dinsdag 30 juni 2026
maandag 29 juni 2026
Essay: Leven in de brouwerij der letteren
Essay:
LEVEN IN DE BROUWERIJ DER LETTEREN
‘De roman is het hoogste voorbeeld van subtiele onderlinge verwantschap, dat de mens ontdekt heeft. Ieder ding is waar op zijn eigen plaats, tijd en omstandigheid en niet waar buiten die eigen plaats, tijd en omstandigheid. Indien de roman levendige betrekkingen onthult, is het een zedelijk werk, waar die betrekkingen ook uit mogen bestaan.’
(D.H. Lawrence)
De vorm
Men kan
ervan uitgaan dat de werkelijkheid, doordat zij vlietend is, weinig voldoet
aan de menselijke verwachtingen; dat zij geen betekenis heeft, oppervlakkig
lijkt, leeg, chaotisch en meestal afhangt van een stom toeval. Men kan hier
zelfs aan toevoegen dat de werkelijkheid, juist doordat zij niet gedefinieerd
kan worden, feitelijk niet heus bestaat. Op dit gegeven waaraan niemand een
touw kan vastknopen, ontspringt volgens mij de artistieke behoefte om een vorm
te scheppen die niet aan causale veranderingen onderhevig is. Deze veranderingen
zouden dan moeten worden ingedamd tot een vorm die in een ongewijzigde staat bewaard
kan blijven, ofschoon zij meestal toch naar die vlietende werkelijkheid
refereert. Zo wordt met behulp van de verbeelding een in letteren gestolde
droom aan de dagelijkse werkelijkheid toegevoegd.
De schrijver
brengt een in hem sluimerende wereld naar buiten. Zijn gevoel zegt hem: 'Ik
ben een kind van de onzichtbare innerlijkheid. Ik wil een realiteit scheppen
die helemaal van mij is, die aan mijn verwachtingen en ideeën over het leven
beantwoordt: kleurrijk en mythisch, - niet saai, triviaal, - of wellicht ter
wille van persoonlijke redenen juist wel! Een werkelijkheid met een blijvende
betekenis, die men als een geheel ter hand kan nemen. Want zo steek ik in
mekaar. Zo is mijn ware ik. Door die behoefte om mezelf via een inhoudelijke
vorm te definiëren, word ik gedreven.'
Zolang er
nog geen woord op papier staat, behoort deze innerlijkheid niet tot de
actualiteit, is ze bij de aspirant-schrijver ongeschapen aanwezig; dus ook
voor de buitenwereld onbestaande. Zij moet door overdrachtelijke beelden
waargemaakt worden. Dit kan evengoed in andere vormen dan het
schrift. Tot de oudste behoren de prehistorische wandschilderingen in
grotten. Waarschijnlijk bestond er toen ook al zang, en werden er 's avonds
rond het vuur verhalen verteld.
Zelf word
ik pas door een tekst getroffen als ik daarin iets van mezelf terugvindt: een
vorm van verwantschap. Dergelijke vorm van communicatie kan een brug slaan overheen
alle mogelijke grenzen en tijdperken.
Geen bellettrie
Het is evident dat veel
schrijvers in hun beginperiode onder de invloed staan van auteurs die zij
als een voorbeeld beschouwen. Toen ik een
jongeman was, heeft de verhalenbundel ’Black Spring’ van
Henry Miller zowat een jaar lang als een dagelijks ter hand genomen zwarte
bijbel onder mijn hoofdkussen gelegen. Voor mij was hij de eerste auteur die
van seks, van het leven op straat en van zijn anarchistische kijk op de samenleving
een gevoelige, levensblije waarheid maakte zonder in boekentaal te vervallen. ’Black
Spring’ werd geschreven in 1934. Vandaag leven wij in een gans andere
tijdgeest. Tal van die toen nog maatschappelijke taboes zijn ondertussen
gemeengoed. Zelf was Miller een bewonderaar van Dostojewski trouwens. Als
beginnend auteur ontwierp hij tragedies als 'De gebroeders Karamazow’. Tot
hij op een dag zonder een cent op zak van zijn geboortestad New York naar
Parijs trok en, wellicht ten gevolge van zijn ontheemding, uiteindelijk inzag
dat dit literaire beeld niet met de werkelijkheid strookte: de menselijke
ziel bleek hem ineens te klein voor dergelijke grootse tragedies, zodat dit
voor hem de enige tragedie werd. 'In Parijs kwam ik tot mezelf,' schreef
Miller.
De
autodidact in mij vroeg zich af wat er nodig was om tot mezelf te komen. Moest
ik eveneens de autobiografische toer opgaan en, in navolging van mijn idool,
de gore kanten van het leven onder de loep nemen? Aanvankelijk heb ik zoiets
geprobeerd. In drie jaar tikte ik vijfhonderd dichtbeschreven vellen
proza, waarbij me het er vooral om te doen was via zelfonderzoek een verhalend
verslag te bekomen rond de eerste jaren van mijn huwelijk. Bellettrie mocht
wel, maar ik zocht eerst de waarheid en zou die onverbloemd weergeven, mooi
of lelijk. Ik had me ingesteld op een genadeloos realisme, zoals bij Miller.
Maar helaas was hiermee geen vergelijk mogelijk. Toen ik het resultaat jaren
later terugzag, stoorde me de haast ondoordringbare structuur, voortvloeiend
uit de opvatting dat alles wat zich als een waarheid aan me had voorgedaan,
zelfs het onbeduidendste detail, ook de moeite was om te worden opgeschreven.
Als de Almachtige zich in de hemel bevindt, dan is Zijn werk vast ook zichtbaar
in de beerput, redeneerde ik. Door geen onderscheid te maken in wat voor
mij reëel was, had ik de verkeerde keuze gemaakt. Want hier zit volgens mij de
knoop: de waarheid van de ander is slechts ten dele waar. Zo kon Millers
anarchistische kijk inderdaad bijdragen tot gefundeerde maatschappijkritiek,
maar evengoed kan deze visie iemand op het verkeerde been zetten. Henry Miller
was een kind van de metropool, een rebel, een clown, een man van twaalf
ambachten en dertien ongelukken. Hij deugde wel, maar hij liep liever met zijn gebreken
te koop. In mijn ogen maakte dit van hem juist een heilige. Naar iemand
opkijken kan echter tot dweepzucht leiden, of alvast maken dat van die persoon
of zijn werk te weinig afstand genomen wordt. Want welbeschouwd was ik als
jongen uit een provincienest, als bewonderaar van Felix Timmersmans’
vertelkunst, als oppassende zoon van een hardwerkende weduwe, als student die
zijn leraren respecteerde en daarbij zelfs heel wat idealen in het vaandel
droeg, precies Millers antipode. Zo konden mijn dagelijkse ervaringen naast
die van mijn lichtend voorbeeld niet anders dan zoutloos voorkomen. Geleidelijk
aan begon ik me ook te realiseren dat Miller gretig gebruikgemaakt had van
allerlei groteske verdraaiingen van de werkelijkheid en dat de schuttingstaal
waarmee hij het vaak over seks had, eerder diende als een krachtig stijlfiguur
om zijn eigen waarheid aan op te hangen, daarmee de overtuiging uitschreeuwend
dat de ordinaire waarheid op straat de enige waarheid is.
Achteraf
bezien kwam Millers erotiek, door de dingen grofweg bij hun naam te noemen, me
ook eerder verschralend dan spannend voor; als werd seks daardoor louter
herleid tot een technische aangelegenheid, zoals in de loodgieterij,
wanneer een buis in een mof wordt geschoven. Hierover kon boeiender verteld
worden; temeer daar de inkleuring van het leven grotendeels in het eigen hoofd
plaatsvindt. Dit leidde vanzelf tot mijn drang om een tegengestelde koers te
varen en me eerder toe te leggen op mythevorming: het begin van jarenlang hard
labeur, zonder dat het enig ander resultaat opleverde dan maakwerk.
Tot zichzelf komen
Wel
confronteerden deze miskleunen me met vragen als ‘Wie is hier aan het woord?
Wie ben ik? Hoe kom ik tot mezelf?’ Vragen die enkel kunnen worden beantwoord
door aan alle valse schijn voorbij te gaan. Want de essentie van het leven kan
enkel gevonden worden in levendige gewaarwordingen die, juist doordat ze vluchtig
zijn, aan niemand toebehoren. Daarmee wordt de particuliere grens tussen hij,
jij of ik, vanzelf opgeheven. Door volledig op die anonieme gewaarwordingen in
te gaan, kwam ik tenslotte tot een raamwerk dat me hielp me in de ander te
verplaatsen. Daarmee viel de noodzaak om tot mezelf te komen, tegelijk als een
loodzware last van me af. Wat een zegen! Eens ik had ingezien dat ik zowel
niemand als iedereen kon zijn, voelde ik me vrij om te laten komen wat vanzelf
komt. Of ik daarmee zou slagen of niet: voor gedane inspanningen bestaan geen
garanties. Door niet langer een meesterwerk
te pretenderen, durfde ik de nodige risico’s nemen. Mijn volgende romans zou ik
niet langer verstandelijk uitbroeden.
Groei
Doordat ik
me al enkele jaren in een imaginaire wereld had ingeleefd, voelde ik hierna de
behoefte om een roman te schrijven die zich in meer hedendaagse milieus
afspeelt. Maar belangrijker dan het thema, werd voor mij het inzicht dat
literatuur enkel van belang is tijdens de creatie, waarbij je als uitvoerder
naar psychische toestanden wordt verplaatst, die je eigen leven niet altijd te
bieden heeft. De schrijfdaad wordt dan ervaren als een levend
gebeuren. Het is lachen, huilen, lijden, prakkiseren, mee- en inleven. Precies
als in het leven van alledag, diende ik op het juiste ogenblik de gepaste keuzes
te maken. Voortaan zou ik met elk idee wachten tot de appel vanzelf uit de boom
valt, of minstens tot het ogenblik is aangebroken om hem rijp te plukken. Dit
kwam erop neer dat ik de intrige met vertrouwen aan het verhaal zou
overlaten. Niet enkel diende ik mijn wil en persoonlijke ambities opzij te
schuiven; vooral moest ik mijn neiging bedwingen om als een goddelijke macht
tussenbeide te komen. In plaats van de personages te manipuleren, zou ik hen
juist op de voet volgen. Vanzelfsprekend vraagt dit alertheid en een aandachtig
oog voor wat het verhaal precies nodig heeft. Waarschijnlijk om die reden
ondervind ik tijdens de beginfase steeds de grootste moeilijkheden: er bestaan
dan nog te veel keuzemogelijkheden. Zo werd ik gaandeweg het werktuig in
handen van een mysterieuze macht. Doordat oppervlakkige, kortzichtige
gedachten geen kans krijgen om zich met het lot van zijn personages te
bemoeien, wordt het niet-verpersoonlijkte bewustzijn dat mensen over alle
tijden met elkaar gemeen hebben, aan het woord gelaten. De roman groeit dan
spontaan, zoals een boom naar het licht.
De waarheid
van een verhaal ligt niet zozeer in het feit of de historie echt gebeurd is,
maar psychologisch waar op het moment dat de roman vorm krijgt, zodat blijkt dat
de schrijver de juiste keuzes heeft gemaakt, dat hij trouw gebleven is aan
zichzelf, aan de wereld zoals hij die ervaart, aan de subjectieve kijk van zijn
personages. In dit opzicht kan fantasie evenveel waarheid bevatten als feiten
zwart op wit. De lezer heeft er trouwens geen controle over of de beschreven
gebeurtenissen al dan niet zijn voorgevallen. Voor hem is het vooral van belang
of hij zich dermate kan inleven dat de lectuur hem verplaatst naar de
psychische toestanden van de personages, waardoor de inhoud hem levensecht
voorkomt.
Fictie bekritiseerd
Tegenwoordig
zijn velen van mening dat de roman als genre om een verhaal te vertellen dood
is. Terecht vinden zij dat taal, zelfs indien deze in hoge mate vernieuwend,
efficiënt en door het dagelijkse gebruik messcherp geslepen is, tekortschiet
naast de onuitsprekelijke, woordloze werkelijkheid.
Ook ik
wilde in mijn romans meer vertellen dan enkel een verhaal. Vooreerst wou ik de
lezer op elke pagina doen vergeten dat hij een boek in handen heeft. Men moet
niet oog in oog staan met woorden, vind ik, maar met het leven zelf. Men kijkt
toch ook niet naar een schilderij, enkel ter wille van de verf? Om die reden
heb ik me nooit enige moeite bespaard om de lezer het gevoel te bezorgen dat
hij op de hoek van een straat een spontane babbel met me heeft. Maar hoe krijg
je het echte leven op papier?
Laat me dit
duidelijk maken door de werkelijkheid te vergelijken met een kleurrijke
vlinder. Zo was het mijn eerste impuls om dat beestje te vangen. Immers, zijn
schoonheid trof me, waardoor ik me gedrongen voelde zijn vlucht door de tuin
via de literatuur te bestendigen. Bij uitzonderlijke schrijvers had ik ervaren
dat dit mogelijk was. Zij stelden me echter voor een onmogelijk opdracht; want de
beschreven vlinder is niet dezelfde als toen hij vrij rondfladderde. Zijn
schoonheid maakt deel uit van een geheel dat in zoverre onbegrijpelijk is dat
je er nooit achter komt hoe het verschijnsel te verklaren. Maar waarom
verklaren? En waarom zou mijn vlinder zo nodig moeten lijken op de echte? Zolang
de lezer het gevoel wordt aangereikt zich thuis te voelen, is die kwestie van
geen tel. Op dit kantelpunt van de schepping ging ik nog een stap verder.
Nu het onmogelijk was een vlinder op papier te krijgen, waarom niet opkomen
voor mijn eigen ongeschapen wereld en alles daaromheen verzinnen: kleuren,
wiekende vleugels, tuin, toevallige passanten, ja het complete universum?
Schrijvend droomde ik, improviseerde ik, gehoorzaamde ik aan een innerlijk
ritme, verzorgde ik ‘mijn tere plantje’ om de diepere lagen in mij aan te boren.
Een spiegel voorhouden
Ik ben geen
maatschappelijk geëngageerde schrijver. Evenmin ben ik een voorstander
van l’art pour l’art. Door het echte leven via boeiende
vertellingen bij de lezer naar binnen te loodsen, probeer ik hem langs een
ontspannende omweg deelachtig te maken aan het leven zelf. En waarom zou ‘n
dergelijke confrontatie hem niet aanzetten om dat leven in zichzelf te
vermeerderen? Om die reden betracht ik een realiteit die de werking heeft van
een spiegel.
Maar welke
realiteit? Hier doet zich een filosofisch probleem voor dat ik oploste door me
op zaken te fixeren die herkenbaar zijn. Volgens de gegeven feiten is de
werkelijkheid immers volledig te herleiden tot het concrete verschijnsel hier
en nu. Dit verschijnsel behelst evengoed persoonlijke gevoelens als
maatschappelijke betrekkingen. Daardoor werd de realiteit in mijn romans die
van mijn personages: de optelsom van hun dromen, emoties, gedachten,
herinneringen, verlangens, zintuiglijke indrukken. Het feit dat er voor hen
buiten deze individuele gewaarwordingen geen andere werkelijkheid bestaat,
verleent hen trouwens hun bestaansrecht. Zo is elk
individu drager van het leven en beschikt hij naast zijn instinct over een mate
van intelligentie: dit is het bewustzijn dat van nature weet wat wijs is en wat
dwaas; een intuïtief besef van de waarheid.
Verdienste van het kind
‘De
verdiensten van een boek wordt niet bepaald door de kwaliteiten of gebreken
ervan,’ schreef de beruchte Franse criticus Paul Léautaud. ‘Die schuilt alleen
hierin dat een ander dan de schrijver het boek niet had kunnen schrijven. Elk
boek dat een ander dan de schrijver zelf had kunnen schrijven, is goed voor de
prullenmand.’
Als
auteur roept dit bij mij de volgende vragen op: ‘Hoor ik mijn unieke stem? Leef
ik me uit zonder me te vergalopperen, het evenwicht te verliezen en tegen de
vlakte te gaan? Kan ik zijn als een kind, net zo spontaan? Sta ik als de holbewoner
voor zijn rotstekeningen, zonder om te kijken naar de illustere voorbeelden van
anderen, links, rechts, voor of achter me? Ben ik een werktuig, volledig
vertrouwend op mezelf om mijn werkstuk behoorlijk klaar te spelen door ‘alles’
te geven wat ik in me heb? Breng ik met mijn verhalen leven in de brouwerij der
letteren? Omtrent mijn voltooide romans gaat de vraag al niet meer op. Want het
is mijn eerste bekommernis om wat ik heden doe: dat is de naakte mens
beschrijven; de mens achter zijn façade, de mens met zijn geloof en twijfels,
de universele mens achter mezelf, maar ook wel achter die van Jan, Piet en
Klaas.
‘Succes en mislukking zijn
bedriegers.’ (J.L.
Borges)
Ik
verstuurde mijn roman naar een aantal literaire uitgeverijen. Een jaar later
lag hij te pronken in de boekhandel. Van de ene dag op de andere scheen ik
aardig op weg om me als auteur te bevestigen. Nadat als het ware één eerste
dominosteentje omgevallen was, zag ik hoe het in werking schieten van een
voor mij tot dan toe verborgen mechanisme werd als het omvallen van een
lange rij andere dominosteentjes. Radio en tv werden er bijgehaald en in de
pers verschenen interviews en een boel uitermate gunstige besprekingen. De
hoofdredacteur van mijn Nederlandse uitgeverij had me al verzekerd dat mijn
volgende roman ook bij hen zou uitgegeven worden. Maar een jaar later, vlak
voor mijn reputatie met nieuw werk kon gevestigd worden, ging deze firma
bankroet. De uitgeverij werd wel overgenomen, maar de ganse redactie werd
ontslagen en veranderde, op het naambordje na, in een ander bedrijf. Later ben
ik nog eens uitgenodigd bij een grote uitgeverij in Antwerpen die
belangstelling had voor mijn twee volgende romans. Maar een week later vernam
ik dat ook deze firma door een andere werd opgeslokt. Door de malaise die zich
toen al in de boekenbranche aankondigde, verviel mijn hoop om van mijn pen te
kunnen leven.
Ondertussen
is er een half leven van schrijven in een sukkelstraatje voorbijgegaan. Wat
rest is mijn door een laag stof bedekt oeuvre. Nochtans heb ik bij elk werk
‘alles’ gegeven wat ik in me had. Mijn beide handen maken intuïtief het gebaar
van iemand die zijn borstkas opent om zijn innerlijk aan de wereld bloot te
geven, terwijl ik met ’alles’ eenvoudig zeg dat ik weigerde om in mijn werk
vooruit te hollen, dat ik bij elke scène net zolang stilstond tot deze geen
andere mogelijkheid meer te bieden had, waardoor dit werk zo evolueerde dat
het me op een natuurlijke wijze voortstuwde. In feite zijn al mijn teksten
me vanzelf ontvallen, mij gedicteerd.
Want in
mijn ogen verschilt schrijfkunst niet wezenlijk van levenskunst. In dat geval
is taal juist een middel om te ontsnappen aan de conventie van taal. Maar hoe
ik deze visie in mijn romans ook getrouw bleef, op de literaire markt ving ik
bot.
Iedereen
heeft recht op zijn eigen smaak. Om die reden kan een schrijver niet anders dan
dit recht van de lezer of lector eerbiedigen. Desondanks blijf ik ervan
overtuigd dat veel van deze overwegend psychologische romans niet inferieur
zijn aan mijn bejubeld romandebuut. Zo heb ik met eigen ogen vastgesteld wat er
gebeurt als het onzichtbare mechanisme dat bekendheid meebrengt in gang
schiet, precies zoals het later voor mij duidelijk werd wat er niet gebeurt
als datzelfde mechanisme blokkeert. Daardoor werd het voor mij ook makkelijker
om de gunsten van dat mechanisme te relativeren; iets wat ik ondanks het in
de mist gaan van mijn schrijversloopbaan alleszins als een voorrecht blijf
beschouwen. Het heeft me tegen mislukkingen gewapend.
Deze
herhaaldelijke verwijzing naar de prullenmand had ook zijn voordelen. Ze
hebben ervoor gezorgd dat ik nooit een schrijversimago heb bekomen dat mij via
het medialandschap op een voetstuk zou plaatsen: een canon waarbij mensen
elkaar nogal eens op ongelijke denkbeeldige niveaus bejegenen, waardoor de
dagelijkse, inspirerende omgang met mijn naasten allicht niet op gelijke voet
en minder spontaan zou zijn verlopen. Anonimiteit staat daar borg voor. Het is
een natuurlijke staat. Verder hebben de weigeringen me verhinderd op mijn
lauweren te gaan rusten. Bij elke roman werd ik weer gedwongen bij nul te
vertrekken. Zoals een goochelaar: niets in de handen, niets in de zakken!
Schrijven
is hard labeur. Dat houd je enkel vol als er liefde is voor het vak, als je bij
het schrijven intense vreugde voelt, meegesleept wordt door je inspiratie, als
je er psychologisch tegen opgewassen bent om in het literaire wereldje als een
passieve toeschouwer achter de zijlijn te staan. Vanzelfsprekend
komt het eventjes hard aan als je laatste geesteskind zoals Assepoester niet
interessant genoeg bevonden wordt om toegang te krijgen tot het galabal. Maar
van zodra ik een manuscript had voltooid, kreeg ik alweer andere, boeiende
ideeën die mijn aandacht opeisten. Steeds weer bleef ik dromen van een roman
die de vorige zou overtreffen. Daardoor werd het makkelijker om een afwimpeling
te incasseren. Maar zelfs deze levenslange miskenning heeft mij de artistieke
voldoening, het geloof in mezelf, en dat ik het recht heb te zijn zoals ik
ben, of te schrijven zoals ik schrijf, nooit kunnen afpakken. Wellicht ligt
deze aanvaarding wel in het besef dat niets iemand kan beletten om, zoals de
Franse dichter Rimbaud het in zijn Une saison en enfer zo raak uitdrukte,
zich te engageren met het goddelijke licht. Een mens mag trouwens niet alles
verwachten. Zo had het lot me gezegend met allerlei inzichten, een goede
gezondheid, een gelukkig huwelijk en een resem schatten van nakomelingen -
rijkdommen die nog belangrijker zijn en waarvoor ik dagelijks mijn stille dank
uit.
Eigenlijk
verkeerde ik als schrijver in de begenadigde toestand van een kind dat op een
vochtige strandstrook tussen het mulle zand en de oprukkende zeegolven met
plezier zandkastelen bouwt.
Niets verhindert een artiest te
volharden in zijn eigen smaak, trouw te blijven aan zichzelf en daarin
scheppende krachten te vinden. Want al bestaat er van een literair werk, zoals
deze uit de periode van vóór de boekdrukkunst, slechts één exemplaar, dit
neemt niet weg dat het bestaat, dat men ernaar kan teruggrijpen. Trouwens, bij de lezer bestaat
een verhaal pas als hij er door geraakt wordt. De kwaliteit ervan
wordt heus niet beter als hij door critici wordt geprezen en door hoge oplages
vermenigvuldigd. Maar boeken moeten nu eenmaal aan de man worden gebracht. Zij
ontsnappen niet aan de mallemolen van de commercie, aan de beïnvloeding opgezet
door financiële belangengroepen, die hun best doen om kunstenaars via
canonisatie in de media te verheffen boven zichzelf, in hun roem of
intellectuele status; ook al zijn dergelijke praktijken oneerlijk ten opzichte
van de onbevangen lezer, kijker of luisteraar, en blijken ze het onbevangen
lezen, kijken of luisteren dan vaak ook in de weg te staan. Wellicht biedt het besef dat enkel het
persoonlijke en eenzame gevecht essentieel is, troost. Want tegen de erosie van
de onmeetbare tijd blijkt niets opgewassen. Succes, roem, eer, rijkdom, dit
alles is relatief: niets anders dan ijdelheid.
Iedereen
kan inspiratie hebben, fantastische beelden zien, visioenen krijgen, op
bijzondere gedachten komen. Maar iemand is pas schrijver door de schrijfactie.
Minder door middel van een publiek uithangbord aan de voet van een piëdestal,
dan door de gedrevenheid waarmee hij elke dag in zijn eentje verhalen in een
vorm giet. Door veel te schrijven worden de hersenen meer geactiveerd en
blijven ze onbewust, zelfs tijdens de slaap, onvermoeid aan de slag. Zonder de
discipline van de dagelijkse schrijfactie, wat uiteraard een sober leven vereist,
had ik nooit al die in de loop der jaren ontvangen beelden, ingevingen en
gedachteassociaties gehad. Niet dat ik ooit de behoefte voel om al dit materiaal
weer op te diepen. Maar door te schrijven heb ik alvast meer dan één keer
geleefd en heb ik die anders onmogelijke, voorbije levens enigszins bewaard en
geïnventariseerd. Daardoor voel ik me rijk en kan ik bevredigd op de hieraan
gewijde jaren terugkijken. Alles had ik over om
mijn mogelijkheden tot het uiterste te ontwikkelen. Hoewel mijn werk vandaag
wat heeft van een in zee drijvende ijsberg, waarvan enkel het topje voor het
publiek zichtbaar is, ben ik toch tevreden dit te hebben gerealiseerd. Of ik
mijn mogelijkheden juist heb ingeschat, laat ik liever aan de lezer over.
Reacties of beschouwingen zijn welkom. Ik lees ze met
belangstelling. Robert.
dinsdag 23 juni 2026
Ernst Löw leest een gedicht van Robert Baeken: "De Zwemmer"
De zwemmer
In het kielzog van uitnodigend water,
besloot de zwemmer op gevaar van leven
een duik te nemen.
Wat hem aanspoorde, was niet
schoonheid bij de eerste oogopslag;
wel de geheimen van haar diepten.
De gezonken knoest proefde enkel nat.
Daarna streelde zijn hand toegeeflijk bitter
haar bedrieglijke buitenkant.
Water hoort de zwemmer hijgen.
Luidruchtige golven leiden tot geschil
over elkanders weinig of teveel.
De zwemmer verdronk.
Op droog zand aan de overkant
vond men een verzadigde stronk.
maandag 22 juni 2026
Essay over de macht der gewoonten.
Essay over de
macht der gewoonten
SARTRE EN VRIJHEID
'Er is geen menselijke natuur, gezien de mens vrij is en er niets in hem bestaat waarop men kan bouwen,' legt Sartre zijn leer van het existentialisme uit. Zoals dat gaat met leringen wordt hier abstract geredeneerd. Dat merken we aan de woordkeuze. De mens, zoals Sartre het individu aan de hand van zijn verschijning formuleert, kan niet echt worden omschreven. Niet voor niets voert hij een soort van substituut in om het daarna te hebben over een universeel mens-zijn, een vertrouwd milieu dat door Jan, Piet, Klaas ervaren wordt binnen een plaatselijke historische context waarin zij elkaar kunnen vinden. Nochtans verwerpt Sartre het begrip menselijke natuur. Hij schrijft: 'Als het bestaan aan de wezensbepaling voorafgaat, kan men nimmer een gegeven en vaststaande menselijke natuur ter verklaring aanvoeren; met andere woorden, van determinisme kan geen sprake zijn; de mens is vrij, de mens is vrijheid.'
In die geest van juistheid kunnen belangrijke besluiten genomen worden, zoals Sartre wanneer hij zegt dat wij door de keuzes die we maken en door ons gedrag, verantwoordelijk zijn voor onszelf en, vermits wij niet alleen bestaan, voor de anderen. Een ander besluit van hem is dat er geen algemene moraal geldt. En inderdaad: de moraal zoals die overal ter wereld gebruikelijk is, wordt uitsluitend bepaald door het gedrag van een plaatselijke meerderheid waarvan mensen als Jan, Piet en Klaas deel uitmaken, zodat die veranderlijk blijkt en van streek tot streek zelfs zeer verschillend. Toen ik een knaap was, stak de pastoor op zijn kansel, telkens het thema overspel aan de orde kwam, een donderpreek af. Sinds het huwelijk door de gewijzigde levensomstandigheden veelal met losse flodders aan elkaar hangt, hoort men hier nog weinig negatiefs over. Als gevolg van de noodwendigheid komen er wel nieuwe geboden op de proppen, zoals: 'Geen plastic bij het tuinafval gooien!' Aldus blijkt dat een individu voortdurend in staat is om op zelfstandige basis, wars van elke bestaande moraal, keuzes te maken. Maar zelfs als deze enkeling vrij rondloopt, wil dit niet zeggen dat hij geen onderdeel is van de algehele natuur. De ervaring leert hem dat zijn lijf afhankelijk is van allerlei noodwendigheden. Mensen kunnen niet zonder lucht of water. Zij kleden zich tegen de vrieskou. Hun gedrag wordt grotendeels bepaald door leeftijd en aangeboren sekse.
Een andere vaststelling is het algemene
besef dat er slechts één universum geldt, één objectief kenbare wereld
waarbinnen de natuur voor alle schepsels werkzaam is; een universum dat
bestudeerd kan worden. Naarmate deze voorstelling geperfectioneerd wordt, menen
mensen, hoewel zij er een nietig onderdeel van blijken, zich beter in een
bekende tijd en ruimte te kunnen situeren.
Hierbij wordt al gauw uit het oog verloren
dat elke voorstelling neerkomt op een abstractie. Vlietende gebeurtenissen, die
zich door hun verscheidenheid slechts
één keer voordoen, worden onder allerlei noemers geplaatst. Maar stel dat het
heelal niet één levend wezen zou herbergen dat in staat is het te observeren,
zoals bewuste wezens doen als zij 's nachts de blik naar het uitspansel
richten. - Zou dit heelal dan wel bestaan?
WAARNEMING EN WERKELIJKHEID
Vandaar kan men zeggen dat het heelal voor ons slechts bestaat doordat er kennis van genomen wordt. En zo ontstaat het bij elke blik opnieuw. De kijker observeert, en tot zover is er niets anders dan dit concreet gebeuren waarbij het immateriële van de waarneming en de waargenomen materie zo zuiver in elkaar passen dat men ervan mag uitgaan dat het heelal vanuit een niet nader te omschrijven oogpunt naar zichzelf kijkt. Zij hebben elkaar nodig om te bestaan.
Tot hier nam ik het universum als voorbeeld. Maar wat heet groot of klein, als er geen geldige maatstaven voorhanden zijn? Het is waar: mensen nemen min of meer zichzelf, hun eigen grootte en levensduur als kijk op de wereld tot maatstaf. Want men hoeft niet van de microkosmos op de hoogte te zijn om te begrijpen dat het oneindige evengoed aanwezig is in een zandkorrel. Of iemand zich in de ruimte of tussen vier muren bevindt, elke gewaarwording maakt deel uit van een peilloos diep. Zien, in de betekenis van gewaarworden, is zijn. Een mens is een tijdelijke interactie. Hij is zowel een gebeurtenis als het milieu waarin deze gebeurtenis plaatsvindt.
Volgens de wetenschap blijken twee atomen
waterstof geneigd zich te verbinden met één atoom zuurstof. Het resultaat is
water. (Wat er zou gebeuren als zulke gewoonte zou ophouden te bestaan? Wie
weet zou een oerknal het gevolg zijn en de bestaande constructie andermaal in
een onvoorstelbare dimensie geordend worden.) Daarnaast bestaan er ook
kleinere, plaatselijke veranderingen. Zo gedroeg het klimaat op aarde zich
tijdens de ijstijden anders dan vandaag. Dus houden wij rekening met een
voortdurend afwijkende status. Het zou onjuist zijn de natuur te benaderen als
een onveranderlijke abstractie van het denken, zoals men geneigd is haar voor
te stellen. De natuur heet dan de vermeende constante in waargenomen fenomenen.
Maar elk fenomeen is enig en doet zich tijdelijk voor. Zo mag die constante dan
wel het gevolg zijn van de menselijke reflectie rond de samenhang van op elkaar
gelijkende fenomenen: zij blijft onberekenbaar. Zoals de empirist Hume in de
achttiende eeuw al zei: ‘Door langdurige en nauwgezette waarneming kan men de
natuur wel voorspellen, maar het blijft een hypothese, een voorspelling.’ Om
die reden erkenden de empiristen geen absolute wetenschappelijke zekerheden.
Daarentegen is de wereld van de mensen
subjectief. Een wereld van onderlinge relaties, geënt op het actuele
levensgevoel van de enkeling. Als ik mijn hoofd stoot tegen een balk, voel ik
niet de balk, wel een onloochenbare pijn ter hoogte van de schedel. Deze pijn maakt
deel uit van wat ik ben. De balk zelf kan ik niet voelen, want ik ben niet de
balk en ik kan onmogelijk buiten het geheel van mijn zintuiglijke
gewaarwordingen treden. Nu kan ik best aanvoeren dat de balk hard aankwam, dat
hij gemaakt is van hout en dat ik hem had kunnen vermijden als ik mijn hoofd
had ingetrokken. Maar of we nu in aanraking komen met een balk, een medemens of
een sterrenhemel, altijd gaat het over zintuiglijke toestanden die zich nooit
een tweede keer identiek voordoen. Zelfs als mijn oog door een sterrenkijker
gluurt, of door een microscoop, neem ik niets anders waar dan indrukken op mijn
netvlies. Altijd schuren de zintuigen tegen een ogenschijnlijk bekende substantie
aan, terwijl deze werkelijkheid niets anders is dan een ondoordringbare
buitenkant.
Als het bestaan aan de wezensbepaling
voorafgaat, betekent dit dat de feiten zich eerst voordoen; pas daarna volgt de
abstrahering, de identificatie of de beschrijving van die feiten. Bestaan is
een samenstelling van primaire feiten, zoals ademen, lopen, zich het hoofd
stoten, denken. Daarom kan ik Sartre niet langer volgen als hij zoals Descartes de analytische beschrijving van het denken apart neemt en verklaart:
'Ik denk, dus ik ben.' Als men er zoal zij a priori van uitgaat dat er bij het
denken ook een denker gemoeid is, holt men op de feiten vooruit. De denker
behoort eerder tot de besluitvorming. Ineens gaat Sartre omgekeerd te werk.
Zijn redenering zou correcter zijn geweest als hij zich had beperkt tot: ‘Er
wordt gedacht, dus er vindt een feit plaats.’
‘Een gedachte komt
wanneer ‘zij’ wil, en niet wanneer ‘ik’ wil;’ noteerde Nietzsche; ‘zodat het
een vervalsing van de feiten is om te zeggen: het subject ‘ik’ is de bepaling
van het predicaat ‘denk’. De feitelijke manier waarop gedachten tot ons zijn
gekomen moeten we niet bederven door een vals arrangement van deductie en
dialectiek.’ Met andere woorden: het ik denkt niet; het wordt gedacht. Het is
een voorstelling.
Nog overtuigender komen me de argumenten van
de Argentijnse dichter Borges voor. In een lezing over het boeddhisme zegt
hij: 'Een van de grootste begoochelingen is die van het ik. Het boeddhisme komt
daarin overeen met Hume, met Schopenhauer. Er is geen subject, maar een reeks
mentale staten. Als ik zeg 'ik denk' bega ik een dwaling, omdat ik een constant
subject veronderstel en vervolgens een handeling van dit subject, namelijk
denken. Zo is het niet. Je zou stipt Hume aan, niet 'ik denk' moeten zeggen
maar 'het denkt', zoals je zegt 'het regent'. Als we 'het regent' zeggen,
denken we niet dat de regen een handeling verricht; nee, er gebeurt iets. Op
dezelfde wijze als je zegt: het is warm, het is koud, het regent, moeten we
zeggen: het denkt, het lijdt, en het subject vermijden.'
Inherent aan de opvatting dat de denker niet gescheiden is van zijn gedachten, voegde Krishnamurti, bekend om zijn toespraken over de ganse wereld, hier nog een belangrijke opmerking aan toe: ‘Als ik mezelf aanhalig vind, hebzuchtig of brutaal, meen ik dat ik niet zo zou mogen zijn. Zo tracht de denker op gelijke hoogte te komen met zijn gedachten; hij doet moeite te worden wat hij in gedachten heeft. Tijdens zijn inspanning meent hij dat er twee verschillende verlopen zijn, terwijl er slechts één verloop is. Hierin ligt de fundamentele oorzaak van verwarring.’ Verlichting moet direct worden bereikt, - niet in groepsverband, niet door in navolging van een meester met gekruiste benen onder een boom te gaan zitten.
Het subject kan vermeden worden door elk
fenomeen direct voor zichzelf te laten spreken. Maar in deze concrete wereld
van feiten glippen onvermijdelijk abstracties naar binnen; want mensen maken nu
eenmaal deel uit van een gemeenschapsleven, een gezamenlijke cultuur. Zij
oordelen, geven dingen een naam, rijgen feiten aan elkaar, zodat dit er als een
tijdsnoer gaat uitzien. Die abstracties komen eigenlijk neer op vormen van
aankleding. Zij zijn zo nauw met onze gewaarwordingen verweven dat het moeilijk
wordt ze daarvan te onderscheiden. Zo krijgen zij een meerwaarde die ze
eigenlijk niet verdienen, zelfs al is daardoor een vorm van overzichtelijke
continuïteit mogelijk. Want aldus begint elke historie. Wat niets anders zou mogen
zijn dan een kennismaking van feiten, wordt de aanzet tot een kunstmatige
vereenzelviging waarvan het belang onbewust over het paard getild wordt.
Daarbij gaat het ego tot de feiten behoren. Het kleedt zich aan en wordt daarbij
nog door de anderen geholpen ook. Het krijgt een naam; soms zelfs nog een titel.
Zo maakt iedereen ongevraagd deel uit van een religieuze en staatkundige
gemeenschap, een gezamenlijke cultuur en traditie. ‘Beter een foute of
overdreven vereenzelviging dan helemaal niets,’ redeneert het individu in zijn
onbewuste vrees voor de eigen naaktheid; want zonder deze identificatie komt elk
fenomeen hem maar heel gewoontjes voor, even arm en betekenisloos als de
vlietende gebeurtenissen zelf.
GEWOONTEN EN CONDITIONERING
Een mens zou dus wezenlijk vrij zijn. Mooi, maar iemand is pas vrij als hij dit terdege beseft. En gelet op de beperkende condities, bezit die vrijheid geen schijn van kans. Een mens komt er nauwelijks toe onbevangen te kijken, naar zichzelf en de wereld als schouwtoneel. Over het lichte heden vallen de roetzwarte schaduwen van verleden en toekomst. Waar we mee te maken krijgen, is vertroebeld door voorkennis, voorgekauwd door tradities, beïnvloed door collectief gedrag, ingebed door aloude opvattingen. Ermee rekening houdend dat de natuur een verzamelnaam is voor haar gedragspatronen, zou men Sartre kunnen tegenspreken, en het in dat geval toch wel hebben over een menselijke natuur. Want elk individu is de som van zijn gewoonten. Spinoza was van mening dat alle dingen in hun wezen willen volharden. Zoals een elektrische stroom zich verzet tegen onderbreking, wil de steen eeuwig steen blijven, de tijger eeuwig tijger. Toch is er verandering mogelijk. Ook al kan dit uitsluitend aanvangen bij de enkeling. Ook de steen en de tijger zijn ergens uit voortgekomen.
Ik stel me de kracht van gewoonten voor als
de bedding van een rivier. Bij de allereerste regenval zocht het water de
makkelijkste weg. Zand en steengruis werden meegevoerd. Er ontstonden geulen,
wat het voor het water al moeilijker maakte om bij de tweede regenval langs een
andere weg neerwaarts te stromen. Op gelijkaardige wijze wordt het menselijk
gedrag ingebed door repetitief gedrag: diepe geulen welke onvermijdbaar zijn
zonder een frisse oorspronkelijke kijk die alle oude beddingen weer gelijkmaakt.
Als de wereld van mensen er een is van
onderlinge relaties, geënt op een actueel levensgevoel, spreekt het vanzelf dat
er in die relaties tot anderen hoffelijkheid nodig is om de afwikkeling tussen
die relaties harmonieus te doen verlopen. In feite gaat het hier over een
gedrag waarbij de ander voldoende bewegingsvrijheid krijgt. Goede manieren
scheppen voorwaarden. Prima zo, maar als die voorwaarden op voorhand worden ingecalculeerd,
leiden ze vanzelf tot een conventionele ethische gedragscode die de individuele
vrijheid beknot. Want mensen zijn wel vrij, maar willen zij ordentelijk
samenleven dan kan men niet toestaan dat de een zijn vrijheid tegen de ander
misbruikt. In de praktijk komt dit erop neer dat het menselijk gedrag
getoetst wordt aan de hand van zekere beginselen. Aanvankelijk waren die
uitsluitend religieus, eerder gericht op de juiste staat van het hart dan op de
dode letter van de wet, waardoor er minder hypocrisie voorkwam. Maar sinds de
samenleving grotendeels op basis van een geseculariseerde moraal mogelijk wordt
gemaakt, hebben de milieuactivisten, opvoeders, rechters, psychiaters, politici
ook wat in de pap te brokken. Al naargelang wie oordeelt, wordt er gesproken
van een ondoordacht, zondig, ziekelijk, misdadig, dwaas, of afwijkend
gedrag. Strikt genomen is elk gedrag afwijkend, want het normale is alweer
een abstractie. Bovendien ontnemen oordeel en straf niemands vrijheid. Vrijheid
is eigen aan ieder mens, zelfs als hij in de donkerste isoleercel zit
opgesloten. Ik meen dat die vrijheid pas ophoudt als het feitelijke beginsel dat
het bestaan van een mens voorafgaat aan zijn wezensbepaling, verworpen wordt
ten gunste van richtlijnen zoals door de georganiseerde gemeenschap
voorgehouden. Onder meer door zijn innerlijke staat zodanig aan te passen dat
de condities van die gemeenschap bij de enkeling worden ervaren als de
natuurlijke grenzen van een determinant, is het mogelijk in deze valstrik weg
te glijden. Men legt zijn persoonlijke verantwoordelijkheid in de handen van
geestelijke of wereldlijke autoriteiten. Zo wordt de eigenheid onbewust
tekortgedaan: een onrecht, zowel ten opzichte van het eigen leven, als dat van
de anderen. Deze vorm van ontkenning waarvan de gemeenschap nochtans geen
nadeel lijkt te ondervinden, die haar leiders door het ontbreken van elke
tegenstand op het eerste gezicht zelfs alleen maar ten goede lijkt te komen, is
louter van innerlijke aard. Daar het voor de gemeenschap enkel mogelijk is op
het uiterlijke gedrag van haar leden af te gaan, kan die ontkenning onmogelijk
door die gemeenschap gesanctioneerd worden. De bewering dat alleen God
onze rechter is, zit dus dichter bij de waarheid voor wat onze echte persoon
aangaat. Want per definitie heeft alleen Hij weet van onze intenties, onze
liefde of het gebrek eraan. Maar tegelijk is God het antwoord op alle vragen
die alleen mensen zich stellen. ‘Wie zijn wij? Waar bevinden wij ons? Wat heeft
dit alles te beduiden?’ Wie zich zulke vragen stelt, is alweer met
abstracties bezig. Want mensen bevinden zich enkel hier. En waarom naar een
diepere betekenis zoeken, als de werkelijkheid is zoals zij zich voordoet:
eenvoudig en glashelder?
DE VRIJHEID VAN HET KIJKEN
Zou het mogelijk zijn dat die vragen naar het bovenzinnelijke gesteld worden vanuit een wezenlijk ongenoegen met de werkelijkheid, - als gevolg van innerlijke gespletenheid, eigen aan alle wezens begiftigd met het vermogen om zich een andere werkelijkheid voor te stellen dan die vlak voor hun neus? Voor zover we weten, verplaatsen alleen mensen zich buiten de werkelijkheid. Alleen zij zijn bezig met mysteriën, het onzichtbare, met geweldige woorden zoals God. Als een leider uit vroegere tijden beweerde uit diens handen zijn in stenen tafelen gebeitelde heilige wetten te hebben ontvangen, dan kon jij als enkeling wel geloven dat die man de waarheid sprak, maar dit sluit niet uit daarmee door een charlatan op sleeptouw te worden genomen. Dat een meerderheid er wel op vertrouwde, scheen dit geloof alleszins te bevorderen. De oorzaak hiervan ligt zowel in het eerbiedig vasthouden aan iemands leiderspositie als in een fundamenteel gebrek aan zelfvertrouwen bij de enkeling. Want is het niet dom zich in deze wereld vol valkuilen als een blinde door andere blinden te laten leiden, simpelweg omdat een voorganger gezegd heeft op hem te vertrouwen, terwijl jij zelf over twee gezonde ogen beschikt? Hoe dan ook, om in een Opperwezen te geloven is er bereidwilligheid nodig. Maar waar geloof is, daar heerst ook twijfel; anders zou er van geloof geen sprake zijn.
Hoe dan ook, wat er ook plaatsvindt, hetzij
rampen, hetzij meevallers, iedereen ervaart steevast een volkomen neutraliteit
ten opzichte van 's werelds of het persoonlijke lot. Bij mijn weten komt de
werkelijkheid nooit zo voor dat daardoor het bestaan van God wordt bevestigd of
ontkend. In dat geval komt elke waargenomen tendens neer op een interpretatie
van de werkelijkheid. En elke interpretatie komt uiteindelijk van de mensen
zelf, van hun verwachtingen, van hun hoop dat er meer zou zijn onder de zon. Bovendien
is de kwestie irrelevant, want zij verandert niets aan onze menselijke staat:
dat wij het met onszelf moeten zien te rooien. De waarheid dat alles is
zoals het voorkomt, biedt wel een spiritueel beginsel om die waarheid te
gehoorzamen. Dit zou ons kunnen beletten om wandaden te plegen. Maar evenmin zoals
de werkelijkheid een drenkeling uit het water zal slepen, gaat zij iemand ervan
weerhouden te moorden, te branden, te stelen. De werkelijkheid blijft
onveranderlijk neutraal. Feiten hebben nooit met voorkeuren te maken. Als er
sprake is van voorliefde, of van afkeer, dan komt dit uitsluitend van de mensen
die de vrijheid bezitten om ergens voor te kiezen.
Een geseculariseerde moraal daarentegen, houdt
geen rekening met iemands keuze. Als er in het wetboek staat dat men niet mag stelen,
geen verboden wapens dragen, dan richt deze tekst zich uitsluitend tot
determinanten; namelijk tot burgers wier identiteit door de bureaucratie op
papier is vastgelegd. Om een immens ingewikkelde samenleving mogelijk te maken,
is wetgeving inderdaad noodzakelijk, maar verder kan zij niet overtuigen; want
alles wat geschreven staat, zij het op papyrusrollen of in dikke boekdelen, is
door mensen bekrachtigd, maar verder tijdelijk, beperkt en in zekere zin
ongeldig.
Terwijl God een abstractie blijft, is de
werkelijkheid dat nooit. Dit gegeven omringt ons. Het kan gezien, geproefd,
betast worden. Het is de gewaarwording van het bestaan. Niet alles is
geoorloofd. Boven alles moet het leven geleefd, haar waarheid als waar erkend
worden. Dit is enkel mogelijk als leven en waarheid zodanig ondergaan worden,
nauwkeurig onderscheiden van alle levensvormen waarmee op automatische piloot
wordt omgegaan.
Om een einde te maken aan de dictatuur van
deze gewoonten is de intelligentie nodig van een onbevangen, zintuiglijke kijk.
Intelligentie zit in de aandacht om de eigen identiteit congruent met het
actuele gebeuren te doen samenvallen. Het is eenvoudig te begrijpen dat
gewoonten niets anders zijn dan het gevolg van reeds bestaande
hersencelverbindingen. Echter, niets belet een individu hiermee af te rekenen
en het leven te herscheppen, waardoor vanzelf nieuwe verbindingen worden
aangelegd, precies zoals regenwater zou doen als het voor de eerste keer op een
vers terrein neervalt. Hiervoor is het nodig innerlijk blanco te zijn. Goede voornemens
baten niet. Dergelijke projecties vinden immers uitsluitend in de eeuwig
wijkende toekomst plaats. Het verleden uitspitten brengt evenmin zoden aan de
dijk. Wat dood is, kan niet weer tot leven worden gewekt. Daardoor heeft
spijt geen zin. Het enige wat telt, is
onbevangen toekijken. In één huidige oogopslag zijn mentale toestand overzien.
Door alle menselijke aankleding heen kijken naar de wereld zoals zij voorkomt,
zonder haar te idealiseren of te beoordelen. Kijken betekent daadwerkelijk
inzien. En dan stelt het oog vooral dit vast: inderdaad, er bestaat niets buiten
dit unieke fenomeen van de gewaarwording! Zulke helderheid brengt vanzelf innerlijke
rust teweeg. Er wordt immers nergens nog reikhalzend naar uitgekeken. Het
lichaam ontspant zich en het hoofd verplaatst zich niet langer in de tijd. Het
wordt bewust geledigd, en eenmaal leeg houdt de gesel van de onophoudelijke
gedachtestroom vanzelf op. Deze rust schijnt als een lichtend voorbeeld in de
duisternis, zodat dit anderen op hun beurt kan helpen om hun eigen misvattingen
in te zien, wat onvermijdelijk bijdraagt tot belangrijke correcties: gaande van
een intenser leven tot een meer leefbare wereld.
woensdag 17 juni 2026
Ernst Löw leest een gedicht van Robert Baeken: "Les seins aux fleurs rouges"
Les seins aux fleurs rouges
Zij bracht een schaal vol rode bloemen,
glimlachte bescheiden, haar overvloed
reikend met nederig gebaar.
Stralend vanaf bronzen schouders
rees haar hals tussen zwart vallende haren.
Zij suste een ogenblik haar overmoed
terwijl haar ogen peilden het peilloze
om onbewogen, met lippen zacht uiteen,
haar volrijpe borsten te tonen:
het tederste fruit, ooit aangeboden.
Haar nobel voorhoofd
bewaarde kalm de armlange afstand
tegen het dorpsgefluister
van haar aanleunende zus,
kijkend naar de blanke veroveraar.
PS. Voor wie dit geschilderd tafereel
met eigen ogen wil beleven:
het doek hangt heden
in New York, Metropolitan Museum.
Ondertekend: Paul Gauguin.
woensdag 10 juni 2026
Ernst Löw leest een gedicht van Robert Baeken: "Verzonnen"
Verzonnen
Hij, de beste voetballer van het land,
zit zelfs na het applaus nog met de vraag
hoe van zijn zieke uren te genezen.
De kampioen verveelt zich.
De straat, grijs en koud, wekt zijn vrees
naamloos te zitten op de dagelijkse pot.
Gezond en wel, maar dood tot op het bot.
Blind voor kleine dingen stelt hij vast
hoe succes wel als groot wordt verkocht.
Daardoor tot het geloof gedwongen
dat deze wereld gemetseld overeind staat,
terwijl elk bestaan wankelt,
misschien op zijn laatste benen loopt.
woensdag 3 juni 2026
Ernst Löw leest een gedicht van Robert Baeken: "Insomnia"
Insomnia
Handen klieven onrustige wereldzeeën.
In de nacht houdt het lijf stijf de wacht.
Ergens kraakt de hoogste mast.
Een lege commandopost stuurt het roer.
Gerommel in het ruim, slagen tegen de romp,
regelmaat van kolkend water. Alles zwalkt.
Vergeefs dwingt het hoofd de boot tot slaap.
Telkens herinneren stemmen aan het inschepen
en de weggespoelde eilanden tussen lakens.
Rest de angst voor kliffen morgenvroeg.
Zuchtend vangt de periscoop een kier van licht.
Zeilt dit vaartuig op de rug of linkerzij?
Slaap! Vannacht geen muiterij.
zondag 17 mei 2026
Ernst Löw draagt "De Heilige Koe" voor
De heilige koe
Prikkeldraad begrenst haar leven
tot een mager vierkant:
de aanzet om haar tong
naar de groene rand te steken.
Ik spring over en voel
na de slag op de grond
haar last van de jukdrager,
log, aan beide kanten zog.
Elk uur kauwend,
winter en zomer,
graast de koe eentonig
morgen als vandaag.
Zonder ooit in haar ogen
het schichtig verlangen
in de lente te steigeren
als een briesend paard.
Van voorste wervel tot staart,
rijk ingeblikt voor volgend jaar,
herkauwt zij zonder deren
de rust van aarde en het groen.
Vandaag al, morsdood, kijkt
zijne heiligheid me aan;
keert niet eens het hoofd
naar mijn voorbijgaan.
dinsdag 14 april 2026
Les seins aux fleurs rouges
Les
seins aux fleurs rouges
Zij
bracht een schaal vol rode bloemen,
glimlachte
bescheiden, haar overvloed
reikend
met een nederig gebaar.
Stralend
vanaf bronzen schouders
rees
haar hals tussen zwart vallende haren.
Zij
suste een ogenblik haar overmoed
terwijl
haar ogen peilden het peilloze
om
onbewogen, met lippen zacht uiteen,
haar
volrijpe borsten te tonen:
het
tederste fruit, ooit aangeboden.
Haar
nobel voorhoofd
bewaarde
kalm de armlange afstand
tegen
het dorpsgefluister
van
haar aanleunende zus,
kijkend
naar de blanke veroveraar.
PS.
Voor wie dit geschilderd tafereel
met
eigen ogen wil beleven:
het
doek hangt tegenwoordig
in
New York, Metropolitan Museum,
Ondertekend:
Paul Gauguin.
woensdag 25 maart 2026
Ernst Löw leest Buurmeisje
Buurmeisje
Beschut door een muurtje naast 't riool.
zaten wij tussen afval en opgeschoten onkruid.
Baksteen en halve kapstok dienden als goal.
Nat bukte het kale plein onder avondlijke druil.
Jij was een volbloed, een koningsdochter
van Attila de Hun, barbaars: met hoge jukbeenderen.
Een wijde lach vol tanden, blinkende ogen,
mager van de honger naar 't leven dat komen zou.
In mij gleed een wolk van onzegbare droefheid.
Ik zag en hoorde, tussen ons zouden zich hoog stapelen:
nutteloze jaren van roest en dikke lagen mos.
Dus vergeef ons dat wij verder niets te zeggen hadden.
Welja, het plein sindsdien volgebouwd
met huizen, propere gezinnen.
Daar lopen nieuwe mensen in en uit kantoor,
Welbespraakt, redelijk. En beschaafd, zoals ik hoor.
Deze laatste herfst heb ik jou nog eens teruggezien:
tussen een geruisloze lawine van blauwe kerkhofsteen
en bedolven onder de schaduw van een kruis
kletste jouw vlakke beeltenis een hand in mijn gezicht.
De verzadigde glimlach van een toegenegen Oma.
Rond brilletje, ronde kin. Einde verhaal.
Voor zoveel schoons was ik evenwel niet klaar.
'T is waar: de dorpsdichter had weinig te vieren.
De ouwe kijkt naar 't vuurwerk met Nieuwjaar.
Ook klapt hij vrolijke handen voor wie 't horen mag.
Maar janken doet hij om niks, zoals na zijn val in de goot
en ook de volgende dag, mankend op één poot.
dinsdag 24 maart 2026
Ernst Löw leest Turnhout, anno 1950
Turnhout, anno 1950
Huizengevels zijn als gezichten van mensen.
Zij kunnen zowel armoedig als statig zijn,
getaand of protserig behangen met juwelen zwaar,
uit interbellum, kaal, of met de schijn van dik haar.
Een verdwaalde knaap snuift straten op,
herinnert zich voorbije deuren.
Of waren het oren? Neuzen?
Niet vervlogen is de stalgeur uit zijn jeugd.
Waar zijn de jongens en meisjes? De oude muren?
Het hart blijft kind. Bewaart de harde leerschool,
rond de wieg waar hij zijn eerste stapjes liep
tussen de kaartspelende, doodgevallen bewoners.
De metselaars blijven jong door fluiten.
Tussen andere levens zonder naam
verzamelt hij wat in hem niet is uitgedoofd:
stukken van een legpuzzel.
Zelden zucht hij tegen een mankepoot
op leeftijd dit verhaal: Weet je nog?
De eerwaarde, - braaf bekend, ronde bril, -
hield met stompje potlood onze boeken bij.
Gelukkig zijn er nog herkenningspunten:
aanblazende wolken, spitse ochtendgeluiden,
het koppig blinken van Vlaamse keien,
elke wegbeschrijving naar moeder en vader.
De gevels leunen tegen elkaar, zoeken troost.
Bepleister hun huilen tot een volgende eeuw.
Hier vergoot een vriendje zijn tranen.
Gezichten, - lach na zo lange onverschilligheid.
woensdag 11 februari 2026
AANHEF
Vanmorgen
heb ik moeders lied
te
vondeling gelegd.
Spijts
de ouderwetse woorden
klonk
de aanhef goed.
Op
een verlaten pad doorheen de mist
zou
de zang niet van mond tot oren gaan
maar
in een schijf zon blijven staan,
roerloos en doof afwezig.
Ook dat nog: mijn stem stokt.
De
vrieslucht in mijn borst
beslaat
de damp tot een ijzeren korst.
Ik houd mijn mond en laat gebeuren:
de
doffe stilte bezijden vette weiden,
met
molshopen waar hoog daarboven
een
vlucht verspreide vogels glijden
naar
de wijds gevlamde dageraad.
Eén
lijkt cirkelvormig terug te draaien
om
mij uitnodigend toe te kraaien.
Het
kon de vondeling en helaas
moeders laatste dood niet meer baten.
woensdag 24 december 2025
Mededeling in verband met mijn roman DE AFWEZIGHEID
Het feuilleton van mijn roman DE AFWEZIGHEID, dagelijks verschenen als vervolgverhaal op deze blog, was gezien het aantal bezoekers van de laatste 3 maanden, een enorm succes. Om andere lezers nog een kans te geven om met deze roman kennis te maken, laat ik de 10 aparte hoofdstukken voor een onbepaalde tijd op deze blog staan. Wie liever een gedrukte tekst in handen heeft, kan dit bij Kingkongbooks uitgegeven boek, professioneel gedrukt bij Epo, vanaf 1 jan. 2026 voor 20€ aankopen op de wekelijkse dinsdagclub van mijn zoon Vitalski. Bacchuslaan 67 - Berchem
