Turnhout,
anno 1950
Huizengevels
zijn als gezichten van mensen.
Zij
kunnen zowel armoedig als statig zijn,
getaand
of protserig behangen met juwelen zwaar,
uit
interbellum, kaal, of met de schijn van dik haar.
Een
verdwaalde knaap snuift straten op,
herinnert
zich voorbije deuren.
Of
waren het oren? Neuzen?
Niet
vervlogen is de stalgeur uit zijn jeugd.
Waar
zijn de jongens en meisjes? De oude muren?
Het
hart blijft kind. Bewaart de harde leerschool,
rond
de wieg waar hij zijn eerste stapjes liep
tussen
de kaartspelende, doodgevallen bewoners.
De
metselaars blijven jong door fluiten.
Tussen
andere levens zonder naam
verzamelt
hij wat in hem niet is uitgedoofd:
stukken
van een legpuzzel.
Zelden
zucht hij tegen een mankepoot
op
leeftijd dit verhaal: Weet je nog?
De
eerwaarde, - braaf bekend, ronde bril, -
hield
met stompje potlood onze boeken bij.
Gelukkig
zijn er nog herkenningspunten:
aanblazende
wolken, spitse ochtendgeluiden,
het
koppig blinken van Vlaamse keien,
elke
wegbeschrijving naar moeder en vader.
De
gevels leunen tegen elkaar, zoeken troost.
Bepleister
hun huilen tot een volgende eeuw.
Hier
vergoot een vriendje zijn tranen.
Gezichten, - lach na zo lange onverschilligheid.
Geen opmerkingen:
Een reactie posten