woensdag 21 oktober 2026
Ernst Löw leest een gedicht van Robert Baeken: "Heiliger dan een altaarstuk"
Heiliger dan een altaarstuk
zaterdag 17 oktober 2026
LOTGEVALLEN (Deel 6)
Lezen (6)
Ingedeeld
bij de infanterie op een legerbasis in de buurt van Keulen onderscheidde ik
me ook hier algauw 'positief'. Mogelijk als een gunstig gevolg van mijn
dagelijkse yogapraktijken, stelde de leiding tijdens de schietoefeningen vast
dat ik een arendsblik had, een vaste hand en een gedisciplineerde, diepe
ademhaling, - eigenschappen nodig om te worden ingedeeld bij een garde van
scherpschutters. Deze jongens werden speciaal opgeleid om op internationale
wedstrijden het vaderland te vertegenwoordigen. Zij die goed scoorden kregen
alle faciliteiten, wat niet wegnam dat ik die periode als zinloos en ongelukkig
ervaarde.
Zonder dit met het voorgaande in verband te brengen,
voel ik me opeens gedrongen iets te zeggen over een schrijnende gebeurtenis waarbij
feitelijk niks gebeurde en ik me dan ook afvraag waarom ze hier te pas zou komen.
Best mogelijk dat ik daarmee op mijn chronologische tijd achterna hol. Ik bevond
me te Kasterlee, een naburig dorp dat bij heel wat toeristen bekend staat om
zijn prachtige zandduinen en bossen. Ik was in het gezelschap van twee kinderen,
nichtjes van me. Op weg naar de Hoge Mouw - een opmerkelijk hoge, oude duin -
wandelden zij vreedzaam hand in hand voor me uit. Het was mooi weer. Wellicht
juist doordat geen enkele omstandigheid me kon verhinderen volop van deze blijde
momenten te genieten, maakte iets me plotseling doodongelukkig. Bleef het maar
bij wandelen! Nee, het was of ik midden alle schoonheid niet naast een diepe
put kon kijken die mij van walging vervulde. Ik had de keuze: verder stappen of
de dieperik inkijken. Als een soort van verlossing kwam de inhoud van die
idealistische brief aan mijn geliefde bij me op, waarbij het rooskleurig geloof
in onze toekomst werd beoordeeld als een overwinning op de genadeloze
werkelijkheid. Dus wandelde ik gewoontjes verder.
Zoals
alle soldaten, maakte ik van de avonden gebruik om brieven te schrijven. Vele
waren gericht aan neef Johan met wie ik, sinds hij gedichten schreef die ik
zeer bewonderde, opnieuw contact had. Toen wij nog schoolliepen ging er geen
week voorbij zonder dat we ergens op de hoek van een straat over hedendaagse literatuur
stonden te kletsen. Dankzij hem leerde ik ‘De Kreefskeerkring’ van Henry Miller
kennen. Van zijn kant schreef hij dat ‘De Kolossus van Maroussi’ van dezelfde,
toen nog weinig vertaalde auteur, in de meeste kazernebibliotheken beschikbaar
was. Mijn hart sprong een tweede keer op toen ik vaststelde dat hij gelijk had.
Op een mooie
dag in mei deed ik tijdens een militaire oefening een ongelukkige val waardoor
ik de twee botten in mijn rechter voorarm brak. Ik werd ijlings naar het hospitaal
in Keulen gevoerd en onderging nog diezelfde dag een heelkundige ingreep. Een
maand later werd ik overgeplaatst naar een hospitaal in Brussel. Nadat het
gips rond mijn arm verwijderd was, stelde ik tot mijn afgrijzen vast dat een via
de ellepijp ingeplante metalen staaf enkele centimeters langs de elleboog naar
buiten was gedrongen. Dit maakte een tweede chirurgische ingreep noodzakelijk,
wat het begin werd van een reeks complicaties waardoor ik negen maanden in
Brussel zou verblijven.
Ik was nog in
het ongewisse dat de genezing zo lang zou aanslepen. Daardoor voelde ik me ten
aanzien van mijn makkers, die ik in gedachten lopend met hun wapendracht door de
gietende regen en modder zag ploeteren, aanvankelijk in een bevoorrechte positie.
Zittend op een bank onder de loofbomen van het park of op mijn ziekbed, genoot
ik eindelijk wat privacy. Bovendien kon ik lezen naar hartenlust. Beginnend
met de boeiende roman ‘Rood en Zwart’ van Stendhal, verslond ik zowat alle
toppers uit de wereldliteratuur. Uit eigen land bekoorden mij: ‘Het bolleken’ (Cyril
Buysse), ‘Kaas’ (Willem Elsschot) en ‘Langs de wegen’ (Stijn Streuvels). Daarnaast
schreef ik, tastend op zoek naar een antwoord op allerlei door mij in vraag
gestelde religieuze en maatschappelijke kwesties, mijn eerste kanttekeningen.
Deze durfde ik wel eens in verband brengen met de ‘Tao Te Tjing’ van Lao Tse, een
verzameling Chinese wijsheden. Maar blijkbaar was ik nog niet klaar voor de tal
van schijnbare tegenstrijdigheden die ze bevatten. Door niet verder te geraken
dan een verstandelijke kijk, gaven ze me eerder het gevoel alweer tekort te
schieten dan me een houvast te bieden.
Na een derde
operatie volgden enkele weken herstelverlof. Het was kermis in het dorp van
mijn lief. Benieuwd hoe het tussen ons verder zou aflopen, arriveerde ik er op de
middag met de bus. Een plaatselijke fanfare vrolijkte de straten op. Hoewel zij
in het gezelschap was van twee vriendinnen, werd ik hartelijk verwelkomd. Met
z’n vieren gingen we op restaurant. Door de operatie kon ik slechts één hand
gebruiken, maar zij schoot me graag ter hulp om mijn vlees te snijden. Het werd
een lange, heuglijke dag. Tegen de avond nodigde zij me uit voor een bezoek aan
haar naaiatelier thuis. Daar kwam het zelfs tot een oppervlakkige kennismaking
met haar ouders. Dus dat zat allemaal snor.
Een week later
vertelde ik mijn moeder dat ik al een tijdje kennis had met een vrouw. Weer zei
ik vrouw, niet enkel omdat onze relatie serieus was, maar ook omdat Moe best
mocht weten dat zij twee jaar ouder was dan ik en dat zij me – ja, diezelfde
zaterdagavond nog - verwachtte voor een wat meer officieel etentje bij haar
thuis.
Ik zag Moe
schrikken op een manier alsof zij net het bericht had gehoord dat ze mij
voorgoed zou kwijtspelen, terwijl ik in haar ogen nog twee jaar te jong was
hiervoor. Als ik van tevoren had beseft dat Moe nog zoveel invloed op mij kon
uitoefenen, had ik beter nog twee jaar over dat vriendinnetje gezwegen. Maar gezegd
bleef gezegd. Bovendien, wat zouden we over twee jaar krijgen?
Diezelfde zaterdagavond ben ik met vrienden op stap gegaan.
zondag 11 oktober 2026
LOTGEVALLEN (deel 5)
Het gareel (5)
Thuis en op school werden wij zoals de ganse Vlaamse
bevolking traditioneel katholiek opgevoed. Dit wil zeggen dat wij, als we tweeduizend
kilometer verder naar het oosten waren geboren, eerder een koran dan een bijbel
op onze schoorsteenmantel zouden hebben liggen. Elke zondagmorgen woonde Moe met
haar hele gezin de vroegmis bij. Wij hoorden de pastoor preken over het
hiernamaals zonder dat het bestaan ervan ooit in vraag werd gesteld. Angst voor
het hellevuur moest de gelovigen op het rechte pad houden. In de praktijk
bracht dit op aarde zoveel verschrikking teweeg dat de belangrijkste doodzonde -
elk toegeven aan seksuele lust - zo snel mogelijk werd opgebiecht. Tot daar.
Dit veranderde toen een schoolmakker die ik voor intelligent en erg belezen hield me op ‘n dag met zelfzekere, doodgemoedereerde stem vertelde dat God niet bestond. Bonk! De eerste keer dat ik zoiets hoorde. Harder dan een vuistslag kegelde deze totaal onverwachte mogelijkheid me omver; alsof de aarde onder mijn voeten openscheurde en me als gevolg van dit evenwichtsverlies plots tot ongeneeslijke twijfels veroordeelde. Instinctief zette ik me in om het geloof te verdedigen. Niet dat het wel of niet bestaan van God mij zoveel kon schelen. Dat ik als verblind terugsloeg, kwam eerder door de vrees een belangrijke, met religie samenhangend houvast te verliezen, zoals het bestaan van de hemel en daarmee de hoop om mijn kleine broertje ooit weer te zullen terugzien. Maar verblind, zo begreep ik direct, raak je enkel lucht. Ik verstomde en begon voor mezelf te denken.
Het fenomeen
dat de wereld bestaat en dat er zoiets is als leven, had ik altijd al fascinerend
gevonden; temeer omdat het niet-bestaan meer voor de hand ligt. Volgens mij
bestond het grote vraagstuk simpelweg uit het onloochenbare feit dat wij wél
bestaan! En dat niemand daar een verklaring voor heeft.
Al van jongs af
vatte ik de eenvoudigste beweging van het leven op als een mirakel, waardoor ik
wel geheel spontaan de hogere macht moest herkennen, zoals beschreven in de
bijbel op onze schoorsteenmantel. Helaas zadelde dit geloof me algauw op met
een heus schuldgevoel. In feite slaagde het hierin door misbruik te maken van
mijn verbeelding. Zo werd me aangemaand een goede relatie te hebben met de
Schepper, wat resulteerde in een nobel gevoel van reinheid, van zalig
wegglijden in volkomen onschuld. Als men daar sterk genoeg in meegaat, intens de
erediensten bijwoont, met ingetogenheid de religieuze gezangen aanhoort,
zich met hart en ziel onderdompelt in de sfeer van de opeenvolgende
ceremoniële handelingen bij kaarslicht, wierook, crucifix en heiligenbeelden,
hoeft men zelfs niet over zoveel fantasie te beschikken om deelachtig te worden
aan de sentimenten van een zuiver hart. Maar dan is daarentegen het kwellende
gevoel van bezoedeling ook waar; zelfs als men niet anders kan dan toegeven
aan de onbedwingbare, ‘vuile manieren’ van een jong, gezond lichaam.
Me nog te
weinig bewust van het mechanisme waarmee het geloof beroep doet op de
menselijke verbeelding raakte ik uitzichtloos gevangen tussen de verraderlijke
obstakels die mensen telkens opnieuw over zichzelf doen struikelen om hen daarna
weer aan te moedigen op te staan met de woorden waarmee Jezus zich tot een
overspelige vrouw richtte: 'Zondig niet meer!'
Elke religie
heeft wel zijn eigen heilige wetten. En doordat zelfs niet het geringste vergrijp
hiertegen aan het goddelijke oog ontsnapt, zijn deze geboden strenger nog dan
de tirannie van politiestaat. Deze beoordeling van daden blijkt zich trouwens
gestaag te hebben uitgebreid naar terreinen die allang niet meer tot de religie
behoren. Op school betekent 'goed' de leerstof machtig zijn. Ik was beslist een
voorbeeldige leerling. Want hoewel ik in het laatste leerjaar tegelijk het dag-
als hoger avondonderwijs volgde, behaalde ik mijn diploma met onderscheiding.
Thuis deed ik mijn best een gehoorzame en liefdevolle zoon te zijn. Ook hier
scoorde ik goed. Na mijn studies werkte ik vier maanden als dagloner op een Nederlands
bedrijf waar diverse groenten werden ingevroren. Als tegenprestatie voor deze
arbeid ontving ik wekelijks een ferm loon dat ik aan mijn moeder overhandigde.
Ik had nog drie jaar in het hoger avondonderwijs
kunnen doorgaan. Maar hoewel ik schoonheid zag in de abstracte constructies
van het integraal- en differentiaal-rekenen en respect voelde voor ontdekkers
van fysieke wetmatigheden, kwam het technisch onderwijs me eerder saai voor.
Daarnaast stelde ik grote vraagtekens bij veel van die technologische toepassingen.
Zij maakten de mensen welvarender, niet gelukkiger. Had moeder mijn
beweegredenen aangevoeld? Ook zij meende dat ik niet te hoog moest grijpen.
Het
dient hier trouwens gezegd dat ik meer belangstelling had voor de leuke meisjes
in de door mij in het weekend vaak bezochte dancings. Zo moest het er wel van
komen: op een keer werd ik smoor op een vrouw uit een naburig dorp. Ik zeg wel
vrouw, - niet meisje. Want haar schoonheid was mooi meegenomen, maar wat me
bijzonder in haar aantrok was dat zij erg zelfbewust en volwassen bij me over
kwam. Enkele dagen later was ik zelfs zo vermetel om te doen wat ik nooit
eerder had gedaan: ik belde haar op, zomaar voor een afspraakje. Niet enkel
leek zij het vanzelfsprekend te vinden, het viel meteen ook in goede aarde. Op
het vervolg - de bezoekjes in cafés in Turnhout en omliggend of op
festiviteiten in haar dorp wil ik niet uitweiden. Iedereen kent die plaatjes
als achtergronden waarbij geliefden elkaar alles over hun bezigheden, over
zichzelf en hun familie vertellen en geheime zaken uit het verleden worden
opgebiecht of verzwegen. Hoewel ik hierover geen details wilde vernemen, kreeg
ik van haar te horen dat zij zopas een relatie achter de rug had. Aan de te
vroeg opgebruikte lucht waarmee zij de naam van haar vorige partner uitsprak,
kwam ik tot het besef dat zij nog altijd onder die breuk leed, wat me ineens
voor het voldongen feit stelde dat ik direct zou worden gedumpt, indien haar
vorige vrijer zou terugkeren. Zeker zou dit nooit gebeuren. Dat ik haar tweede
keuze was, tot daar. Had haar vorige relatie het platonische overschreden? Daar
wilde ik zelfs niet op ingaan. Wel vertrouwde zij me toe dat haar tijdens een
heelkundig ingrijpen een eierstok was afgenomen. Had de mogelijkheid dat zij
onvruchtbaar kon zijn iets met hun breuk te maken? Doordat ik kort daarna voor
mijn legerdienst werd opgeroepen naar Duitsland, waardoor ik maandenlang geen
toestemming kreeg om naar huis te gaan, waren onze openhartige gesprekken schaars.
Natuurlijk belette niets me om haar te schrijven. Een keer stuurde ik haar,
zoals ik me vaag herinner, een erg idealistische brief waarin ik onze toekomst
al te rooskleurig voorstelde. Maar omdat ik daar nooit een antwoord op kreeg,
kwam er geen vervolg op.
dinsdag 6 oktober 2026
Ernst Löw leest een gedicht van Robert Baeken: "Achter de lijkbaar"
Achter de lijkbaar
Vanmorgen werd ons opperhoofd,
bijgenaamd Oude Beer,
in plecht ten grave gedragen.
Ernstig passeerden wij straten
waar reclamebordjes hingen
en vlaggen, gestrekt in strakke wind.
Bevallige meisjes langs de kant
wekten onze wellustige jongensdriften,
waardoor, ongepast bij een uitvaart,
de ongeduldige boodschap luidde:
Begraven worden wij.
Vandaag hij. Morgen ik, misschien jij.
Ernst Löw leest een gedicht van Robert Baeken: "Regenramen"
Regenramen
De regenramen van mijn muziek
bewenen trage lagen van dagen.
De cello in mijn zwartgesloten kamer
beitst een droefgeestige rivier
aan ’s levens afbrokkelende oevers:
Snoer van duizend uren eenzaamheid.
Het sonore klagen van de draden
drijft voorbij het licht der jaargetijden.
Naamloos als de zwijgende aarde
kwetst mij de braakliggende dag
ver over middeleeuwse grachten en gebouwen
met dode mensen in verdwenen straten.
De regenramen van mijn muziek
spinnen patronen voor blijdschap en tragiek.
Een kind zingt Vivaldi.
De tonen slijpen stilte diep.
Huilen voorbij het tijdloos bestaan hier.
zaterdag 3 oktober 2026
LOTGEVALLEN (deel 4)
Hoe het verder ging (4)
Anders dan na de dood van mijn broertje, hebben wij
vader, hoewel weinig over hem gesproken werd, nooit als volledig afwezig
ervaren. Toen mijn sportief aangelegde broer wielrenner wou worden en van Moe meteen
toestemming kreeg een koersfiets te kopen, herinnerde dit de familie eraan hoe
Va, toen grote broer nog klein was hem, zoals elke hoopvolle vader, trots bij
het middel in de hoogte stak met de woorden: ‘Jij zal het later maken, zeker
weten!’ Van financieel succes of roem was bij Va geen sprake, zoals hij tijdens
de oorlog als metselaar van beroep met weinig werk in de bouwsector, werd
overschaduwd door zijn broer Peer, destijds een bekende bokser.
Toen mijn broer
met succes aan wielerwedstrijden begon deel te nemen, was Peers loopbaan allang
voorbij. Gesterkt door het geloof in zijn capaciteiten, meende onze nonkel hem door
zijn tussenkomsten te helpen om vaders voorspelling waar te maken. Het idee dat
wij een tweede Fausto Coppi in ons midden hadden, werd een belangrijk deel van
ons familiaal leven. Hij en zijn sportieve vrienden kwamen over de vloer en er
werd fel gediscussieerd over trainingsmethoden, dieet, massage, fietsmerken,
banden, oliën.
Eerder al had
Moe, toen mijn broer op zijn veertiende niet langer schoolplichtig was, hem
nodig als dagelijkse hulp bij het opstellen van de kraam en de verkoop van
breigoederen. Even na de middag kwamen zij alweer thuis, zodat broer na de
maaltijd niets anders om handen had dan de sportkrant lezen, aan zijn koersfiets
sleutelen of in het gezelschap van twee beloftevolle kompanen langs ‘s heren
wegen scheuren.
Van zo gauw de
gelegenheid zich voordeed om broer bij het koersen aan te moedigen, hield het
verkennen van de bossen voor me op. Graag ruilde ik de Chiro in voor de tal van
Vlaamse dorpskermissen waar ter bevordering van de feeststemming vaak
velokoersen werden ingericht. Meestal bestonden die circuits uit keer op keer
het blok omrijden zodat, telkens iemand riep dat de renners in aantocht waren, de
supporters in de bomvolle cafés prompt hun biertje lieten staan om zich bij de
deur doorheen het massale gedrang naar buiten te wroeten. Luidkeels en met opvallend
armgezwaai werden de renners aangemoedigd. Maar ondanks de felle kleuren van de voorbijflitsende maillots, werden weinig favorieten opgemerkt. Liever wachtte ik
bij mooi weer in openlucht, waar ik onder vrolijke straatmuziek naar de leuk passerende
dorpsmeisjes keek of bij een frituur of ijscoman aanschoof. Honderden
kermiskoersen heb ik zo bijgewoond. Wat me na al die jaren opviel: om het even
hoeveel renners aan de startlijn verschenen, mijn broer was steeds bij de koplopers.
Maar hoewel hij geweldig snel kon sprinten, overschreed hij zelden als winnaar
de eindstreep, zodat ik me begon af te vragen of vader, afgaand op zijn
buikgevoel, mogelijk de verkeerde zoon als uitverkorene in de hoogte had
gestoken. De aankoop van een betere fiets veranderde daar niets aan. Wel ging die
eerste koersfiets vanzelf naar mij. Zo trots was ik op mijn erfstuk dat ik er tot
vervelens toe aan sleutelde. Geen avond ging voorbij of ik reed ermee naar het
Turnhoutse stadspark waar een piste met tribune voor de vele kijkers was
aangelegd en ik, in de hoop mijn prestaties tegen het uurwerk te verbeteren,
tal van rondjes aflegde. Misschien zou het mij wél lukken een beroemd
wielrenner te worden. Die ambitie heeft niet lang geduurd. Ik was een sterke
fond- en tijdrijder, jawel. Maar als het bij de eindmeet, waar de prijzen
werden uitgereikt, op sprinten aankwam, lukte het me niet een hogere snelheid
te halen dan tijdens de vele kilometers hieraan vooraf. Nooit zou ik een prof
worden.
Na de lagere
school moest er een keuze gemaakt worden over mijn studierichting. Afgaand op
de povere resultaten bleek ik voorbeschikt om de pre-industriële richting te volgen
en later als leerjongen in een stiel te gaan. Misschien werd ik wel mecanicien.
In die jaren vijftig nam de autoverkoop snel uitbreiding. Men kon toen al voorspellen
dat zulks veel werkgelegenheid zou scheppen.
Ik had nooit
over mijn toekomst ingezeten. Dit veranderde toen de wettelijke leerplicht tot
achttien jaar werd uitgebreid. Op een avond brachten twee heren een bezoek aan
mijn moeder. Daar zij gekomen waren om leerlingen te ronselen voor een zopas
opgerichte technische rijksschool, werd ik erbij geroepen. Na een kort
vraaggesprek werd Moe aangeraden mijn naam aan hun lijstje toe te voegen. De
heren beweerden dat uit jongens van mijn slag die zich, zoals ik, tijdens hun
vrije uren graag onledig hielden door aan fietsen te sleutelen,
vanzelfsprekend bekwame mekaniekers zouden groeien. Maar dan moest ik wel een
theoretische vakopleiding krijgen.
Doordat ik dit
keer met de neus op reële feiten werd gedrukt, besloot ik het roer radicaal om
te gooien. Aan mijn kindertijd kwam bruusk een einde. Voor het eerst legde
ik mijn strips opzij om ‘De gebroeders Karamazow’ van Dostojewski te lezen. Ook
zou ik wekelijks naar de openbare bibliotheek gaan, waar ik urenlang verbleef, -
niet enkel om er boeken te lenen die tegemoetkwamen aan mijn belangstelling
voor vreemde landen en culturen, maar ook omdat ik de stille, ingetogen sfeer
rond zoveel opgeslagen kennis prettig vond. Zelfs liep ik het volgende
schooljaar uit eigen beweging naar de avondschool om Frans te leren. Hoewel ik
het een leuke ervaring vond na al die voorafgaande jaren in een jongensschool
in een gemengde klas te zitten, was er door mijn abnormale verlegenheid ook een
gênant kantje aan. Want zie, telkens het gebeurde dat ik met de mond vol tanden
stond, werd mijn kop tussen al die jongedames tot in mijn nekhaartjes vuurrood.
Voelde ik me door een gebrek aan ontwikkeling te min, of minder dan ik wenste
te zijn? Ik had er geen verklaring voor. Nooit heb ik aan iemand één woord losgelaten
over mijn schaamte, de onrust, de kwelling dat ik slechts was wie ik was. Moeder
had, vond ik, op haar levenspad al genoeg tegenslagen te verwerken gekregen. En
een vader om me met raad of daad bij te staan, had ik evenmin.
Ik was niet de
enige met dit probleem. Op een nacht stond broer naast mijn bed. In het
schijnsel van de lamp merkte ik dat er iets vreselijks aan de hand was, iets
waardoor hij me de indruk gaf dat hij tijdelijk zijn verstand verloren had en
daardoor zelfs op het punt stond een noodlottig ongeluk te begaan. Met de daver
op het lijf dacht ik eraan hoe stapelgek hij was op een meisje uit een naburige
gemeente. Door haar gezaghebbende tussenkomst had Moe, met het argument dat het
om een ordinair wicht ging, ondanks de hete tranen van haar zoon een vrijage
kunnen voorkomen. Als troost kreeg hij een gouden cachetring.
Maar nu geen
woord over dit alles. Voor het eerst kreeg ik te horen dat hij onder een
minderwaardigheidscomplex leed. Bij de geringste op hem gerichte aandacht gloeide
zijn gezicht vuurrood. Oei, wie begreep hem beter dan ik? Het enige verschil
leek me dat hij er veel zwaarder aan tilde. Waar ik er nog in slaagde mijn
gebrek te relativeren, had hij het over een handicap waaronder hij levenslang
gebukt zou gaan. Zoals ik al begon te vermoeden, bekende
hij me opeens waarom hij zich tegen het einde van elke koers zodanig inhield
dat hij niet als eerste over de meet zou gaan.
Ja, vaders
afwezigheid maakte hem voor ons beiden des te aanweziger.
Wat mij betreft
lag het voor de hand dat ik mijn studies nog niet zou beëindigen. Doordat ik
een primus was in sterkteleer en er daarnaast opmerkelijk goed in slaagde ingewikkelde
figuren en vlakken op papier te projecteren, koos ik technisch tekenen als
specialiteit.
Over deze
nieuwe school niets dan lof! Naast een degelijke technische opleiding kregen de
leerlingen van de hogere middelbare als bijdrage tot hun algemene kennis ook
Nederlands, Duits, Engels, geschiedenis. Zo herinner ik me nog hoe verzot ik
was op de les Nederlandse literatuur, waar we naast moderne poëzie en proza
wekelijks een verklarende lezing kregen uit tal van middeleeuwse teksten, zoals
Beatrijs. Of op de les Duits en Engels, waarbij ik gretig kennismaakte met
boeiende kortverhalen van Rilke, Kafka, Tucholsky, Maugham, Greene. Eén
leraar raakte zelfs zo begeesterd dat hij een muziekinstallatie meebracht om
ons - allen verzot op het nieuwe van de rock’n roll - na de lesuren te laten
kennismaken met een oratorium van J. S. Bach, terwijl de leraar geschiedenis door
het projecteren van diverse kunstwerken ons dan weer inzicht verschafte over de
afwisselende stijlperioden in de beeldende kunsten.
Hoewel de school
door de ontspannen sfeer die er heerste me ten zeerste beviel, drong het tot
me door dat ik niet op de juiste bank zat. Graag illustreer ik dit met een
voorval waarbij de leraar mechanica ons mee naar buiten nam om in helder
daglicht de werking van een diktemeter te laten zien, waarbij de verschuivende
nonius ons toeliet om de laatste millimeter tot een of twee cijfers na de komma
te kunnen aflezen. Hoe ik ook mijn best deed, het lukte me zelfs niet om
rechtstaand wakker te blijven.
Aan hun reactie
te horen, ervaarden de andere jongens die saaie lesuren gans anders. Allen waren
ze laaiend enthousiast bij het vooruitzicht dat ze weldra in een of andere
werkplaats grof geld konden verdienen. Maar ik was niet blind voor de walmen
uit de fabrieksschouwen. Tijdens een schoolreis naar het Luikse
Cockerill-Sambre bezochten we de hoogovens. De witte gloed van gesmolten
staal, de denderende plaatwalsen, de rook, het lawaai, het stof, ervoer ik als
de hel. En met de arme duivels die daar met een pook in de hand voor hun kost
rondliepen, voelde ik oprecht medelijden.
Helaas bestond
er voor mij geen weg terug. Gelukkig had ik één houvast: ik kon aan zelfstudie
te doen door me uit eigen beweging in de letteren te verdiepen. Daarom kwam
het krijgen van een aparte kamer in ons nieuwe huis voor mij goed uit. Eigenlijk
betekende het meer een toevluchtsoord waar ik me met mijn literaire boeken en
mijn pas gewekte belangstelling voor klassieke muziek en jazz in een eigen
wereldje kon terugtrekken. En aan zakgeld voor leesvoer geen gebrek! Moe had
een gulle hand. Op mijn achttiende liet ze me voor een maand in mijn eentje met
de trein naar Cannes vertrekken voor een cursus Frans, ingericht door de universiteit
van Aix-en-Provence voor buitenlandse studenten. Weg van huis leerde het
groentje zijn plan trekken. In Parijs de metro nemen naar Gare de Lyon waar de
nachttrein vertrok. Zonder reservatie noodgedwongen plaatsnemen op de eigen
valies tussen de nozems in de gang. Tot ik een passerende conducteur aansprak
en tegen betaling er alsnog in slaagde een couchette te bekomen.
woensdag 30 september 2026
Ernst Löw leest een gedicht van Robert Baeken: "Baalbek 6. Baalbek na duizend jaar"
6. Baalbek na duizend jaar
Slangen kwamen uit de woestijn gekropen,
toen zwervers Baäl onthoofdden en dat gebroed
vluchtte in de holten van zijn leeggestolen ogen.
Bazuinen bevroren in de harde lucht,
sindsdien beitels slaand tussen de voegen
om plaats te ruimen voor een teer groen zaadje
over de beenderen van al die ’s middags verrast
omarmd als eeuwig parend te rusten liggen:
mannen en vrouwen sinds Baäls laatste orgie,
gebogen over het raadselachtig afwezige raderwerk
dat de hoeren dreef, de landbouwers, en de koningen.
Aandacht wekt de schedel van een kind.
Het ene handje zoek, het andere grijpend in de lucht,
als zocht het nog naar Baäls speelgoed
tussen verbrijzelde schalen neergevallen.
Baalbeks stilte, heden een loodgewicht,
weegt op de laatste bezoeker de vraag
naar gepaste muziek, aangelijmd in de avond.
In Baalbek, de onleesbare ruïne,
wroet ongedierte nu massaal het puin,
tot de komst van een praalzieke nieuwgeleerde
elk dood leven bijzet in het massagraf.
dinsdag 22 september 2026
Ernst Löw leest een gedicht van Robert Baeken: "Baalbek 5: Geschiedenis van Baalbek"
5. Geschiedenis van Baalbek
Waar het Hooglied de hemel bidt
en Baäls spraak verdicht,
volgden de horigen hun leider in de tijd,
elke verovering vermeld als roemrijk wapenfeit.
Nog getuigen bloedstollende volksverhalen
van de dorst hun afgod te horen spreken.
Maar al bezong het schrift troost alom,
Baäl bleef doof en stom.
Levens doven uit. Blijft het monument:
Het verre verleden met grote namen
overdreven beschreven.
Woordjes van geliefden doodgezwegen.
LOTGEVALLEN (Deel 3)
Litteken (3)
Op een doordeweekse dag in het voorjaar gaf Moe na lang
gezeur van haar twee oudste jongens toestemming om naar de namiddagvertoning
van Quo Vadis te gaan: de beroemde historische film, met Peter Ustinov in
de rol van keizer Nero. Daar ons jongste broertje last kreeg van beginnend
sinusitis kon hij niet met ons mee. Moe had een afspraak geregeld met een gespecialiseerde
dokter.
Wij zaten in de
donkere zaal. De Romeinse legioenen keerden terug van een veldtocht tegen
Gallië. Onheilspellend gaven de slagen op een trom het ritme aan waarmee de
soldaten trots marcheerden, terwijl achter hen knallende zweepslagen neerkwamen
op de bebloede ruggen van overwonnen slaven, bezwijkend onder het trekken van
zware karren met oorlogsbuit. Klappertandend liet ik me tussen de rijen stoelen
wegzinken. Eenmaal weer boven water duurde het niet lang of broer werd door een
onbekende fluisterstem weggeroepen. Opeens betraden wij het daglicht. Ik moest
weer achteraan op de fiets plaatsnemen zonder dat broer me uitlegde waarom hij daarna
huilend als gek in ongelooflijk vliegende vaart de terugweg aanvatte.
Thuis zat Moe in
haar fauteuil te midden van de ontdane gezichten van mijn zussen, familieleden
en buren als gebroken te snikken. Pas toen ik boven op het kamertje kwam waar ik
ons broertje aantrof met gesloten ogen en zijn handjes gevouwen als in gebed,
ben ik op mijn beurt in een onbedaarlijke huilbui uitgebarsten.
Terwijl ik als
in een paniekaanval tussen de rijen stoelen zat ondergedoken, zag een
voorbijganger rond datzelfde tijdstip hoe broertje op zijn nieuwe stelten met
reuzeschreden over de brede strook tussen de voortuintjes en de rijbaan stapte,
plotseling van de hoge stokken sprong, naar de keel greep alsof hij geen adem
meer kon krijgen en schreeuwend om zijn moeder naar huis holde. Aan de voordeur
viel het ventje stuiptrekkend neer. De voorbijganger veegde zijn lippenschuim
af, droeg het levenloze lijfje naar binnen en legde het in de armen van zijn
moeder. Zolang het gewicht levenswarmte bleef uitstralen, zolang hield zij haar
zoontje smartelijk tegen zich aangedrukt. Tot een buurvrouw zich op de duur genoodzaakt
zag hem voor de nodige toebereidselen zachtjes van haar los te weken.
De
daaropvolgende nacht keerde ik in mijn gedachten herhaaldelijk terug naar het
zolderkamertje op ons vorig adres waar wij, de drie broertjes, te slapen werden
gelegd en waar Moe op een nacht het licht aanstak. Niet zo vreemd dat haar gil
mij opnieuw van dichtbij raakte. Twee ratten besnuffelden zijn hoofdkussen en gezichtje
wat, gezien wij naast een boerenerf woonden, allicht niet zo ongewoon was. Moe
greep haar kleintje om het, zogezegd uit veiligheidsoverwegingen zolang wij
ginds woonden, voortaan elke nacht aan haar zijde tussen haar warme dekens te
koesteren. Wellicht daardoor kreeg dit opgeroepen beeld voor mij iets van een
nare voorspelling.
De volgende
morgen trof ik ons broertje gans alleen in die andere kamer aan. Telkens het
door zijn verstijfde houding tot me doordrong dat ik hem spoedig nooit meer zou
zien, nooit meer met hem samen te voet langs de in onbruik geraakte tramsporen
naar school zou gaan, begon ik langdurig te wenen. Wat ik vooral voelde was
spijt voor al die keren ik op zijn vraag geweigerd had met hem te spelen. Door
hem ondanks zijn afwezigheid te laten deelnemen aan een race met onze autootjes
slaagde ik erin mezelf te troosten. Hij de gele, ik de rode. En anders dan
vorige keren keer bleek geel die dag het snelst.
Achter mij werd
de radio opengedraaid. Onthutst omdat het leven ondanks alle rampen gewoon
doorging, hoorde ik het nieuws.
dinsdag 15 september 2026
LOTGEVALLEN (deel 2)
Jongensavonturen (2)
Tussen mij en mijn één jaar oudere neef Johan is nooit zo‘n groot woord als ‘vriend’ gevallen. Wij verstonden elkaar. Deelden als jongens dezelfde avonturen, dezelfde dromen. Zijn vader was conciërge in een lagere school, wat betekende dat wij op vrije dagen gebruik maakten van de verlaten, met reusachtige notenbomen overdekte speelplaats. Evenwijdig daarmee bevond zich een hangar waar we onze opwindende spelen bij regen of sneeuw gewoon konden voortzetten. Nog zie ik Johan met grote snelheid achter mij aan fietsen, zwaaiend met zijn krom zwaard dat hij tevoren handig uit een dunne plank had gekerfd. Na zichzelf schreef hij me in als het tweede lid van zijn padvindersclub. Zo maakte hij mijn hoofd dol met het idee dat wij op een dag samen in de bossen zouden kamperen. Hiervoor stelde hij een inventaris op van alle benodigdheden, zoals een bijl, twintig meter touw, veiligheidsspelden, een hamer. De veiligheidsspelden en meters touw hadden we al. Dankzij de regelmatige bijdragen van het lidgeld zouden we mettertijd, naast een tent, alle benodigdheden in een grote kartonnen doos stoppen.
Op een keer daagde nog een neefje op. Ook
hij werd prompt ingeschreven en van zijn zakgeld beroofd. Maar hoe bereidwillig
hij aanvankelijk ook overkwam, het liep slecht af. Ofwel had hij te zwaar met zijn
pistool op Johans hoofd getikt, ofwel had ik hem, zoals al eerder was gebeurd,
onvrijwillig verwond door het gooien van een gehalveerde baksteen tegen zijn
jukbeen. Het incident eindigde met tranen, woeste kreten, heen en weer gestamp
en de onmiddellijke ontbinding van de club. Woedend werd het zakgeld teruggegooid,
het touw in drie stukken gehakt. Wij vonden het dadelijk jammer, maar onze
koppigheid maakte het op dat ogenblik onmogelijk aan de ander toe te geven.
Dat ik me de volgende zondag aansloot bij een
plaatselijke jeugdbeweging heette allicht geen toeval. Gekleed in korte broek, groen
hemd en gele das trokken we wekelijks door de bossen: avonturiers, op
strooptocht door een ontoegankelijk woud, met indianen op de loer om ons
onverhoeds aan te vallen. Stonden we voor een beek, dan werd die hindernis
overwonnen door een manhaftige sprong of, zoals het helden past, er doorheen te
waden zonder eerst onze schoenen uit te trekken.
Minder opwindend waren de dagen dat het zo
fel regende dat we in onze lokalen bij het oude speelgoed bleven, strips lazen,
of naar de enige rolprent keken die de Chiro rijk was: een druk joelende cowboy-
en indianenfilm met de toen bekende acteur Roy Rogers. Wij hadden de film al zo
vaak gezien dat de leider de spoelen omdraaide, zodat we alle bewegingen, zoals
paardrijden en met revolvers schieten, tot eenieders jolijt achterstevoren konden
bekijken. Alles liever dan tijdens het lof een uur in de kerk doorbrengen, waartoe
de geestelijke Chiroleider, een bruine pater, zijn jongens af en toe verplichtte.
Elke zomer gingen we gedurende tien dagen in bosrijke Limburgse gebieden kamperen. Wij sliepen op strozakken in groepstenten. Vroeg in de ochtend werden we door hoorngeschal gewekt. Hoewel de lucht koud was, deden wij gymnastiek in bloot bovenlijf. Daarna begaven we ons naar een als kapel ingerichte tent om er de mis bij te wonen. Tijdens een heftige preek had de pater de hele tijd zijn mond vol over onze roemrijke Vlaamse bodem. Daarna ging het over Christuskoning - een krachtige, erg Vlaams klinkende benaming voor Jezus die minder zoet overkwam. Terwijl hij ‘zijn jongens’ van diens grootheid probeerde te overtuigen, wachtten wij op alles wat na zijn toespraak zou gebeuren. Ontbijten aan een primitieve tafel. De tent ordenen. Zich aandienen voor karweitjes, zoals hout hakken voor het kampvuur, of water putten bij de dichtstbijzijnde hoeve. Elke dag trokken wij eropuit. Beklommen heuvels, doorkruisten weilanden, akkers, dichte bossen, marcheerden vele uren langs eenzame wegeltjes. ’s Middags hielden we halt, liefst aan de oever van een rivier. Eenieder pakte zijn eigen aan de broeksriem bungelende dolk of zakmes om het brood in plakken te snijden.
Ondertussen wierp het werk van Moe zijn eerste vruchten af. Het begon met de aankoop van een groot automatisch toestel dienend als hulp voor het huishouden. Verbaasd keek ik in de geopende bovenkant en zag hoe vuil linnen, zonder dat er een hand aan te pas kwam door een schijf met rechtopstaande vleugels draaiend in een metalen trommel, krachtig heen een weer door het sop werd geslingerd. De volgende stap was een chique personenwagen. Een Amerikaanse Dodge nog wel. Weliswaar tweedehands gekocht, veranderde dit ons armmoedig bestaan in snel tempo. In plaats van thuis te naaien, greep Moe de kans wekelijks breigoederen aan te kopen in grote confectiemagazijnen te Sint-Niklaas. Als gevolg van het vroegtijdig overlijden van haar man trok zij op een dag van de overheid een flinke som achterstallige gelden. Hiermee kon het nieuwe huis dat ze al zinnens was te laten bouwen, gedeeltelijk worden gefinancierd. Toen ik een paar maanden in het vierde leerjaar zat, was het zover. Wij verhuisden naar de rand van Oud-Turnhout, een naburige gemeente, vanwaar we naar andere filialen van dezelfde rijksschool werden gestuurd.
Ik nam achteraan in de klas plaats. De
jongen naast me had als bijnaam ‘de Snoek’. Hij blonk uit in krachttoeren die
niets met de lessen te maken hadden. Alle jongens liepen een eindje om, als hij
eraan kwam. Liever dan deze vernederende situatie te ondergaan, kreeg ik een
pak slaag. Eens nadat ik hem een beentje had gelicht, bleef ik pal staan om zijn
aanval af te slaan. In dat ene moment waarop hij met dreigend armgezwaai op me af kwam, ontdekte
ik het trucje om hem van schrik te doen verlammen. Door een gelukkig toeval
keilde ik hem direct over de vloer. Noodgedwongen, doordat wij op de speelkoer
elkaar dagelijks op leven en dood in de haren vlogen, om daarbij steeds afwisselend
het meesterschap van de ander te ondervinden, eindigde dit door tegen wil en
dank elkanders maatje te worden.
Ons nieuwe huis was een doolhof van gangen en ruime, stille kamers. Hoewel Moe haar luidruchtige stadskinderen had gevraagd minder lawaai te maken, had ik de indruk dat wij door die stille omgeving daar vanzelf toe neigden. Wij liepen in de met hoog gras en onkruid begroeide tuin en keken naar de noeste werkzaamheden van onze buurman, bezig vettige grond om te spitten. Zonder iets te zeggen, blikte hij even opzij om onze gezichtjes te bekijken. Ik kan me best voorstellen dat wij, het rijtje achter de lage heg, evenmin iets zeiden. De natuurlijke glimlach van een groepje kinderen werd hem als een gratis ruiker toegesmeten, zonder dat het zwoegen ophield. De buurman had een dochter van mijn leeftijd. Laurette heette het kind, een droomprinses. Zij had immers nooit vuile handen of knieën, zoals wij. Zij leefde hoog in haar ivoren toren waar ze na schooltijd roerloos zat te studeren of onze wilde spelen met een stil, verdrietig oog gadesloeg.
Achter onze tuin strekte zich een immens landbouwgebied uit. Veel van mijn nieuwe vriendjes waren zodanig met de natuur verweven dat zij als hobby zelf een groentebed onderhielden, konijnen fokten, de koe molken, in hoge bomen klommen om eksterjongen uit het nest te roven of zeldzame vogeleieren aan hun diverse verzameling toe te voegen. Het duurde niet lang of ik timmerde onder ons afdakje op mijn beurt een hok voor twee konijnen. Een witje en een bruintje. Hoewel ze van mij dagelijks meer dan genoeg vers gras te eten kregen, wisten ze om de haverklap naar de tuin van onze buurman te ontsnappen. Lastig. Want voor mij was hij een nette burger die behalve dat hij kanarievogels kweekte, jaarlijks aardappelen voor eigen gebruik rooide. Zijn knappe vrouw stond de hele dag met een emmer, dweil en borstel in de hand. Door hun nette manieren voelde ik de plicht me even afstandelijk te gedragen. Zo had deze houding minder te maken met hun rijke aardappeloogst dan met het groene lover dat in hun tuin in netjes afgemeten rijen boven de grond uitgroeide en waar mijn konijnen het zo op gemunt hadden. Ik zie nog hoe hij en ik, sluipend zonder een blaadje te verroeren, op één stap van bruintje genaderd waren. Uit eerbied voor het aardappelloof, wat zowat hetzelfde betekende als mijn eerbied voor zijn persoon, durfde ik, afwachtend wat hij zou doen, geen eerste sprong wagen. En bruintje maar vreten ondertussen. Dan gebeurde iets wat ik niet had verwacht: buurman stortte zich met gestrekte armen over het gave lover neer. Desondanks kon het diertje nog op het nippertje van tussen zijn grijpende vingers ontsnappen. Verslagen of diep vernederd, zo leek me, bleef hij op het verpletterde groen liggen. Het speet me enorm; vooral omdat het mijn konijn was.
Geleidelijk aan kwam ik op de leeftijd dat ik het verschil tussen jongens en meisjes ontdekte, wat maakte dat mijn omgang met het andere geslacht veranderde in een boeiend spel van ontmoetingen op een verlaten karspoor, waar het rook naar koemest en avonddauw. In het donker drukten wij onze lippen hoofs tegen elkaar, wisselden liefdesbriefjes uit, bootsten het gedrag van volwassenen na, zoals we dat gezien hadden op het witte doek of in het dagelijks leven, waarbij de mannen zich in de liefde meestal zachtaardig, ridderlijk en onbaatzuchtig gedroegen. In schril contrast hiermee vertel ik een bijzonder voorval dat plaats vond in de Liereman, een moerassig gebied waar ik in het gezelschap van enkele dorpsjongens en een buurmeisje als een ontdekkingsreiziger vergeefs op zoek gegaan was naar de bronnen van de Aa, - een riviertje dat door het dorp stroomt om verder in de Nete uit te monden. Tegen het donker trokken wij in de richting van de kerktoren naar huis. Zonder dat ik ervan op de hoogte was, hadden de jongens het plan opgevat om het meisje ‘keizerin’ te maken, wat erop neerkwam haar tussen de verlaten struiken vast te grijpen en haar broekje uit te trekken om te zien wat daar precies onder zat. Hoe graag ik ook had meegekeken, toen het kind luid spartelend alarm sloeg, wierp ik me van mijn kant op als een koene ridder, precies zoals Don Quichotte in mijn gelijknamig stripverhaal ook deed om zijn geliefde Dulcinea tegen bandieten te beschermen. Na een flinke dreun op mijn neus liet ik me als bewusteloos op het mos vallen. Afgaand op de geluiden richtte ik mijn hoofd pas na een veilige pauze weer op om tot mijn plaatsvervangende schaamte vast te stellen hoe mijn belager, omringd door zijn nieuwsgierige bende, zijn elfde vinger voor het buurmeisje ontblootte. Zij zat op een boomstronk en keek met gretige, medeplichtige blik naar zijn ‘vuile manieren’ die, hoewel ik me met dodelijke schrik voor het hellevuur aan dezelfde schandelijke maar onweerstaanbare lusten overgaf, achteraf ook mij steeds weer met schuldgevoelens vervulden.
dinsdag 8 september 2026
Ernst Löw leest een gedicht van Robert Baeken: "Baalbek 4: Schavot"
Baalbel 4: Schavot
Gister werd een verrader betrapt.
Tussen twee beulen opgebracht
gaapte zijn mond zwart.
Een overreden kat.
Lust bestreek nieuwsgierigen onderaan.
Eens Sultans strop omgedaan
loeide hun keelwind massale stemmen,
kwaadaardig en vol beschuldiging.
Anoniem kwam hij ten val.
Zijn stinkend vlees gebracht
naar een stortplaats voor gieren
ver buiten Baalbeks sinistere wal.
Dieper geschroeid dan zijn vergrijp
stonk Sultans brandmerk het vel.
Verbeurd het leven in schone schijn,
ligt hij ginds Baäl lasterlijk te zijn.
zondag 6 september 2026
ROBERTS LOTGEVALLEN
EEN GESCHIEDENIS VAN HET LOT
Autobiografische notities te lezen als een wekelijks vervolgverhaal waarin de auteur afrekent met enkele gebeurtenissen
uit zijn jeugd.
Eerste schooldag (1)
In mijn herinnering bestaat een grijze ochtend tegen het einde van de zomer. Aan de zijde van mijn grote broer liep ik de wijde wereld in. Wij passeerden fraai onderhouden straten die ik nooit eerder gezien had. Enkele maanden tevoren waren er verkiezingen geweest. Tegen deze muren kleefden geen half verwijderde aanplakbiljetten met nummers van politieke partijen, zoals in onze buurt.
Wij passeerden een driehoekig pleintje met
in het midden een arduinen sokkel waarop een oorlogsmonument: een zwarte
beeldengroep van neerstuikende soldaten tegen een kluwen van engelen met
triomfantelijk in de hoogte gestoken bazuinen die, mits wat verbeelding, door
opstotend geschal de overwinning voorstelden.
Meer belangstelling had ik voor de
rondrijdende treintjes achter de uitstalramen van een speelgoedwinkel, op een
steenworp daarvan. Na het oversteken ving ik een glimp op van een kasteel met
brede slotgracht waar, zoals broer me vertelde, volgende zondag een
honderdjarige werd gehuldigd. Zijn verdienste bestond eruit dat hij op 11
september 1849, niet lang na de val van Napoleon, zou geboren zijn.
Het overdadige pleisterwerk van de deftige
herenhuizen bedrukte me. Op onverklaarbare wijze bracht ik hun voorgevels in
verband met de hangende kwasten op de epauletten van maarschalken, zoals te
zien in mijn verzameling prenten van Historia
rond diezelfde Napoleon. Hun gezichten wedijverden in gestrengheid, vervulden
me met het beklemmende voorgevoel dat ik dra aan dergelijke onbuigzame
bestuursorganen gehoor zou moeten geven.
Langs diezelfde slotgracht bereikten we de
school: een grauw bolwerk met de gekleurde glasramen van een kapel aan de
buitenkant. Nog angstiger werd ik toen broerlief me via een hol klinkende lange
doorgang naar een geplaveide binnenplaats leidde waar zich een menigte jongens had
verzameld. Broer liet mijn hand los en holde naar zijn voetballende kameraden.
Aan mijn lot overgelaten, bleef ik bedremmeld
staan en keek rond, verloren te midden van oorverdovend gejoel dat huilend
neersloeg tegen de sombere klaslokalen waar een kloosterbroeder straks de plak
over ons zou zwaaien. Rijen grote knullen wedijverden met elkaar in
hoogspringen. Zij waren hier al goed thuis. Ik zag de kuif van een
branieschopper tijdens zijn sprong hoog boven de hoofden flitsen. Een
innerlijke stem fluisterde me in dat ik anders was dan de anderen, hulpeloos en
alleen. Want alle andere jongens lachten, renden zorgeloos in het rond,
voetbalden, sprongen haasje-over.
Het gejoel verstomde en een samenscholing
stoof in paniek uiteen. Daar kwam een broeder aanlopen. Zijn gestalte even
breed als hoog. Enorme sandalen legden de nadruk op zijn onbehouwen
reuzenschreden en bleke voeten onder de zwarte pij. Het was of vlak voor mij de
kop van een gek geworden nijlpaard druisend boven water kwam. Een opengesperde
muil waarin weinige bruine tanden, spatte overdadig speeksel en loeide: ‘Wat
vuile manieren!’ Ik gluurde naar het grauw van de weergalmende muren. De klemtoon
op ‘manieren’ wekte het geluid van knarsende ketens en een ijzeren slot dat met
harde klak dichtsloeg. ‘Vuile manieren’, daar had ik nog nooit van gehoord. En
daarna spuugde diezelfde speekselkrater weer van ‘goede manieren’. Ook dat
voorspelde weinig goeds. Volgens mij had het te maken met de opgedofte
schouderstukken van de patriciërhuizen. Een ruwe korst binnenin schuurde tegen
mijn borst.
De bel ging. Onder het toeziend oog van een
lijkkleurig klashoofd, wijd bemanteld in zwarte pij, betraden de in dodelijke
stilte gehulde belhamels het klaslokaal. Vanaf hier ademde ik een vervaarlijke,
met giftige ernst vermengde nabijheid in. Tegen die dreiging was het gek
geworden nijlpaard nog een lieverdje.
Zo gauw de laatste jongen neerzat, stelde
het bleke doodshoofd doodernstig de vraag wie van ons later ook een zwarte pij
wilde dragen. Daar er tussen het ernstige hoofd en mij, op de laatste bank
achteraan, op slag evenveel handen als leerlingen de hoogte in schoten,
bleek ik de enige die niet zo van het prettige van het broederschap was overtuigd.
Het deed de ronde dat het doodshoofd zo hard kon bulderen dat de muren ervan
barsten. Mijn glurende ogen ontdekten inderdaad een verdacht spoor in het
pleisterwerk.
‘Ernstig nu! Vouw beide armen bovenop de
lessenaar!’
Vermoedelijk was mijn blik niet ernstig
genoeg; of anders vond de lijkkleurige de gezonde blos op mijn wangen verdacht.
Want de volgende dagen leerde ik wel rekenen, schrijven en lezen, maar minder
vlot dan de anderen. Volgens mijn eerste cijfers was het doodshoofd ervan
overtuigd dat stomme kalveren niets op school te zoeken hadden. En ik had er
inderdaad de pest in. Elke morgen als ik de grauwe vesting naderde, voelde ik
in mijn beklemde binnenste alweer het schuren van de harde korst.
Op een mooie dag weigerde het knaapje naar
school te gaan. Hij stond op de drempel aan de voeten van een vrouw, dagelijkse
hulp in het huishouden. In zijn geheugen staat zij daar nog: zonder naam,
zonder aangezicht. Achter haar jurk haalde een kwaaie hand scherp uit naar zijn
appelwangetjes. Als de bliksem schoot het ventje de kamer in, maar de raak
zwiepende hand volgde zijn vlucht tot de verste hoeken van het achterhuis. En
hoe het rebelse joch doorheen een vloed van snot en tranen ook krijste, het ontving
nog meer striemen; tot het met zijn schooltasje onder de oksel murw op de straatkeien
belandde.
De volgende morgen, vlak voor zijn vertrek
naar school, vond het jochie plotseling geen steun meer in de knieën. Zijn
bovenlijf gleed als een zak meel over de drempel. En hoe vreselijk het kind
ook zijn best deed, het raakte niet overeind. Een dokter kwam er niet aan te
pas. Zijn oudste zus die, opdat iemand het huishouden moest doen, een jaar
vroeger van haar schoolplicht was ontheven, legde uit dat hij als gevolg van zijn groei water in
de knieën had. Het dertienjarige meisje reikte hem zijn collectie aan: een
schoendoos vol afbeeldingen van bekende wielrenners die, net als de prenten
van Napoleons entourage, van tussen verpakte chocoladerepen kwamen. Zij tilde
haar broertje op en bracht hem naar de bank midden een zonnig plekje in een
door muren omsloten lap zwarte aarde.
Va was al twee jaar dood. Voor Moe die op
haar dertigste met vijf nakomelingen achterbleef, begonnen harde tijden. Deze
moeilijke omstandigheden brachten haar tot een zekere heldhaftigheid, temeer
daar zij geen andere relatie meer wenste aan te knopen.
Jaren later zou ik van een tante vernemen
dat Moe het risico wou vermijden dat een vreemde kostwinner voogdij over haar
kinderen zou krijgen. Wij zaten in de bus van Antwerpen naar Turnhout. In
één adem voegde zij eraan toe dat mijn ouders elkaar buitensporig hadden
liefgehad, - wat voor Moe de doorslag gaf om in haar eentje verder te boeren.
Zoals bij de meeste levensmiddelen bleek
tijdens die eerste jaren na de oorlog ook de vraag naar kleding groter dan het
aanbod. Moe kwam uit een kleermakersgezin en zij had die nood goed begrepen. Hoewel zij als kind tegen haar zin had leren
naaien, heeft zij in haar leven nooit veel anders gedaan. In Antwerpen kocht
zij stoffen op de rol die zij thuis verknipte, aan haar voetmatig aangedreven naaimachine assembleerde en achter een onooglijk kraampje op de openbare markten te koop aanbood.
De verkoop liep op wieltjes. Maar dan moest er na haar thuiskomst elke middag
weer tot diep in de nacht tegen een razend tempo geknipt en genaaid worden. Bewonderenswaardig
vond ik de marskramer die zo met haar lot begaan was dat hij achteraan tussen de hoge stapels schoendozen in zijn camionette een open plekje ruimde zodat zij er met
haar bundel opgevouwen koopwaren kon plaatsnemen. Op dagen dat zulks onmogelijk was,
legde zij haar gerief in een kruiwagen en bracht het te voet naar het station, waar een tram haar en het hele boeltje naar de markt in een naburige
gemeente voerde. Mijn oudste zus, een groot kind, bracht de lege kruiwagen weer
naar huis. Eens vertelde zij me over haar schaamte telkens zij op straat een opgedirkt vriendinnetje tegenkwam. Voor mijn part mocht ook zij een
medaille voor bewonderingswaardigheid opgespeld krijgen.
Het spreekt vanzelf dat Moe geen tijd had om
ons bij huistaken bij te staan, zoals dit wél gebeurde bij de andere kinderen,
aangezien toentertijd weinig huismoeders uit werken gingen. Daardoor gaat me
vandaag een licht op over haar motief om ons al bij klaarlichte avond naar bed
te sturen: dan kon zij ongestoord werken. Het volkse gezegde dat kinderen voor
hun gezondheid vroegtijdig in bed horen, vond bij haar meer gehoor dan de mening
dat een te lange nachtrust hun ontwikkeling kan schaden. Ik gaf dat eerste gezegde
groot ongelijk. Zolang het gejoel van spelende kinderen op straat te horen was,
raakten wij immers niet in slaap. Daarom probeerde ik me, van zodra het
duisterde, te verstoppen. Op een winteravond gebeurde iets merkwaardigs.
Terwijl het gezin gezellig rond de kachel zat, had ik me achter de rugleuning van een fauteuil geprangd. Vandaar hoorde ik mijn oudste broer pochen dat
hij op beide handen kon lopen. Hoewel ik vanaf dat lage plekje enkel de
onderbenen van mijn moeder kon zien, moest ik zijn prestatie voor waar aannemen.
Want mijn grootvader die toevallig op bezoek was, reageerde verschrikt:
‘Jongen, pas op! Val niet om!’
Voor de eerste keer verzamelde ik mijn
indrukken alsof het ging om de totaalsom van een bewuste droom. Niets ontsnapte
me. Ik wist dat Moe volop bezig was aan de keukentafel een patroon uit te
knippen. Ik verwachtte dat ze de fauteuil elk ogenblik van de muur weg zou schuiven.
Ik proefde de ganse sfeer en stelde me voor dat dit geheel zolang ik leefde zou
voortduren, - weliswaar telkens met andere beelden en sferen, maar wezenlijk onophoudelijk
puur en hetzelfde.
Van zodra zich na deze buitengewone
ontdekking een gunstige gelegenheid voordeed, gleed ik als een schim naar
buiten en vond een plekje bovenop de vliering van een afgedankt varkenshok.
Andere beelden en een andere sfeer, jazeker; maar dit keer voelde de ligplaats
zo hard, ongezellig en koud, dat ik algauw opkraste. Behalve op zijn handen
lopen, kon mijn oudste broer in zijn bed naast het mijne, ook de dramatische cowboyliedjes
uit High Noon nabootsen die wij op een plaat hadden. ‘Do not forsake me
oh my darling!’ Misschien konden wij een duet vormen?
's Morgens trof ik mijn boekentasje in
dezelfde hoek van de kamer waar ik het daags voordien na schooltijd had
neergeworpen. De leerstof van de doodskop kwam me de strot uit. Nooit had ik
met zijn dorre letters en cijfers leren omgaan: op een speelse wijze, zoals
kinderen graag rond een bal huppelen. Daar ik de twaalf artikelen van het
christelijk geloof niet kon afdreunen, moest ik alleen nablijven.
'Begin opnieuw! Opnieuw! Ja weer!'
Terwijl ik voor de zoveelste keer de
artikelen afhaspelde, leidde een gereutel mijn aandacht af. Uit een duistere
spookhoek trad de zwarte gedaante met doodskop. Mijn oog viel op de blinkende,
voor zich uit gestoken punt van een zakmes.
Mogelijk zou
het joch erin geslaagd zijn alle artikelen tijdig af te ronden. Maar zijn
adem stokte. Voor zijn voeten opende zich een bodemloze diepte. Niet enkel
liepen de knieën weer vol water. De ruwe korst reet zijn lijf helemaal
open! Het stikkende knaapje had zich niet vergist, - niet in de deftige
stadsgevels, niet in de opgedofte uniformen van Napoleons legerofficieren, niet
in deze sombere school.
‘Ach ja, op de keper beschouwd waren die
broeders ook maar stumperds,’ legde ik mijn tante later in die bus naar Turnhout hun frustraties uit.
‘Levenslang te zijn opgesloten in een naargeestig gebouw en lijdend onder het
celibaat. Hun was een droevig lot beschoren.’
Op ’n heldere voormiddag rolde er een
druppel inkt uit mijn pen, zomaar midden mijn geopende schrift. Nu ging de
doodskop zo te keer of ik de schande van mijn moeder was. Loerend naar de barst
in het pleisterwerk kwam het me voor dat die heus wijder werd. Voor mijn straf
werd ik wandelen gestuurd: vijf keer heen en weer over de speelplaats die
volliep met toekomstige dragers van de zwarte pij. Maar eerst scheurde het
welgemanierde doodshoofd de kladvellen uit om ze duidelijk zichtbaar aan de revers
van mijn jasje vast te spelden.
Door dit uithangbord van de schande werd ik
nog stommer dan een kalf. Zoals de wrede jongens met hun gladde spekgezichten
me op de speelplaats vanaf een veilige afstand beschimpten, stonken de
kladvellen naar viezigheid. Naast oliedom bleek ik besmettelijk, onwaardig
gelijk een kruipende mestkever.
Op een keer, toen Moe bemerkte dat ik tijdens mijn huiswerk hopeloos in tranen schoot, boog zij zich mee over het vraagstuk en legde me in één handomdraai de wiskundige regel van drie uit. Moe had mijn nood aangevoeld. Zij en de brave huishoudster Nette waren het met elkaar eens dat ik ongewoon veel huilde. Nochtans vonden zij me niet onhandiger of dommer dan mijn broertjes en zusjes. Van zodra de gelegenheid zich voordeed, stuurde zij me naar een naburig wijkschooltje van het rijksonderwijs.
Hier bestonden de klaslokalen uit eenvoudige paviljoentjes. Een met metaalgaas afgespannen zandplein deed dienst als speelplaats. De kinderen werden niet gedwongen tot voetballen of hoogspringen, maar mochten doen waar ze zin in hadden, zoals knikkeren in het zand. Belangstelling voor de leerstof laaide helaas niet in me op. Gelukkig kweten de leerkrachten zich bescheiden van hun taak. Zelfs als deze huisvaders uit kinderboeken voorlazen, gebeurde dit even betoverend als gewoon, zonder de mond vol te hebben over ‘manieren’, en zonder de kinderen door gestrengheid te beletten met deze verhalen weg te dromen.
dinsdag 1 september 2026
Ernst Löw leest een gedicht van Robert Baeken: "Baalbek 3: De ziekten van Baalbek"
Baalbek 3: De ziekten van Baalbek
Angst voor Baäl boog elk ja om naar nee.
Oprechtheid drukte een gewicht in de keel.
Lepra vrat elke dag een zielenpoot.
Weinig verweer tegen de vloek aan elke deur.
Het bevel bond ooglappen voor,
maakte de slaven zoals hun paarden,
klaar voor de krijg, de speren spits
tot behoud van de dagelijkse sleur.
Geregistreerd het ziekelijk verraad
van zonen en dochters om zo vaak
ontucht te bedrijven dat het traditie werd,
waaraan nog moeilijk te ontsnappen.
Gewend aan ongezonde ernst
durfden kind en kluchtzanger
niet langer met een onnozelheid of lach
te spelen op markt en plein.
In spijkerschrift gevraagd:
Zes poetsvrouwen
om Baäls heiligdom vrij te houden
van builenpest.
dinsdag 25 augustus 2026
Ernst Löw leest een gedicht van Robert Baeken: "Baalbek 2: Verboden visioen"
Baalbek 2: Verboden visioen
Over de bedrieglijke ochtendschemer
en het verzuchten naar vrije luchten
brullen de gebedsheren dagelijks in het oor
welk een verderf het is.
Leg alle leugens het zwijgen op.
Dat de zwakken kruipen met de ouden,
erin berusten dat leven in Baalbek is:
geloven dat zand het bestaan dieper delft.
Zij weten: betoverde vrouwen liegen
over hemelen, zo fabelachtig blauw.
Onmogelijk om door de lucht te vliegen,
te staren in de zon, te dansen op het water.
En waar het sommige honden
wel zou lukken te fladderen in het donker,
zal Baäl, eens de maan gedoofd,
hun vleugels nagelen aan de hemelse poort.
zaterdag 22 augustus 2026
STRIJD (Essay)
STRIJD
Het zelfbeeld
Om
hoogte te krijgen van zichzelf en te begrijpen hoe dat beeld eruitziet, is
het logischerwijze nodig de blik naar binnen te richten, - wat onmogelijk
zou zijn als de innerlijkheid zich niet zou manifesteren als een verhulde buitenkant.
Zo speelt alle leven zich af binnen een entourage, samengesteld uit een ons vertrouwde
buitenwereld en een innerlijk sentiment dat die buitenwereld wekt. Buiten en
binnen zijn onafscheidelijk. Samen vormen zij het geheel van onze gewaarwordingen.
Enerzijds zijn er de zichtbare dingen, anderzijds de individueel gekleurde
invalshoek van waaruit wordt geobserveerd.
Het eerste wat de naar binnen gerichte blik opvalt, is de wisselende
gedaante van die verborgenheid. De ene dag is er volop kleur en vrolijkheid,
de volgende dag droefenis alom. Het heeft wat van kijken naar foto’s uit een
oude doos. Herinneringen en constanten in het eigen gedrag glippen mee naar
binnen, - aangenaam of niet. Afgezien daarvan blijft de vraag: ‘Wie ben ik, wars
van alle karaktereigenschappen?’
Maar voor een vereenzelviging die de actualiteit
overstijgt, zou men uit het causale verband van de kersverse gebeurtenissen
moeten treden: een onmogelijke zaak, daar de zintuigen uitsluitend zicht hebben
op het heden.
Vandaar lijkt ononderbroken aandacht mij de enige manier om tot
zelfkennis te komen. Maar de moeite die men zich bij een dergelijke opdracht
voorstelt, is vast teveel gevraagd. Vergelijk het probleem met dat van een
metselaar die al doodmoe wordt bij de gedachte aan de nakende bouw van een huis.
Nochtans voltrekt de constructie zich ook hier enkel steen na steen.
In plaats in te zetten op waakzaamheid vindt men het handiger de oude fotodoos
weer boven te halen. Deze schijnt genoeg elementen te bevatten om een statisch
beeld mogelijk te maken. Zelfs bij therapieën wordt hiervan gebruikgemaakt.
Daarbij wordt uitgegaan van de veronderstelling dat voorbije levensprocessen,
persoonlijke en familiale ervaringen, specifieke lichamelijke condities of maatschappelijke
invloeden, elk individu maken tot wat hij is. Dit zelfbeeld wordt nog versterkt
doordat oude gewoonten vroeg of laat onvermijdelijk weer opduiken. In de
psychoanalyse ontleedt een bevoegde iemands levensverhaal om op grond
daarvan diens wezenlijke aard te beschrijven.
Een zelfbeeld dat is samengesteld uit oude
beelden wordt, daar er steeds weer nieuwe beelden bijkomen, altijd wel gecorrigeerd
maar is, in vergelijking met het veranderlijke van de blote feiten, toch
overwegend statisch: een eigenschap die velen een psychologisch houvast verleent.
Mensen richten zich op het fysieke bestaan dat in grove lijnen voorkomt als een
voorspelbare continuïteit waarin orde heerst en regelmaat, zelfs al kloppen
deze uitgetekende levenslijnen lang niet altijd met de werkelijkheid.
Eenieder die zichzelf met fijngevoelige aandacht
bekijkt, moet toegeven dat het inderdaad onmogelijk is zich los te zien van
het veranderlijke milieu en de gebeurtenissen. Zo sluipt er altijd wel iets
binnen het totale blikveld waardoor men anders voorkomt. Rekening houdend met
de omstandigheden verschilt elk actueel levensgevoel van alle vorige
gewaarwordingen.
Wel is het mogelijk om gedachten, ervaringen
en gevoelens onder generaliserende noemers te brengen, waardoor zij nader kunnen
worden omschreven, maar ook wel versterkt of zelfs uit hun verband gerukt. De
gewaarwordingen hebben zelf evenwel geen behoefte aan taal. Zij doen zich
voor en daarmee houdt het op.
Dit alleen is al een goede reden om
wantrouwend te staan tegenover termen. Beter dan het woord ‘zelfkennis’ in de
mond te nemen, zou men spreken over ‘zelfwaarneming’. Nog beter zou het zijn
helemaal niets te zeggen. Het innerlijke blikveld biedt immers de enige
ware kennis over zichzelf; ook al is die ondeelbaar verweven met het heden en
de huidige wereld. Bovendien kan aan die kennis, de aard en de reikwijdte van
dat blikveld, onmogelijk uitdrukking worden gegeven. Hiervoor schiet taal
tekort, precies zoals het psychoanalytische beeld als uitkomst van allerlei
samengestelde beelden uit iemands verleden, tekortschiet.
Eigenheid versus modellen
Om hoogte te
krijgen van de unieke structuur die het zelf met de uiterlijke wereld verbindt,
zou men zich beter niet op enige conventie richten. Zo zit mijn eigenheid niet
in een naam, noch in een beschrijving van mijn karakter, noch in het beeld
dat ik van mezelf heb of anderen van mij hebben. Mijn eigenheid is voortdurend
in beweging; daardoor zit zij dieper - of juist minder diep - dan elke vorm
van reflectie.
Als mijn identiteit niet vrij is van kennis
of vaardigheden, als zij niet vrij is van voorstellingen, als ik haar niet kan
losmaken van alle materieel- of geestelijk erfgoed, zoals bezittingen, baan,
dagelijkse gebruiken en dat gemeenschappelijk bolwerk waarmee mijn
persoonlijke levensvorm is vervlochten, dan ben ik het afgietsel van een in
zwang zijnde model.
Zich als een heremiet in een grot
terugtrekken helpt niet om aan dit hele gedoe te ontsnappen. Het lijkt me juist
erg belangrijk zich bewust te zijn van alle individuele banden met de
buitenwereld: zelfs als het zou gaan om valse schijn. Immers, van zodra de
komedie doorzien wordt, houdt alle komedie op. Gekleed lopen wil niet altijd zeggen
dat het daardoor vergeten wordt wezenlijk naakt te zijn.
Door zich gladjes naar de anderen te
voegen, komt een individu al gauw voor als een brave burger. Maar ook dit
heeft niets van doen met eigenheid.
Eigenheid zit in het directe contact met de
ogenblikkelijke gewaarwordingen. Dit contact manifesteert zich niet
noodzakelijk naar buiten. Het is juist een zeer interne aangelegenheid die
voortkomt uit het besef dat jij als persoon ieder ogenblik in een andere staat
verkeert ten opzichte van het vorige moment, waardoor je niet enkel ten
opzichte van jezelf, maar ook ten opzichte van de anderen telkens weer anders
voorkomt. Die anderen passeren wel langs jou, en daarbij voel je je volkomen
vrij om al dan niet in die stroom mee te gaan. Dit betekent evenwel niet dat je
je daaraan conformeert. Terwijl je meedrijft, belet immers niets je van wat jou
overkomt indirect als een unieke waarheid naar de anderen uit te dragen.
Het is begrijpelijk dat als het al enorme
moeite kost behoorlijk met zichzelf te leven, het nog moeilijker wordt om in
harmonie met anderen om te gaan. Een genuanceerde blik is nodig. Dat alle
mensen onderling van elkaar verschillen, maar ook dat zij steeds weer een
tikkeltje anders voorkomen, houdt de spontane belangstelling voor de ander gaande.
In dat geval kijkt men zonder normen te hanteren, zonder dat statische
beelden de blik vertroebelen, zonder te vergelijken, zonder te oordelen.
Wellicht ontstaat er uit deze belangstelling naast verwondering ook empathie,
begrip, mededogen, genegenheid.
Het vermogen tot abstraheren is een
menselijke eigenschap. Het rationele brein legt onophoudelijk verbanden. Het
treedt buiten het heden. Het houdt rekening met het verleden en probeert de
toekomst te plannen. Hieruit zijn allerlei psychologische constructies
ontstaan die ertoe bijdragen om het dagelijkse leven praktisch in te richten en
een geordende samenleving mogelijk te maken. Maar juist doordat dergelijke
abstracties niet altijd netjes zijn afgelijnd en daardoor vaak fout gehanteerd
worden, is het belangrijk te blijven inzien dat het slechts gaat om technische
hulpmiddelen bezijden de waarheid. Want niets schijnt mensen te verhinderen
om zich via malafide gewoonten ongelimiteerd te buiten gaan.
Zo zadelt een individu zich algauw op met
een kant-en-klaar beeld van zichzelf en de ander. Niet langer kijkt hij met een
onbevangen blik. Nee, hij zit met statische modellen waarvan hij overtuigd is
dat de werkelijkheid hieraan beantwoordt. Die beelden kunnen zowel ideaal
zijn als negatief, zowel hoog verheven als platvloers. Doorgaans zijn het modellen
die beantwoorden aan hoopvolle verwachtingen, afgeleid van oudere waarnemingen
en vandaar tweedehands. Hoe minder correct met dit gegeven wordt omgegaan des
te groter de kans dat deze verwachtingen mensen van zichzelf en de ander
vervreemden.
Pas
gevaarlijk wordt het als hele bevolkingsgroepen zich verenigen rond ideeën,
geponeerd als absolute waarheden die het verdienen om collectief te worden
nagestreefd. Er ontstaat dan zoiets als indoctrinatie. Meestal gaat het om populistische
modellen die in staat zijn grote massa’s te beïnvloeden. Zij zaaien
verdeeldheid en geven aanleiding tot bloedige twisten of ‘heilige’ oorlogen,
waarbij de legers aan beide kanten van het slagveld gezegend worden.
Strijd
Nochtans gaan
heel wat individuen er prat op dat zij zich niet door omstandigheden laten dwingen.
Als hen verboden wordt van een appel te eten, groeit de aandacht voor die appel
plotseling mijlenver boven het niveau van de aandacht die deze vrucht in
gewone omstandigheden zou verdienen. Hoe strenger het taboe, hoe
onweerstaanbaarder hij er gaat uitzien. De appel wordt het voorwerp van een
ware verzoeking; het gezonde beoordelingsvermogen dat het sap reeds in de
mond voelt opstijgen, vraagt zich terecht af wat er mis aan zou zijn om de
tanden te zetten in iets wat symbool staat voor alles wat de geest verworpen
heeft zonder dat het van het lijf toestemming heeft gekregen.
Men kan niet zichzelf op een vergulde sokkel
plaatsen en tegelijk beide handen aan het dagelijkse leven bevuilen. Daarom
gaan weer anderen liefst stiekem, met een bocht voorbij het ideale, maar hinderlijke
beeld dat de goegemeente voor eenieders neus in zijn majesteitelijke glorie
heeft opgericht. Ook zij gehoorzamen aan een natuurlijke drang, want het leven
laat zich niet in een hoekje drummen.
Het resultaat is dat allen, door niet te
beantwoorden aan het voorgeschreven model, zich uiteindelijk mislukt voelen. Hun
specifieke menselijk tekort krijgt een naam, wat een soort van diagnose is,
een lelijk brandmerk, een ziektebeeld, een vonnis. Na de goede voornemens kan
de strijd om een ‘beter’ mens te worden overnieuw beginnen. Deze strijd duurt
al zolang als de mensheid zelf. Zo blijkt de wereld nog steeds bevolkt door
grote en kleine mislukkelingen die de verhalen leveren waarmee de kranten vol
staan.
Zolang het menselijke gedrag gericht is op
woorden, beelden, modellen, wordt er geoordeeld. Dit weeft een web van
tegenstellingen waar niemand ooit uit geraakt. Want zoals meestal wordt voorgesteld,
bestaat het goede als een tegenvoeter van het kwade. Zoals licht en duisternis:
het ene dankt zijn bestaan aan het andere, terwijl ook het omgekeerde waar is.
Om die reden zou ieder voor zichzelf beter de
handdoek in de ring gooien door elke schuldvraag van de hand wijzen: het goede
en het kwade als verzamelnamen voor alle ethische, religieuze of
maatschappelijke beginselen. Ten minste zou het goed zijn in te zien dat het
onmogelijk is deugdzaamheid te verwerven zonder het ego op te hemelen.
Leven met de nodige aandacht, waarbij naar
toestanden in zichzelf wordt gekeken zonder ze te formuleren, te vergelijken,
te beoordelen en zonder zich daarbij door andermans kijk te laten beïnvloeden,
kweekt naast een vrije keuze ook persoonlijke gevoeligheid aan. Immers, het
toezien op het eigen gedrag met al zijn wisselende nuances, tekent dit gedrag
ook. Het neemt de ziener zodanig in beslag dat sommige overblijfselen uit het
verleden, zoals schadelijke gewoonten, door in te zien dat ze niet meer zijn
dan het opduiken van herhalingspatronen waarmee genot wordt opgezocht of
innerlijke verveling wordt bestreden, moeiteloos aan de kant kunnen worden
geschoven.
Heel wat modellen komen voort uit historisch-cultureel
erfgoed. Ik ben in België geboren. Daardoor draag ik een pantalon en hemd, al
dan niet met stropdas - geen lendendoek of tulband. Een mens blijkt er zich te
weinig van bewust hoe sterk hij zich daarmee vereenzelvigt. Zich baserend op
het bedrieglijke van de continuïteit, verslapt zijn aandacht en stompt hij af.
Ik merk bij mezelf hoe het hoofd bij het geringste op hol slaat. De geest
kwettert als een mus. De noodzaak dringt zich op die dwingende stemmen tot
zwijgen te brengen.
Het helpt niet om een door de wil gestuurde
act op zichzelf uit te oefenen. Men wordt niet stil na goede voornemens of
overwegingen die zeggen dat het denken moet ophouden. Het gekwetter zwijgt pas
als het wordt opgemerkt, dus terwijl het zich laat horen en, doordat gedachten
alles over jezelf vertellen, daarbij tot het einde toe worden gevolgd.
Genieten
Maar -
fluistert een stem in, - waartoe al die inspanningen? Ben je gek? Genieten is
de boodschap! Een mens leeft maar één keer. Kan jou de waarheid wat schelen. Wat
waar is zorgt wel voor zichzelf!
Al hoor ik hier de echo van de commercie,
deze aanmoedigende stem lijkt een redelijke taal te spreken. Maar over welke
vorm van genieten gaat het? Integer zijn zonder hoop op beloning, straks of in
een hiernamaals, ziet er weinig aanlokkelijk uit. Desondanks blijft elk individu
aan zichzelf verplicht waarheid van begoocheling te onderscheiden. Niet enkel
om het inzicht te verscherpen, maar omdat het anders onmogelijk is ten volle te
leven.
Bovendien is genieten eerder een kwestie van
ontvankelijkheid en eenvoudige smaak, dan van de door de commercie aangeprezen
consumptie. Wie dit inziet hoeft het genot niet eens op te zoeken, want het is
er al. Moet je nagaan, de grootste genoegens liggen voor het rapen.
Lichamelijke gewaarwordingen zijn gratis. Om die reden zou een mens beter
gelukzaligheid vinden in gezondheid en eenvoudige lichamelijke functies, zoals
diep ademhalen en het genieten van zijn omgeving. Eenvoud helpt om een grotere
gevoeligheid hiervoor aan de dag te leggen.
Een mens kan zich volledig ontspannen. Hij
kan uitbreken uit zijn ei. Hij kan vertrouwde denkpistes in vraag stellen. Indien
nodig kan hij de conformiteit verlaten en de grootheid van zijn eigen aanwezigheid
onderkennen, gewoon door zichzelf te zien in contrast met de grote leegte, het
volslagen niets.
Ook al slaag je er niet in je gedachtestroom
in één handomdraai stil te leggen, noch hinderlijke gewoonten met wortel en al
uit te roeien, het blijft steeds mogelijk om zonder tussenkomst van het
opgestoken moraliserende vingertje te zien wat er bij jezelf aan de oppervlakte
drijft. Wellicht bestaat het belangrijkste uiterlijke hulpmiddel er wel uit je
leven te vereenvoudigen, vooral als zich daarin heel wat ingewikkelde bijzaken
voordoen die afleiden van het nauwe contact met wat om je heen gebeurt.
Het is waar: aandacht kost inspanning en
doorgaans wordt die liever besteed aan het verlangen om te beantwoorden aan de
hoopvolle verwachtingen die mensen zich stellen aan de hand van traditionele
denkpatronen over hoe een geslaagd leven er hoort uit te zien. Dit leven bezit
echter een duur die uitsluitend in de verbeelding bestaat, uitgedrukt in
jaartellingen, verhalen, romans, speelfilms of andere droomconcepten; een
spanwijdte die tastbaar lijkt bij het ophalen van herinneringen.
Waarachtig leven bezit echter geen duur, en
vandaar ook geen duurzaamheid. Het kan niet eens écht aangeduid worden. Maar
tegelijk is dit gegeven zoveel meer. Leven beantwoordt nergens aan. Leven is
ogenblikkelijke gewaarwording, telkens anders dan wat men zich hierover voorstelt.
©Robert Baeken –
Augustus 2026