioneerd wordt, menen
mensen, hoewel zij er een nietig onderdeel van blijken, zich beter in een
bekende tijd en ruimte te kunnen situeren.
Hierbij wordt al gauw uit het oog verloren
dat elke voorstelling neerkomt op een abstractie. Vlietende gebeurtenissen, die
zich door hun verscheidenheid slechts
één keer voordoen, worden onder allerlei noemers geplaatst. Maar stel dat het
heelal niet één levend wezen zou herbergen dat in staat is het te observeren,
zoals bewuste wezens doen als zij 's nachts de blik naar het uitspansel
richten. - Zou dit heelal dan wel bestaan?
WAARNEMING EN WERKELIJKHEID
Vandaar kan men zeggen dat het heelal voor ons slechts bestaat doordat er kennis van genomen wordt. En zo ontstaat het bij elke blik opnieuw. De kijker observeert, en tot zover is er niets anders dan dit concreet gebeuren waarbij het immateriële van de waarneming en de waargenomen materie zo zuiver in elkaar passen dat men ervan mag uitgaan dat het heelal vanuit een niet nader te omschrijven oogpunt naar zichzelf kijkt. Zij hebben elkaar nodig om te bestaan.
Tot hier nam ik het universum als voorbeeld. Maar wat heet groot of klein, als er geen geldige maatstaven voorhanden zijn? Het is waar: mensen nemen min of meer zichzelf, hun eigen grootte en levensduur als kijk op de wereld tot maatstaf. Want men hoeft niet van de microkosmos op de hoogte te zijn om te begrijpen dat het oneindige evengoed aanwezig is in een zandkorrel. Of iemand zich in de ruimte of tussen vier muren bevindt, elke gewaarwording maakt deel uit van een peilloos diep. Zien, in de betekenis van gewaarworden, is zijn. Een mens is een tijdelijke interactie. Hij is zowel een gebeurtenis als het milieu waarin deze gebeurtenis plaatsvindt.
Volgens de wetenschap blijken twee atomen
waterstof geneigd zich te verbinden met één atoom zuurstof. Het resultaat is
water. (Wat er zou gebeuren als zulke gewoonte zou ophouden te bestaan? Wie
weet zou een oerknal het gevolg zijn en de bestaande constructie andermaal in
een onvoorstelbare dimensie geordend worden.) Daarnaast bestaan er ook
kleinere, plaatselijke veranderingen. Zo gedroeg het klimaat op aarde zich
tijdens de ijstijden anders dan vandaag. Dus houden wij rekening met een
voortdurend afwijkende status. Het zou onjuist zijn de natuur te benaderen als
een onveranderlijke abstractie van het denken, zoals men geneigd is haar voor
te stellen. De natuur heet dan de vermeende constante in waargenomen fenomenen.
Maar elk fenomeen is enig en doet zich tijdelijk voor. Zo mag die constante dan
wel het gevolg zijn van de menselijke reflectie rond de samenhang van op elkaar
gelijkende fenomenen: zij blijft onberekenbaar. Zoals de empirist Hume in de
achttiende eeuw al zei: ‘Door langdurige en nauwgezette waarneming kan men de
natuur wel voorspellen, maar het blijft een hypothese, een voorspelling.’ Om
die reden erkenden de empiristen geen absolute wetenschappelijke zekerheden.
Daarentegen is de wereld van de mensen
subjectief. Een wereld van onderlinge relaties, geënt op het actuele
levensgevoel van de enkeling. Als ik mijn hoofd stoot tegen een balk, voel ik
niet de balk, wel een onloochenbare pijn ter hoogte van de schedel. Deze pijn maakt
deel uit van wat ik ben. De balk zelf kan ik niet voelen, want ik ben niet de
balk en ik kan onmogelijk buiten het geheel van mijn zintuiglijke
gewaarwordingen treden. Nu kan ik best aanvoeren dat de balk hard aankwam, dat
hij gemaakt is van hout en dat ik hem had kunnen vermijden als ik mijn hoofd
had ingetrokken. Maar of we nu in aanraking komen met een balk, een medemens of
een sterrenhemel, altijd gaat het over zintuiglijke toestanden die zich nooit
een tweede keer identiek voordoen. Zelfs als mijn oog door een sterrenkijker
gluurt, of door een microscoop, neem ik niets anders waar dan indrukken op mijn
netvlies. Altijd schuren de zintuigen tegen een ogenschijnlijk bekende substantie
aan, terwijl deze werkelijkheid niets anders is dan een ondoordringbare
buitenkant.
Als het bestaan aan de wezensbepaling
voorafgaat, betekent dit dat de feiten zich eerst voordoen; pas daarna volgt de
abstrahering, de identificatie of de beschrijving van die feiten. Bestaan is
een samenstelling van primaire feiten, zoals ademen, lopen, zich het hoofd
stoten, denken. Daarom kan ik Sartre niet langer volgen als hij zoals Descartes de analytische beschrijving van het denken apart neemt en verklaart:
'Ik denk, dus ik ben.' Als men er zoal zij a priori van uitgaat dat er bij het
denken ook een denker gemoeid is, holt men op de feiten vooruit. De denker
behoort eerder tot de besluitvorming. Ineens gaat Sartre omgekeerd te werk.
Zijn redenering zou correcter zijn geweest als hij zich had beperkt tot: ‘Er
wordt gedacht, dus er vindt een feit plaats.’
‘Een gedachte komt
wanneer ‘zij’ wil, en niet wanneer ‘ik’ wil;’ noteerde Nietzsche; ‘zodat het
een vervalsing van de feiten is om te zeggen: het subject ‘ik’ is de bepaling
van het predicaat ‘denk’. De feitelijke manier waarop gedachten tot ons zijn
gekomen moeten we niet bederven door een vals arrangement van deductie en
dialectiek.’ Met andere woorden: het ik denkt niet; het wordt gedacht. Het is
een voorstelling.
Nog overtuigender komen me de argumenten van
de Argentijnse dichter Borges voor. In een lezing over het boeddhisme zegt
hij: 'Een van de grootste begoochelingen is die van het ik. Het boeddhisme komt
daarin overeen met Hume, met Schopenhauer. Er is geen subject, maar een reeks
mentale staten. Als ik zeg 'ik denk' bega ik een dwaling, omdat ik een constant
subject veronderstel en vervolgens een handeling van dit subject, namelijk
denken. Zo is het niet. Je zou stipt Hume aan, niet 'ik denk' moeten zeggen
maar 'het denkt', zoals je zegt 'het regent'. Als we 'het regent' zeggen,
denken we niet dat de regen een handeling verricht; nee, er gebeurt iets. Op
dezelfde wijze als je zegt: het is warm, het is koud, het regent, moeten we
zeggen: het denkt, het lijdt, en het subject vermijden.'
Inherent aan de opvatting dat de denker niet gescheiden is van zijn gedachten, voegde Krishnamurti, bekend om zijn toespraken over de ganse wereld, hier nog een belangrijke opmerking aan toe: ‘Als ik mezelf aanhalig vind, hebzuchtig of brutaal, meen ik dat ik niet zo zou mogen zijn. Zo tracht de denker op gelijke hoogte te komen met zijn gedachten; hij doet moeite te worden wat hij in gedachten heeft. Tijdens zijn inspanning meent hij dat er twee verschillende verlopen zijn, terwijl er slechts één verloop is. Hierin ligt de fundamentele oorzaak van verwarring.’ Verlichting moet direct worden bereikt, - niet in groepsverband, niet door in navolging van een meester met gekruiste benen onder een boom te gaan zitten.
Het subject kan vermeden worden door elk
fenomeen direct voor zichzelf te laten spreken. Maar in deze concrete wereld
van feiten glippen onvermijdelijk abstracties naar binnen; want mensen maken nu
eenmaal deel uit van een gemeenschapsleven, een gezamenlijke cultuur. Zij
oordelen, geven dingen een naam, rijgen feiten aan elkaar, zodat dit er als een
tijdsnoer gaat uitzien. Die abstracties komen eigenlijk neer op vormen van
aankleding. Zij zijn zo nauw met onze gewaarwordingen verweven dat het moeilijk
wordt ze daarvan te onderscheiden. Zo krijgen zij een meerwaarde die ze
eigenlijk niet verdienen, zelfs al is daardoor een vorm van overzichtelijke
continuïteit mogelijk. Want aldus begint elke historie. Wat niets anders zou mogen
zijn dan een kennismaking van feiten, wordt de aanzet tot een kunstmatige
vereenzelviging waarvan het belang onbewust over het paard getild wordt.
Daarbij gaat het ego tot de feiten behoren. Het kleedt zich aan en wordt daarbij
nog door de anderen geholpen ook. Het krijgt een naam; soms zelfs nog een titel.
Zo maakt iedereen ongevraagd deel uit van een religieuze en staatkundige
gemeenschap, een gezamenlijke cultuur en traditie. ‘Beter een foute of
overdreven vereenzelviging dan helemaal niets,’ redeneert het individu in zijn
onbewuste vrees voor de eigen naaktheid; want zonder deze identificatie komt elk
fenomeen hem maar heel gewoontjes voor, even arm en betekenisloos als de
vlietende gebeurtenissen zelf.
GEWOONTEN EN CONDITIONERING
Een mens zou dus wezenlijk vrij zijn. Mooi, maar iemand is pas vrij als hij dit terdege beseft. En gelet op de beperkende condities, bezit die vrijheid geen schijn van kans. Een mens komt er nauwelijks toe onbevangen te kijken, naar zichzelf en de wereld als schouwtoneel. Over het lichte heden vallen de roetzwarte schaduwen van verleden en toekomst. Waar we mee te maken krijgen, is vertroebeld door voorkennis, voorgekauwd door tradities, beïnvloed door collectief gedrag, ingebed door aloude opvattingen. Ermee rekening houdend dat de natuur een verzamelnaam is voor haar gedragspatronen, zou men Sartre kunnen tegenspreken, en het in dat geval toch wel hebben over een menselijke natuur. Want elk individu is de som van zijn gewoonten. Spinoza was van mening dat alle dingen in hun wezen willen volharden. Zoals een elektrische stroom zich verzet tegen onderbreking, wil de steen eeuwig steen blijven, de tijger eeuwig tijger. Toch is er verandering mogelijk. Ook al kan dit uitsluitend aanvangen bij de enkeling. Ook de steen en de tijger zijn ergens uit voortgekomen.
Ik stel me de kracht van gewoonten voor als
de bedding van een rivier. Bij de allereerste regenval zocht het water de
makkelijkste weg. Zand en steengruis werden meegevoerd. Er ontstonden geulen,
wat het voor het water al moeilijker maakte om bij de tweede regenval langs een
andere weg neerwaarts te stromen. Op gelijkaardige wijze wordt het menselijk
gedrag ingebed door repetitief gedrag: diepe geulen welke onvermijdbaar zijn
zonder een frisse oorspronkelijke kijk die alle oude beddingen weer gelijkmaakt.
Als de wereld van mensen er een is van
onderlinge relaties, geënt op een actueel levensgevoel, spreekt het vanzelf dat
er in die relaties tot anderen hoffelijkheid nodig is om de afwikkeling tussen
die relaties harmonieus te doen verlopen. In feite gaat het hier over een
gedrag waarbij de ander voldoende bewegingsvrijheid krijgt. Goede manieren
scheppen voorwaarden. Prima zo, maar als die voorwaarden op voorhand worden ingecalculeerd,
leiden ze vanzelf tot een conventionele ethische gedragscode die de individuele
vrijheid beknot. Want mensen zijn wel vrij, maar willen zij ordentelijk
samenleven dan kan men niet toestaan dat de een zijn vrijheid tegen de ander
misbruikt. In de praktijk komt dit erop neer dat het menselijk gedrag
getoetst wordt aan de hand van zekere beginselen. Aanvankelijk waren die
uitsluitend religieus, eerder gericht op de juiste staat van het hart dan op de
dode letter van de wet, waardoor er minder hypocrisie voorkwam. Maar sinds de
samenleving grotendeels op basis van een geseculariseerde moraal mogelijk wordt
gemaakt, hebben de milieuactivisten, opvoeders, rechters, psychiaters, politici
ook wat in de pap te brokken. Al naargelang wie oordeelt, wordt er gesproken
van een ondoordacht, zondig, ziekelijk, misdadig, dwaas, of afwijkend
gedrag. Strikt genomen is elk gedrag afwijkend, want het normale is alweer
een abstractie. Bovendien ontnemen oordeel en straf niemands vrijheid. Vrijheid
is eigen aan ieder mens, zelfs als hij in de donkerste isoleercel zit
opgesloten. Ik meen dat die vrijheid pas ophoudt als het feitelijke beginsel dat
het bestaan van een mens voorafgaat aan zijn wezensbepaling, verworpen wordt
ten gunste van richtlijnen zoals door de georganiseerde gemeenschap
voorgehouden. Onder meer door zijn innerlijke staat zodanig aan te passen dat
de condities van die gemeenschap bij de enkeling worden ervaren als de
natuurlijke grenzen van een determinant, is het mogelijk in deze valstrik weg
te glijden. Men legt zijn persoonlijke verantwoordelijkheid in de handen van
geestelijke of wereldlijke autoriteiten. Zo wordt de eigenheid onbewust
tekortgedaan: een onrecht, zowel ten opzichte van het eigen leven, als dat van
de anderen. Deze vorm van ontkenning waarvan de gemeenschap nochtans geen
nadeel lijkt te ondervinden, die haar leiders door het ontbreken van elke
tegenstand op het eerste gezicht zelfs alleen maar ten goede lijkt te komen, is
louter van innerlijke aard. Daar het voor de gemeenschap enkel mogelijk is op
het uiterlijke gedrag van haar leden af te gaan, kan die ontkenning onmogelijk
door die gemeenschap gesanctioneerd worden. De bewering dat alleen God
onze rechter is, zit dus dichter bij de waarheid voor wat onze echte persoon
aangaat. Want per definitie heeft alleen Hij weet van onze intenties, onze
liefde of het gebrek eraan. Maar tegelijk is God het antwoord op alle vragen
die alleen mensen zich stellen. ‘Wie zijn wij? Waar bevinden wij ons? Wat heeft
dit alles te beduiden?’ Wie zich zulke vragen stelt, is alweer met
abstracties bezig. Want mensen bevinden zich enkel hier. En waarom naar een
diepere betekenis zoeken, als de werkelijkheid is zoals zij zich voordoet:
eenvoudig en glashelder?
DE VRIJHEID VAN HET KIJKEN
Zou het mogelijk zijn dat die vragen naar het bovenzinnelijke gesteld worden vanuit een wezenlijk ongenoegen met de werkelijkheid, - als gevolg van innerlijke gespletenheid, eigen aan alle wezens begiftigd met het vermogen om zich een andere werkelijkheid voor te stellen dan die vlak voor hun neus? Voor zover we weten, verplaatsen alleen mensen zich buiten de werkelijkheid. Alleen zij zijn bezig met mysteriën, het onzichtbare, met geweldige woorden zoals God. Als een leider uit vroegere tijden beweerde uit diens handen zijn in stenen tafelen gebeitelde heilige wetten te hebben ontvangen, dan kon jij als enkeling wel geloven dat die man de waarheid sprak, maar dit sluit niet uit daarmee door een charlatan op sleeptouw te worden genomen. Dat een meerderheid er wel op vertrouwde, scheen dit geloof alleszins te bevorderen. De oorzaak hiervan ligt zowel in het eerbiedig vasthouden aan iemands leiderspositie als in een fundamenteel gebrek aan zelfvertrouwen bij de enkeling. Want is het niet dom zich in deze wereld vol valkuilen als een blinde door andere blinden te laten leiden, simpelweg omdat een voorganger gezegd heeft op hem te vertrouwen, terwijl jij zelf over twee gezonde ogen beschikt? Hoe dan ook, om in een Opperwezen te geloven is er bereidwilligheid nodig. Maar waar geloof is, daar heerst ook twijfel; anders zou er van geloof geen sprake zijn.
Hoe dan ook, wat er ook plaatsvindt, hetzij
rampen, hetzij meevallers, iedereen ervaart steevast een volkomen neutraliteit
ten opzichte van 's werelds of het persoonlijke lot. Bij mijn weten komt de
werkelijkheid nooit zo voor dat daardoor het bestaan van God wordt bevestigd of
ontkend. In dat geval komt elke waargenomen tendens neer op een interpretatie
van de werkelijkheid. En elke interpretatie komt uiteindelijk van de mensen
zelf, van hun verwachtingen, van hun hoop dat er meer zou zijn onder de zon. Bovendien
is de kwestie irrelevant, want zij verandert niets aan onze menselijke staat:
dat wij het met onszelf moeten zien te rooien. De waarheid dat alles is
zoals het voorkomt, biedt wel een spiritueel beginsel om die waarheid te
gehoorzamen. Dit zou ons kunnen beletten om wandaden te plegen. Maar evenmin zoals
de werkelijkheid een drenkeling uit het water zal slepen, gaat zij iemand ervan
weerhouden te moorden, te branden, te stelen. De werkelijkheid blijft
onveranderlijk neutraal. Feiten hebben nooit met voorkeuren te maken. Als er
sprake is van voorliefde, of van afkeer, dan komt dit uitsluitend van de mensen
die de vrijheid bezitten om ergens voor te kiezen.
Een geseculariseerde moraal daarentegen, houdt
geen rekening met iemands keuze. Als er in het wetboek staat dat men niet mag stelen,
geen verboden wapens dragen, dan richt deze tekst zich uitsluitend tot
determinanten; namelijk tot burgers wier identiteit door de bureaucratie op
papier is vastgelegd. Om een immens ingewikkelde samenleving mogelijk te maken,
is wetgeving inderdaad noodzakelijk, maar verder kan zij niet overtuigen; want
alles wat geschreven staat, zij het op papyrusrollen of in dikke boekdelen, is
door mensen bekrachtigd, maar verder tijdelijk, beperkt en in zekere zin
ongeldig.
Terwijl God een abstractie blijft, is de
werkelijkheid dat nooit. Dit gegeven omringt ons. Het kan gezien, geproefd,
betast worden. Het is de gewaarwording van het bestaan. Niet alles is
geoorloofd. Boven alles moet het leven geleefd, haar waarheid als waar erkend
worden. Dit is enkel mogelijk als leven en waarheid zodanig ondergaan worden,
nauwkeurig onderscheiden van alle levensvormen waarmee op automatische piloot
wordt omgegaan.
Om een einde te maken aan de dictatuur van
deze gewoonten is de intelligentie nodig van een onbevangen, zintuiglijke kijk.
Intelligentie zit in de aandacht om de eigen identiteit congruent met het
actuele gebeuren te doen samenvallen. Het is eenvoudig te begrijpen dat
gewoonten niets anders zijn dan het gevolg van reeds bestaande
hersencelverbindingen. Echter, niets belet een individu hiermee af te rekenen
en het leven te herscheppen, waardoor vanzelf nieuwe verbindingen worden
aangelegd, precies zoals regenwater zou doen als het voor de eerste keer op een
vers terrein neervalt. Hiervoor is het nodig innerlijk blanco te zijn. Goede voornemens
baten niet. Dergelijke projecties vinden immers uitsluitend in de eeuwig
wijkende toekomst plaats. Het verleden uitspitten brengt evenmin zoden aan de
dijk. Wat dood is, kan niet weer tot leven worden gewekt. Daardoor heeft
spijt geen zin. Het enige wat telt, is
onbevangen toekijken. In één huidige oogopslag zijn mentale toestand overzien.
Door alle menselijke aankleding heen kijken naar de wereld zoals zij voorkomt,
zonder haar te idealiseren of te beoordelen. Kijken betekent daadwerkelijk
inzien. En dan stelt het oog vooral dit vast: inderdaad, er bestaat niets buiten
dit unieke fenomeen van de gewaarwording! Zulke helderheid brengt vanzelf innerlijke
rust teweeg. Er wordt immers nergens nog reikhalzend naar uitgekeken. Het
lichaam ontspant zich en het hoofd verplaatst zich niet langer in de tijd. Het
wordt bewust geledigd, en eenmaal leeg houdt de gesel van de onophoudelijke
gedachtestroom vanzelf op. Deze rust schijnt als een lichtend voorbeeld in de
duisternis, zodat dit anderen op hun beurt kan helpen om hun eigen misvattingen
in te zien, wat onvermijdelijk bijdraagt tot belangrijke correcties: gaande van
een intenser leven tot een meer leefbare wereld.
