woensdag 25 maart 2026

Ernst Löw leest Buurmeisje


Buurmeisje

 

Beschut door een muurtje naast 't riool.

zaten wij tussen afval en opgeschoten onkruid.

Baksteen en halve kapstok dienden als goal.

Nat bukte het kale plein onder avondlijke druil.

 

Jij was een volbloed, een koningsdochter

van Attila de Hun, barbaars: met hoge jukbeenderen.

Een wijde lach vol tanden, blinkende ogen,

mager van de honger naar ‘t leven dat komen zou.

 

In mij gleed een wolk van onzegbare droefheid.

Ik zag en hoorde, tussen ons zouden zich hoog stapelen:

nutteloze jaren van roest en dikke lagen mos.

Dus vergeef ons dat wij verder niets te zeggen hadden.

 

Welja, het plein sindsdien volgebouwd

met huizen, propere gezinnen.

Daar lopen nieuwe mensen in en uit kantoor,

Welbespraakt, redelijk. En beschaafd, zoals ik hoor.

 

Deze laatste herfst heb ik jou nog eens teruggezien:

tussen een geruisloze lawine van blauwe kerkhofsteen

en bedolven onder de schaduw van een kruis

kletste jouw vlakke beeltenis een hand in mijn gezicht.

 

De verzadigde glimlach van een toegenegen Oma.

Rond brilletje, ronde kin. Einde verhaal.

Voor zoveel schoons was ik evenwel niet klaar.

't Is waar: de dorpsdichter had weinig te vieren.

 

De ouwe kijkt naar ’t vuurwerk met Nieuwjaar.

Ook klapt hij vrolijke handen voor wie ’t horen mag.

Maar janken doet hij om niks, zoals na zijn val in de goot

en ook de volgende dag, mankend op één poot. 


Geen opmerkingen:

Een reactie posten