STRIJD
Het zelfbeeld
Om
hoogte te krijgen van zichzelf en te begrijpen hoe dat beeld eruitziet, is
het logischerwijze nodig de blik naar binnen te richten, - wat onmogelijk
zou zijn als de innerlijkheid zich niet zou manifesteren als een verhulde buitenkant.
Zo speelt alle leven zich af binnen een entourage, samengesteld uit een ons vertrouwde
buitenwereld en een innerlijk sentiment dat die buitenwereld wekt. Buiten en
binnen zijn onafscheidelijk. Samen vormen zij het geheel van onze gewaarwordingen.
Enerzijds zijn er de zichtbare dingen, anderzijds de individueel gekleurde
invalshoek van waaruit wordt geobserveerd.
Het eerste wat de naar binnen gerichte blik opvalt, is de wisselende
gedaante van die verborgenheid. De ene dag is er volop kleur en vrolijkheid,
de volgende dag droefenis alom. Het heeft wat van kijken naar foto’s uit een
oude doos. Herinneringen en constanten in het eigen gedrag glippen mee naar
binnen, - aangenaam of niet. Afgezien daarvan blijft de vraag: ‘Wie ben ik, wars
van alle karaktereigenschappen?’
Maar voor een vereenzelviging die de actualiteit
overstijgt, zou men uit het causale verband van de kersverse gebeurtenissen
moeten treden: een onmogelijke zaak, daar de zintuigen uitsluitend zicht hebben
op het heden.
Vandaar lijkt ononderbroken aandacht mij de enige manier om tot
zelfkennis te komen. Maar de moeite die men zich bij een dergelijke opdracht
voorstelt, is vast teveel gevraagd. Vergelijk het probleem met dat van een
metselaar die al doodmoe wordt bij de gedachte aan de nakende bouw van een huis.
Nochtans voltrekt de constructie zich ook hier enkel steen na steen.
In plaats in te zetten op waakzaamheid vindt men het handiger de oude fotodoos
weer boven te halen. Deze schijnt genoeg elementen te bevatten om een statisch
beeld mogelijk te maken. Zelfs bij therapieën wordt hiervan gebruikgemaakt.
Daarbij wordt uitgegaan van de veronderstelling dat voorbije levensprocessen,
persoonlijke en familiale ervaringen, specifieke lichamelijke condities of maatschappelijke
invloeden, elk individu maken tot wat hij is. Dit zelfbeeld wordt nog versterkt
doordat oude gewoonten vroeg of laat onvermijdelijk weer opduiken. In de
psychoanalyse ontleedt een bevoegde iemands levensverhaal om op grond
daarvan diens wezenlijke aard te beschrijven.
Een zelfbeeld dat is samengesteld uit oude
beelden wordt, daar er steeds weer nieuwe beelden bijkomen, altijd wel gecorrigeerd
maar is, in vergelijking met het veranderlijke van de blote feiten, toch
overwegend statisch: een eigenschap die velen een psychologisch houvast verleent.
Mensen richten zich op het fysieke bestaan dat in grove lijnen voorkomt als een
voorspelbare continuïteit waarin orde heerst en regelmaat, zelfs al kloppen
deze uitgetekende levenslijnen lang niet altijd met de werkelijkheid.
Eenieder die zichzelf met fijngevoelige aandacht
bekijkt, moet toegeven dat het inderdaad onmogelijk is zich los te zien van
het veranderlijke milieu en de gebeurtenissen. Zo sluipt er altijd wel iets
binnen het totale blikveld waardoor men anders voorkomt. Rekening houdend met
de omstandigheden verschilt elk actueel levensgevoel van alle vorige
gewaarwordingen.
Wel is het mogelijk om gedachten, ervaringen
en gevoelens onder generaliserende noemers te brengen, waardoor zij nader kunnen
worden omschreven, maar ook wel versterkt of zelfs uit hun verband gerukt. De
gewaarwordingen hebben zelf evenwel geen behoefte aan taal. Zij doen zich
voor en daarmee houdt het op.
Dit alleen is al een goede reden om
wantrouwend te staan tegenover termen. Beter dan het woord ‘zelfkennis’ in de
mond te nemen, zou men spreken over ‘zelfwaarneming’. Nog beter zou het zijn
helemaal niets te zeggen. Het innerlijke blikveld biedt immers de enige
ware kennis over zichzelf; ook al is die ondeelbaar verweven met het heden en
de huidige wereld. Bovendien kan aan die kennis, de aard en de reikwijdte van
dat blikveld, onmogelijk uitdrukking worden gegeven. Hiervoor schiet taal
tekort, precies zoals het psychoanalytische beeld als uitkomst van allerlei
samengestelde beelden uit iemands verleden, tekortschiet.
Eigenheid versus modellen
Om hoogte te
krijgen van de unieke structuur die het zelf met de uiterlijke wereld verbindt,
zou men zich beter niet op enige conventie richten. Zo zit mijn eigenheid niet
in een naam, noch in een beschrijving van mijn karakter, noch in het beeld
dat ik van mezelf heb of anderen van mij hebben. Mijn eigenheid is voortdurend
in beweging; daardoor zit zij dieper - of juist minder diep - dan elke vorm
van reflectie.
Als mijn identiteit niet vrij is van kennis
of vaardigheden, als zij niet vrij is van voorstellingen, als ik haar niet kan
losmaken van alle materieel- of geestelijk erfgoed, zoals bezittingen, baan,
dagelijkse gebruiken en dat gemeenschappelijk bolwerk waarmee mijn
persoonlijke levensvorm is vervlochten, dan ben ik het afgietsel van een in
zwang zijnde model.
Zich als een heremiet in een grot
terugtrekken helpt niet om aan dit hele gedoe te ontsnappen. Het lijkt me juist
erg belangrijk zich bewust te zijn van alle individuele banden met de
buitenwereld: zelfs als het zou gaan om valse schijn. Immers, van zodra de
komedie doorzien wordt, houdt alle komedie op. Gekleed lopen wil niet altijd zeggen
dat het daardoor vergeten wordt wezenlijk naakt te zijn.
Door zich gladjes naar de anderen te
voegen, komt een individu al gauw voor als een brave burger. Maar ook dit
heeft niets van doen met eigenheid.
Eigenheid zit in het directe contact met de
ogenblikkelijke gewaarwordingen. Dit contact manifesteert zich niet
noodzakelijk naar buiten. Het is juist een zeer interne aangelegenheid die
voortkomt uit het besef dat jij als persoon ieder ogenblik in een andere staat
verkeert ten opzichte van het vorige moment, waardoor je niet enkel ten
opzichte van jezelf, maar ook ten opzichte van de anderen telkens weer anders
voorkomt. Die anderen passeren wel langs jou, en daarbij voel je je volkomen
vrij om al dan niet in die stroom mee te gaan. Dit betekent evenwel niet dat je
je daaraan conformeert. Terwijl je meedrijft, belet immers niets je van wat jou
overkomt indirect als een unieke waarheid naar de anderen uit te dragen.
Het is begrijpelijk dat als het al enorme
moeite kost behoorlijk met zichzelf te leven, het nog moeilijker wordt om in
harmonie met anderen om te gaan. Een genuanceerde blik is nodig. Dat alle
mensen onderling van elkaar verschillen, maar ook dat zij steeds weer een
tikkeltje anders voorkomen, houdt de spontane belangstelling voor de ander gaande.
In dat geval kijkt men zonder normen te hanteren, zonder dat statische
beelden de blik vertroebelen, zonder te vergelijken, zonder te oordelen.
Wellicht ontstaat er uit deze belangstelling naast verwondering ook empathie,
begrip, mededogen, genegenheid.
Het vermogen tot abstraheren is een
menselijke eigenschap. Het rationele brein legt onophoudelijk verbanden. Het
treedt buiten het heden. Het houdt rekening met het verleden en probeert de
toekomst te plannen. Hieruit zijn allerlei psychologische constructies
ontstaan die ertoe bijdragen om het dagelijkse leven praktisch in te richten en
een geordende samenleving mogelijk te maken. Maar juist doordat dergelijke
abstracties niet altijd netjes zijn afgelijnd en daardoor vaak fout gehanteerd
worden, is het belangrijk te blijven inzien dat het slechts gaat om technische
hulpmiddelen bezijden de waarheid. Want niets schijnt mensen te verhinderen
om zich via malafide gewoonten ongelimiteerd te buiten gaan.
Zo zadelt een individu zich algauw op met
een kant-en-klaar beeld van zichzelf en de ander. Niet langer kijkt hij met een
onbevangen blik. Nee, hij zit met statische modellen waarvan hij overtuigd is
dat de werkelijkheid hieraan beantwoordt. Die beelden kunnen zowel ideaal
zijn als negatief, zowel hoog verheven als platvloers. Doorgaans zijn het modellen
die beantwoorden aan hoopvolle verwachtingen, afgeleid van oudere waarnemingen
en vandaar tweedehands. Hoe minder correct met dit gegeven wordt omgegaan des
te groter de kans dat deze verwachtingen mensen van zichzelf en de ander
vervreemden.
Pas
gevaarlijk wordt het als hele bevolkingsgroepen zich verenigen rond ideeën,
geponeerd als absolute waarheden die het verdienen om collectief te worden
nagestreefd. Er ontstaat dan zoiets als indoctrinatie. Meestal gaat het om populistische
modellen die in staat zijn grote massa’s te beïnvloeden. Zij zaaien
verdeeldheid en geven aanleiding tot bloedige twisten of ‘heilige’ oorlogen,
waarbij de legers aan beide kanten van het slagveld gezegend worden.
Strijd
Nochtans gaan
heel wat individuen er prat op dat zij zich niet door omstandigheden laten dwingen.
Als hen verboden wordt van een appel te eten, groeit de aandacht voor die appel
plotseling mijlenver boven het niveau van de aandacht die deze vrucht in
gewone omstandigheden zou verdienen. Hoe strenger het taboe, hoe
onweerstaanbaarder hij er gaat uitzien. De appel wordt het voorwerp van een
ware verzoeking; het gezonde beoordelingsvermogen dat het sap reeds in de
mond voelt opstijgen, vraagt zich terecht af wat er mis aan zou zijn om de
tanden te zetten in iets wat symbool staat voor alles wat de geest verworpen
heeft zonder dat het van het lijf toestemming heeft gekregen.
Men kan niet zichzelf op een vergulde sokkel
plaatsen en tegelijk beide handen aan het dagelijkse leven bevuilen. Daarom
gaan weer anderen liefst stiekem, met een bocht voorbij het ideale, maar hinderlijke
beeld dat de goegemeente voor eenieders neus in zijn majesteitelijke glorie
heeft opgericht. Ook zij gehoorzamen aan een natuurlijke drang, want het leven
laat zich niet in een hoekje drummen.
Het resultaat is dat allen, door niet te
beantwoorden aan het voorgeschreven model, zich uiteindelijk mislukt voelen. Hun
specifieke menselijk tekort krijgt een naam, wat een soort van diagnose is,
een lelijk brandmerk, een ziektebeeld, een vonnis. Na de goede voornemens kan
de strijd om een ‘beter’ mens te worden overnieuw beginnen. Deze strijd duurt
al zolang als de mensheid zelf. Zo blijkt de wereld nog steeds bevolkt door
grote en kleine mislukkelingen die de verhalen leveren waarmee de kranten vol
staan.
Zolang het menselijke gedrag gericht is op
woorden, beelden, modellen, wordt er geoordeeld. Dit weeft een web van
tegenstellingen waar niemand ooit uit geraakt. Want zoals meestal wordt voorgesteld,
bestaat het goede als een tegenvoeter van het kwade. Zoals licht en duisternis:
het ene dankt zijn bestaan aan het andere, terwijl ook het omgekeerde waar is.
Om die reden zou ieder voor zichzelf beter de
handdoek in de ring gooien door elke schuldvraag van de hand wijzen: het goede
en het kwade als verzamelnamen voor alle ethische, religieuze of
maatschappelijke beginselen. Ten minste zou het goed zijn in te zien dat het
onmogelijk is deugdzaamheid te verwerven zonder het ego op te hemelen.
Leven met de nodige aandacht, waarbij naar
toestanden in zichzelf wordt gekeken zonder ze te formuleren, te vergelijken,
te beoordelen en zonder zich daarbij door andermans kijk te laten beïnvloeden,
kweekt naast een vrije keuze ook persoonlijke gevoeligheid aan. Immers, het
toezien op het eigen gedrag met al zijn wisselende nuances, tekent dit gedrag
ook. Het neemt de ziener zodanig in beslag dat sommige overblijfselen uit het
verleden, zoals schadelijke gewoonten, door in te zien dat ze niet meer zijn
dan het opduiken van herhalingspatronen waarmee genot wordt opgezocht of
innerlijke verveling wordt bestreden, moeiteloos aan de kant kunnen worden
geschoven.
Heel wat modellen komen voort uit historisch-cultureel
erfgoed. Ik ben in België geboren. Daardoor draag ik een pantalon en hemd, al
dan niet met stropdas - geen lendendoek of tulband. Een mens blijkt er zich te
weinig van bewust hoe sterk hij zich daarmee vereenzelvigt. Zich baserend op
het bedrieglijke van de continuïteit, verslapt zijn aandacht en stompt hij af.
Ik merk bij mezelf hoe het hoofd bij het geringste op hol slaat. De geest
kwettert als een mus. De noodzaak dringt zich op die dwingende stemmen tot
zwijgen te brengen.
Het helpt niet om een door de wil gestuurde
act op zichzelf uit te oefenen. Men wordt niet stil na goede voornemens of
overwegingen die zeggen dat het denken moet ophouden. Het gekwetter zwijgt pas
als het wordt opgemerkt, dus terwijl het zich laat horen en, doordat gedachten
alles over jezelf vertellen, daarbij tot het einde toe worden gevolgd.
Genieten
Maar -
fluistert een stem in, - waartoe al die inspanningen? Ben je gek? Genieten is
de boodschap! Een mens leeft maar één keer. Kan jou de waarheid wat schelen. Wat
waar is zorgt wel voor zichzelf!
Al hoor ik hier de echo van de commercie,
deze aanmoedigende stem lijkt een redelijke taal te spreken. Maar over welke
vorm van genieten gaat het? Integer zijn zonder hoop op beloning, straks of in
een hiernamaals, ziet er weinig aanlokkelijk uit. Desondanks blijft elk individu
aan zichzelf verplicht waarheid van begoocheling te onderscheiden. Niet enkel
om het inzicht te verscherpen, maar omdat het anders onmogelijk is ten volle te
leven.
Bovendien is genieten eerder een kwestie van
ontvankelijkheid en eenvoudige smaak, dan van de door de commercie aangeprezen
consumptie. Wie dit inziet hoeft het genot niet eens op te zoeken, want het is
er al. Moet je nagaan, de grootste genoegens liggen voor het rapen.
Lichamelijke gewaarwordingen zijn gratis. Om die reden zou een mens beter
gelukzaligheid vinden in gezondheid en eenvoudige lichamelijke functies, zoals
diep ademhalen en het genieten van zijn omgeving. Eenvoud helpt om een grotere
gevoeligheid hiervoor aan de dag te leggen.
Een mens kan zich volledig ontspannen. Hij
kan uitbreken uit zijn ei. Hij kan vertrouwde denkpistes in vraag stellen. Indien
nodig kan hij de conformiteit verlaten en de grootheid van zijn eigen aanwezigheid
onderkennen, gewoon door zichzelf te zien in contrast met de grote leegte, het
volslagen niets.
Ook al slaag je er niet in je gedachtestroom
in één handomdraai stil te leggen, noch hinderlijke gewoonten met wortel en al
uit te roeien, het blijft steeds mogelijk om zonder tussenkomst van het
opgestoken moraliserende vingertje te zien wat er bij jezelf aan de oppervlakte
drijft. Wellicht bestaat het belangrijkste uiterlijke hulpmiddel er wel uit je
leven te vereenvoudigen, vooral als zich daarin heel wat ingewikkelde bijzaken
voordoen die afleiden van het nauwe contact met wat om je heen gebeurt.
Het is waar: aandacht kost inspanning en
doorgaans wordt die liever besteed aan het verlangen om te beantwoorden aan de
hoopvolle verwachtingen die mensen zich stellen aan de hand van traditionele
denkpatronen over hoe een geslaagd leven er hoort uit te zien. Dit leven bezit
echter een duur die uitsluitend in de verbeelding bestaat, uitgedrukt in
jaartellingen, verhalen, romans, speelfilms of andere droomconcepten; een
spanwijdte die tastbaar lijkt bij het ophalen van herinneringen.
Waarachtig leven bezit echter geen duur, en
vandaar ook geen duurzaamheid. Het kan niet eens écht aangeduid worden. Maar
tegelijk is dit gegeven zoveel meer. Leven beantwoordt nergens aan. Leven is
ogenblikkelijke gewaarwording, telkens anders dan wat men zich hierover voorstelt.
©Robert Baeken –
Augustus 2026