dinsdag 25 augustus 2026
Ernst Löw leest een gedicht van Robert Baeken: "Baalbek 2: Verboden visioen"
Baalbek 2: Verboden visioen
Een geschiedenis van het lot
EEN GESCHIEDENIS VAN HET LOT
Autobiografische notities te lezen als
een vervolgverhaal waarin de auteur blijft stilstaan bij enkele gebeurtenissen
uit zijn jeugd.
Eerste
schooldag
In mijn herinnering bestaat een grijze ochtend tegen het einde van de zomer. Aan de zijde van mijn grote broer liep ik de wijde wereld in. Wij passeerden fraai onderhouden straten die ik nooit eerder gezien had. Enkele maanden tevoren waren er verkiezingen geweest. Tegen deze muren kleefden geen half verwijderde aanplakbiljetten met nummers van politieke partijen, zoals in onze buurt.
Wij passeerden een driehoekig pleintje met in het midden een arduinen sokkel waarop een oorlogsmonument: een zwarte beeldengroep van neerstuikende soldaten tegen een kluwen van engelen met triomfantelijk in de hoogte gestoken bazuinen die, mits wat verbeelding, door opstotend geschal de overwinning voorstelden.
Meer belangstelling had ik voor de rondrijdende treintjes achter de uitstalramen van een speelgoedwinkel, op een steenworp daarvan. Na het oversteken ving ik een glimp op van een kasteel met brede slotgracht waar, zoals broer me vertelde, volgende zondag een honderdjarige werd gehuldigd. Zijn verdienste bestond eruit dat hij op 11 september 1849, niet zolang na de val van Napoleon, zou geboren zijn.
Het overdadige pleisterwerk van de deftige herenhuizen bedrukte me. Op onverklaarbare wijze bracht ik hun voorgevels in verband met de hangende kwasten op de epauletten van maarschalken, zoals te zien in mijn verzameling prenten van Historia rond diezelfde Napoleon. Hun gezichten wedijverden in gestrengheid, vervulden me met het beklemmende voorgevoel dat ik dra aan dergelijke onbuigzame bestuursorganen gehoor zou moeten geven.
Langs diezelfde slotgracht bereikten we de school: een grauw bolwerk met de gekleurde glasramen van een kapel aan de buitenkant. Nog angstiger werd ik toen broerlief me via een hol klinkende lange doorgang naar een geplaveide binnenplaats leidde waar zich een menigte jongens had verzameld. Broer liet mijn hand los en holde naar zijn voetballende kameraden.
Aan mijn lot overgelaten, bleef ik bedremmeld staan en keek rond, verloren te midden van oorverdovend gejoel dat huilend neersloeg tegen de sombere klaslokalen waar een kloosterbroeder straks de plak over ons zou zwaaien. Rijen grote knullen wedijverden met elkaar in hoogspringen. Zij waren hier al goed thuis. Ik zag de stijve kuif van een branieschopper tijdens zijn sprong hoog boven de hoofden flitsen. Een innerlijke stem fluisterde me in dat ik anders was dan de anderen, hulpeloos en alleen. Want alle andere jongens lachten, renden zorgeloos in het rond, voetbalden, sprongen haasje-over.
Het gejoel verstomde en een samenscholing stoof in paniek uiteen. Daar kwam een broeder aanlopen. Zijn gestalte even breed als hoog. Enorme sandalen legden de nadruk op zijn onbehouwen reuzenschreden, op zijn bleke voeten onder de zwarte pij. Het was of vlak voor mij de kop van een gek geworden nijlpaard druisend boven water kwam. Een opengesperde muil waarin weinige bruine tanden, spatte overdadig speeksel en loeide: ‘Wat vuile manieren!’ Ik gluurde naar het grauw van de weergalmende muren. De klemtoon op ‘manieren’ wekte het geluid van knarsende ketens en een ijzeren slot dat met harde klak dichtsloeg. ‘Vuile manieren’, daar had ik nog nooit van gehoord! En daarna spuugde diezelfde speekselkrater weer van ‘goede manieren’. Ook dat voorspelde weinig goeds. Volgens mij had het te maken met de opgedofte schouderstukken van de patriciërhuizen. Een ruwe korst binnenin schuurde tegen mijn borst.
De bel ging. Onder het toeziend oog van een lijkkleurig klashoofd, wijd bemanteld in zwarte pij, betraden de in dodelijke stilte gehulde belhamels het klaslokaal. Achter mij sloeg de deur dicht. Vanaf hier ademde ik een vervaarlijke, met giftige ernst vermengde nabijheid in. Tegen die dreiging was het gek geworden nijlpaard nog een lieverdje.
Zo gauw de laatste jongen neerzat, stelde het bleke doodshoofd doodernstig de vraag wie van ons later ook een zwarte pij wilde dragen. Daar er tussen het ernstige hoofd en mij, op de laatste bank achteraan, op slag evenveel handen als leerlingen de hoogte in schoten, bleek ik de enige die niet zo van het prettige van het broederschap was overtuigd. Het deed de ronde dat het doodshoofd zo hard kon bulderen dat de muren ervan barsten. Mijn glurende ogen ontdekten inderdaad een verdacht spoor in het pleisterwerk.
‘Ernstig nu! Vouw beide armen bovenop de lessenaar!’
Vermoedelijk was mijn blik niet ernstig genoeg; of anders vond de lijkkleurige de gezonde blos op mijn wangen verdacht. Want de volgende dagen leerde ik wel rekenen, schrijven en lezen, maar minder vlot dan de anderen. Volgens mijn eerste cijfers was het doodshoofd ervan overtuigd dat stomme kalveren niets op school te zoeken hadden. En ik had er inderdaad de pest in. Elke morgen als ik de grauwe vesting naderde, voelde ik in mijn beklemde binnenste alweer het schuren van de harde korst.
Op een mooie dag weigerde het knaapje naar school te gaan. Hij stond op de drempel aan de voeten van een vrouw, dagelijkse hulp in het huishouden. In mijn geheugen staat zij daar nog: zonder naam, zonder aangezicht. Achter haar huishoudjurk haalde een kwaaie hand scherp uit naar zijn appelwangetjes. Als de bliksem schoot hij de kamer in, maar de raak zwiepende hand volgde zijn vlucht tot de verste hoeken van het achterhuis. En hoe het rebelse joch doorheen een vloed van snot en tranen ook krijste, het ontving nog meer striemen; tot het met zijn schooltasje onder de oksel murw op de straatkeien belandde.
De volgende morgen, vlak voor zijn vertrek naar school, vond het jochie plotseling geen steun meer in de knieën. Zijn bovenlijf gleed als een zak meel over de drempel. En hoe vreselijk het kind ook zijn best deed, het raakte niet meer overeind. Een dokter kwam er niet aan te pas. Zijn oudste zus die, opdat toch iemand het huishouden moest doen, een jaar vroeger van haar schoolplicht was ontheven, legde uit dat hij als gevolg van zijn snelle groei water in de knieën had. Daarna reikte het dertienjarige meisje hem zijn collectie aan: een schoendoos vol afbeeldingen van bekende wielrenners die, net als de prenten van Napoleons entourage, van tussen verpakte chocoladerepen kwamen. Zij tilde haar broertje op en bracht hem naar de bank midden een zonnig plekje in een door muren omsloten lap zwarte aarde.
Va was al twee jaar dood. Voor Moe die op haar dertigste met vijf nakomelingen achterbleef, begonnen harde tijden. Deze moeilijke omstandigheden brachten haar tot een zekere heldhaftigheid, temeer daar zij geen andere relatie meer wenste aan te knopen. Later zou ik van een tante vernemen dat Moe het risico wou vermijden dat een vreemde kostwinner voogdij over haar kinderen zou krijgen. In één adem voegde zij eraan toe dat mijn ouders elkaar buitensporig hadden liefgehad, - wat voor Moe de doorslag gaf om in haar eentje verder te boeren.
Zoals bij de meeste levensmiddelen bleek tijdens die eerste jaren na de oorlog ook de vraag naar kleding groter dan het aanbod. Moe kwam uit een kleermakersgezin en zij had die nood goed begrepen. In Antwerpen kocht zij stoffen op de rol die zij thuis verknipte, aan haar naaimachine assembleerde en achter een onooglijk kraampje op de openbare markten verkocht. De zaak liep op wieltjes. Maar dan moest er na haar thuiskomst elke middag weer tot diep in de nacht tegen een razend tempo geknipt en genaaid worden. In de vroege morgen werd de bundel koopwaren in een kruiwagen gelegd en te voet naar het station gebracht, waar alles in een tram werd gesjouwd die haar naar een naburig dorp of stad waar het marktdag was, zou brengen. Mijn oudste zus, zelf nog een kind, bracht de lege kruiwagen weer naar huis. Eens vertelde zij me over haar schaamte telkens zij op straat een mooi opgedirkt vriendinnetje tegenkwam.
Het spreekt vanzelf dat Moe geen tijd had om ons bij lessen of huistaken bij te staan, zoals dit wél gebeurde bij de andere kinderen, aangezien toentertijd weinig vrouwen uit werken gingen. Daardoor gaat me vandaag een licht op over haar motief om ons bij klaarlichte avond al naar bed te sturen: dan kon zij ongestoord werken. Het volkse gezegde dat kinderen op tijd in bed horen, vond bij haar vast meer gehoor dan de voorzichtig geopperde mening van andere ouders: dat een lange nachtrust inderdaad gezond is, maar dat het de ontwikkeling van kinderen kan afremmen. Bovendien moesten wij nog in slaap raken ook, wat moeilijk is als je het gejoel hoort van al die spelende kinderen op straat. 's Morgens trof ik mijn boekentasje in dezelfde hoek van de kamer waar ik het daags voordien na schooltijd had neergeworpen.
De leerstof van de doodskop kwam me de strot uit! Nooit had ik met zijn dorre letters en cijfers leren omgaan: op een speelse wijze, zoals kinderen graag rond een bal huppelen. Daar ik de twaalf artikelen van het christelijk geloof niet uit het hoofd kon afdreunen, moest ik alleen nablijven.
'Begin opnieuw! Opnieuw! Ja weer!'
Terwijl ik voor de zoveelste keer de artikelen afhaspelde, leidde een gereutel mijn aandacht af. Uit een duistere spookhoek trad de zwarte gedaante met doodskop. Mijn oog viel op de blinkende, voor zich uit gestoken punt van een zakmes.
Mogelijk zou het joch erin geslaagd zijn alle artikelen tijdig af te ronden. Maar zijn adem stokte! Voor zijn voetjes opende zich een bodemloze diepte. Niet enkel liepen zijn knieën weer vol water. De ruwe korst reet zijn lijfje helemaal open! Het stikkende knaapje had zich niet vergist, - niet in de deftige stadsgevels, niet in de opgedofte uniformen van Napoleons hoge legerofficieren, niet in deze sombere school.
Ik legde mijn tante de frustraties van de broeders uit: ‘Levenslang opgesloten in een naargeestig gebouw en lijdend onder het celibaat. Hun was een droevig lot beschoren.’
Op ’n heldere voormiddag rolde er een druppel inkt uit mijn pen, zomaar midden mijn geopende schrift. Nu ging de doodskop zo te keer of ik de schande van mijn moeder was. Loerend naar de barst in het pleisterwerk kwam het me voor dat die heus wijder werd. Voor mijn straf werd ik wandelen gestuurd: vijf keer heen en terug over de speelplaats die volliep met toekomstige dragers van de zwarte pij. Maar eerst scheurde het welgemanierde doodshoofd de kladvellen uit om ze duidelijk zichtbaar aan de revers van mijn jasje vast te spelden. Door dit uithangbord van de schande werd ik nog stommer dan een kalf. Zoals de wrede jongens met hun gladde spekgezichten me op de speelplaats vanaf een veilige afstand beschimpten, stonken de kladvellen naar kak en andere viezigheid. Naast oliedom bleek ik besmettelijk, onwaardig gelijk een kruipende mestkever.
Een wonder dat de knaap stand hield. Dit kan enkel verklaard worden door de warme streling van Moes hand over zijn wilde haren. Want zoals zij en de brave huishoudster Nette, het vaak tegen elkaar herhaalden, huilde de kleine ongewoon veel. Toch was hij niet onhandiger of dommer dan zijn broertjes en zusjes.
Op een keer, toen Moe bemerkte dat ik tijdens mijn huiswerk hopeloos in tranen schoot, boog zij zich mee over het vraagstuk en legde me in één handomdraai de wiskundige regel van drie uit.
Moe had mijn nood aangevoeld. Nooit was ik het lot zo dankbaar als de dag dat zij haar kroost naar een naburig wijkschooltje van het rijksonderwijs stuurde.
De klaslokalen bestonden uit eenvoudige paviljoentjes. Een met metaalgaas afgespannen zandplein deed dienst als speelplaats. Hier werden de kinderen niet gedwongen om te voetballen of hoog te springen, maar mochten ze doen waar ze zin in hadden, - zoals knikkeren in het zand. Belangstelling voor de leerstof laaide helaas niet in me op. Gelukkig kweten de leerkrachten zich bescheiden van hun taak. Zelfs als deze huisvaders uit kinderboeken voorlazen, gebeurde dit even betoverend als gewoon, zonder de mond vol te hebben over ‘manieren’, en zonder de kinderen door gestrengheid te beletten met deze sprookjes weg te dromen.
zaterdag 22 augustus 2026
STRIJD (Essay)
STRIJD
Het zelfbeeld
Om
hoogte te krijgen van zichzelf en te begrijpen hoe dat beeld eruitziet, is
het logischerwijze nodig de blik naar binnen te richten, - wat onmogelijk
zou zijn als de innerlijkheid zich niet zou manifesteren als een verhulde buitenkant.
Zo speelt alle leven zich af binnen een entourage, samengesteld uit een ons vertrouwde
buitenwereld en een innerlijk sentiment dat die buitenwereld wekt. Buiten en
binnen zijn onafscheidelijk. Samen vormen zij het geheel van onze gewaarwordingen.
Enerzijds zijn er de zichtbare dingen, anderzijds de individueel gekleurde
invalshoek van waaruit wordt geobserveerd.
Het eerste wat de naar binnen gerichte blik opvalt, is de wisselende
gedaante van die verborgenheid. De ene dag is er volop kleur en vrolijkheid,
de volgende dag droefenis alom. Het heeft wat van kijken naar foto’s uit een
oude doos. Herinneringen en constanten in het eigen gedrag glippen mee naar
binnen, - aangenaam of niet. Afgezien daarvan blijft de vraag: ‘Wie ben ik, wars
van alle karaktereigenschappen?’
Maar voor een vereenzelviging die de actualiteit
overstijgt, zou men uit het causale verband van de kersverse gebeurtenissen
moeten treden: een onmogelijke zaak, daar de zintuigen uitsluitend zicht hebben
op het heden.
Vandaar lijkt ononderbroken aandacht mij de enige manier om tot
zelfkennis te komen. Maar de moeite die men zich bij een dergelijke opdracht
voorstelt, is vast teveel gevraagd. Vergelijk het probleem met dat van een
metselaar die al doodmoe wordt bij de gedachte aan de nakende bouw van een huis.
Nochtans voltrekt de constructie zich ook hier enkel steen na steen.
In plaats in te zetten op waakzaamheid vindt men het handiger de oude fotodoos
weer boven te halen. Deze schijnt genoeg elementen te bevatten om een statisch
beeld mogelijk te maken. Zelfs bij therapieën wordt hiervan gebruikgemaakt.
Daarbij wordt uitgegaan van de veronderstelling dat voorbije levensprocessen,
persoonlijke en familiale ervaringen, specifieke lichamelijke condities of maatschappelijke
invloeden, elk individu maken tot wat hij is. Dit zelfbeeld wordt nog versterkt
doordat oude gewoonten vroeg of laat onvermijdelijk weer opduiken. In de
psychoanalyse ontleedt een bevoegde iemands levensverhaal om op grond
daarvan diens wezenlijke aard te beschrijven.
Een zelfbeeld dat is samengesteld uit oude
beelden wordt, daar er steeds weer nieuwe beelden bijkomen, altijd wel gecorrigeerd
maar is, in vergelijking met het veranderlijke van de blote feiten, toch
overwegend statisch: een eigenschap die velen een psychologisch houvast verleent.
Mensen richten zich op het fysieke bestaan dat in grove lijnen voorkomt als een
voorspelbare continuïteit waarin orde heerst en regelmaat, zelfs al kloppen
deze uitgetekende levenslijnen lang niet altijd met de werkelijkheid.
Eenieder die zichzelf met fijngevoelige aandacht
bekijkt, moet toegeven dat het inderdaad onmogelijk is zich los te zien van
het veranderlijke milieu en de gebeurtenissen. Zo sluipt er altijd wel iets
binnen het totale blikveld waardoor men anders voorkomt. Rekening houdend met
de omstandigheden verschilt elk actueel levensgevoel van alle vorige
gewaarwordingen.
Wel is het mogelijk om gedachten, ervaringen
en gevoelens onder generaliserende noemers te brengen, waardoor zij nader kunnen
worden omschreven, maar ook wel versterkt of zelfs uit hun verband gerukt. De
gewaarwordingen hebben zelf evenwel geen behoefte aan taal. Zij doen zich
voor en daarmee houdt het op.
Dit alleen is al een goede reden om
wantrouwend te staan tegenover termen. Beter dan het woord ‘zelfkennis’ in de
mond te nemen, zou men spreken over ‘zelfwaarneming’. Nog beter zou het zijn
helemaal niets te zeggen. Het innerlijke blikveld biedt immers de enige
ware kennis over zichzelf; ook al is die ondeelbaar verweven met het heden en
de huidige wereld. Bovendien kan aan die kennis, de aard en de reikwijdte van
dat blikveld, onmogelijk uitdrukking worden gegeven. Hiervoor schiet taal
tekort, precies zoals het psychoanalytische beeld als uitkomst van allerlei
samengestelde beelden uit iemands verleden, tekortschiet.
Eigenheid versus modellen
Om hoogte te
krijgen van de unieke structuur die het zelf met de uiterlijke wereld verbindt,
zou men zich beter niet op enige conventie richten. Zo zit mijn eigenheid niet
in een naam, noch in een beschrijving van mijn karakter, noch in het beeld
dat ik van mezelf heb of anderen van mij hebben. Mijn eigenheid is voortdurend
in beweging; daardoor zit zij dieper - of juist minder diep - dan elke vorm
van reflectie.
Als mijn identiteit niet vrij is van kennis
of vaardigheden, als zij niet vrij is van voorstellingen, als ik haar niet kan
losmaken van alle materieel- of geestelijk erfgoed, zoals bezittingen, baan,
dagelijkse gebruiken en dat gemeenschappelijk bolwerk waarmee mijn
persoonlijke levensvorm is vervlochten, dan ben ik het afgietsel van een in
zwang zijnde model.
Zich als een heremiet in een grot
terugtrekken helpt niet om aan dit hele gedoe te ontsnappen. Het lijkt me juist
erg belangrijk zich bewust te zijn van alle individuele banden met de
buitenwereld: zelfs als het zou gaan om valse schijn. Immers, van zodra de
komedie doorzien wordt, houdt alle komedie op. Gekleed lopen wil niet altijd zeggen
dat het daardoor vergeten wordt wezenlijk naakt te zijn.
Door zich gladjes naar de anderen te
voegen, komt een individu al gauw voor als een brave burger. Maar ook dit
heeft niets van doen met eigenheid.
Eigenheid zit in het directe contact met de
ogenblikkelijke gewaarwordingen. Dit contact manifesteert zich niet
noodzakelijk naar buiten. Het is juist een zeer interne aangelegenheid die
voortkomt uit het besef dat jij als persoon ieder ogenblik in een andere staat
verkeert ten opzichte van het vorige moment, waardoor je niet enkel ten
opzichte van jezelf, maar ook ten opzichte van de anderen telkens weer anders
voorkomt. Die anderen passeren wel langs jou, en daarbij voel je je volkomen
vrij om al dan niet in die stroom mee te gaan. Dit betekent evenwel niet dat je
je daaraan conformeert. Terwijl je meedrijft, belet immers niets je van wat jou
overkomt indirect als een unieke waarheid naar de anderen uit te dragen.
Het is begrijpelijk dat als het al enorme
moeite kost behoorlijk met zichzelf te leven, het nog moeilijker wordt om in
harmonie met anderen om te gaan. Een genuanceerde blik is nodig. Dat alle
mensen onderling van elkaar verschillen, maar ook dat zij steeds weer een
tikkeltje anders voorkomen, houdt de spontane belangstelling voor de ander gaande.
In dat geval kijkt men zonder normen te hanteren, zonder dat statische
beelden de blik vertroebelen, zonder te vergelijken, zonder te oordelen.
Wellicht ontstaat er uit deze belangstelling naast verwondering ook empathie,
begrip, mededogen, genegenheid.
Het vermogen tot abstraheren is een
menselijke eigenschap. Het rationele brein legt onophoudelijk verbanden. Het
treedt buiten het heden. Het houdt rekening met het verleden en probeert de
toekomst te plannen. Hieruit zijn allerlei psychologische constructies
ontstaan die ertoe bijdragen om het dagelijkse leven praktisch in te richten en
een geordende samenleving mogelijk te maken. Maar juist doordat dergelijke
abstracties niet altijd netjes zijn afgelijnd en daardoor vaak fout gehanteerd
worden, is het belangrijk te blijven inzien dat het slechts gaat om technische
hulpmiddelen bezijden de waarheid. Want niets schijnt mensen te verhinderen
om zich via malafide gewoonten ongelimiteerd te buiten gaan.
Zo zadelt een individu zich algauw op met
een kant-en-klaar beeld van zichzelf en de ander. Niet langer kijkt hij met een
onbevangen blik. Nee, hij zit met statische modellen waarvan hij overtuigd is
dat de werkelijkheid hieraan beantwoordt. Die beelden kunnen zowel ideaal
zijn als negatief, zowel hoog verheven als platvloers. Doorgaans zijn het modellen
die beantwoorden aan hoopvolle verwachtingen, afgeleid van oudere waarnemingen
en vandaar tweedehands. Hoe minder correct met dit gegeven wordt omgegaan des
te groter de kans dat deze verwachtingen mensen van zichzelf en de ander
vervreemden.
Pas
gevaarlijk wordt het als hele bevolkingsgroepen zich verenigen rond ideeën,
geponeerd als absolute waarheden die het verdienen om collectief te worden
nagestreefd. Er ontstaat dan zoiets als indoctrinatie. Meestal gaat het om populistische
modellen die in staat zijn grote massa’s te beïnvloeden. Zij zaaien
verdeeldheid en geven aanleiding tot bloedige twisten of ‘heilige’ oorlogen,
waarbij de legers aan beide kanten van het slagveld gezegend worden.
Strijd
Nochtans gaan
heel wat individuen er prat op dat zij zich niet door omstandigheden laten dwingen.
Als hen verboden wordt van een appel te eten, groeit de aandacht voor die appel
plotseling mijlenver boven het niveau van de aandacht die deze vrucht in
gewone omstandigheden zou verdienen. Hoe strenger het taboe, hoe
onweerstaanbaarder hij er gaat uitzien. De appel wordt het voorwerp van een
ware verzoeking; het gezonde beoordelingsvermogen dat het sap reeds in de
mond voelt opstijgen, vraagt zich terecht af wat er mis aan zou zijn om de
tanden te zetten in iets wat symbool staat voor alles wat de geest verworpen
heeft zonder dat het van het lijf toestemming heeft gekregen.
Men kan niet zichzelf op een vergulde sokkel
plaatsen en tegelijk beide handen aan het dagelijkse leven bevuilen. Daarom
gaan weer anderen liefst stiekem, met een bocht voorbij het ideale, maar hinderlijke
beeld dat de goegemeente voor eenieders neus in zijn majesteitelijke glorie
heeft opgericht. Ook zij gehoorzamen aan een natuurlijke drang, want het leven
laat zich niet in een hoekje drummen.
Het resultaat is dat allen, door niet te
beantwoorden aan het voorgeschreven model, zich uiteindelijk mislukt voelen. Hun
specifieke menselijk tekort krijgt een naam, wat een soort van diagnose is,
een lelijk brandmerk, een ziektebeeld, een vonnis. Na de goede voornemens kan
de strijd om een ‘beter’ mens te worden overnieuw beginnen. Deze strijd duurt
al zolang als de mensheid zelf. Zo blijkt de wereld nog steeds bevolkt door
grote en kleine mislukkelingen die de verhalen leveren waarmee de kranten vol
staan.
Zolang het menselijke gedrag gericht is op
woorden, beelden, modellen, wordt er geoordeeld. Dit weeft een web van
tegenstellingen waar niemand ooit uit geraakt. Want zoals meestal wordt voorgesteld,
bestaat het goede als een tegenvoeter van het kwade. Zoals licht en duisternis:
het ene dankt zijn bestaan aan het andere, terwijl ook het omgekeerde waar is.
Om die reden zou ieder voor zichzelf beter de
handdoek in de ring gooien door elke schuldvraag van de hand wijzen: het goede
en het kwade als verzamelnamen voor alle ethische, religieuze of
maatschappelijke beginselen. Ten minste zou het goed zijn in te zien dat het
onmogelijk is deugdzaamheid te verwerven zonder het ego op te hemelen.
Leven met de nodige aandacht, waarbij naar
toestanden in zichzelf wordt gekeken zonder ze te formuleren, te vergelijken,
te beoordelen en zonder zich daarbij door andermans kijk te laten beïnvloeden,
kweekt naast een vrije keuze ook persoonlijke gevoeligheid aan. Immers, het
toezien op het eigen gedrag met al zijn wisselende nuances, tekent dit gedrag
ook. Het neemt de ziener zodanig in beslag dat sommige overblijfselen uit het
verleden, zoals schadelijke gewoonten, door in te zien dat ze niet meer zijn
dan het opduiken van herhalingspatronen waarmee genot wordt opgezocht of
innerlijke verveling wordt bestreden, moeiteloos aan de kant kunnen worden
geschoven.
Heel wat modellen komen voort uit historisch-cultureel
erfgoed. Ik ben in België geboren. Daardoor draag ik een pantalon en hemd, al
dan niet met stropdas - geen lendendoek of tulband. Een mens blijkt er zich te
weinig van bewust hoe sterk hij zich daarmee vereenzelvigt. Zich baserend op
het bedrieglijke van de continuïteit, verslapt zijn aandacht en stompt hij af.
Ik merk bij mezelf hoe het hoofd bij het geringste op hol slaat. De geest
kwettert als een mus. De noodzaak dringt zich op die dwingende stemmen tot
zwijgen te brengen.
Het helpt niet om een door de wil gestuurde
act op zichzelf uit te oefenen. Men wordt niet stil na goede voornemens of
overwegingen die zeggen dat het denken moet ophouden. Het gekwetter zwijgt pas
als het wordt opgemerkt, dus terwijl het zich laat horen en, doordat gedachten
alles over jezelf vertellen, daarbij tot het einde toe worden gevolgd.
Genieten
Maar -
fluistert een stem in, - waartoe al die inspanningen? Ben je gek? Genieten is
de boodschap! Een mens leeft maar één keer. Kan jou de waarheid wat schelen. Wat
waar is zorgt wel voor zichzelf!
Al hoor ik hier de echo van de commercie,
deze aanmoedigende stem lijkt een redelijke taal te spreken. Maar over welke
vorm van genieten gaat het? Integer zijn zonder hoop op beloning, straks of in
een hiernamaals, ziet er weinig aanlokkelijk uit. Desondanks blijft elk individu
aan zichzelf verplicht waarheid van begoocheling te onderscheiden. Niet enkel
om het inzicht te verscherpen, maar omdat het anders onmogelijk is ten volle te
leven.
Bovendien is genieten eerder een kwestie van
ontvankelijkheid en eenvoudige smaak, dan van de door de commercie aangeprezen
consumptie. Wie dit inziet hoeft het genot niet eens op te zoeken, want het is
er al. Moet je nagaan, de grootste genoegens liggen voor het rapen.
Lichamelijke gewaarwordingen zijn gratis. Om die reden zou een mens beter
gelukzaligheid vinden in gezondheid en eenvoudige lichamelijke functies, zoals
diep ademhalen en het genieten van zijn omgeving. Eenvoud helpt om een grotere
gevoeligheid hiervoor aan de dag te leggen.
Een mens kan zich volledig ontspannen. Hij
kan uitbreken uit zijn ei. Hij kan vertrouwde denkpistes in vraag stellen. Indien
nodig kan hij de conformiteit verlaten en de grootheid van zijn eigen aanwezigheid
onderkennen, gewoon door zichzelf te zien in contrast met de grote leegte, het
volslagen niets.
Ook al slaag je er niet in je gedachtestroom
in één handomdraai stil te leggen, noch hinderlijke gewoonten met wortel en al
uit te roeien, het blijft steeds mogelijk om zonder tussenkomst van het
opgestoken moraliserende vingertje te zien wat er bij jezelf aan de oppervlakte
drijft. Wellicht bestaat het belangrijkste uiterlijke hulpmiddel er wel uit je
leven te vereenvoudigen, vooral als zich daarin heel wat ingewikkelde bijzaken
voordoen die afleiden van het nauwe contact met wat om je heen gebeurt.
Het is waar: aandacht kost inspanning en
doorgaans wordt die liever besteed aan het verlangen om te beantwoorden aan de
hoopvolle verwachtingen die mensen zich stellen aan de hand van traditionele
denkpatronen over hoe een geslaagd leven er hoort uit te zien. Dit leven bezit
echter een duur die uitsluitend in de verbeelding bestaat, uitgedrukt in
jaartellingen, verhalen, romans, speelfilms of andere droomconcepten; een
spanwijdte die tastbaar lijkt bij het ophalen van herinneringen.
Waarachtig leven bezit echter geen duur, en
vandaar ook geen duurzaamheid. Het kan niet eens écht aangeduid worden. Maar
tegelijk is dit gegeven zoveel meer. Leven beantwoordt nergens aan. Leven is
ogenblikkelijke gewaarwording, telkens anders dan wat men zich hierover voorstelt.
©Robert Baeken –
Augustus 2026
dinsdag 11 augustus 2026
Ernst Löw leest een gedicht van Robert Baeken: "Baalbek 1: Het Massagraf"
Baalbek 1: Het massagraf
Het museum: een rommeltje gouden brokken.
In het massagraf onder een gloeiende hemel
zucht de toerist de laatste adem van de stad,
smoort zijn heimwee naar de kille regens thuis.
Baalbek, een vreettrog voor de burger.
Waar kramp om de eindeloze uren
over de onblusbare verlangens
van armoezaaiers en loonslaven hing.
De naar verveling stinkende horigen
arbeidden in verplichte zandmijnen.
Ruggen gebogen. Na de slag van houweel
volgde in snedig ritme elk truweel.
Onderwijl met gezegende rust
de hogepriester, handhaver van dit hol,
met de lach van een hongerige hyena
gekerm van geofferde kinderen smoorde.
Liever dan aan zelfmoordenaars
Baalbeks uitgang te verklappen
naar een handvol geluk, grapte hij
over het bloedspatje op de tempelvloer.
dinsdag 4 augustus 2026
Ernst Löw leest een gedicht van Robert Baeken: "Dorst naar leven"
Dorst naar leven
Onder kille nevelwolken
draaft een paard in de morgen.
Wind doet de landlucht wel.
Ten oost schudt een bleke horizon
de weidse aarde, klaar om te ontginnen.
Dorst dwingt het lijf te drinken.
Van het zwijgen dat alles weet, leert het
zich te binden met de hemel en hoe de aarde
elk gewaarworden aanduidt als het oerbegin.
dinsdag 28 juli 2026
Ernst Löw leest een gedicht van Robert Baeken: "Een huis"
Een huis
Een huis is wat een schelp betekent voor een slak: anders voor elke bewoner. Van kerker, bewaarplaats voor zieken, heiligdom, tot nest voor elk ei.
Oud geworden draagt het de geschiedenis van families, - begraven of uitgestrooid.
Elk huis leidt zijn eigen leven. Beschermt tegen nattigheid buiten of orkanen van hartstocht binnen. Geeft onderdak aan gruwel en tederheid. Dempt vloeken, spreken, vrolijk zingen.
Een huis drukt een zoen op de lippen bij de deur. Biedt een wachtplaats; vaak met zicht op ‘n broederlijke rij.
dinsdag 21 juli 2026
Ernst Löw leest een gedicht van Robert Baeken: "Verhalen van de ziener"
Verhalen van de ziener
Op zijn reizen trekken landschap en
geschiedenis eindeloos de ziener voorbij.
In Venetië onder de scherpe maan
boven de Rialtobrug kan hij getuigen
hoe een Don zijn aanstaande kuste,
waar, na zijn dolkstoot om vermeend onrecht,
een jongen, midden verwijderende waterkringen
zich vergeefs naar de oppervlakte vecht.
Bazuinen klinken bij zijn bezoek aan Karels stad.
Duizend handen hebben de Dom opgericht
vol kerkelijk goud en glorie, wijl zijn jongste broertje
uitgehongerd bezweek onder een slepend gewicht.
Langs de straat treft hij zijn laatste steen
waartegen sindsdien elke hond zijn pootje licht.
Niet iedereen ziet de wolken boven elk verhaal,
zwaar van water, vegend over het kabaal.
woensdag 15 juli 2026
Ernst Löw leest een gedicht van Robert Baeken: "In Bewaring"
In bewaring
Met spullen als potlood en papier
heb ik vleugels aangelijmd om het schone
van ons samenleven te verkennen.
Vooreerst heb ik bezige handen getekend.
De tover in blijde ogen en zoveel,
bewaard in de luister van de nacht.
Onze jeugd en de muren van toen
heb ik op een oude zolder gelegd.
Gestalten opnieuw ingekleurd.
Vóór alles bewaar ik hoe na onze dagen
jouw zonnen in mijn ogen zonken.
And waarvoor ik zachtjes huil vandaag.
woensdag 8 juli 2026
Ernst Löw leest een gedicht van Robert Baeken: "Einde van een vriendschap"
Einde van een vriendschap
Bedankt voor je slag op mijn neus!
Eindelijk leerde ik jouw vuist kennen
en rook ik de bloedspatten op mijn netvlies:
de stank van ons verdurend ongemak.
Waar jij een scheve neus had,
zaten mijn rottende tanden.
Wij konden het niet verhelpen.
Want erger is het schone maakwerk.
Waar jij een konijn kon tekenen, levensecht,
lukte mij vogelzang in kooien aan de wand.
Daarna is een mager applaus gestorven
en dreven wij weg, wrakhout elk zijn kant.
Zonder opsmuk ben ik vandaag gestrand:
Een saaie baai, de bittere leegte.
Pure druil op maandagochtend, - goddank!
Mensen bij de bushalte, hun dagelijkse stemmen.
dinsdag 30 juni 2026
Ernst Löw leest een gedicht van Robert Baeken: "Naakt voor de spiegel"
Naakt voor de spiegel
Tot de spiegel spreek je niet.
Je luistert enkel naar
wat de weerkaatsing daar bloot vertelt.
Schichtig overvalt het licht poriënvelden,
de bochten onder buik, gekronkeld oor,
hard bot of weke knook.
Vlijmscherp glijdt het mes met weerzin
over de geraspte stoppelkin.
Onthoofd, vanaf die blauwe kratermond.
Of dat corpus aan een vleeshaak hangt:
vrij van bloed, varkenshaartjes kaal gebrand.
Jawel geachte heer… een hoop oude rommel!
Na wassing treedt een vrouw de spiegel in.
Zij snuift de lucht bij open deur.
Reageert op zeep, - niet op oude geur.
maandag 29 juni 2026
Essay: Leven in de brouwerij der letteren
Essay:
LEVEN IN DE BROUWERIJ DER LETTEREN
‘De roman is het hoogste voorbeeld van subtiele onderlinge verwantschap, dat de mens ontdekt heeft. Ieder ding is waar op zijn eigen plaats, tijd en omstandigheid en niet waar buiten die eigen plaats, tijd en omstandigheid. Indien de roman levendige betrekkingen onthult, is het een zedelijk werk, waar die betrekkingen ook uit mogen bestaan.’
(D.H. Lawrence)
De vorm
Men kan
ervan uitgaan dat de werkelijkheid, doordat zij vlietend is, weinig voldoet
aan de menselijke verwachtingen; dat zij geen betekenis heeft, oppervlakkig
lijkt, leeg, chaotisch en meestal afhangt van een stom toeval. Men kan hier
zelfs aan toevoegen dat de werkelijkheid, juist doordat zij niet gedefinieerd
kan worden, feitelijk niet heus bestaat. Op dit gegeven waaraan niemand een
touw kan vastknopen, ontspringt volgens mij de artistieke behoefte om een vorm
te scheppen die niet aan causale veranderingen onderhevig is. Deze veranderingen
zouden dan moeten worden ingedamd tot een vorm die in een ongewijzigde staat bewaard
kan blijven, ofschoon zij meestal toch naar die vlietende werkelijkheid
refereert. Zo wordt met behulp van de verbeelding een in letteren gestolde
droom aan de dagelijkse werkelijkheid toegevoegd.
De schrijver
brengt een in hem sluimerende wereld naar buiten. Zijn gevoel zegt hem: 'Ik
ben een kind van de onzichtbare innerlijkheid. Ik wil een realiteit scheppen
die helemaal van mij is, die aan mijn verwachtingen en ideeën over het leven
beantwoordt: kleurrijk en mythisch, - niet saai, triviaal, - of wellicht ter
wille van persoonlijke redenen juist wel! Een werkelijkheid met een blijvende
betekenis, die men als een geheel ter hand kan nemen. Want zo steek ik in
mekaar. Zo is mijn ware ik. Door die behoefte om mezelf via een inhoudelijke
vorm te definiëren, word ik gedreven.'
Zolang er
nog geen woord op papier staat, behoort deze innerlijkheid niet tot de
actualiteit, is ze bij de aspirant-schrijver ongeschapen aanwezig; dus ook
voor de buitenwereld onbestaande. Zij moet door overdrachtelijke beelden
waargemaakt worden. Dit kan evengoed in andere vormen dan het
schrift. Tot de oudste behoren de prehistorische wandschilderingen in
grotten. Waarschijnlijk bestond er toen ook al zang, en werden er 's avonds
rond het vuur verhalen verteld.
Zelf word
ik pas door een tekst getroffen als ik daarin iets van mezelf terugvindt: een
vorm van verwantschap. Dergelijke vorm van communicatie kan een brug slaan overheen
alle mogelijke grenzen en tijdperken.
Geen bellettrie
Het is evident dat veel
schrijvers in hun beginperiode onder de invloed staan van auteurs die zij
als een voorbeeld beschouwen. Toen ik een
jongeman was, heeft de verhalenbundel ’Black Spring’ van
Henry Miller zowat een jaar lang als een dagelijks ter hand genomen zwarte
bijbel onder mijn hoofdkussen gelegen. Voor mij was hij de eerste auteur die
van seks, van het leven op straat en van zijn anarchistische kijk op de samenleving
een gevoelige, levensblije waarheid maakte zonder in boekentaal te vervallen. ’Black
Spring’ werd geschreven in 1934. Vandaag leven wij in een gans andere
tijdgeest. Tal van die toen nog maatschappelijke taboes zijn ondertussen
gemeengoed. Zelf was Miller een bewonderaar van Dostojewski trouwens. Als
beginnend auteur ontwierp hij tragedies als 'De gebroeders Karamazow’. Tot
hij op een dag zonder een cent op zak van zijn geboortestad New York naar
Parijs trok en, wellicht ten gevolge van zijn ontheemding, uiteindelijk inzag
dat dit literaire beeld niet met de werkelijkheid strookte: de menselijke
ziel bleek hem ineens te klein voor dergelijke grootse tragedies, zodat dit
voor hem de enige tragedie werd. 'In Parijs kwam ik tot mezelf,' schreef
Miller.
De
autodidact in mij vroeg zich af wat er nodig was om tot mezelf te komen. Moest
ik eveneens de autobiografische toer opgaan en, in navolging van mijn idool,
de gore kanten van het leven onder de loep nemen? Aanvankelijk heb ik zoiets
geprobeerd. In drie jaar tikte ik vijfhonderd dichtbeschreven vellen
proza, waarbij me het er vooral om te doen was via zelfonderzoek een verhalend
verslag te bekomen rond de eerste jaren van mijn huwelijk. Bellettrie mocht
wel, maar ik zocht eerst de waarheid en zou die onverbloemd weergeven, mooi
of lelijk. Ik had me ingesteld op een genadeloos realisme, zoals bij Miller.
Maar helaas was hiermee geen vergelijk mogelijk. Toen ik het resultaat jaren
later terugzag, stoorde me de haast ondoordringbare structuur, voortvloeiend
uit de opvatting dat alles wat zich als een waarheid aan me had voorgedaan,
zelfs het onbeduidendste detail, ook de moeite was om te worden opgeschreven.
Als de Almachtige zich in de hemel bevindt, dan is Zijn werk vast ook zichtbaar
in de beerput, redeneerde ik. Door geen onderscheid te maken in wat voor
mij reëel was, had ik de verkeerde keuze gemaakt. Want hier zit volgens mij de
knoop: de waarheid van de ander is slechts ten dele waar. Zo kon Millers
anarchistische kijk inderdaad bijdragen tot gefundeerde maatschappijkritiek,
maar evengoed kan deze visie iemand op het verkeerde been zetten. Henry Miller
was een kind van de metropool, een rebel, een clown, een man van twaalf
ambachten en dertien ongelukken. Hij deugde wel, maar hij liep liever met zijn gebreken
te koop. In mijn ogen maakte dit van hem juist een heilige. Naar iemand
opkijken kan echter tot dweepzucht leiden, of alvast maken dat van die persoon
of zijn werk te weinig afstand genomen wordt. Want welbeschouwd was ik als
jongen uit een provincienest, als bewonderaar van Felix Timmersmans’
vertelkunst, als oppassende zoon van een hardwerkende weduwe, als student die
zijn leraren respecteerde en daarbij zelfs heel wat idealen in het vaandel
droeg, precies Millers antipode. Zo konden mijn dagelijkse ervaringen naast
die van mijn lichtend voorbeeld niet anders dan zoutloos voorkomen. Geleidelijk
aan begon ik me ook te realiseren dat Miller gretig gebruikgemaakt had van
allerlei groteske verdraaiingen van de werkelijkheid en dat de schuttingstaal
waarmee hij het vaak over seks had, eerder diende als een krachtig stijlfiguur
om zijn eigen waarheid aan op te hangen, daarmee de overtuiging uitschreeuwend
dat de ordinaire waarheid op straat de enige waarheid is.
Achteraf
bezien kwam Millers erotiek, door de dingen grofweg bij hun naam te noemen, me
ook eerder verschralend dan spannend voor; als werd seks daardoor louter
herleid tot een technische aangelegenheid, zoals in de loodgieterij,
wanneer een buis in een mof wordt geschoven. Hierover kon boeiender verteld
worden; temeer daar de inkleuring van het leven grotendeels in het eigen hoofd
plaatsvindt. Dit leidde vanzelf tot mijn drang om een tegengestelde koers te
varen en me eerder toe te leggen op mythevorming: het begin van jarenlang hard
labeur, zonder dat het enig ander resultaat opleverde dan maakwerk.
Tot zichzelf komen
Wel
confronteerden deze miskleunen me met vragen als ‘Wie is hier aan het woord?
Wie ben ik? Hoe kom ik tot mezelf?’ Vragen die enkel kunnen worden beantwoord
door aan alle valse schijn voorbij te gaan. Want de essentie van het leven kan
enkel gevonden worden in levendige gewaarwordingen die, juist doordat ze vluchtig
zijn, aan niemand toebehoren. Daarmee wordt de particuliere grens tussen hij,
jij of ik, vanzelf opgeheven. Door volledig op die anonieme gewaarwordingen in
te gaan, kwam ik tenslotte tot een raamwerk dat me hielp me in de ander te
verplaatsen. Daarmee viel de noodzaak om tot mezelf te komen, tegelijk als een
loodzware last van me af. Wat een zegen! Eens ik had ingezien dat ik zowel
niemand als iedereen kon zijn, voelde ik me vrij om te laten komen wat vanzelf
komt. Of ik daarmee zou slagen of niet: voor gedane inspanningen bestaan geen
garanties. Door niet langer een meesterwerk
te pretenderen, durfde ik de nodige risico’s nemen. Mijn volgende romans zou ik
niet langer verstandelijk uitbroeden.
Groei
Doordat ik
me al enkele jaren in een imaginaire wereld had ingeleefd, voelde ik hierna de
behoefte om een roman te schrijven die zich in meer hedendaagse milieus
afspeelt. Maar belangrijker dan het thema, werd voor mij het inzicht dat
literatuur enkel van belang is tijdens de creatie, waarbij je als uitvoerder
naar psychische toestanden wordt verplaatst, die je eigen leven niet altijd te
bieden heeft. De schrijfdaad wordt dan ervaren als een levend
gebeuren. Het is lachen, huilen, lijden, prakkiseren, mee- en inleven. Precies
als in het leven van alledag, diende ik op het juiste ogenblik de gepaste keuzes
te maken. Voortaan zou ik met elk idee wachten tot de appel vanzelf uit de boom
valt, of minstens tot het ogenblik is aangebroken om hem rijp te plukken. Dit
kwam erop neer dat ik de intrige met vertrouwen aan het verhaal zou
overlaten. Niet enkel diende ik mijn wil en persoonlijke ambities opzij te
schuiven; vooral moest ik mijn neiging bedwingen om als een goddelijke macht
tussenbeide te komen. In plaats van de personages te manipuleren, zou ik hen
juist op de voet volgen. Vanzelfsprekend vraagt dit alertheid en een aandachtig
oog voor wat het verhaal precies nodig heeft. Waarschijnlijk om die reden
ondervind ik tijdens de beginfase steeds de grootste moeilijkheden: er bestaan
dan nog te veel keuzemogelijkheden. Zo werd ik gaandeweg het werktuig in
handen van een mysterieuze macht. Doordat oppervlakkige, kortzichtige
gedachten geen kans krijgen om zich met het lot van zijn personages te
bemoeien, wordt het niet-verpersoonlijkte bewustzijn dat mensen over alle
tijden met elkaar gemeen hebben, aan het woord gelaten. De roman groeit dan
spontaan, zoals een boom naar het licht.
De waarheid
van een verhaal ligt niet zozeer in het feit of de historie echt gebeurd is,
maar psychologisch waar op het moment dat de roman vorm krijgt, zodat blijkt dat
de schrijver de juiste keuzes heeft gemaakt, dat hij trouw gebleven is aan
zichzelf, aan de wereld zoals hij die ervaart, aan de subjectieve kijk van zijn
personages. In dit opzicht kan fantasie evenveel waarheid bevatten als feiten
zwart op wit. De lezer heeft er trouwens geen controle over of de beschreven
gebeurtenissen al dan niet zijn voorgevallen. Voor hem is het vooral van belang
of hij zich dermate kan inleven dat de lectuur hem verplaatst naar de
psychische toestanden van de personages, waardoor de inhoud hem levensecht
voorkomt.
Fictie bekritiseerd
Tegenwoordig
zijn velen van mening dat de roman als genre om een verhaal te vertellen dood
is. Terecht vinden zij dat taal, zelfs indien deze in hoge mate vernieuwend,
efficiënt en door het dagelijkse gebruik messcherp geslepen is, tekortschiet
naast de onuitsprekelijke, woordloze werkelijkheid.
Ook ik
wilde in mijn romans meer vertellen dan enkel een verhaal. Vooreerst wou ik de
lezer op elke pagina doen vergeten dat hij een boek in handen heeft. Men moet
niet oog in oog staan met woorden, vind ik, maar met het leven zelf. Men kijkt
toch ook niet naar een schilderij, enkel ter wille van de verf? Om die reden
heb ik me nooit enige moeite bespaard om de lezer het gevoel te bezorgen dat
hij op de hoek van een straat een spontane babbel met me heeft. Maar hoe krijg
je het echte leven op papier?
Laat me dit
duidelijk maken door de werkelijkheid te vergelijken met een kleurrijke
vlinder. Zo was het mijn eerste impuls om dat beestje te vangen. Immers, zijn
schoonheid trof me, waardoor ik me gedrongen voelde zijn vlucht door de tuin
via de literatuur te bestendigen. Bij uitzonderlijke schrijvers had ik ervaren
dat dit mogelijk was. Zij stelden me echter voor een onmogelijk opdracht; want de
beschreven vlinder is niet dezelfde als toen hij vrij rondfladderde. Zijn
schoonheid maakt deel uit van een geheel dat in zoverre onbegrijpelijk is dat
je er nooit achter komt hoe het verschijnsel te verklaren. Maar waarom
verklaren? En waarom zou mijn vlinder zo nodig moeten lijken op de echte? Zolang
de lezer het gevoel wordt aangereikt zich thuis te voelen, is die kwestie van
geen tel. Op dit kantelpunt van de schepping ging ik nog een stap verder.
Nu het onmogelijk was een vlinder op papier te krijgen, waarom niet opkomen
voor mijn eigen ongeschapen wereld en alles daaromheen verzinnen: kleuren,
wiekende vleugels, tuin, toevallige passanten, ja het complete universum?
Schrijvend droomde ik, improviseerde ik, gehoorzaamde ik aan een innerlijk
ritme, verzorgde ik ‘mijn tere plantje’ om de diepere lagen in mij aan te boren.
Een spiegel voorhouden
Ik ben geen
maatschappelijk geëngageerde schrijver. Evenmin ben ik een voorstander
van l’art pour l’art. Door het echte leven via boeiende
vertellingen bij de lezer naar binnen te loodsen, probeer ik hem langs een
ontspannende omweg deelachtig te maken aan het leven zelf. En waarom zou ‘n
dergelijke confrontatie hem niet aanzetten om dat leven in zichzelf te
vermeerderen? Om die reden betracht ik een realiteit die de werking heeft van
een spiegel.
Maar welke
realiteit? Hier doet zich een filosofisch probleem voor dat ik oploste door me
op zaken te fixeren die herkenbaar zijn. Volgens de gegeven feiten is de
werkelijkheid immers volledig te herleiden tot het concrete verschijnsel hier
en nu. Dit verschijnsel behelst evengoed persoonlijke gevoelens als
maatschappelijke betrekkingen. Daardoor werd de realiteit in mijn romans die
van mijn personages: de optelsom van hun dromen, emoties, gedachten,
herinneringen, verlangens, zintuiglijke indrukken. Het feit dat er voor hen
buiten deze individuele gewaarwordingen geen andere werkelijkheid bestaat,
verleent hen trouwens hun bestaansrecht. Zo is elk
individu drager van het leven en beschikt hij naast zijn instinct over een mate
van intelligentie: dit is het bewustzijn dat van nature weet wat wijs is en wat
dwaas; een intuïtief besef van de waarheid.
Verdienste van het kind
‘De
verdiensten van een boek wordt niet bepaald door de kwaliteiten of gebreken
ervan,’ schreef de beruchte Franse criticus Paul Léautaud. ‘Die schuilt alleen
hierin dat een ander dan de schrijver het boek niet had kunnen schrijven. Elk
boek dat een ander dan de schrijver zelf had kunnen schrijven, is goed voor de
prullenmand.’
Als
auteur roept dit bij mij de volgende vragen op: ‘Hoor ik mijn unieke stem? Leef
ik me uit zonder me te vergalopperen, het evenwicht te verliezen en tegen de
vlakte te gaan? Kan ik zijn als een kind, net zo spontaan? Sta ik als de holbewoner
voor zijn rotstekeningen, zonder om te kijken naar de illustere voorbeelden van
anderen, links, rechts, voor of achter me? Ben ik een werktuig, volledig
vertrouwend op mezelf om mijn werkstuk behoorlijk klaar te spelen door ‘alles’
te geven wat ik in me heb? Breng ik met mijn verhalen leven in de brouwerij der
letteren? Omtrent mijn voltooide romans gaat de vraag al niet meer op. Want het
is mijn eerste bekommernis om wat ik heden doe: dat is de naakte mens
beschrijven; de mens achter zijn façade, de mens met zijn geloof en twijfels,
de universele mens achter mezelf, maar ook wel achter die van Jan, Piet en
Klaas.
‘Succes en mislukking zijn
bedriegers.’ (J.L.
Borges)
Ik
verstuurde mijn roman naar een aantal literaire uitgeverijen. Een jaar later
lag hij te pronken in de boekhandel. Van de ene dag op de andere scheen ik
aardig op weg om me als auteur te bevestigen. Nadat als het ware één eerste
dominosteentje omgevallen was, zag ik hoe het in werking schieten van een
voor mij tot dan toe verborgen mechanisme werd als het omvallen van een
lange rij andere dominosteentjes. Radio en tv werden er bijgehaald en in de
pers verschenen interviews en een boel uitermate gunstige besprekingen. De
hoofdredacteur van mijn Nederlandse uitgeverij had me al verzekerd dat mijn
volgende roman ook bij hen zou uitgegeven worden. Maar een jaar later, vlak
voor mijn reputatie met nieuw werk kon gevestigd worden, ging deze firma
bankroet. De uitgeverij werd wel overgenomen, maar de ganse redactie werd
ontslagen en veranderde, op het naambordje na, in een ander bedrijf. Later ben
ik nog eens uitgenodigd bij een grote uitgeverij in Antwerpen die
belangstelling had voor mijn twee volgende romans. Maar een week later vernam
ik dat ook deze firma door een andere werd opgeslokt. Door de malaise die zich
toen al in de boekenbranche aankondigde, verviel mijn hoop om van mijn pen te
kunnen leven.
Ondertussen
is er een half leven van schrijven in een sukkelstraatje voorbijgegaan. Wat
rest is mijn door een laag stof bedekt oeuvre. Nochtans heb ik bij elk werk
‘alles’ gegeven wat ik in me had. Mijn beide handen maken intuïtief het gebaar
van iemand die zijn borstkas opent om zijn innerlijk aan de wereld bloot te
geven, terwijl ik met ’alles’ eenvoudig zeg dat ik weigerde om in mijn werk
vooruit te hollen, dat ik bij elke scène net zolang stilstond tot deze geen
andere mogelijkheid meer te bieden had, waardoor dit werk zo evolueerde dat
het me op een natuurlijke wijze voortstuwde. In feite zijn al mijn teksten
me vanzelf ontvallen, mij gedicteerd.
Want in
mijn ogen verschilt schrijfkunst niet wezenlijk van levenskunst. In dat geval
is taal juist een middel om te ontsnappen aan de conventie van taal. Maar hoe
ik deze visie in mijn romans ook getrouw bleef, op de literaire markt ving ik
bot.
Iedereen
heeft recht op zijn eigen smaak. Om die reden kan een schrijver niet anders dan
dit recht van de lezer of lector eerbiedigen. Desondanks blijf ik ervan
overtuigd dat veel van deze overwegend psychologische romans niet inferieur
zijn aan mijn bejubeld romandebuut. Zo heb ik met eigen ogen vastgesteld wat er
gebeurt als het onzichtbare mechanisme dat bekendheid meebrengt in gang
schiet, precies zoals het later voor mij duidelijk werd wat er niet gebeurt
als datzelfde mechanisme blokkeert. Daardoor werd het voor mij ook makkelijker
om de gunsten van dat mechanisme te relativeren; iets wat ik ondanks het in
de mist gaan van mijn schrijversloopbaan alleszins als een voorrecht blijf
beschouwen. Het heeft me tegen mislukkingen gewapend.
Deze
herhaaldelijke verwijzing naar de prullenmand had ook zijn voordelen. Ze
hebben ervoor gezorgd dat ik nooit een schrijversimago heb bekomen dat mij via
het medialandschap op een voetstuk zou plaatsen: een canon waarbij mensen
elkaar nogal eens op ongelijke denkbeeldige niveaus bejegenen, waardoor de
dagelijkse, inspirerende omgang met mijn naasten allicht niet op gelijke voet
en minder spontaan zou zijn verlopen. Anonimiteit staat daar borg voor. Het is
een natuurlijke staat. Verder hebben de weigeringen me verhinderd op mijn
lauweren te gaan rusten. Bij elke roman werd ik weer gedwongen bij nul te
vertrekken. Zoals een goochelaar: niets in de handen, niets in de zakken!
Schrijven
is hard labeur. Dat houd je enkel vol als er liefde is voor het vak, als je bij
het schrijven intense vreugde voelt, meegesleept wordt door je inspiratie, als
je er psychologisch tegen opgewassen bent om in het literaire wereldje als een
passieve toeschouwer achter de zijlijn te staan. Vanzelfsprekend
komt het eventjes hard aan als je laatste geesteskind zoals Assepoester niet
interessant genoeg bevonden wordt om toegang te krijgen tot het galabal. Maar
van zodra ik een manuscript had voltooid, kreeg ik alweer andere, boeiende
ideeën die mijn aandacht opeisten. Steeds weer bleef ik dromen van een roman
die de vorige zou overtreffen. Daardoor werd het makkelijker om een afwimpeling
te incasseren. Maar zelfs deze levenslange miskenning heeft mij de artistieke
voldoening, het geloof in mezelf, en dat ik het recht heb te zijn zoals ik
ben, of te schrijven zoals ik schrijf, nooit kunnen afpakken. Wellicht ligt
deze aanvaarding wel in het besef dat niets iemand kan beletten om, zoals de
Franse dichter Rimbaud het in zijn Une saison en enfer zo raak uitdrukte,
zich te engageren met het goddelijke licht. Een mens mag trouwens niet alles
verwachten. Zo had het lot me gezegend met allerlei inzichten, een goede
gezondheid, een gelukkig huwelijk en een resem schatten van nakomelingen -
rijkdommen die nog belangrijker zijn en waarvoor ik dagelijks mijn stille dank
uit.
Eigenlijk
verkeerde ik als schrijver in de begenadigde toestand van een kind dat op een
vochtige strandstrook tussen het mulle zand en de oprukkende zeegolven met
plezier zandkastelen bouwt.
Niets verhindert een artiest te
volharden in zijn eigen smaak, trouw te blijven aan zichzelf en daarin
scheppende krachten te vinden. Want al bestaat er van een literair werk, zoals
deze uit de periode van vóór de boekdrukkunst, slechts één exemplaar, dit
neemt niet weg dat het bestaat, dat men ernaar kan teruggrijpen. Trouwens, bij de lezer bestaat
een verhaal pas als hij er door geraakt wordt. De kwaliteit ervan
wordt heus niet beter als hij door critici wordt geprezen en door hoge oplages
vermenigvuldigd. Maar boeken moeten nu eenmaal aan de man worden gebracht. Zij
ontsnappen niet aan de mallemolen van de commercie, aan de beïnvloeding opgezet
door financiële belangengroepen, die hun best doen om kunstenaars via
canonisatie in de media te verheffen boven zichzelf, in hun roem of
intellectuele status; ook al zijn dergelijke praktijken oneerlijk ten opzichte
van de onbevangen lezer, kijker of luisteraar, en blijken ze het onbevangen
lezen, kijken of luisteren dan vaak ook in de weg te staan. Wellicht biedt het besef dat enkel het
persoonlijke en eenzame gevecht essentieel is, troost. Want tegen de erosie van
de onmeetbare tijd blijkt niets opgewassen. Succes, roem, eer, rijkdom, dit
alles is relatief: niets anders dan ijdelheid.
Iedereen
kan inspiratie hebben, fantastische beelden zien, visioenen krijgen, op
bijzondere gedachten komen. Maar iemand is pas schrijver door de schrijfactie.
Minder door middel van een publiek uithangbord aan de voet van een piëdestal,
dan door de gedrevenheid waarmee hij elke dag in zijn eentje verhalen in een
vorm giet. Door veel te schrijven worden de hersenen meer geactiveerd en
blijven ze onbewust, zelfs tijdens de slaap, onvermoeid aan de slag. Zonder de
discipline van de dagelijkse schrijfactie, wat uiteraard een sober leven vereist,
had ik nooit al die in de loop der jaren ontvangen beelden, ingevingen en
gedachteassociaties gehad. Niet dat ik ooit de behoefte voel om al dit materiaal
weer op te diepen. Maar door te schrijven heb ik alvast meer dan één keer
geleefd en heb ik die anders onmogelijke, voorbije levens enigszins bewaard en
geïnventariseerd. Daardoor voel ik me rijk en kan ik bevredigd op de hieraan
gewijde jaren terugkijken. Alles had ik over om
mijn mogelijkheden tot het uiterste te ontwikkelen. Hoewel mijn werk vandaag
wat heeft van een in zee drijvende ijsberg, waarvan enkel het topje voor het
publiek zichtbaar is, ben ik toch tevreden dit te hebben gerealiseerd. Of ik
mijn mogelijkheden juist heb ingeschat, laat ik liever aan de lezer over.
Reacties of beschouwingen zijn welkom. Ik lees ze met
belangstelling. Robert.