vrijdag 24 juli 2026

Essay: Verborgen structuren


Achter de lens

Kijken door het venster. De stammen zien van een naaldbos, omgeven door de huizen een rustige buitenwijk. Een stukje hemel opmerken en het omfloerste licht van de voorjaarszon, hangend tussen de kruin van een schimmige berk om een bundel schuine lijnen te werpen over een plekje graspollen dat de verwaarloosde bleekheid vertoont, eigen aan alles wat tiert op braakliggende terreinen. Bij dit alles voegt zich de onrust van zwiepende twijgjes, wat duidt op wind. Ook bereikt me de rauwe kras van een ekster en vanuit de verte het blaffen van een hond.

Hoewel dit mij vertrouwde uitzicht geen belvedère is waarvoor zich bussen met toeristen zouden verzamelen, blijft het wonderlijk. Het spel van licht, schaduw en kleurschakeringen, het eenvoudige feit dat het bos steeds is zoals het voorkomt, drukt me met de neus op een essentiële waarheid: het bestaat als een fenomeen dat mij een absoluut houvast biedt. Ik zie geen redenen om aan deze waarneming te twijfelen. Het gegeven doet zich voor als feit, los van de voorafgaande oorzaken waarom het er zo uitziet, of hoe het wordt beoordeeld.

Feitelijk maakt dit bos deel uit van mijn universum. Dit roept de vraag op of een fenomeen wel bestaat als het niet wordt waargenomen. Een wereld die niet wordt waargenomen, daarover kan niemand vanuit zijn directe ervaring getuigen.

Door deze voorwaarde, dat iets pas bestaat als het ervaren wordt, zou men ervan kunnen uitgaan dat geen enkele wereld los van een observator bestaat. Een verschijnsel komt niet enkel voor zoals het gezien wordt, maar ook doordat gezien wordt, bij gratie van een ziener. Het zien evenwel in de breedste zin opgevat. Zien veronderstelt dat er een waarnemer is, een bewustzijn dat het universum en zijn plaats daarin gewaarwordt.

Meteen roept dit de vraag op wat men dient te verstaan onder zulk een bewustzijn dat zich zelfstandig achter een oog, trommelvlies, sonar, of hoe het waarnemingssysteem ook mag zijn uitgerust, lijkt op te werpen. Om deze vraag te beantwoorden, zou dat bewustzijn in omgekeerde richting naar zichzelf moeten kijken en nagaan wat het opmerkt. Redelijkerwijze zou elke ziener hiertoe in staat zijn. Daarbij hoort hij wel aan weltrbij hoorteantwoorden zou hede eigen lichamelijkheid voorbij te gaan. Door zijn voorkomen maakt het lijf immers eerder deel uit van de som van alle op hem afkomende fenomenen, dan van het in een lichaam zetelend bewustzijn.

Hierdoor valt de noodzaak op dat het bewustzijn voor zijn beschrijving, geacht wordt verbonden te zijn met andere feiten dan zijn waarnemingen. Maar juist daar wringt het schoentje. Om tot een eensluidende uitspraak te komen die de ziener nergens tekortdoet, zou hij over een identificeerbare hoedanigheid moeten beschikken. Maar als aanwijzing stuit men louter op anonimiteit. In dat geval wordt de ziener, die vanuit de vraagstelling niets met zijn waarnemingen van doen heeft, ten onrechte in staat geacht om wat onuitsprekelijk is uit te spreken, het onzichtbare te zien, het onmeetbare af te meten. De laatste mogelijkheid wijst erop de ziener te beschouwen als de complementaire helft van zijn waarneming: zoals een handschoen zich passend rond de vingers sluit, wat neerkomt op een leegheid, geleidelijk gevuld door beweeglijke fenomenen. In dat geval bestaan bewustzijn en fenomeen bij gratie van elkaar en is de ziener als een indirect feit aanwezig. Of het nu gaat over een kruipend leven op de oceaanbodem, een vleermuis, een viervoeter of een mens, van zodra een wezen zichzelf wil uitleggen, blijkt het, ondanks zijn bestaanskennis, gedoemd tot stilte. Als getuige van de fenomenen is de ziener daar zo intens mee verbonden dat men kan stellen dat elk fenomeen in het bewustzijn wordt vervuld, waardoor het zijn de binnen- en buitenwereld gezamenlijk omvat. Kijkend wordt het bewustzijn voortdurend ook iets anders gewaar: echter zonder in staat te zijn zich dit voorbijgaande toe te eigenen.

Tijdens het ogenblikkelijke ervaren van een fenomeen, daagt wel de fysieke verschijning van de enkeling op en zijn verbondenheid met alles wat hij gewaarwordt. Zo kan van elk wezen gezegd worden dat het uit ogenblikkelijke gewaarwordingen bestaat. Deze vaststelling dat elke levensvorm in hetzelfde schuitje zit zou, naarmate er langs fysieke gelijkenissen wordt aangevoeld dat de ervaringen van anderen soortgelijk zijn, kunnen leiden tot een gevoel van empathie, verbondenheid, mededogen; dus tot een behoorlijk sociaal gedrag, zoals ook bij zoogdieren te zien is. Dergelijke zorg uit zich extreem bij moederliefde, meestal ook onder leden van eenzelfde clan.

De vraag wie er van binnen zit, blijft een raadsel. Tegelijk zien we dat een leven zonder raadsels evenzo doorgang vindt. Dus kan men de zogenaamde mysteriën evengoed laten voor wat ze zijn, zich niets afvragen en zich simpel neerleggen bij het gegeven dat alles is zoals het aan den lijve wordt ervaren. 


Verbeelding

Mensen onderscheiden zich van andere bekende levensvormen op aarde door het bij hen sterk ontwikkelde vermogen om een fenomeen, nadat het zich heeft voorgedaan, zodanig in het geheugen vast te houden, dat andere feiten hiermee in verband kunnen worden gebracht. Via de kracht van hun verbeelding kwamen zij tot de kunstgreep van de taal. Vermoedelijk ontstaan als een verzameling rudimentaire klanken binnen een groep - later uitgebreid naar schrifttekens - werden feiten geabstraheerd en als kennismateriaal doorgegeven. Zo blijken mensen in staat verder te kijken dan de huidige tijd, wat het voor hen mogelijk maakt in verschillende werelden  te leven. De verbeelding zet hen aan tot reflectie omtrent gebeurtenissen uit het heden, verleden en toekomst. De ogenblikkelijke waarneming, oorspronkelijk één, onverdeeld en tijdloos, werd opgedeeld in verschillende opponenten.

Na miljoenen jaren van evolutie, werd eindelijk een mens geboren. Zijn ogen gingen als het ware voor de tweede keer open. Het trof hem dat zijn ervaringswereld zich onderscheidde van alles wat zich anders voortbewoog op het land, te water en in de lucht. Aan de hand van zijn associatieve vermogens vond hij een zelf uit, vrij van alle natuurverschijnselen. Noodgedwongen, doordat er geen vat te krijgen is op het onmetelijke, nam hij zijn eigen verschijningsvorm als richting en maatstaf. Ontstaan vanuit een praktische noodzaak, want gericht op de dagelijkse omgang van mensen onder elkaar, was dat zelf van begin af nauw met taal verweven. Taal als hulpbron om zich te midden van de verscheidenheid als ‘ik’ kenbaar te maken en de ander als ‘hij’, of meer direct als ‘jij’.

Zo lijkt de sluimer van een pasgeborene nog te herinneren aan de periode voor dit ontwaken. Tijdens de slaap wordt nog dat vroegste stadium van onwetendheid beleefd: een vorm van dierlijke onschuld waarbij een mens in de wereld kijkt zonder haar te definiëren en, versmeltend met dat onmetelijke om zich heen, evengoed niemand is als iedereen.

Wakker krijgt hij weer te maken met zijn associatieve vermogens en artificieel gestructureerde leefwereld. Door binnen de groep als een individu naar buiten te treden, krijgt hij een naam toebedeeld, nodig om daarin te functioneren. Daarbij komt hij terecht in een kluwen van allerlei door de groep opgestelde voorwaarden tot het verkrijgen van een stabiel vormgegeven, zoals elke samenleving dit betracht. In den beginne waren deze structuren allicht rudimentair en voor alle leden duidelijk, maar door de historische gewenning, de kolossale uitbreiding en complexiteit van de groep zijn ze diep onder gaan liggen.

Wellicht daardoor werd het allengs moeilijker om de echtheid van elk fenomeen als uniek te erkennen; precies zoals alles wat via de verbeelding hiervan is afgeleid te blijven zien als interpretaties van de oorspronkelijke feiten. Daarenboven schijnt niets te beletten dit maakwerk ongelimiteerd uit te breiden. Het beperkt zich allang niet meer tot nabije gebeurtenissen.

Een simpel voorbeeld: sinds Columbus Amerika heeft ontdekt, behoort dit continent tot het materieel en geestelijk erfgoed van al de na hem gekomen generaties. Er zijn zaken mee te doen. Mensen kunnen erover lezen of naartoe reizen. Toegevoegd aan het algemeen wereldbeeld kan men het continent met  zijn landschappen en steden in gedachten omvatten, zoals men bijvoorbeeld dankzij leerboeken over anatomie kan leren hoe je maag eruitziet.

Om in een ingewikkelde, dichtbevolkte samenleving te overleven, heeft het bestaan van Amerika en de kennis erover beslist zijn nut, net zoals leerboeken over anatomie. In zulke wereld is alle kennis welkom, ook al worden de oorspronkelijke structuren daarmee nog onduidelijker. Want door kennis verhoogt men niet enkel de kans om binnen de samenleving beter aan de kost te komen; vooral verruimt men daarmee zijn wereldbeeld en indirect ook dat van anderen. Al deze verworvenheden breiden het ego uit. Want zij voegen zowel een ruimere waarde toe aan uw zelfbeeld als aan het beeld dat anderen van u krijgen: een subtiele vorm van aankleding waarbij de essentie mettertijd uit het oog kan worden verloren. Deze verwijdering brengt onvermijdelijk onrust teweeg. Want de aandacht wordt gefocust op een schijnwereld. Het oog richt zich eerder op wat het verwacht te zien dan op wat het ziet. En het hoofd zit propvol; gegijzeld als het wordt door een gedachtestroom die de schijnwereld op gang brengt.

De mensheid ruilde het tijdloze in voor het tijdelijke, het onmetelijke voor het meetbare, de chaos voor orde, het raadsel voor kennis. Geweldige voordelen. Maar door al die beeldvorming wordt het echte kijken vaak zodanig verwaarloosd dat niet wordt opgemerkt wanneer de menselijke verbeelding ontspoort; zoals wanneer een individu als gevolg van onwetend-, of vergetelheid meent zich wel een en ander te kunnen toe-eigenen, waardoor het ego dat oorspronkelijk louter om praktische redenen in het leven werd geroepen, vanzelf afglijdt naar egoïsme.

De vele mensonterende toestanden in de wereld leggen duidelijk de vinger op de wonde. Zelfs de meeste georganiseerde religies kunnen er niet omheen dat het egoïsme aan de basis ligt van veel kwaad. Daar zij menen dat zelfzucht door strijd moet worden overwonnen, richten zij alle aandacht op de inspanningen van het individu om een beter mens te worden; een streven dat, gezien de toestand op het wereldtoneel, weinig of geen vooruitgang lijkt te bieden.

 

Kunstgrepen

Nu mag dit bos aan de overkant van mijn straat nog zo nauwkeurig beschreven worden, zoals alle waarnemingen biedt het een tijdelijk uitzicht. Daarmee rijst de vraag hoe deze verzameling bomen te definiëren. Want moet bij het bos ook niet de lucht tussen de kruinen gerekend worden, de wind die zijn takjes roert, de kreten van vogels en het blaffen van een hond die gaat van stam tot stam?

Ik kan naar buiten wandelen, de dennengeuren opsnuiven, mijn hand op een ruwe bast leggen. Mijn zintuigen nemen een door het bos gekleurde totaliteit waar, zonder dit op te nemen. Afgezien hiervan bestaat er een continuïteit waardoor ik juist deze bomen dit bos noem. Hoewel de stammen gisteren ten gevolge van een voorjaarsregen nat waren, waardoor sommige schorsen donkere vlekken vertoonden, blijft er een herkenbare gelijkenis tussen het bos van gisteren en dat van heden. Die gelijkenis kan ook seizoenen, ja zelfs jaren overbruggen. Door die gelijkenis kan ik aan het bos denken, me van het bos zelfs met de ogen dicht een voorstelling maken; ook als de bomen reeds lang zouden gekapt zijn. Zodoende wordt het bos gedetermineerd door een abstract beeld of begrip. De herinnering aan het bos is afgeleid van de directe waarneming. Tegelijk heeft het via deze kunstgreep een duurzamere vorm aangenomen.

Het fenomeen gaat echter steeds vooraf aan de voorstelling of het begrip. Haar waarheid is van een primaire orde. Het fenomeen verklaren zou hetzelfde betekenen als het leven of de wereld en haar waarnemer verklaren. Het fenomeen doet zich voor. Niet meer, niet minder. Het dient zich aan, maar eist verder totaal niets. Het vraagt niet te worden toegeëigend, in taal omgezet, geïnterpreteerd, verklaard of aanbeden. De wuivende takken, de graspollen, de geluiden hebben genoeg aan hun voorkomen. Maar als een dergelijke waarheid waar is, verdient zij om die reden wel als zodanig te worden onderscheiden en behandeld.

Dit zintuiglijke leven is geen waan. Als een klant op de markt citroenen koopt, zal de groenteboer geen appels voor hem inpakken. Bij zien zoals het is, hoort correct handelen. Zo dit eenvoudige voorbeeld van handelen wordt uitgebreid door de ander niet uitsluitend te zien als een abstract beeld, categorie of middel, maar als een levend, kwetsbaar wezen, vermindert dit ten minste de kans op ontmenselijking. Elk gevolg van juist zien, voert het menselijk gedrag vanzelf naar een keuze vrij van beoordeling; wat men zou kunnen noemen: een moraliteit avant la lettre. Het gaat hier immers over een ethiek zonder de gebruikelijke tendensen, zonder tussenkomst van principes of aanbevelingen van religieuze of burgerlijke aard. Dit wil zeggen dat de notie van waarheid elk redelijk wezen als een individueel kompas zit ingebakken. Men hoeft er geen theologie of rechten voor te hebben gestudeerd. Het is onnodig te kunnen lezen of schrijven.


Beeldvorming

Als ik de dokter vertel dat ik mijn zitvlak heb verbrand, hoeft hij niet de blaren te zien om te weten welke pijnlijke gewaarwording ik onderga en welk zalfje ik voor mijn genezing nodig heb. Het bijzondere van de oorspronkelijke gewaarwording werd door mijn verklaring verschoven naar een specifieke voorstelling van de kwetsuur. Op zowat eendere wijze wordt ervan uitgegaan dat men een vollediger beeld van iemand krijgt door dieper te graven dan de direct ontvangen indruk. Daarnaast veroorzaakt meer kennis door vergelijkend onderzoek een vorm van blindheid. Deze optiek geldt evengoed voor dingen, landschappen, mensen.

Bij onze eerste ontmoeting met een onbekende kijken we vooral met de ogen. Maar van zodra iemands gelaatstrekken en gedragingen aan ons genoeg vertrouwd zijn, verslapt onze belangstelling voor dit visuele aspect. Door onze indrukken te verzamelen menen we op zoek te gaan naar een rijker totaalbeeld. Deze materie kan aangevuld en gecorrigeerd worden door observaties of beoordelingen afkomstig van derden. Alle bijkomende gegevens komen tegemoet aan onze behoefte om de onbekende te identificeren, hem een continuïteit te verlenen die teruggaat tot zijn vroegste verleden. Dit zou ons helpen hem te plaatsen in een ruimer kader dan zijn actuele verschijning. Toegegeven, deze materie is vaak ruw en niet altijd betrouwbaar; want sommige gegevens zijn mogelijk al door de tijd vervaagd en dus moeilijk te achterhalen. Vaak komen zij uit de tweede of zelfs derde hand en zijn daardoor twijfelachtig. Maar wij beschikken nu wel over een vorm van identificatie wat ons, menen we, helpt op gepaste wijze met hem om te gaan. Reken bij deze verborgen essentie zijn antecedenten, geaardheid, gewoonten. Die karakteristieken komen nog beter uit de verf als zijn gedrag al een tijdlang wordt geobserveerd, zodat besluitvorming mogelijk is, ook al is dit onbillijk tegenover de persoon in kwestie.

Want ongetwijfeld heeft het identificeren van mensen en dingen, waardoor bewegende beelden binnen een eng kadertje aan de wand worden opgehangen, zijn praktisch nut. Zonder dit zouden mensen niet beoordeeld kunnen worden op grond van hun daden uit het verleden, zoals dit gebeurt in rechtszalen met het doel booswichten op te sluiten.

Nochtans zijn aan dit uitbreiden van de wereld door het opslaan van kennis ook desastreuze verschrikkingen verbonden. Het gaat dan over het niet-meer-zien van wat is zoals het is. Voor het bestaan van feiten is geen naamgeving nodig, terwijl eender welke voorstelling kan bewerkt worden en afglijden naar een cliché, laster of leugen.

Men kan aan een bos denken erover lezen of schrijven. Niettemin blijft het onmogelijk de voorstelling tot een zintuiglijke waarheid te verheffen. Toch is dit leven dicht begroeid met wat ik bij deze gelegenheid noem: allerlei irreële bomen, woekerende denkbeelden, illusies en fixaties die mensen vaak even lief voor een concrete waarheid slikken als het bos voor hun neus.

Zo illustreert Shakespeares toneelwerk ‘Othello’ tot welk een drama beeldvorming kan leiden. Othello brengt zijn geliefde Desdemona met geweld om het leven doordat hij de laster, voortvloeiend uit de onbetrouwbare informatie van een derde, als een absolute waarheid accepteert. Daarmee geeft hij voorrang aan een twijfelachtig gegeven boven wat er datzelfde moment door hem heen raast: zijn verschrikkelijke jaloezie waarover hij geen controle kan krijgen.


De denker bedacht

Kijken naar zichzelf verschilt niet wezenlijk van kijken naar een bos. Aan dit kijken zit geen beeld, geen onzichtbaar roerloos centrum, noch een beoordeling vast. Daarnaast blijkt een beeld niet altijd te kloppen. Men kan de ogen sluiten voor wat men niet graag ziet. Men kan sommige feiten overdrijven of scheeftrekken.

Zijn ego, voortbrengsel van een gedachte, zal niemand ooit tegen het lijf lopen. Om die reden moet de hypothese dat hij aanwezig is en zo zijn nut bewijst in het dagelijkse leven, niet bedrieglijk afglijden. Het reële voorkomen van de enkeling draagt hier voldoende toe bij; ook al houdt de dood hem levenslang bij het handje.

Voortschrijdend langs zijn levensweg krijgt een mens te maken met tijd, met een opeenstapeling van herinneringen aan gebeurtenissen. Daarmee eigent hij zich een keuze van voorbije feiten toe: een verleden dat enkel via de verbeelding kan aangesproken worden. Vaak blijkt hij zelfs meer dan de stof van een omvangrijk literair oeuvre op zijn pad tegen te komen. Daarentegen overkomt iemand die elke stap beleeft als de eerste en tegelijk de laatste, enkel die stap. Dit neemt niet weg dat het hele scala van ongemakken en menselijke kwetsuren hem evengoed aandoen.

Om tot klaarheid te komen, verdient het aanbeveling door alle aankleding heen te kijken. Je kijkt dan met de ogen van een kind: zonder voorkennis, zonder enige psychologische druk, zonder verlangens ook, - een vorm van leegheid die erop neerkomt dat de blik onbezoedeld is, sereen, vrij van woorden, angsten, persoonlijke keuzes.

Elk bewustzijn dat zo direct met een fenomeen in contact treedt, heeft de handen vol aan dat gebeuren. Daarnaast zijn de rusteloze, van de hak op de tak springende beelden- of gedachten in de bovenkamer evengoed een soort van buitenkant. Ook die stroom kan geobserveerd worden. En eerder zal die vaart, nauw samenhangend met de complexiteit van het leven, ook niet ophouden. Want gedachten komen eraan doordat het bewustzijn niet waakt over de leegheid van het oorspronkelijke leven. Instinctief volgen zij impulsen van buitenaf en glippen als dieven naar binnen. Ik spreek hier niet over de werking van het brein dat zich met praktische zaken bezighoudt, zoals plan-, reken- of taalopgaven, maar over het onbewust wegglijden van de aandacht voor de oorspronkelijke waarneming naar een abstracte, imaginaire wereld, vertekend door de beslommeringen die vooral ’s nachts worden uitgebroed en elkaar in het hoofd versterken. Trouwens, wat is denken? Mij lijkt de werking van het brein al even onmogelijk te omschrijven als andere lichamelijke functies. Er gebeurt in het hoofd wat er gebeurt, zeg maar.

Als zorgelijke gedachten het hoofd in beslag nemen, is het makkelijk vast te stellen dat het lijf verweesd achterblijft. Het nauw met gezondheid verbonden levensgevoel ontbreekt dan of is op zijn minst verschoven. Ook staan de zintuigen minder op scherp. Gedachten kunnen iemand zo in beslag nemen dat hij bij het oversteken van een straat niet eens het gevaarlijke verkeer bemerkt.

 

Zelfkennis

Niemand kan zeggen wie hij is, net zoals het onmogelijk is uit te spreken wat de wereld en haar schepper is zonder dit te vertalen naar kenbare begrippen.

Voor zelfkennis, zoals dit begrip doorgaans als het resultaat van een langdurige gedragsanalyse wordt opgevat, bestaat hier geen opslagruimte; zij is simpelweg verbonden met het observeren van het eigen gedrag. Enkel binnen dit perspectief is het mogelijk gedragspatronen te detecteren. Pas als men feiten bij zichzelf ook enkel als feiten tegenkomt, kan je ze bij hun nekvel te pakken.

Hé, wat lijkt deze allereenvoudigste zienswijze moeilijk te aanvaarden! Want hoewel er zintuiglijk geen andere plaats of tijd bestaat dan deze waarin men zich bevindt, is de ganse mensenwereld ervan overtuigd dat er buiten ons één gemeenschappelijk universum bestaat. Dit gegeven sluit echter niet uit dat elk wezen een wereld vormt op zich. Want helaas kan men dat éne universum, gezien het om vooronderstellingen gaat, alleen maar voorstellen.

Bijna stond ik op het punt er beeldvormend aan toe te voegen dat bij zuiver waarnemen de fysieke wereld in zijn geheel naar een immateriële dimensie verschuift; alsof de beschouwer en de wereld zouden transcenderen naar een hoger plan of bewustzijn. Maar het zou onjuist zijn binnen deze context zulke begrippen te hanteren: deze voeren het kijken naar gebieden die eerder toebehoren aan de religie, wijsbegeerte of poëzie. En het zuivere kijken is juist zoals het is. Het is de eenvoud van alles wat met het werkwoord leven te maken heeft. Terwijl het leven, als zelfstandig naamwoord, veeleer te maken heeft met continuïteit, mythevorming, tijd, herinneringen, verouderen, sterven.

Hiermee wil ik allerminst alle afgeleide waarheden, zoals vervat in taal, cultuur, wetenschap, in één slag van tafel vegen. Feiten zijn niet te ontkennen, of men is te kwader trouw. Als ik aan de hand van feiten het mechanisme van het kijken probeer uit te leggen, dan enkel om de aandacht te vestigen op verborgen structuren. Verder doet mijn uitleg niets ter zake. Kijken moet ieder voor zichzelf.

 

Diepgang

Mensen groeien op in een samenleving waarin deze kloof tussen de persoonlijke binnenkant en die éne gezamenlijke buitenwereld, als vanzelfsprekend wordt geacht. Onbewust leren zij deze gespletenheid aanvaarden en gaat de rede verder: 'Dit lichaam is mijn wieg! Hierin huis ik en daarbuiten is dat onpersoonlijke universum van de natuur. Ik wil deze niet op mensenmaat gemodelleerde wereld, behorend tot het toeval en de chaos, beheersen door een verzameling van wetmatigheden waarop ik kan bouwen. Mijn ego behoort tot mezelf. Het gemeenschappelijke denken, de taal, de wetenschap en kunsten, de traditie, de sociale omgang: dit alles komt als een erfgoed tot mij. En hoewel deze wereld ver van volmaakt is, heet ik haar welkom; want zij draagt bij tot de menselijke beschaving, mijn identiteit en geestelijke bagage.'

Dit onophoudelijke verlangen naar meer diepgang, of de wil om zichzelf en de dagelijkse situaties, om te zetten naar hoe het beter zou gaan, slaat echter zoals elke wens, een brug naar de immer wijkende verte. Deze brug creëert de illusie van tijd en wording, of het concept van een historische werkelijkheid waarbinnen de wereld allengs humaner en beter leefbaar zou worden, terwijl dergelijke vooruitgang niets anders is dan een creatie van de verbeelding die bijdraagt tot allerlei gerief en dus zeker nuttig kan zijn. Zo blijkt tijd een praktische maatstaf om de duur aan te duiden van voorspelbare bewegingen. Dit gaande van geboorte tot dood en nog verder wat het ego hierna te wachten staat. Want afgeleide waarheden zijn onontbeerlijk. Als burgers hebben wij identiteitspapieren nodig, wetenschappelijke inzichten, kennis van de natuur: alles wat ertoe bijdraagt om comfortabele huizen te bouwen en gezond voedsel op de plank te krijgen. Het gegeven bijvoorbeeld dat dinsdag op maandag volgt, blijkt zoals de meeste overeenkomsten van een onmisbaar nut om een ordentelijke samenleving mogelijk te maken. De kracht van de verbeelding is onschadelijk, want niets daarvan staat een zuivere kijk in de weg.

Daarnaast wil ik niet tegen andere vormen van diepgang tekeergaan. Maar als ik zo om me heen kijk, komt het me voor dat deze veelal uit onwetendheid in een verkeerde richting wordt gezocht: volgens een van tevoren uitgebroed recept of gedachtegoed. Er is een andere diepgang mogelijk! Een waarbij alle afgeleide waarheden worden doorzien, zodat ze genomen worden voor wat ze zijn. Zulke houding eist een ledigheid die aanduidt dat individuele groei als vorm van vergaren, of in de betekenis van de levenslange strijd om beter of volmaakter te zijn dan men al van bij de geboorte was, te staken. De moordende jacht op meestal dure sensaties om zijn leven te verrijken, hoeft dan niet langer. Belangrijker is het om van elke ademteug te genieten en daarbij een grotere gevoeligheid voor het zogenaamd gewone aan de dag te leggen.

De waarden van taal, beelden of vormen zoals kapitaal of macht, bestaan enkel op grond van onderlinge afspraken. Dit betekent niet dat er iets mis zou zijn aan het gebruik ervan. Toch dient men op te letten. Zoals taal is een gedachte zelden oorspronkelijk. Gemeenplaatsen, gangbare doctrines, collectieve gewoonten, slagzinnen, hebben wat van handelswaar dat door zijn veelvuldige uitstalling voorrang krijgt op de pure gewaarwording van de enkeling. Het gevolg is maatschappelijke conventie: een vorm van blindheid, waardoor de enkeling dit buitengewone leven gaat ervaren als een sleur. Het verstikkend gevoel waarvoor hij geneigd is te vluchten in verslavingen, komt bij velen om het hoekje gluren.

Een interpretatie als absolute waarheid vooropstellen duidt meestal op laksheid, of menselijke hoogmoed, - een vorm van gekte. Niet enkel leiden dergelijke dwalingen tot collectieve ondergang, tot waanzin, zoals oorlog en terrorisme. Daarentegen leidt het onbevangen zien zonder omwegen naar deugd zonder deugdzaamheid, naar het feit dat jij als waarnemer, jij als niet te identificeren enkeling, jij als gebeuren, de hele wereld bent, - zowel niemand als iedereen.

Maar laten we dergelijke gevleugelde woorden niet misbruiken. Laat evenmin toe dat een of andere idealistische verbeelding met de waarheid aan de haal gaat. Laten wij er de voorkeur aan geven een stap terug te zetten om ieder bij zijn eigen venster stil te staan. Kijken en vaststellen dat alles is zoals het eruitziet.

dinsdag 21 juli 2026

Ernst Löw leest een gedicht van Robert Baeken: "Verhalen van de ziener"




Verhalen van de ziener

Op zijn reizen trekken landschap en
geschiedenis eindeloos de ziener voorbij.

In Venetië onder de scherpe maan
boven de Rialtobrug kan hij getuigen
hoe een Don zijn aanstaande kuste,
waar, na zijn dolkstoot om vermeend onrecht,
een jongen, midden verwijderende waterkringen
zich vergeefs naar de oppervlakte vecht.

Bazuinen klinken bij zijn bezoek aan Karels stad.
Duizend handen hebben de Dom opgericht
vol kerkelijk goud en glorie, wijl zijn jongste broertje
uitgehongerd bezweek onder een slepend gewicht.
Langs de straat treft hij zijn laatste steen
waartegen sindsdien elke hond zijn pootje licht.

Niet iedereen ziet de wolken boven elk verhaal,
zwaar van water, vegend over het kabaal.

woensdag 15 juli 2026

Ernst Löw leest een gedicht van Robert Baeken: "In Bewaring"




In bewaring

Met spullen als potlood en papier
heb ik vleugels aangelijmd om het schone
van ons samenleven te verkennen.

Vooreerst heb ik bezige handen getekend.
De tover in blijde ogen en zoveel,
bewaard in de luister van de nacht.

Onze jeugd en de muren van toen
heb ik op een oude zolder gelegd.
Gestalten opnieuw ingekleurd.

Vóór alles bewaar ik hoe na onze dagen
jouw zonnen in mijn ogen zonken.
And waarvoor ik zachtjes huil vandaag.

woensdag 8 juli 2026

Ernst Löw leest een gedicht van Robert Baeken: "Einde van een vriendschap"




Einde van een vriendschap

Bedankt voor je slag op mijn neus!
Eindelijk leerde ik jouw vuist kennen
en rook ik de bloedspatten op mijn netvlies:
de stank van ons verdurend ongemak.

Waar jij een scheve neus had,
zaten mijn rottende tanden.
Wij konden het niet verhelpen.
Want erger is het schone maakwerk.

Waar jij een konijn kon tekenen, levensecht,
lukte mij vogelzang in kooien aan de wand.
Daarna is een mager applaus gestorven
en dreven wij weg, wrakhout elk zijn kant.

Zonder opsmuk ben ik vandaag gestrand:
Een saaie baai, de bittere leegte.
Pure druil op maandagochtend, - goddank!
Mensen bij de bushalte, hun dagelijkse stemmen.

dinsdag 30 juni 2026

Ernst Löw leest een gedicht van Robert Baeken: "Naakt voor de spiegel"




Naakt voor de spiegel

Tot de spiegel spreek je niet. 
Je luistert enkel naar
wat de weerkaatsing daar bloot vertelt.

Schichtig overvalt het licht poriënvelden,
de bochten onder buik, gekronkeld oor,
hard bot of weke knook. 

Vlijmscherp glijdt het mes met weerzin
over de geraspte stoppelkin.

Onthoofd, vanaf die blauwe kratermond.
Of dat corpus aan een vleeshaak hangt:
vrij van bloed, varkenshaartjes kaal gebrand.

Jawel geachte heer… een hoop oude rommel!

Na wassing treedt een vrouw de spiegel in.
Zij snuift de lucht bij open deur.
Reageert op zeep, - niet op oude geur.

maandag 29 juni 2026

Essay: Leven in de brouwerij der letteren

Essay: LEVEN IN DE BROUWERIJ DER LETTEREN

‘De roman is het hoogste voorbeeld van subtiele onderlinge verwantschap, dat de mens ontdekt heeft. Ieder ding is waar op zijn eigen plaats, tijd en omstandigheid en niet waar buiten die eigen plaats, tijd en omstandigheid. Indien de roman levendige betrekkingen onthult, is het een zedelijk werk, waar die betrekkingen ook uit mogen bestaan.’  

(D.H. Lawrence)

 

De vorm

Men kan ervan uitgaan dat de werkelijkheid, doordat zij vlie­tend is, weinig voldoet aan de menselijke verwachtin­gen; dat zij geen betekenis heeft, oppervlakkig lijkt, leeg, chaotisch en meestal afhan­gt van een stom toe­val. Men kan hier zelfs aan toevoegen dat de werkelijk­heid, juist doordat zij niet gedefinieerd kan worden, feitelijk niet heus bestaat. Op dit gegeven waaraan niemand een touw kan vastknopen, ontspringt volgens mij de artistieke behoef­te om een vorm te scheppen die niet aan causale veranderingen onderhevig is. Deze veran­deringen zouden dan moeten worden ingedamd tot een vorm die in een ongewijzigde staat be­waard kan blijven, of­schoon zij meestal toch naar die vlie­tende werkelijkheid refereert. ­Zo wordt met behulp van de verbeelding een in letteren gestolde droom aan de dagelijkse werkelijkheid toegevoegd.

De schrijver brengt een in hem sluime­rende wereld naar buiten. Zijn gevoel zegt hem: 'Ik ben een kind van de onzichtbare innerlijkheid. Ik wil een realiteit scheppen die helemaal van mij is, die aan mijn verwach­tingen en ideeën over het leven beant­woo­rdt: kleurrijk en mythisch, - niet saai, triviaal, - of wellicht ter wille van persoonlijke redenen juist wel! Een werkelijk­heid met een blijvende beteke­nis, die men als een geheel ter hand kan nemen. Want zo steek ik in mekaar. Zo is mijn ware ik. Door die behoefte om mezelf via een inhoudelijke vorm te definiëren, word ik gedreven.'

Zolang er nog geen woord op papier staat, behoort deze innerlijkheid niet tot de actualiteit, is ze bij de aspirant-schrijver onge­schapen aanwezig; dus ook voor de buitenwereld onbestaande. Zij moet door overdrachtelijke beel­den waarge­maakt wor­den. Dit kan  evengoed in andere vormen dan het schrift. Tot de oud­ste behoren de prehistorische wandschilderin­gen in grotten. Waarschijnlijk bestond er toen ook al zang, en werden er 's avonds rond het vuur verhalen ver­teld.

Zelf word ik pas door een tekst getroffen als ik daarin iets van mezelf terugvindt: een vorm van verwantschap. Dergelijke vorm van communicatie kan een brug slaan over­heen alle mogelijke grenzen en tijdper­ken.

 

Geen bellettrie

Het is evident dat veel schrijvers in hun beginperiode onder de in­vloe­d staan van au­teurs die zij als een voor­beeld beschouwen. Toen ik een jonge­man was, heeft de verhalenbundel ’Black Spring’ van Henry Miller zowat een jaar lang als een dagelijks ter hand genomen zwarte bijbel onder mijn hoofd­kussen gelegen. Voor mij was hij de eerste auteur die van seks, van het leven op straat en van zijn anarchistische kijk op de samen­leving een ge­voelige, levensblije waar­heid maakte zonder in boeken­taal te verval­len. ’Black Spring’ werd geschreven in 1934. Vandaag leven wij in een gans andere tijdgeest. Tal van die toen nog maatschappelijke taboes zijn ondertussen gemeengoed. Zelf was Miller een bewon­de­raar van Dosto­jew­ski trouwens. Als beginnend auteur ont­wierp hij tra­gedies als 'De gebroe­ders Karama­zow’. Tot hij op een dag zonder een cent op zak van zijn geboortestad New York naar Parijs trok en, wellicht ten gevolge van zijn ontheemding, uiteindelijk inzag dat dit literaire beeld niet met de werkelijkheid stroo­kte: de men­se­lijke ziel bleek hem ineens te klein voor dergelijke groot­se trage­dies, zodat dit voor hem de enige tra­ge­die werd. 'In Parijs kwam ik tot mezelf,' schreef Miller.

De autodidact in mij vroeg zich af wat er nodig was om tot mezelf te komen. Moest ik eveneens de autobiogra­fische toer opgaan en, in navolging van mijn idool, de gore kanten van het leven onder de loep nemen? Aanvankelijk heb ik zoiets geprobeerd. In drie jaar tikte ik vijfhonderd  dichtbeschreven vellen proza, waar­bij me het er vooral om te doen was via zelfonderzoek een verhalend ver­slag te beko­men rond de eerste jaren van mijn huwelijk. Bellettrie mocht wel, maar ik zocht eerst de waar­heid en zou die onver­bloemd weergeven, mooi of lelijk. Ik had me inge­steld op een genadeloos realisme, zoals bij Miller. Maar helaas was hiermee geen vergelijk mogelijk. Toen ik het resultaat jaren later terugzag, stoorde me de haast on­doordringbare struc­tuur, voortvloeiend uit de opvatting dat alles wat zich als een waar­heid aan me had voorgedaan, zelfs het onbeduidend­ste detail, ook de moeite was om te worden opgeschre­ven. Als de Almachtige zich in de hemel bevindt, dan is Zijn werk vast ook zichtbaar in de beer­put, redeneerde ik. Door geen on­der­sche­id te maken in wat voor mij reëel was, had ik de verkeerde keuze gemaakt. Want hier zit volgens mij de knoop: de waarheid van de ander is sle­chts ten dele waar. Zo kon Millers anarchistische kijk inderdaad bijdragen tot gefundeerde maatschappijkritiek, maar evengoed kan deze visie iemand op het ver­keerde been zetten. Henry Miller was een kind van de metropool, een rebel, een clown, een man van twaalf ambachten en dertien ongelukken. Hij deugde wel, maar hij liep liever met zijn gebre­ken te koop. In mijn ogen maakte dit van hem juist een heilige. Naar iemand opkijken kan echter tot dweepzucht lei­den, of alvast maken dat van die persoon of zijn werk te weinig afstand genomen wordt. Want welbeschouwd was ik als jongen uit een provin­cie­nest, als bewonderaar van Felix Timmersmans’ vertelkunst, als oppassende zoon van een hardwer­kende wedu­we, als student die zijn lera­ren respecteerde en daarbij zelfs heel wat idealen in het vaandel droeg, pre­cies Mil­lers antipo­de. Zo konden mijn dagelijkse ervaringen naast die van mijn lichtend voorbeeld niet anders dan zoutloos voorkomen. Geleidelijk aan begon ik me ook te realiseren dat Miller gretig ge­bruik­ge­maakt had van allerlei gro­teske ver­draai­ingen van de werkelijkheid en dat de schuttingstaal waarmee hij het vaak over seks had, eerder diende als een krachtig stijl­figuur om zijn eigen waar­heid aan op te hangen, daarmee de overtuiging uitschreeuwend dat de ordinaire waarheid op straat de enige waarheid is.

Achteraf bezien kwam Millers erotiek, door de dingen grofweg bij hun naam te noe­men, me ook eerder verschralend dan spannend voor; als werd seks daardoor louter herleid tot een techni­sche aangelegenheid, zoals in de lood­gie­te­rij, wanneer een buis in een mof wordt geschoven. Hierover kon boeiender­ verteld worden; temeer daar de inkleuring van het leven grotendeels in het eigen hoofd plaa­ts­vindt. Dit leidde vanzelf tot mijn drang om een tegengestelde koers te varen en me eerder toe te leg­gen op mythevorming: het begin van jarenlang hard labeur, zonder dat het enig ander resultaat oplever­de dan maakwerk.

 

Tot zichzelf komen

Wel confronteerden deze miskleunen me met vragen als ‘Wie is hier aan het woord? Wie ben ik? Hoe kom ik tot mezelf?’ Vragen die enkel kunnen worden beantwoord door aan alle valse schijn voorbij te gaan. Want de essentie van het leven kan enkel gevonden worden in levendige gewaarwordingen die, juist doordat ze vluchtig zijn, aan niemand toebehoren. Daarmee wordt de particuliere grens tussen hij, jij of ik, vanzelf opgeheven. Door volledig op die anonieme gewaarwordingen in te gaan, kwam ik tenslotte tot een raamwerk dat me hielp me in de ander te verplaatsen. Daarmee viel de noodzaak om tot mezelf te komen, tegelijk als een loodzware last van me af. Wat een zegen! Eens ik had ingezien dat ik zowel niemand als iedereen kon zijn, voelde ik me vrij om te laten komen wat vanzelf komt. Of ik daarmee zou slagen of niet: voor gedane inspanningen bestaan geen garanties. Door niet  langer een meesterwerk te pretenderen, durfde ik de nodige risico’s nemen. Mijn volgende romans zou ik niet langer verstandelijk uitbroeden.

 

Groei

Doordat ik me al enkele jaren in een imaginaire wereld had ingeleefd, voelde ik hierna de behoefte om een roman te schrijven die zich in meer hedendaagse milieus afspeelt. Maar belangrij­ker dan het thema, werd voor mij het inzicht dat literatuur enkel van belang­ is tijdens de creatie, waarbij je als uitvoerder naar psychische toestanden wordt verplaatst, die je eigen leven niet altijd te bieden heeft. De schrijfdaad wordt dan ervaren als een levend gebeuren. Het is lachen, huilen, lijden, prakkiseren, mee- en inleven. Precies als in het leven van alledag, diende ik op het juiste ogen­blik de gepaste keu­zes te maken. Voortaan zou ik met elk idee wachten tot de appel vanzelf uit de boom valt, of minstens tot het ogenblik is aange­bro­ken om hem rijp te plukken. Dit kwam erop neer dat ik de intrige met ver­trou­wen aan het ver­haal zou overlaten. Niet enkel diende ik mijn wil en persoonlijke ambi­ties opzij te schuiven; vooral moest ik mijn neiging bedwingen om als een goddelijke macht tussenbeide te komen. In plaats van de perso­nages te mani­pu­le­ren, zou ik hen juist op de voet volgen. Vanzelfsprekend vraagt dit alertheid en een aan­dach­tig oog voor wat het ver­haal pre­cies nodig heeft. Waarschijnlijk om die reden ondervind ik tijdens de beginfase steeds de grootste moeilijkheden: er bestaan dan nog te veel keuzemogelijk­he­den. Zo werd ik gaande­weg het werktuig in handen van een mysterieuze mac­ht. Door­dat opper­vlakkige, kortzichtige gedachten geen kans krijgen om zich met het lot van zijn personages te bemoeien, wordt het niet-verpersoonlijkte bewus­tzijn dat mensen over alle tijden met elkaar gemeen hebben, aan het woord gela­ten. De roman groeit dan spontaan, zoals een boom naar het licht.

De waarheid van een verhaal ligt niet zozeer in het feit of de historie echt gebeurd is, maar psychologisch waar op het moment dat de roman vorm krijgt, zodat blijkt dat de schrijver de juiste keuzes heeft ge­maakt, dat hij trouw gebleven is aan zichzelf, aan de wereld zoals hij die ervaart, aan de subjectieve kijk van zijn personages. In dit opzicht kan fantasie evenveel waar­heid bevatten als feiten zwart op wit. De lezer heeft er trouwens geen controle over of de be­schreve­n gebeurtenissen al dan niet zijn voorgevallen. Voor hem is het vooral van belang of hij zich dermate kan inleven dat de lectuur hem verplaatst naar de psychische toestanden van de personages, waardoor de inhoud hem levensecht voorkomt.

 

Fictie bekritiseerd

Tegenwoordig zijn velen van mening dat de roman als genre om een verhaal te vertellen dood is. Terecht vin­den zij dat taal, zelfs indien deze in hoge mate vernieuwend, efficiënt en door het dagelijkse ge­bruik mes­scherp geslepen is, te­kort­schiet naast de onuit­spre­kelij­ke, woordlo­ze werkelijkheid.

Ook ik wilde in mijn romans meer vertellen dan enkel een verhaal. Vooreerst wou ik de lezer op elke pagina doen vergeten dat hij een boek in handen heeft. Men moet niet oog in oog staan met woor­den, vind ik, maar met het leven zelf. Men kijkt toch ook niet naar een schilderij, enkel ter wille van de verf? Om die reden heb ik me nooit enige moeite bespaard om de lezer het gevoel te bezorgen dat hij op de hoek van een straat een spontane babbel met me heeft. Maar hoe krijg je het echte leven op papier?

Laat me dit duidelijk maken door de werkelijkheid te vergelijken met een kleurrijke vlinder. Zo was het mijn eerste impuls om dat beestje te vangen. Immers, zijn schoonheid trof me, waardoor ik me gedrongen voelde zijn vlucht door de tuin via de literatuur te bestendigen. Bij uitzonderlijke schrijvers had ik ervaren dat dit mogelijk was. Zij stelden me echter voor een onmogelijk opdracht; want de beschreven vlinder is niet dezelfde als toen hij vrij rondfladderde. Zijn schoonheid maakt deel uit van een geheel dat in zoverre onbegrijpelijk is dat je er nooit achter komt hoe het verschijnsel te verklaren. Maar waarom verklaren? En waarom zou mijn vlinder zo nodig moeten lijken op de echte? Zolang de lezer het gevoel wordt aangereikt zich thuis te voelen, is die kwestie van geen tel. Op dit kantelpunt van de schepping ging ik nog een stap verder. Nu het onmogelijk was een vlinder op papier te krijgen, waarom niet opkomen voor mijn eigen ongeschapen wereld en alles daaromheen verzinnen: kleuren, wiekende vleugels, tuin, toevallige passanten, ja het complete universum? Schrijvend droomde ik, improviseerde ik, gehoorzaamde ik aan een innerlijk ritme, verzorgde ik ‘mijn tere plantje’ om de diepere lagen in mij aan te boren.

 

Een spiegel voorhouden

Ik ben geen maatschappelijk geëngageerde schrijver. Evenmin ben ik een voorstander van l’art pour l’art. Door het echte leven via boeiende vertellingen bij de lezer naar binnen te loodsen, probeer ik hem langs een ontspannende omweg deelachtig te maken aan het leven zelf. En waarom zou ‘n dergelijke confrontatie hem niet aanzetten om dat leven in zichzelf te vermeerderen? Om die reden betracht ik een realiteit die de werking heeft van een spiegel.

Maar welke realiteit? Hier doet zich een filosofisch probleem voor dat ik oploste door me op zaken te fixeren die herkenbaar zijn. Volgens de gegeven feiten is de werkelijkheid immers volledig te herleiden tot het concrete verschijnsel hier en nu. Dit verschijnsel behelst evengoed persoonlijke gevoelens als maatschappelijke betrekkingen. Daardoor werd de realiteit in mijn romans die van mijn personages: de optelsom van hun dromen, emoties, gedachten, herinneringen, verlangens, zintuiglijke indrukken. Het feit dat er voor hen buiten deze individuele gewaarwordingen geen andere werkelijkheid bestaat, verleent hen trouwens hun bestaansrecht. Zo is elk individu drager van het leven en beschikt hij naast zijn instinct over een mate van intelligentie: dit is het bewustzijn dat van nature weet wat wijs is en wat dwaas; een intuïtief besef van de waarheid. 

 

Verdienste van het kind

‘De verdiensten van een boek wordt niet bepaald door de kwaliteiten of gebreken ervan,’ schreef de beruchte Franse criticus Paul Léautaud. ‘Die schuilt alleen hierin dat een ander dan de schrijver het boek niet had kunnen schrijven. Elk boek dat een ander dan de schrijver zelf had kunnen schrijven, is goed voor de prullenmand.’

   Als auteur roept dit bij mij de volgende vragen op: ‘Hoor ik mijn unieke stem? Leef ik me uit zonder me te vergalopperen, het evenwicht te verliezen en tegen de vlakte te gaan? Kan ik zijn als een kind, net zo spontaan? Sta ik als de holbewoner voor zijn rotstekeningen, zonder om te kijken naar de illustere voorbeelden van anderen, links, rechts, voor of achter me? Ben ik een werktuig, volledig vertrouwend op mezelf om mijn werkstuk behoorlijk klaar te spelen door ‘alles’ te geven wat ik in me heb? Breng ik met mijn verhalen leven in de brouwerij der letteren? Omtrent mijn voltooide romans gaat de vraag al niet meer op. Want het is mijn eerste bekommernis om wat ik heden doe: dat is de naakte mens beschrijven; de mens achter zijn façade, de mens met zijn geloof en twijfels, de universele mens achter mezelf, maar ook wel achter die van Jan, Piet en Klaas.

 

‘Succes en mislukking zijn bedriegers.’ (J.L. Borges)

Ik verstuurde mijn roman naar een aantal literaire uitge­verijen. Een jaar later lag hij te pronken in de boek­han­del. Van de ene dag op de andere scheen ik aardig op weg om me als auteur te bevestigen. Nadat als het ware één eer­ste domino­steentje omge­vallen was, zag ik hoe het in werking schie­ten van een voor mij tot dan toe ver­bor­gen me­cha­nisme werd als het omvallen van een lange rij andere dominosteen­tjes. Ra­dio en tv werden er bijge­haald en in de pers verschenen interviews en een boel ui­terma­te gun­stige besprekingen. De hoofd­re­dacteur van mijn Nederlandse uitgeverij had me al verzekerd dat mijn volgen­de roman ook bij hen zou uitgegeven wor­den. Maar een jaar later, vlak voor mijn reputatie met nieuw werk kon geves­tigd worden, ging deze firma bankroet. De uitgeverij werd wel over­geno­men, maar de ganse re­dactie werd ontslagen en veranderde, op het naambord­je na, in een ander bedrijf. Later ben ik nog eens uitgenodigd bij een grote uitgeverij in Antwerpen die belangstelling had voor mijn twee volgende romans. Maar een week later vernam ik dat ook deze firma door een andere werd opgeslokt. Door de malaise die zich toen al in de boekenbranche aankondigde, verviel mijn hoop om van mijn pen te kunnen leven.

Ondertussen is er een half leven van schrijven in een sukkelstraatje voorbijgegaan. Wat rest is mijn door een laag stof bedekt oeuvre. Nochtans heb ik bij elk werk ‘alles’ gegeven wat ik in me had. Mijn beide handen maken intu­ïtief het gebaar van iemand die zijn borst­kas opent om zijn innerlijk aan de wereld bloot te geven, terwijl ik met ’alles’ een­voudig zeg dat ik weigerde om in mijn werk vooruit te hollen, dat ik bij elke scène net zolang stilstond tot deze geen andere mogelijkhe­id meer te bieden had, waar­door dit werk zo evolueer­de dat het me op een na­tuurlijke wijze voort­stuw­de. In feite zijn al mijn teksten me vanzelf ontvallen, mij gedicteerd.

Want in mijn ogen verschilt schrijfkunst niet wezen­lijk van levenskunst. In dat geval is taal juist een middel om te ontsnappen aan de conventie van taal. Maar hoe ik deze visie in mijn romans ook getrouw ble­ef, op de lite­raire markt ving ik bot.

Iedereen heeft recht op zijn eigen smaak. Om die reden kan een schrijver niet anders dan dit recht van de lezer of lector eerbiedigen. Desondanks blijf ik ervan overtuigd dat veel van deze overwegend psy­cholo­gische romans niet inferieur zijn aan mijn bejubeld romandebuut. Zo heb ik met eigen ogen vastgesteld wat er gebeurt als het on­zichtbare me­cha­nisme dat bekendheid mee­brengt in gang schiet, precies zoals het later voor mij duide­lijk werd wat er niet gebeurt als datzelfde mecha­nis­me blokkeert.­ Daardoor werd het voor mij ook makke­lij­ker om de gunsten van dat mechanisme te relati­ve­ren; iets wat ik ondanks het in de mist gaan van mijn schrijversloopbaan alleszins als een voor­recht blijf beschouwen. Het heeft me tegen mislukkingen gewa­pend.

Deze herhaaldelijke verwij­zing naar de prullenmand had ook zijn voordelen. Ze hebben ervoor gezorgd dat ik nooit een schrijversimago heb bekomen dat mij via het medialandschap op een voetstuk zou plaatsen: een canon waarbij mensen elkaar nogal eens op ongelijke denkbeeldige niveaus bejegenen, waardoor de dagelijkse, inspirerende omgang met mijn naasten allicht niet op gelijke voet en minder spontaan zou zijn verlopen. Anonimiteit staat daar borg voor. Het is een natuurlijke staat. Verder hebben de weigeringen me verhinderd op mijn lauweren te gaan rusten. Bij elke roman werd ik weer gedwongen bij nul te vertrek­ken. Zoals een goochelaar: niets in de handen, niets in de zakken!

Schrijven is hard labeur. Dat houd je enkel vol als er liefde is voor het vak, als je bij het schrijven intense vreugde voelt, meegesleept wordt door je inspiratie, als je er psychologisch tegen opgewassen bent om in het literaire wereldje als een passieve toeschouwer achter de zijlijn te staan. Vanzelfsprekend komt het eventjes hard aan als je laatste geesteskind zoals Assepoester niet interessant genoeg bevonden wordt om toegang te krijgen tot het galabal. Maar van zodra ik een manuscript had voltooid, kreeg ik alweer andere, boeiende ideeën die mijn aandacht opeisten. Steeds weer bleef ik dromen van een roman die de vorige zou overtreffen. Daardoor werd het makkelijker om een afwimpeling te incasseren. Maar zelfs deze levenslange miskenning heeft mij de artistieke voldoening, het geloof in me­zelf, en dat ik het recht heb te zijn zoals ik ben, of te schrijven zoals ik schrijf, nooit kunnen afpak­ken. Wellicht ligt deze aanvaarding wel in het besef dat niets iemand kan beletten om, zoals de Franse dichter Rimbaud het in zijn Une saison en enfer zo raak uitdrukte, zich te engageren met het goddelijke licht. Een mens mag trouwens niet alles verwachten. Zo had het lot me gezegend met allerlei inzichten, een goede gezondheid, een gelukkig huwelijk en een resem schatten van nakomelingen - rijkdommen die nog belangrijker zijn en waarvoor ik dagelijks mijn stille dank uit.

Eigenlijk verkeerde ik als schrijver in de begenadigde toestand van een kind dat op een vochtige strandstrook tussen het mulle zand en de oprukkende zeegolven met plezier zandkastelen bouwt. 

Niets verhindert een artiest te volharden in zijn eigen smaak, trouw te blijven aan zichzelf en daarin scheppende krachten te vinden. Want al bestaat er van een literair werk, zoals deze uit de periode van vóór de boek­drukkunst, slec­hts één exemplaar, dit neemt niet weg dat het bestaat, dat men ernaar kan  teruggrijpen. Trouwens, bij de lezer bestaat een verhaal pas als hij er door geraakt wordt. De kwaliteit ervan wordt heus niet beter als hij door critici wordt geprezen en door hoge oplages vermenigvuldigd. Maar boeken moeten nu eenmaal aan de man worden gebracht. Zij ontsnappen niet aan de mallemolen van de commercie, aan de beïnvloeding opgezet door finan­ciële belangengroe­pen, die hun best doen om kunstenaars via canonisatie in de media te verhef­fen boven zichzelf, in hun roem of intellectuele sta­tus; ook al zijn dergelijke praktijken oneerlijk ten opzichte van de onbevangen lezer, kijker of luisteraar, en blij­ken ze het onbevangen lezen, kijken of luisteren dan vaak ook in de weg te staan. Wellicht biedt het besef dat enkel het persoonlijke en eenzame gevecht essentieel is, troost. Want tegen de erosie van de onmeetbare tijd blijkt niets opgewassen. Succes, roem, eer, rijkdom, dit alles is relatief: niets anders dan ijdelheid.

Iedereen kan inspiratie hebben, fantastische beelden zien, visioenen krijgen, op bijzondere gedachten komen. Maar iemand is pas schrijver door de schr­ijf­actie. Minder door middel van een publiek uithangbord aan de voet van een piëdestal, dan door de gedrevenheid waarmee hij elke dag in zijn eentje ver­halen in een vorm giet. Door veel te schrij­ven worden de hersenen meer geacti­veerd en blijven ze onbewust, zelfs tijdens de slaap, onver­moeid aan de slag. Zonder de discipline van de dagelijkse sch­rij­factie, wat uiteraard een sober leven vereist, had ik nooit al die in de loop der jaren ontvangen beelden, ingevingen en gedachteassociaties gehad. Niet dat ik ooit de be­hoefte voel om al dit mate­riaal weer op te diepen. Maar door te schrijven heb ik alvast meer dan één keer geleefd en heb ik die anders onmogelijke, voorbije levens enigszins be­waard en geïnventari­seerd. Daar­door voel ik me rijk en kan ik bevre­digd op de hieraan gewijde jaren terug­kij­ken. Alles had ik over om mijn mogelijkheden tot het uiterste te ontwikke­len. Hoewel mijn werk vandaag wat heeft van een in zee drijvende ijsberg, waarvan enkel het topje voor het publiek zichtbaar is, ben ik toch tevreden dit te hebben gerealiseerd. Of ik mijn mogelijkheden juist heb ingeschat, laat ik liever aan de lezer over.

 Reacties of beschouwingen zijn welkom. Ik lees ze met belangstelling. Robert.

dinsdag 23 juni 2026

Ernst Löw leest een gedicht van Robert Baeken: "De Zwemmer"




De zwemmer

In het kielzog van uitnodigend water,
besloot de zwemmer op gevaar van leven
een duik te nemen.

Wat hem aanspoorde, was niet
schoonheid bij de eerste oogopslag;
wel de geheimen van haar diepten.
 
De gezonken knoest proefde enkel nat.
Daarna streelde zijn hand toegeeflijk bitter
haar bedrieglijke buitenkant.

Water hoort de zwemmer hijgen.
Luidruchtige golven leiden tot geschil
over elkanders weinig of teveel. 

De zwemmer verdronk.
Op droog zand aan de overkant 
vond men een verzadigde stronk.

maandag 22 juni 2026

Essay over de macht der gewoonten.

  

Essay over de macht der gewoonten


SARTRE EN VRIJHEID

'Er is geen menselijke natuur, gezien de mens vrij is en er niets in hem bestaat waarop men kan bouwen,' legt Sartre zijn leer van het existentialisme uit. Zoals dat gaat met leringen wordt hier abstract geredeneerd. Dat merken we aan de woordkeuze. De mens, zoals Sartre het individu aan de hand van zijn verschijning formuleert, kan niet echt worden omschreven. Niet voor niets voert hij een soort van substituut in om het daarna te hebben over een universeel mens-zijn, een vertrouwd milieu dat door Jan, Piet, Klaas ervaren wordt binnen een plaatselijke historische context waarin zij elkaar kunnen vinden. Nochtans verwerpt Sartre het begrip menselijke natuur. Hij schrijft: 'Als het bestaan aan de wezensbepaling voorafgaat, kan men nimmer een gegeven en vaststaande menselijke natuur ter verklaring aanvoeren; met andere woorden, van determinisme kan geen sprake zijn; de mens is vrij, de mens is vrijheid.'

In die geest van juistheid kunnen belangrijke besluiten genomen worden, zoals Sartre wanneer hij zegt dat wij door de keuzes die we maken en door ons gedrag, verantwoordelijk zijn voor onszelf en, vermits wij niet alleen bestaan, voor de anderen. Een ander besluit van hem is dat er geen algemene moraal geldt. En inderdaad: de moraal zoals die overal ter wereld gebruikelijk is, wordt uitsluitend bepaald door het gedrag van een plaatselijke meerderheid waarvan mensen als Jan, Piet en Klaas deel uitmaken, zodat die veranderlijk blijkt en van streek tot streek zelfs zeer verschillend. Toen ik een knaap was, stak de pastoor op zijn kansel, telkens het thema overspel aan de orde kwam, een donderpreek af. Sinds het huwelijk door de gewijzigde levensomstandigheden veelal met losse flodders aan elkaar hangt, hoort men hier nog weinig negatiefs over. Als gevolg van de noodwendigheid komen er wel nieuwe geboden op de proppen, zoals: 'Geen plastic bij het tuinafval gooien!' Aldus blijkt dat een individu voortdurend in staat is om op zelfstandige basis, wars van elke bestaande moraal, keuzes te maken. Maar zelfs als deze enkeling vrij rondloopt, wil dit niet zeggen dat hij geen onderdeel is van de algehele natuur. De ervaring leert hem dat zijn lijf afhankelijk is van allerlei noodwendigheden. Mensen kunnen niet zonder lucht of water. Zij kleden zich tegen de vrieskou. Hun gedrag wordt grotendeels bepaald door leeftijd en aangeboren sekse.

Een andere vaststelling is het algemene besef dat er slechts één universum geldt, één objectief kenbare wereld waarbinnen de natuur voor alle schepsels werkzaam is; een universum dat bestudeerd kan worden. Naarmate deze voorstelling geperfectioneerd wordt, menen mensen, hoewel zij er een nietig onderdeel van blijken, zich beter in een bekende tijd en ruimte te kunnen situeren.

Hierbij wordt al gauw uit het oog verloren dat elke voorstelling neerkomt op een abstractie. Vlietende gebeurtenissen, die zich door hun verscheidenheid  slechts één keer voordoen, worden onder allerlei noemers geplaatst. Maar stel dat het heelal niet één levend wezen zou herbergen dat in staat is het te observeren, zoals bewuste wezens doen als zij 's nachts de blik naar het uitspansel richten. - Zou dit heelal dan wel bestaan?

 

WAARNEMING EN WERKELIJKHEID

Vandaar kan men zeggen dat het heelal voor ons slechts bestaat doordat er kennis van genomen wordt. En zo ontstaat het bij elke blik opnieuw. De kijker observeert, en tot zover is er niets anders dan dit concreet gebeuren waarbij het immateriële van de waarneming en de waargenomen materie zo zuiver in elkaar passen dat men ervan mag uitgaan dat het heelal vanuit een niet nader te omschrijven oogpunt naar zichzelf kijkt. Zij hebben elkaar nodig om te bestaan.

Tot hier nam ik het universum als voorbeeld. Maar wat heet groot of klein, als er geen geldige maatstaven voorhanden zijn? Het is waar: mensen nemen min of meer zichzelf, hun eigen grootte en levensduur als kijk op de wereld tot maatstaf. Want men hoeft niet van de microkosmos op de hoogte te zijn om te begrijpen dat het oneindige evengoed aanwezig is in een zandkorrel. Of iemand zich in de ruimte of tussen vier muren bevindt, elke gewaarwording maakt deel uit van een peilloos diep. Zien, in de betekenis van gewaarworden, is zijn. Een mens is een tijdelijke interactie. Hij is zowel een gebeurtenis als het milieu waarin deze gebeurtenis plaatsvindt.

Volgens de wetenschap blijken twee atomen waterstof geneigd zich te verbinden met één atoom zuurstof. Het resultaat is water. (Wat er zou gebeuren als zulke gewoonte zou ophouden te bestaan? Wie weet zou een oerknal het gevolg zijn en de bestaande constructie andermaal in een onvoorstelbare dimensie geordend worden.) Daarnaast bestaan er ook kleinere, plaatselijke veranderingen. Zo gedroeg het klimaat op aarde zich tijdens de ijstijden anders dan vandaag. Dus houden wij rekening met een voortdurend afwijkende status. Het zou onjuist zijn de natuur te benaderen als een onveranderlijke abstractie van het denken, zoals men geneigd is haar voor te stellen. De natuur heet dan de vermeende constante in waargenomen fenomenen. Maar elk fenomeen is enig en doet zich tijdelijk voor. Zo mag die constante dan wel het gevolg zijn van de menselijke reflectie rond de samenhang van op elkaar gelijkende fenomenen: zij blijft onberekenbaar. Zoals de empirist Hume in de achttiende eeuw al zei: ‘Door langdurige en nauwgezette waarneming kan men de natuur wel voorspellen, maar het blijft een hypothese, een voorspelling.’ Om die reden erkenden de empiristen geen absolute wetenschappelijke zekerheden.

Daarentegen is de wereld van de mensen subjectief. Een wereld van onderlinge relaties, geënt op het actuele levensgevoel van de enkeling. Als ik mijn hoofd stoot tegen een balk, voel ik niet de balk, wel een onloochenbare pijn ter hoogte van de schedel. Deze pijn maakt deel uit van wat ik ben. De balk zelf kan ik niet voelen, want ik ben niet de balk en ik kan onmogelijk buiten het geheel van mijn zintuiglijke gewaarwordingen treden. Nu kan ik best aanvoeren dat de balk hard aankwam, dat hij gemaakt is van hout en dat ik hem had kunnen vermijden als ik mijn hoofd had ingetrokken. Maar of we nu in aanraking komen met een balk, een medemens of een sterrenhemel, altijd gaat het over zintuiglijke toestanden die zich nooit een tweede keer identiek voordoen. Zelfs als mijn oog door een sterrenkijker gluurt, of door een microscoop, neem ik niets anders waar dan indrukken op mijn netvlies. Altijd schuren de zintuigen tegen een ogenschijnlijk bekende substantie aan, terwijl deze werkelijkheid niets anders is dan een ondoordringbare buitenkant.

Als het bestaan aan de wezensbepaling voorafgaat, betekent dit dat de feiten zich eerst voordoen; pas daarna volgt de abstrahering, de identificatie of de beschrijving van die feiten. Bestaan is een samenstelling van primaire feiten, zoals ademen, lopen, zich het hoofd stoten, denken. Daarom kan ik Sartre niet langer volgen als hij zoals Descartes de analytische beschrijving van het denken apart neemt en verklaart: 'Ik denk, dus ik ben.' Als men er zoal zij a priori van uitgaat dat er bij het denken ook een denker gemoeid is, holt men op de feiten vooruit. De denker behoort eerder tot de besluitvorming. Ineens gaat Sartre omgekeerd te werk. Zijn redenering zou correcter zijn geweest als hij zich had beperkt tot: ‘Er wordt gedacht, dus er vindt een feit plaats.’

‘Een gedachte komt wanneer ‘zij’ wil, en niet wanneer ‘ik’ wil;’ noteerde Nietzsche; ‘zodat het een vervalsing van de feiten is om te zeggen: het subject ‘ik’ is de bepaling van het predicaat ‘denk’. De feitelijke manier waarop gedachten tot ons zijn gekomen moeten we niet bederven door een vals arrangement van deductie en dialectiek.’ Met andere woorden: het ik denkt niet; het wordt gedacht. Het is een voorstelling.

Nog overtuigender komen me de argumenten van de Argentijnse dichter Borges voor. In een lezing over het boeddhisme zegt hij: 'Een van de grootste begoochelingen is die van het ik. Het boeddhisme komt daarin overeen met Hume, met Schopenhauer. Er is geen subject, maar een reeks mentale staten. Als ik zeg 'ik denk' bega ik een dwaling, omdat ik een constant subject veronderstel en vervolgens een handeling van dit subject, namelijk denken. Zo is het niet. Je zou stipt Hume aan, niet 'ik denk' moeten zeggen maar 'het denkt', zoals je zegt 'het regent'. Als we 'het regent' zeggen, denken we niet dat de regen een handeling verricht; nee, er gebeurt iets. Op dezelfde wijze als je zegt: het is warm, het is koud, het regent, moeten we zeggen: het denkt, het lijdt, en het subject vermijden.'

Inherent aan de opvatting dat de denker niet gescheiden is van zijn gedachten, voegde Krishnamurti, bekend om zijn toespraken over de ganse wereld, hier nog een belangrijke opmerking aan toe: ‘Als ik mezelf aanhalig vind, hebzuchtig of brutaal, meen ik dat ik niet zo zou mogen zijn. Zo tracht de denker op gelijke hoogte te komen met zijn gedachten; hij doet moeite te worden wat hij in gedachten heeft. Tijdens zijn inspanning meent hij dat er twee verschillende verlopen zijn, terwijl er slechts één verloop is. Hierin ligt de fundamentele oorzaak van verwarring.’ Verlichting moet direct worden bereikt, - niet in groepsverband, niet door in navolging van een meester met gekruiste benen onder een boom te gaan zitten.

Het subject kan vermeden worden door elk fenomeen direct voor zichzelf te laten spreken. Maar in deze concrete wereld van feiten glippen onvermijdelijk abstracties naar binnen; want mensen maken nu eenmaal deel uit van een gemeenschapsleven, een gezamenlijke cultuur. Zij oordelen, geven dingen een naam, rijgen feiten aan elkaar, zodat dit er als een tijdsnoer gaat uitzien. Die abstracties komen eigenlijk neer op vormen van aankleding. Zij zijn zo nauw met onze gewaarwordingen verweven dat het moeilijk wordt ze daarvan te onderscheiden. Zo krijgen zij een meerwaarde die ze eigenlijk niet verdienen, zelfs al is daardoor een vorm van overzichtelijke continuïteit mogelijk. Want aldus begint elke historie. Wat niets anders zou mogen zijn dan een kennismaking van feiten, wordt de aanzet tot een kunstmatige vereenzelviging waarvan het belang onbewust over het paard getild wordt. Daarbij gaat het ego tot de feiten behoren. Het kleedt zich aan en wordt daarbij nog door de anderen geholpen ook. Het krijgt een naam; soms zelfs nog een titel. Zo maakt iedereen ongevraagd deel uit van een religieuze en staatkundige gemeenschap, een gezamenlijke cultuur en traditie. ‘Beter een foute of overdreven vereenzelviging dan helemaal niets,’ redeneert het individu in zijn onbewuste vrees voor de eigen naaktheid; want zonder deze identificatie komt elk fenomeen hem maar heel gewoontjes voor, even arm en betekenisloos als de vlietende gebeurtenissen zelf.


GEWOONTEN EN CONDITIONERING

Een mens zou dus wezenlijk vrij zijn. Mooi, maar iemand is pas vrij als hij dit terdege beseft. En gelet op de beperkende condities, bezit die vrijheid geen schijn van kans. Een mens komt er nauwelijks toe onbevangen te kijken, naar zichzelf en de wereld als schouwtoneel. Over het lichte heden vallen de roetzwarte schaduwen van verleden en toekomst. Waar we mee te maken krijgen, is vertroebeld door voorkennis, voorgekauwd door tradities, beïnvloed door collectief gedrag, ingebed door aloude opvattingen. Ermee rekening houdend dat de natuur een verzamelnaam is voor haar gedragspatronen, zou men Sartre kunnen tegenspreken, en het in dat geval toch wel hebben over een menselijke natuur. Want elk individu is de som van zijn gewoonten. Spinoza was van mening dat alle dingen in hun wezen willen volharden. Zoals een elektrische stroom zich verzet tegen onderbreking, wil de steen eeuwig steen blijven, de tijger eeuwig tijger. Toch is er verandering mogelijk. Ook al kan dit uitsluitend aanvangen bij de enkeling. Ook de steen en de tijger zijn ergens uit voortgekomen.

Ik stel me de kracht van gewoonten voor als de bedding van een rivier. Bij de allereerste regenval zocht het water de makkelijkste weg. Zand en steengruis werden meegevoerd. Er ontstonden geulen, wat het voor het water al moeilijker maakte om bij de tweede regenval langs een andere weg neerwaarts te stromen. Op gelijkaardige wijze wordt het menselijk gedrag ingebed door repetitief gedrag: diepe geulen welke onvermijdbaar zijn zonder een frisse oorspronkelijke kijk die alle oude beddingen weer gelijkmaakt.

Als de wereld van mensen er een is van onderlinge relaties, geënt op een actueel levensgevoel, spreekt het vanzelf dat er in die relaties tot anderen hoffelijkheid nodig is om de afwikkeling tussen die relaties harmonieus te doen verlopen. In feite gaat het hier over een gedrag waarbij de ander voldoende bewegingsvrijheid krijgt. Goede manieren scheppen voorwaarden. Prima zo, maar als die voorwaarden op voorhand worden ingecalculeerd, leiden ze vanzelf tot een conventionele ethische gedragscode die de individuele vrijheid beknot. Want mensen zijn wel vrij, maar willen zij ordentelijk samenleven dan kan men niet toestaan dat de een zijn vrijheid tegen de ander misbruikt. In de praktijk komt dit erop neer dat het menselijk gedrag getoetst wordt aan de hand van zekere beginselen. Aanvankelijk waren die uitsluitend religieus, eerder gericht op de juiste staat van het hart dan op de dode letter van de wet, waardoor er minder hypocrisie voorkwam. Maar sinds de samenleving grotendeels op basis van een geseculariseerde moraal mogelijk wordt gemaakt, hebben de milieuactivisten, opvoeders, rechters, psychiaters, politici ook wat in de pap te brokken. Al naargelang wie oordeelt, wordt er gesproken van een ondoordacht, zondig, ziekelijk, misdadig, dwaas, of afwijkend gedrag. Strikt genomen is elk gedrag afwijkend, want het normale is alweer een abstractie. Bovendien ontnemen oordeel en straf niemands vrijheid. Vrijheid is eigen aan ieder mens, zelfs als hij in de donkerste isoleercel zit opgesloten. Ik meen dat die vrijheid pas ophoudt als het feitelijke beginsel dat het bestaan van een mens voorafgaat aan zijn wezensbepaling, verworpen wordt ten gunste van richtlijnen zoals door de georganiseerde gemeenschap voorgehouden. Onder meer door zijn innerlijke staat zodanig aan te passen dat de condities van die gemeenschap bij de enkeling worden ervaren als de natuurlijke grenzen van een determinant, is het mogelijk in deze valstrik weg te glijden. Men legt zijn persoonlijke verantwoordelijkheid in de handen van geestelijke of wereldlijke autoriteiten. Zo wordt de eigenheid onbewust tekortgedaan: een onrecht, zowel ten opzichte van het eigen leven, als dat van de anderen. Deze vorm van ontkenning waarvan de gemeenschap nochtans geen nadeel lijkt te ondervinden, die haar leiders door het ontbreken van elke tegenstand op het eerste gezicht zelfs alleen maar ten goede lijkt te komen, is louter van innerlijke aard. Daar het voor de gemeenschap enkel mogelijk is op het uiterlijke gedrag van haar leden af te gaan, kan die ontkenning onmogelijk door die gemeenschap gesanctioneerd worden. De bewering dat alleen God onze rechter is, zit dus dichter bij de waarheid voor wat onze echte persoon aangaat. Want per definitie heeft alleen Hij weet van onze intenties, onze liefde of het gebrek eraan. Maar tegelijk is God het antwoord op alle vragen die alleen mensen zich stellen. ‘Wie zijn wij? Waar bevinden wij ons? Wat heeft dit alles te beduiden?’ Wie zich zulke vragen stelt, is alweer met abstracties bezig. Want mensen bevinden zich enkel hier. En waarom naar een diepere betekenis zoeken, als de werkelijkheid is zoals zij zich voordoet: eenvoudig en glashelder?

 

DE VRIJHEID VAN HET KIJKEN

Zou het mogelijk zijn dat die vragen naar het bovenzinnelijke gesteld worden vanuit een wezenlijk ongenoegen met de werkelijkheid, - als gevolg van innerlijke gespletenheid, eigen aan alle wezens begiftigd met het vermogen om zich een andere werkelijkheid voor te stellen dan die vlak voor hun neus? Voor zover we weten, verplaatsen alleen mensen zich buiten de werkelijkheid. Alleen zij zijn bezig met mysteriën, het onzichtbare, met geweldige woorden zoals God. Als een leider uit vroegere tijden beweerde uit diens handen zijn in stenen tafelen gebeitelde heilige wetten te hebben ontvangen, dan kon jij als enkeling wel geloven dat die man de waarheid sprak, maar dit sluit niet uit daarmee door een charlatan op sleeptouw te worden genomen. Dat een meerderheid er wel op vertrouwde, scheen dit geloof alleszins te bevorderen. De oorzaak hiervan ligt zowel in het eerbiedig vasthouden aan iemands leiderspositie als in een fundamenteel gebrek aan zelfvertrouwen bij de enkeling. Want is het niet dom zich in deze wereld vol valkuilen als een blinde door andere blinden te laten leiden, simpelweg omdat een voorganger gezegd heeft op hem te vertrouwen, terwijl jij zelf over twee gezonde ogen beschikt? Hoe dan ook, om in een Opperwezen te geloven is er bereidwilligheid nodig. Maar waar geloof is, daar heerst ook twijfel; anders zou er van geloof geen sprake zijn.

Hoe dan ook, wat er ook plaatsvindt, hetzij rampen, hetzij meevallers, iedereen ervaart steevast een volkomen neutraliteit ten opzichte van 's werelds of het persoonlijke lot. Bij mijn weten komt de werkelijkheid nooit zo voor dat daardoor het bestaan van God wordt bevestigd of ontkend. In dat geval komt elke waargenomen tendens neer op een interpretatie van de werkelijkheid. En elke interpretatie komt uiteindelijk van de mensen zelf, van hun verwachtingen, van hun hoop dat er meer zou zijn onder de zon. Bovendien is de kwestie irrelevant, want zij verandert niets aan onze menselijke staat: dat wij het met onszelf moeten zien te rooien. De waarheid dat alles is zoals het voorkomt, biedt wel een spiritueel beginsel om die waarheid te gehoorzamen. Dit zou ons kunnen beletten om wandaden te plegen. Maar evenmin zoals de werkelijkheid een drenkeling uit het water zal slepen, gaat zij iemand ervan weerhouden te moorden, te branden, te stelen. De werkelijkheid blijft onveranderlijk neutraal. Feiten hebben nooit met voorkeuren te maken. Als er sprake is van voorliefde, of van afkeer, dan komt dit uitsluitend van de mensen die de vrijheid bezitten om ergens voor te kiezen.

Een geseculariseerde moraal daarentegen, houdt geen rekening met iemands keuze. Als er in het wetboek staat dat men niet mag stelen, geen verboden wapens dragen, dan richt deze tekst zich uitsluitend tot determinanten; namelijk tot burgers wier identiteit door de bureaucratie op papier is vastgelegd. Om een immens ingewikkelde samenleving mogelijk te maken, is wetgeving inderdaad noodzakelijk, maar verder kan zij niet overtuigen; want alles wat geschreven staat, zij het op papyrusrollen of in dikke boekdelen, is door mensen bekrachtigd, maar verder tijdelijk, beperkt en in zekere zin ongeldig.

Terwijl God een abstractie blijft, is de werkelijkheid dat nooit. Dit gegeven omringt ons. Het kan gezien, geproefd, betast worden. Het is de gewaarwording van het bestaan. Niet alles is geoorloofd. Boven alles moet het leven geleefd, haar waarheid als waar erkend worden. Dit is enkel mogelijk als leven en waarheid zodanig ondergaan worden, nauwkeurig onderscheiden van alle levensvormen waarmee op automatische piloot wordt omgegaan.

Om een einde te maken aan de dictatuur van deze gewoonten is de intelligentie nodig van een onbevangen, zintuiglijke kijk. Intelligentie zit in de aandacht om de eigen identiteit congruent met het actuele gebeuren te doen samenvallen. Het is eenvoudig te begrijpen dat gewoonten niets anders zijn dan het gevolg van reeds bestaande hersencelverbindingen. Echter, niets belet een individu hiermee af te rekenen en het leven te herscheppen, waardoor vanzelf nieuwe verbindingen worden aangelegd, precies zoals regenwater zou doen als het voor de eerste keer op een vers terrein neervalt. Hiervoor is het nodig innerlijk blanco te zijn. Goede voornemens baten niet. Dergelijke projecties vinden immers uitsluitend in de eeuwig wijkende toekomst plaats. Het verleden uitspitten brengt evenmin zoden aan de dijk. Wat dood is, kan niet weer tot leven worden gewekt. Daardoor heeft spijt  geen zin. Het enige wat telt, is onbevangen toekijken. In één huidige oogopslag zijn mentale toestand overzien. Door alle menselijke aankleding heen kijken naar de wereld zoals zij voorkomt, zonder haar te idealiseren of te beoordelen. Kijken betekent daadwerkelijk inzien. En dan stelt het oog vooral dit vast: inderdaad, er bestaat niets buiten dit unieke fenomeen van de gewaarwording! Zulke helderheid brengt vanzelf innerlijke rust teweeg. Er wordt immers nergens nog reikhalzend naar uitgekeken. Het lichaam ontspant zich en het hoofd verplaatst zich niet langer in de tijd. Het wordt bewust geledigd, en eenmaal leeg houdt de gesel van de onophoudelijke gedachtestroom vanzelf op. Deze rust schijnt als een lichtend voorbeeld in de duisternis, zodat dit anderen op hun beurt kan helpen om hun eigen misvattingen in te zien, wat onvermijdelijk bijdraagt tot belangrijke correcties: gaande van een intenser leven tot een meer leefbare wereld.