zondag 17 mei 2026

Ernst Löw draagt "De Heilige Koe" voor



De heilige koe

Prikkeldraad begrenst haar leven
tot een mager vierkant:
de aanzet om haar tong
naar de groene rand te steken.

Ik spring over en voel
na de slag op de grond
haar last van de jukdrager,
log, aan beide kanten zog.

Elk uur kauwend,
winter en zomer,
graast de koe eentonig
morgen als vandaag.

Zonder ooit in haar ogen
het schichtig verlangen
in de lente te steigeren
als een briesend paard.

Van voorste wervel tot staart,
rijk ingeblikt voor volgend jaar,
herkauwt zij zonder deren
de rust van aarde en het groen.

Vandaag al, morsdood, kijkt
zijne heiligheid me aan;
keert niet eens het hoofd
naar mijn voorbijgaan.

dinsdag 14 april 2026

Les seins aux fleurs rouges

 

Les seins aux fleurs rouges
 
Zij bracht een schaal vol rode bloemen,
glimlachte bescheiden, haar overvloed
reikend met een nederig gebaar.
 
Stralend vanaf bronzen schouders
rees haar hals tussen zwart vallende haren.   

Zij suste een ogenblik haar overmoed
terwijl haar ogen peilden het peilloze
om onbewogen, met lippen zacht uiteen,
haar volrijpe borsten te tonen:
 
het tederste fruit, ooit aangeboden.
 
Haar nobel voorhoofd
bewaarde kalm de armlange afstand

tegen het dorpsgefluister
van haar aanleunende zus,
 
kijkend naar de blanke veroveraar.
 
PS. Voor wie dit geschilderd tafereel
met eigen ogen wil beleven:
het doek hangt tegenwoordig
in New York, Metropolitan Museum,
Ondertekend: Paul Gauguin.


woensdag 25 maart 2026

Ernst Löw leest Buurmeisje



Buurmeisje

Beschut door een muurtje naast 't riool.
zaten wij tussen afval en opgeschoten onkruid.
Baksteen en halve kapstok dienden als goal.
Nat bukte het kale plein onder avondlijke druil.

Jij was een volbloed, een koningsdochter
van Attila de Hun, barbaars: met hoge jukbeenderen.
Een wijde lach vol tanden, blinkende ogen,
mager van de honger naar 't leven dat komen zou.

In mij gleed een wolk van onzegbare droefheid.
Ik zag en hoorde, tussen ons zouden zich hoog stapelen:
nutteloze jaren van roest en dikke lagen mos.
Dus vergeef ons dat wij verder niets te zeggen hadden.

Welja, het plein sindsdien volgebouwd
met huizen, propere gezinnen.
Daar lopen nieuwe mensen in en uit kantoor,
Welbespraakt, redelijk. En beschaafd, zoals ik hoor.

Deze laatste herfst heb ik jou nog eens teruggezien:
tussen een geruisloze lawine van blauwe kerkhofsteen
en bedolven onder de schaduw van een kruis
kletste jouw vlakke beeltenis een hand in mijn gezicht.

De verzadigde glimlach van een toegenegen Oma.
Rond brilletje, ronde kin. Einde verhaal.
Voor zoveel schoons was ik evenwel niet klaar.
'T is waar: de dorpsdichter had weinig te vieren.

De ouwe kijkt naar 't vuurwerk met Nieuwjaar.
Ook klapt hij vrolijke handen voor wie 't horen mag.
Maar janken doet hij om niks, zoals na zijn val in de goot
en ook de volgende dag, mankend op één poot.

dinsdag 24 maart 2026

Ernst Löw leest Turnhout, anno 1950



Turnhout, anno 1950

Huizengevels zijn als gezichten van mensen.
Zij kunnen zowel armoedig als statig zijn,
getaand of protserig behangen met juwelen zwaar,
uit interbellum, kaal, of met de schijn van dik haar.

Een verdwaalde knaap snuift straten op,
herinnert zich voorbije deuren.
Of waren het oren? Neuzen?
Niet vervlogen is de stalgeur uit zijn jeugd.
Waar zijn de jongens en meisjes? De oude muren?
Het hart blijft kind. Bewaart de harde leerschool,
rond de wieg waar hij zijn eerste stapjes liep
tussen de kaartspelende, doodgevallen bewoners.

De metselaars blijven jong door fluiten.
Tussen andere levens zonder naam
verzamelt hij wat in hem niet is uitgedoofd:
stukken van een legpuzzel.

Zelden zucht hij tegen een mankepoot
op leeftijd dit verhaal: Weet je nog?
De eerwaarde, - braaf bekend, ronde bril, -
hield met stompje potlood onze boeken bij.

Gelukkig zijn er nog herkenningspunten:
aanblazende wolken, spitse ochtendgeluiden,
het koppig blinken van Vlaamse keien,
elke wegbeschrijving naar moeder en vader.

De gevels leunen tegen elkaar, zoeken troost.
Bepleister hun huilen tot een volgende eeuw.
Hier vergoot een vriendje zijn tranen.
Gezichten, - lach na zo lange onverschilligheid.

woensdag 11 februari 2026

AANHEF

Vanmorgen heb ik moeders lied
te vondeling gelegd.
Spijts de ouderwetse woorden
klonk de aanhef goed.
 
Op een verlaten pad doorheen de mist
zou de zang niet van mond tot oren gaan
maar in een schijf zon blijven staan,
roerloos en doof afwezig.
 
Ook dat nog: mijn stem stokt.
De vrieslucht in mijn borst
beslaat de damp tot een ijzeren korst.
Ik houd mijn mond en laat gebeuren:
 
de doffe stilte bezijden vette weiden,
met molshopen waar hoog daarboven
een vlucht verspreide vogels glijden
naar de wijds gevlamde dageraad.
 
Eén lijkt cirkelvormig terug te draaien
om mij uitnodigend toe te kraaien.
Het kon de vondeling en helaas
moeders laatste dood niet meer baten.