woensdag 30 september 2026

Ernst Löw leest een gedicht van Robert Baeken: "Baalbek 6. Baalbek na duizend jaar"




6. Baalbek na duizend jaar

Slangen kwamen uit de woestijn gekropen,
toen zwervers Baäl onthoofdden en dat gebroed
vluchtte in de holten van zijn leeggestolen ogen.

Bazuinen bevroren in de harde lucht,
sindsdien beitels slaand tussen de voegen
om plaats te ruimen voor een teer groen zaadje
over de beenderen van al die ’s middags verrast

omarmd als eeuwig parend te rusten liggen:
mannen en vrouwen sinds Baäls laatste orgie,
gebogen over het raadselachtig afwezige raderwerk
dat de hoeren dreef, de landbouwers, en de koningen.

Aandacht wekt de schedel van een kind.
Het ene handje zoek, het andere grijpend in de lucht,
als zocht het nog naar Baäls speelgoed
tussen verbrijzelde schalen neergevallen.

Baalbeks stilte, heden een loodgewicht,
weegt op de laatste bezoeker de vraag
naar gepaste muziek, aangelijmd in de avond.

In Baalbek, de onleesbare ruïne,
wroet ongedierte nu massaal het puin,
tot de komst van een praalzieke nieuwgeleerde
elk dood leven bijzet in het massagraf.

dinsdag 22 september 2026

Ernst Löw leest een gedicht van Robert Baeken: "Baalbek 5: Geschiedenis van Baalbek"




5. Geschiedenis van Baalbek

Waar het Hooglied de hemel bidt
en Baäls spraak verdicht,
volgden de horigen hun leider in de tijd,
elke verovering vermeld als roemrijk wapenfeit.

Nog getuigen bloedstollende volksverhalen
van de dorst hun afgod te horen spreken.
Maar al bezong het schrift troost alom,
Baäl bleef doof en stom.

Levens doven uit. Blijft het monument:
Het verre verleden met grote namen
overdreven beschreven.
Woordjes van geliefden doodgezwegen.

LOTGEVALLEN (Deel 3)

 

Litteken (3)

Op een doordeweekse dag in het voorjaar gaf Moe na lang gezeur van haar twee oudste jongens toestemming om naar de namiddagvertoning van Quo Vadis te gaan: de beroemde historische film, met Peter Ustinov in de rol van keizer Nero. Daar ons jongste broertje last kreeg van beginnend sinusitis kon hij niet met ons mee. Moe had een afspraak geregeld met een gespecialiseerde dokter.

   Wij zaten in de donkere zaal. De Romeinse legioenen keerden terug van een veldtocht tegen Gallië. Onheilspellend gaven de slagen op een trom het ritme aan waarmee de soldaten trots marcheerden, terwijl achter hen knallende zweepslagen neerkwamen op de bebloede ruggen van overwonnen slaven, bezwijkend onder het trekken van zware karren met oorlogsbuit. Klappertandend liet ik me tussen de rijen stoelen wegzinken. Eenmaal weer boven water duurde het niet lang of broer werd door een onbekende fluisterstem weggeroepen. Opeens betraden wij het daglicht. Ik moest weer achteraan op de fiets plaatsnemen zonder dat broer me uitlegde waarom hij daarna huilend als gek in ongelooflijk vliegende vaart de terugweg aanvatte.

   Thuis zat Moe in haar fauteuil te midden van de ontdane gezichten van mijn zussen, familieleden en buren als gebroken te snikken. Pas toen ik boven op het kamertje kwam waar ik ons broertje aantrof met gesloten ogen en zijn handjes gevouwen als in gebed, ben ik op mijn beurt in een onbedaarlijke huilbui uitgebarsten.

   Terwijl ik als in een paniekaanval tussen de rijen stoelen zat ondergedoken, zag een voorbijganger rond datzelfde tijdstip hoe broertje op zijn nieuwe stelten met reuzeschreden over de brede strook tussen de voortuintjes en de rijbaan stapte, plotseling van de hoge stokken sprong, naar de keel greep alsof hij geen adem meer kon krijgen en schreeuwend om zijn moeder naar huis holde. Aan de voordeur viel het ventje stuiptrekkend neer. De voorbijganger veegde zijn lippenschuim af, droeg het levenloze lijfje naar binnen en legde het in de armen van zijn moeder. Zolang het gewicht levenswarmte bleef uitstralen, zolang hield zij haar zoontje smartelijk tegen zich aangedrukt. Tot een buurvrouw zich op de duur genoodzaakt zag hem voor de nodige toebereidselen zachtjes van haar los te weken.

   De daaropvolgende nacht keerde ik in mijn gedachten herhaaldelijk terug naar het zolderkamertje op ons vorig adres waar wij, de drie broertjes, te slapen werden gelegd en waar Moe op een nacht het licht aanstak. Niet zo vreemd dat haar gil mij opnieuw van dichtbij raakte. Twee ratten besnuffelden zijn hoofdkussen en gezichtje wat, gezien wij naast een boerenerf woonden, allicht niet zo ongewoon was. Moe greep haar kleintje om het, zogezegd uit veiligheidsoverwegingen zolang wij ginds woonden, voortaan elke nacht aan haar zijde tussen haar warme dekens te koesteren. Wellicht daardoor kreeg dit opgeroepen beeld voor mij iets van een nare voorspelling.

   De volgende morgen trof ik ons broertje gans alleen in die andere kamer aan. Telkens het door zijn verstijfde houding tot me doordrong dat ik hem spoedig nooit meer zou zien, nooit meer met hem samen te voet langs de in onbruik geraakte tramsporen naar school zou gaan, begon ik langdurig te wenen. Wat ik vooral voelde was spijt voor al die keren ik op zijn vraag geweigerd had met hem te spelen. Door hem ondanks zijn afwezigheid te laten deelnemen aan een race met onze autootjes slaagde ik erin mezelf te troosten. Hij de gele, ik de rode. En anders dan vorige keren keer bleek geel die dag het snelst.

   Achter mij werd de radio opengedraaid. Onthutst omdat het leven ondanks alle rampen gewoon doorging, hoorde ik het nieuws.

 

 

dinsdag 15 september 2026

LOTGEVALLEN (deel 2)

 

Jongensavonturen (2)

Tussen mij en mijn één jaar oudere neef Johan is nooit zo‘n groot woord als ‘vriend’ gevallen. Wij verstonden elkaar. Deelden als jongens dezelfde avonturen, dezelfde dromen. Zijn vader was conciërge in een lagere school, wat betekende dat wij op vrije dagen gebruik maakten van de verlaten, met reusachtige notenbomen overdekte speelplaats. Evenwijdig daarmee bevond zich een hangar waar we onze opwindende spelen bij regen of sneeuw gewoon konden voortzetten. Nog zie ik Johan met grote snelheid achter mij aan fietsen, zwaaiend met zijn krom zwaard dat hij tevoren handig uit een dunne plank had gekerfd. Na zichzelf schreef hij me in als het tweede lid van zijn padvindersclub. Zo maakte hij mijn hoofd dol met het idee dat wij op een dag samen in de bossen zouden kamperen. Hiervoor stelde hij een inventaris op van alle benodigdheden, zoals een bijl, twintig meter touw, veiligheidsspelden, een hamer. De veiligheidsspelden en meters touw hadden we al. Dankzij de regelmatige bijdragen van het lidgeld zouden we mettertijd, naast een tent, alle benodigdheden in een grote kartonnen doos stoppen.

   Op een keer daagde nog een neefje op. Ook hij werd prompt ingeschreven en van zijn zakgeld beroofd. Maar hoe bereidwillig hij aanvankelijk ook overkwam, het liep slecht af. Ofwel had hij te zwaar met zijn pistool op Johans hoofd getikt, ofwel had ik hem, zoals al eerder was gebeurd, onvrijwillig verwond door het gooien van een gehalveerde baksteen tegen zijn jukbeen. Het incident eindigde met tranen, woeste kreten, heen en weer gestamp en de onmiddellijke ontbinding van de club. Woedend werd het zakgeld teruggegooid, het touw in drie stukken gehakt. Wij vonden het dadelijk jammer, maar onze koppigheid maakte het op dat ogenblik onmogelijk aan de ander toe te geven.

   Dat ik me de volgende zondag aansloot bij een plaatselijke jeugdbeweging heette allicht geen toeval. Gekleed in korte broek, groen hemd en gele das trokken we wekelijks door de bossen: avonturiers, op strooptocht door een ontoegankelijk woud, met indianen op de loer om ons onverhoeds aan te vallen. Stonden we voor een beek, dan werd die hindernis overwonnen door een manhaftige sprong of, zoals het helden past, er doorheen te waden zonder eerst onze schoenen uit te trekken.

   Minder opwindend waren de dagen dat het zo fel regende dat we in onze lokalen bij het oude speelgoed bleven, strips lazen, of naar de enige rolprent keken die de Chiro rijk was: een druk joelende cowboy- en indianenfilm met de toen bekende acteur Roy Rogers. Wij hadden de film al zo vaak gezien dat de leider de spoelen omdraaide, zodat we alle bewegingen, zoals paardrijden en met revolvers schieten, tot eenieders jolijt achterstevoren konden bekijken. Alles liever dan tijdens het lof een uur in de kerk doorbrengen, waartoe de geestelijke Chiroleider, een bruine pater, zijn jongens af en toe verplichtte.

   Elke zomer gingen we gedurende tien dagen in bosrijke Limburgse gebieden kamperen. Wij sliepen op strozakken in groepstenten. Vroeg in de ochtend werden we door hoorngeschal gewekt. Hoewel de lucht koud was, deden wij gymnastiek in bloot bovenlijf. Daarna begaven we ons naar een als kapel ingerichte tent om er de mis bij te wonen. Tijdens een heftige preek had de pater de hele tijd zijn mond vol over onze roemrijke Vlaamse bodem. Daarna ging het over Christuskoning - een krachtige, erg Vlaams klinkende benaming voor Jezus die minder zoet overkwam. Terwijl hij ‘zijn jongens’ van diens grootheid probeerde te overtuigen, wachtten wij op alles wat na zijn toespraak zou gebeuren. Ontbijten aan een primitieve tafel. De tent ordenen. Zich aandienen voor karweitjes, zoals hout hakken voor het kampvuur, of water putten bij de dichtstbijzijnde hoeve. Elke dag trokken wij eropuit. Beklommen heuvels, doorkruisten weilanden, akkers, dichte bossen, marcheerden vele uren langs eenzame wegeltjes. ’s Middags hielden we halt, liefst aan de oever van een rivier. Eenieder pakte zijn eigen aan de broeksriem bungelende dolk of zakmes om het brood in plakken te snijden.

   Ondertussen wierp het werk van Moe zijn eerste vruchten af. Het begon met de aankoop van een groot automatisch toestel dienend als hulp voor het huishouden. Verbaasd keek ik in de geopende bovenkant en zag hoe vuil linnen, zonder dat er een hand aan te pas kwam door een schijf met rechtopstaande vleugels draaiend in een metalen trommel, krachtig heen een weer door het sop werd geslingerd. De volgende stap was een chique personenwagen. Een Amerikaanse Dodge nog wel. Weliswaar tweedehands gekocht, veranderde dit ons armmoedig bestaan in snel tempo. In plaats van thuis te naaien, greep Moe de kans wekelijks breigoederen aan te kopen in grote confectiemagazijnen te Sint-Niklaas. Als gevolg van het vroegtijdig overlijden van haar man trok zij op een dag van de overheid een flinke som achterstallige gelden. Hiermee kon het nieuwe huis dat ze al zinnens was te laten bouwen, gedeeltelijk worden gefinancierd. Toen ik een paar maanden in het vierde leerjaar zat, was het zover. Wij verhuisden naar de rand van Oud-Turnhout, een naburige gemeente, vanwaar we naar andere filialen van dezelfde rijksschool werden gestuurd.

   Ik nam achteraan in de klas plaats. De jongen naast me had als bijnaam ‘de Snoek’. Hij blonk uit in krachttoeren die niets met de lessen te maken hadden. Alle jongens liepen een eindje om, als hij eraan kwam. Liever dan deze vernederende situatie te ondergaan, kreeg ik een pak slaag. Eens nadat ik hem een beentje had gelicht, bleef ik pal staan om zijn aanval af te slaan. In dat ene moment waarop hij met dreigend armgezwaai op me af kwam, ontdekte ik het trucje om hem van schrik te doen verlammen. Door een gelukkig toeval keilde ik hem direct over de vloer. Noodgedwongen, doordat wij op de speelkoer elkaar dagelijks op leven en dood in de haren vlogen, om daarbij steeds afwisselend het meesterschap van de ander te ondervinden, eindigde dit door tegen wil en dank elkanders maatje te worden.

   Ons nieuwe huis was een doolhof van gangen en ruime, stille kamers. Hoewel Moe haar luidruchtige stadskinderen had gevraagd minder lawaai  te maken, had ik de indruk dat wij door die stille omgeving daar vanzelf toe neigden. Wij liepen in de met hoog gras en onkruid begroeide tuin en keken naar de noeste werkzaamheden van onze buurman, bezig vettige grond om te spitten. Zonder iets te zeggen, blikte hij even opzij om onze gezichtjes te bekijken. Ik kan me best voorstellen dat wij, het rijtje achter de lage heg, evenmin iets zeiden. De natuurlijke glimlach van een groepje kinderen werd hem als een gratis ruiker toegesmeten, zonder dat het zwoegen ophield. De buurman had een dochter van mijn leeftijd. Laurette heette het kind, een droomprinses. Zij had immers nooit vuile handen of knieën, zoals wij. Zij leefde hoog in haar ivoren toren waar ze na schooltijd roerloos zat te studeren of onze wilde spelen met een stil, verdrietig oog gadesloeg.

   Achter onze tuin strekte zich een immens landbouwgebied uit. Veel van mijn nieuwe vriendjes waren zodanig met de natuur verweven dat zij als hobby zelf een groentebed onderhielden, konijnen fokten, de koe molken, in hoge bomen klommen om eksterjongen uit het nest te roven of zeldzame vogeleieren aan hun diverse verzameling toe te voegen. Het duurde niet lang of ik timmerde onder ons afdakje op mijn beurt een hok voor twee konijnen. Een witje en een bruintje. Hoewel ze van mij dagelijks meer dan genoeg vers gras te eten kregen, wisten ze om de haverklap naar de tuin van onze buurman te ontsnappen. Lastig. Want voor mij was hij een nette burger die behalve dat hij kanarievogels kweekte, jaarlijks aardappelen voor eigen gebruik rooide. Zijn knappe vrouw stond de hele dag met een emmer, dweil en borstel in de hand. Door hun nette manieren voelde ik de plicht me even afstandelijk te gedragen. Zo had deze houding minder te maken met hun rijke aardappeloogst dan met het groene lover dat in hun tuin in netjes afgemeten rijen boven de grond uitgroeide en waar mijn konijnen het zo op gemunt hadden. Ik zie nog hoe hij en ik, sluipend zonder een blaadje te verroeren, op één stap van bruintje genaderd waren. Uit eerbied voor het aardappelloof, wat zowat hetzelfde betekende als mijn eerbied voor zijn persoon, durfde ik, afwachtend wat hij zou doen, geen eerste sprong wagen. En bruintje maar vreten ondertussen. Dan gebeurde iets wat ik niet had verwacht: buurman stortte zich met gestrekte armen over het gave lover neer. Desondanks kon het diertje nog op het nippertje van tussen zijn grijpende vingers ontsnappen. Verslagen of diep vernederd, zo leek me, bleef hij op het verpletterde groen liggen. Het speet me enorm; vooral omdat het mijn konijn was.

   Geleidelijk aan kwam ik op de leeftijd dat ik het verschil tussen jongens en meisjes ontdekte, wat maakte dat mijn omgang met het andere geslacht veranderde in een boeiend spel van ontmoetingen op een verlaten karspoor, waar het rook naar koemest en avonddauw. In het donker drukten wij onze lippen hoofs tegen elkaar, wisselden liefdesbriefjes uit, bootsten het gedrag van volwassenen na, zoals we dat gezien hadden op het witte doek of in het dagelijks leven, waarbij de mannen zich in de liefde meestal zachtaardig, ridderlijk en onbaatzuchtig gedroegen. In schril contrast hiermee vertel ik een bijzonder voorval dat plaats vond in de Liereman, een moerassig gebied waar ik in het gezelschap van enkele dorpsjongens en een buurmeisje als een ontdekkingsreiziger vergeefs op zoek gegaan was naar de bronnen van de Aa, - een riviertje dat door het dorp stroomt om verder in de Nete uit te monden. Tegen het donker trokken wij in de richting van de kerktoren naar huis. Zonder dat ik ervan op de hoogte was, hadden de jongens het plan opgevat om het meisje ‘keizerin’ te maken, wat erop neerkwam haar tussen de verlaten struiken vast te grijpen en haar broekje uit te trekken om te zien wat daar precies onder zat. Hoe graag ik ook had meegekeken, toen het kind luid spartelend alarm sloeg, wierp ik me van mijn kant op als een koene ridder, precies zoals Don Quichotte in mijn gelijknamig stripverhaal ook deed om zijn geliefde Dulcinea tegen bandieten te beschermen. Na een flinke dreun op mijn neus liet ik me als bewusteloos op het mos vallen. Afgaand op de geluiden richtte ik mijn hoofd pas na een veilige pauze weer op om tot mijn plaatsvervangende schaamte vast te stellen hoe mijn belager, omringd door zijn nieuwsgierige bende, zijn elfde vinger voor het buurmeisje ontblootte. Zij zat op een boomstronk en keek met gretige, medeplichtige blik naar zijn ‘vuile manieren’ die, hoewel ik me met dodelijke schrik voor het hellevuur aan dezelfde schandelijke maar onweerstaanbare lusten overgaf, achteraf ook mij steeds weer met schuldgevoelens vervulden.

dinsdag 8 september 2026

Ernst Löw leest een gedicht van Robert Baeken: "Baalbek 4: Schavot"




Baalbel 4: Schavot

Gister werd een verrader betrapt.
Tussen twee beulen opgebracht
gaapte zijn mond zwart.
Een overreden kat.

Lust bestreek nieuwsgierigen onderaan.
Eens Sultans strop omgedaan
loeide hun keelwind massale stemmen,
kwaadaardig en vol beschuldiging.

Anoniem kwam hij ten val.
Zijn stinkend vlees gebracht
naar een stortplaats voor gieren
ver buiten Baalbeks sinistere wal.

Dieper geschroeid dan zijn vergrijp
stonk Sultans brandmerk het vel.
Verbeurd het leven in schone schijn,
ligt hij ginds Baäl lasterlijk te zijn.

zondag 6 september 2026

ROBERTS LOTGEVALLEN

EEN GESCHIEDENIS VAN HET LOT

Autobiografische notities te lezen als een wekelijks vervolgverhaal waarin de auteur  afrekent  met enkele gebeurtenissen uit zijn jeugd.

 

Eerste schooldag (1)

In mijn herinnering bestaat een grijze ochtend tegen het einde van de zomer. Aan de zijde van mijn grote broer liep ik de wijde wereld in. Wij passeerden fraai onderhouden straten die ik nooit eerder gezien had. Enkele maanden tevoren waren er verkiezin­gen geweest. Tegen deze muren kleefden geen half verwijderde aanplakbiljetten met nummers van politieke partijen, zoals in onze buurt.

   Wij passeerden een driehoekig pleintje met in het midden een arduinen sokkel waarop een oorlogs­monu­ment: een zwarte beeldengroep van neerstuikende soldaten tegen een kluwen van engelen met triomfantelijk in de hoogte gestoken bazuinen die, mits wat verbeelding, door opstotend geschal de overwinning voorstelden.

   Meer belangstelling had ik voor de rondrijdende treintjes­ achter de uitstal­ramen van een speelgoedwinkel, op een steenworp daarvan. Na het oversteken ving ik een glimp op van een kasteel met brede slot­gracht waar, zoals broer me vertelde, volgende zondag een honderdjarige werd gehuldigd. Zijn ver­dien­ste be­stond eruit dat hij op 11 september 1849, niet lang na de val van Napoleon, zou geboren zijn.

   Het overdadige pleisterwerk van de deftige herenhuizen bedrukte me. Op onverklaarbare wijze bracht ik hun voorgevels in verband met de hangende kwasten op de epauletten van maarschalken, zoals te zien in mijn verzameling prenten van  Historia rond diezelfde Napoleon. Hun gezichten wedijverden in gestrengheid, vervul­den me met het beklemmende voorgevoel dat ik dra aan dergelijke onbuigzame bestuursorganen gehoor zou moeten geven.

   Langs diezelfde slotgracht bereikten we de school: een grauw bolwerk met de gekleurde glasramen van een kapel aan de buitenkant. Nog angstiger werd ik toen broerlief me via een hol klinkende lange doorgang naar een geplaveide binnenplaats leidde waar zich een menigte jongens had verza­meld. Broer liet mijn hand los en holde naar zijn voetballende kameraden.

   Aan mijn lot overgela­ten, bleef ik bedrem­meld staan en keek rond, verloren te midden van oor­verd­ovend gejoel dat huilend neersloeg tegen de sombere klaslokalen waar een kloosterbroeder straks de plak over ons zou zwaaien. Rijen grote knullen wedijverden met elkaar in hoogspringen. Zij waren hier al goed thuis. Ik zag de kuif van een branieschopper tijdens zijn sprong hoog boven de hoofden flitsen. Een innerlijke stem fluisterde me in dat ik anders was dan de anderen, hulpeloos en alleen. Want alle ande­re jongens lachten, renden zorgeloos in het rond, voetbalden, sprongen haasje-over.

   Het gejoel verstomde en een samenscholing stoof in paniek uiteen. Daar kwam een broeder aanlopen. Zijn gestalte even breed als hoog. Enorme sandalen legden de nadruk op zijn onbehouwen reuzenschreden en bleke voeten onder de zwarte pij. Het was of vlak voor mij de kop van een gek geworden nijlpaard druisend boven water kwam. Een opengesperde muil waarin weinige bruine tanden, spatte overdadig speeksel en loeide: ‘Wat vuile manieren!’ Ik gluurde naar het grauw van de weergalmende muren. De klem­toon op ‘manieren’ wekte het geluid van knarsende ketens en een ijzeren slot dat met harde klak dichtsloeg. ‘Vuile manieren’, daar had ik nog nooit van gehoord. En daar­na spuugde diezelfde speekselkrater weer van ‘goede manieren’. Ook dat voorspelde weinig goeds. Volgens mij had het te maken met de opgedofte schouderstukken van de patriciërhuizen. Een ruwe korst binnenin schuurde tegen mijn borst.

   De bel ging. Onder het toeziend oog van een lijkkleurig klashoofd, wijd bemanteld in zwarte pij, betraden de in dodelijke stilte gehulde belhamels het klaslokaal. Vanaf hier ademde ik een vervaarlijke, met giftige ernst vermengde nabijheid in. Tegen die dreiging was het gek geworden nijlpaard nog een lieverdje.

    Zo gauw de laatste jongen neer­zat, stelde het bleke doodshoofd doodernstig de vraag wie van ons later ook een zwarte pij wilde dragen. Daar er tus­sen het ernstige hoofd en mij, op de laat­ste bank achter­aan, op slag evenveel handen als leerlin­gen de hoog­te in schoten, bleek ik de enige die niet zo van het prettige van het broederschap was over­tuigd. Het deed de ronde dat het doodshoofd zo hard kon bulderen dat de muren ervan barsten. Mijn glurende ogen ontdekten inderdaad een verdacht spoor in het pleisterwerk.

   ‘Ernstig nu! Vouw beide armen bovenop de lessenaar!’

   Vermoedelijk was mijn blik niet ernstig genoeg; of anders vond de lijkkleurige de gezonde blos op mijn wangen verdacht. Want de volgende dagen leerde ik wel rekenen, schrijven en lezen, maar minder vlot dan de anderen. Volgens mijn eerste cijfers was het doodshoofd ervan overtuigd dat stomme kalveren niets op school te zoeken hadden. En ik had er inderdaad de pest in. Elke morgen als ik de grauwe vesting naderde, voelde ik in mijn beklemde binnenste alweer het schuren van de harde korst.

   Op een mooie dag weigerde het knaapje naar school te gaan. Hij stond op de drempel aan de voeten van een vrouw, dagelijkse hulp in het huishouden. In zijn geheugen staat zij daar nog: zonder naam, zonder aangezicht. Achter haar jurk haalde een kwaaie hand scherp uit naar zijn appelwangetjes. Als de bliksem schoot het ventje de kamer in, maar de raak zwiepende hand volgde zijn vlucht tot de verste hoeken van het achterhuis. En hoe het rebelse joch doorheen een vloed van snot en tranen ook krijste, het ontving nog meer striemen; tot het met zijn schooltasje onder de oksel murw op de str­aat­keien belandde.

   De volgende morgen, vlak voor zijn vertrek naar school, vond het jochie plotseling geen steun meer in de knieën. Zijn bovenlijf gleed als een zak meel over de drempel. En hoe vrese­lijk het kind ook zijn best deed, het raakte niet over­eind. Een dokter kwam er niet aan te pas. Zijn oudste zus die, opdat iemand het huishouden moest doen, een jaar vroeger van haar schoolplicht was ontheven, legde  uit dat hij als gevolg van zijn groei water in de knieën had. Het dertienjarige meisje reikte hem zijn collectie aan: een schoen­doos vol afbeeldingen van bekende wielren­ners die, net als de prenten van Napoleons entourage, van tussen verpakte chocoladerepen kwamen. Zij tilde haar broertje op en bracht hem naar de bank midden een zonni­g plekje in een door muren omsloten lap zwarte aarde.

   Va was al twee jaar dood. Voor Moe die op haar dertigste met vijf nakomelingen achterbleef, begonnen harde tij­den. Deze moeilijke omstandigheden brachten haar tot een zekere heldhaftigheid, temeer daar zij geen andere relatie meer wenste aan te knopen.

   Jaren later zou ik van een tante vernemen dat Moe het risico wou vermijden dat een vreemde kostwinner voogdij over haar kinderen zou krijgen. Wij zaten in de bus van Antwerpen naar Turnhout. In één adem voegde zij eraan toe dat mijn ouders elkaar buitensporig hadden liefgehad, - wat voor Moe de doorslag gaf om in haar eentje verder te boeren.

   Zoals bij de meeste levensmiddelen bleek tijdens die eerste jaren na de oorlog ook de vraag naar kleding groter dan het aan­bod. Moe kwam uit een kleermakersgezin en zij had die nood goed begrepen. Hoewel zij als kind tegen haar zin had leren naaien, heeft zij in haar leven nooit veel anders gedaan. In Antwerpen kocht zij stoffen op de rol die zij thuis verknipte, aan haar voetmatig aangedreven naaimachine as­sembleerde en achter een onooglijk kraampje op de openbare markten te koop aanbood. De verkoop liep op wieltjes. Maar dan moest er na haar thuiskomst elke middag weer tot diep in de nacht tegen een razend tempo ge­knipt en genaaid wor­den. Bewonderenswaardig vond ik de marskramer die zo met haar lot begaan was dat hij achteraan tussen de hoge stapels schoendozen in zijn camionette een open plekje ruimde zodat zij er met haar bundel opgevouwen koopwaren kon plaatsnemen. Op dagen dat zulks onmogelijk was, legde zij haar gerief in een kruiwagen en bracht het te voet naar het station, waar een tram haar en het hele boeltje naar de markt in een naburige gemeente voerde. Mijn oudste zus, een groot kind, bracht de lege kruiwagen weer naar huis. Eens vertelde zij me over haar schaamte telkens zij op straat een opgedirkt vriendinnetje tegenkwam. Voor mijn part mocht ook zij een medaille voor bewonderingswaardigheid opgespeld krijgen.

   Het spreekt vanzelf dat Moe geen tijd had om ons bij huistaken bij te staan, zoals dit wél gebeurde bij de andere kin­de­ren, aangezien toentertijd weinig huismoeders uit werken gingen. Daardoor gaat me vandaag een licht op over haar motief om ons al bij klaarlichte avond naar bed te sturen: dan kon zij ongestoord werken. Het volkse gezegde dat kinderen voor hun gezondheid vroegtijdig in bed horen, vond bij haar meer gehoor dan de mening dat een te lange nachtrust hun ontwikkeling kan schaden. Ik gaf dat eerste gezegde groot ongelijk. Zolang het gejoel van spelende kinderen op straat te horen was, raakten wij immers niet in slaap. Daarom probeerde ik me, van zodra het duisterde, te verstoppen. Op een winteravond gebeurde iets merkwaardigs. Terwijl het gezin gezellig rond de kachel zat, had ik me achter de rugleuning van een fauteuil geprangd. Vandaar hoorde ik mijn oudste broer pochen dat hij op beide handen kon lopen. Hoewel ik vanaf dat lage plekje enkel de onderbenen van mijn moeder kon zien, moest ik zijn prestatie voor waar aannemen. Want mijn grootvader die toevallig op bezoek was, reageerde verschrikt: ‘Jongen, pas op! Val niet om!’

   Voor de eerste keer verzamelde ik mijn indrukken alsof het ging om de totaalsom van een bewuste droom. Niets ontsnapte me. Ik wist dat Moe volop bezig was aan de keukentafel een patroon uit te knippen. Ik verwachtte dat ze de fauteuil elk ogenblik van de muur weg zou schuiven. Ik proefde de ganse sfeer en stelde me voor dat dit geheel zolang ik leefde zou voortduren, - weliswaar telkens met andere beelden en sferen, maar wezenlijk onophoudelijk puur en hetzelfde.

   Van zodra zich na deze buitengewone ontdekking een gunstige gelegenheid voordeed, gleed ik als een schim naar buiten en vond een plekje bovenop de vliering van een afgedankt varkenshok. Andere beelden en een andere sfeer, jazeker; maar dit keer voelde de ligplaats zo hard, ongezellig en koud, dat ik algauw opkraste. Behalve op zijn handen lopen, kon mijn oudste broer in zijn bed naast het mijne, ook de dramatische cowboyliedjes uit High Noon nabootsen die wij op een plaat hadden. ‘Do not forsake me oh my darling!’ Misschien konden wij een duet vormen?

   's Morgens trof ik mijn boekentasje in dezelfde hoek van de kamer waar ik het daags voordien na school­tijd had neergeworpen. De leer­stof van de doodskop kwam me de strot uit. Nooit had ik met zijn dorre letters en cijfers leren omgaan: op een spee­lse wijze, zoals kinderen graag rond een bal huppelen. Daar ik de twaalf artikelen van het christelijk geloof niet kon afdreunen, moest ik alleen na­blij­ven.

   'Begin opnieuw! Opnieuw! Ja weer!'

   Terwijl ik voor de zoveelste keer de artikelen afhaspelde, leidde een gereutel mijn aandacht af. Uit een duistere spookhoek trad de zwarte gedaante met doodskop. Mijn oog viel op de blin­kende, voor zich uit gestoken punt van een zakmes.

   Mogelijk zou het joch erin ge­slaagd zijn alle arti­kelen tijdig af te ronden. Maar zijn adem stok­te. Voor zijn voe­ten opende zich een bodemloze diepte. Niet enkel liepen de knieën weer vol water. De ruwe korst reet zijn lijf helemaal open! Het stikkende knaapje had zich niet vergist, - niet in de deftige stadsgevels, niet in de opgedofte uniformen van Napoleons legerofficieren, niet in deze sombere school.

   ‘Ach ja, op de keper beschouwd waren die broeders ook maar stumperds,’ legde ik mijn tante later in die bus naar Turnhout hun frustraties uit. ‘Levenslang te zijn opgesloten in een naargeestig gebouw en lijdend onder het celibaat. Hun was een droevig lot beschoren.’

   Op ’n heldere voormiddag rolde er een druppel inkt uit mijn pen, zomaar midden mijn geopende schrift. Nu ging de doodskop zo te keer of ik de schande van mijn moeder was. Loerend naar de barst in het pleisterwerk kwam het me voor dat die heus wijder werd. Voor mijn straf werd ik wande­len gestuurd: vijf keer heen en weer over de speel­plaats die volliep met toekomstige dragers van de zwarte pij. Maar eerst scheurde het welgemanierde doodshoofd de kladvellen uit om ze duidelijk zichtbaar aan de re­vers van mijn jasje vast te spelden.

   Door dit uithangbord van de schande werd ik nog stommer dan een kalf. Zoals de wrede jongens met hun gladde spekgezichten me op de speelplaats vanaf een veilige afstand beschimpten, stonken de kladvellen naar viezigheid. Naast oliedom bleek ik besmettelijk, onwaardig gelijk een kruipende mestkever.

   Op een keer, toen Moe bemerkte dat ik tijdens mijn huiswerk hopeloos in tranen schoot, boog zij zich mee over het vraagstuk en legde me in één handomdraai de wiskundige regel van drie uit. Moe had mijn nood aangevoeld. Zij en de brave huishoudster Nette waren het met elkaar eens dat ik ongewoon veel huilde. Nochtans vonden zij me niet onhandiger of dommer dan mijn broertjes en zusjes. Van zodra de gelegenheid zich voordeed, stuurde zij me naar een naburig wijkschooltje van het rijksonderwijs.

   Hier bestonden de klaslokalen uit eenvoudige paviljoentjes. Een met metaalgaas afgespannen zandplein deed dienst als speelplaats. De kinderen werden niet gedwongen tot voetballen of hoogspringen, maar mochten doen waar ze zin in hadden, zoals knikkeren in het zand. Belangstelling voor de leerstof laaide helaas niet in me op. Geluk­kig kweten de leerkrach­ten zich bescheiden van hun taak. Zelfs als deze huisvaders uit kinderboeken voor­lazen, ge­beurde dit even betoverend als gewoon, zonder de mond vol te hebben over ‘manieren’, en zonder de kinderen door gestrengheid te belet­ten met deze verhalen weg te dromen. 

dinsdag 1 september 2026

Ernst Löw leest een gedicht van Robert Baeken: "Baalbek 3: De ziekten van Baalbek"




Baalbek 3: De ziekten van Baalbek

Angst voor Baäl boog elk ja om naar nee.
Oprechtheid drukte een gewicht in de keel.
Lepra vrat elke dag een zielenpoot.
Weinig verweer tegen de vloek aan elke deur.

Het bevel bond ooglappen voor,
maakte de slaven zoals hun paarden,
klaar voor de krijg, de speren spits
tot behoud van de dagelijkse sleur.

Geregistreerd het ziekelijk verraad
van zonen en dochters om zo vaak
ontucht te bedrijven dat het traditie werd,
waaraan nog moeilijk te ontsnappen.

Gewend aan ongezonde ernst
durfden kind en kluchtzanger
niet langer met een onnozelheid of lach
te spelen op markt en plein.

In spijkerschrift gevraagd:
Zes poetsvrouwen
om Baäls heiligdom vrij te houden
van builenpest.