Een huis is wat een schelp betekent voor een slak: anders voor elke bewoner. Van kerker, bewaarplaats voor zieken, heiligdom, tot nest voor elk ei.
Oud geworden draagt het de geschiedenis van families, - begraven of uitgestrooid.
Elk huis leidt zijn eigen leven. Beschermt tegen nattigheid buiten of orkanen van hartstocht binnen. Geeft onderdak aan gruwel en tederheid. Dempt vloeken, spreken, vrolijk zingen.
Een huis drukt een zoen op de lippen bij de deur. Biedt een wachtplaats; vaak met zicht op ‘n broederlijke rij.
Op zijn reizen trekken landschap en
geschiedenis eindeloos de ziener voorbij.
In Venetië onder de scherpe maan
boven de Rialtobrug kan hij getuigen
hoe een Don zijn aanstaande kuste,
waar, na zijn dolkstoot om vermeend onrecht,
een jongen, midden verwijderende waterkringen
zich vergeefs naar de oppervlakte vecht.
Bazuinen klinken bij zijn bezoek aan Karels stad.
Duizend handen hebben de Dom opgericht
vol kerkelijk goud en glorie, wijl zijn jongste broertje
uitgehongerd bezweek onder een slepend gewicht.
Langs de straat treft hij zijn laatste steen
waartegen sindsdien elke hond zijn pootje licht.
Niet iedereen ziet de wolken boven elk verhaal,
zwaar van water, vegend over het kabaal.
Bedankt voor je slag op mijn neus!
Eindelijk leerde ik jouw vuist kennen
en rook ik de bloedspatten op mijn netvlies:
de stank van ons verdurend ongemak.
Waar jij een scheve neus had,
zaten mijn rottende tanden.
Wij konden het niet verhelpen.
Want erger is het schone maakwerk.
Waar jij een konijn kon tekenen, levensecht,
lukte mij vogelzang in kooien aan de wand.
Daarna is een mager applaus gestorven
en dreven wij weg, wrakhout elk zijn kant.
Zonder opsmuk ben ik vandaag gestrand:
Een saaie baai, de bittere leegte.
Pure druil op maandagochtend, - goddank!
Mensen bij de bushalte, hun dagelijkse stemmen.