Buurmeisje
Beschut door een muurtje naast
't riool.
zaten wij tussen afval en
opgeschoten onkruid.
Baksteen en halve kapstok
dienden als goal.
Nat bukte het kale plein onder
avondlijke druil.
Jij was een volbloed, een
koningsdochter
van Attila de Hun, barbaars: met
hoge jukbeenderen.
Een wijde lach vol tanden,
blinkende ogen,
mager van de honger naar ‘t leven
dat komen zou.
In mij gleed een wolk van
onzegbare droefheid.
Ik zag en hoorde, tussen ons
zouden zich hoog stapelen:
nutteloze jaren van roest en
dikke lagen mos.
Dus vergeef ons dat wij verder
niets te zeggen hadden.
Welja, het plein sindsdien volgebouwd
met huizen, propere gezinnen.
Daar lopen nieuwe mensen in en
uit kantoor,
Welbespraakt, redelijk. En beschaafd,
zoals ik hoor.
Deze laatste herfst heb ik jou nog
eens teruggezien:
tussen een geruisloze lawine van
blauwe kerkhofsteen
en bedolven onder de schaduw van
een kruis
kletste jouw vlakke beeltenis
een hand in mijn gezicht.
De verzadigde glimlach van een
toegenegen Oma.
Rond brilletje, ronde kin. Einde
verhaal.
Voor zoveel schoons was ik
evenwel niet klaar.
't Is waar: de dorpsdichter had
weinig te vieren.
De ouwe kijkt naar ’t vuurwerk
met Nieuwjaar.
Ook klapt hij vrolijke handen
voor wie ’t horen mag.
Maar janken doet hij om niks, zoals
na zijn val in de goot
en ook de volgende dag, mankend op
één poot.
Geen opmerkingen:
Een reactie posten