Essay:
LEVEN IN DE BROUWERIJ DER LETTEREN
‘De roman is het hoogste voorbeeld van subtiele onderlinge verwantschap, dat de mens ontdekt heeft. Ieder ding is waar op zijn eigen plaats, tijd en omstandigheid en niet waar buiten die eigen plaats, tijd en omstandigheid. Indien de roman levendige betrekkingen onthult, is het een zedelijk werk, waar die betrekkingen ook uit mogen bestaan.’
(D.H. Lawrence)
De vorm
Men kan
ervan uitgaan dat de werkelijkheid, doordat zij vlietend is, weinig voldoet
aan de menselijke verwachtingen; dat zij geen betekenis heeft, oppervlakkig
lijkt, leeg, chaotisch en meestal afhangt van een stom toeval. Men kan hier
zelfs aan toevoegen dat de werkelijkheid, juist doordat zij niet gedefinieerd
kan worden, feitelijk niet heus bestaat. Op dit gegeven waaraan niemand een
touw kan vastknopen, ontspringt volgens mij de artistieke behoefte om een vorm
te scheppen die niet aan causale veranderingen onderhevig is. Deze veranderingen
zouden dan moeten worden ingedamd tot een vorm die in een ongewijzigde staat bewaard
kan blijven, ofschoon zij meestal toch naar die vlietende werkelijkheid
refereert. Zo wordt met behulp van de verbeelding een in letteren gestolde
droom aan de dagelijkse werkelijkheid toegevoegd.
De schrijver
brengt een in hem sluimerende wereld naar buiten. Zijn gevoel zegt hem: 'Ik
ben een kind van de onzichtbare innerlijkheid. Ik wil een realiteit scheppen
die helemaal van mij is, die aan mijn verwachtingen en ideeën over het leven
beantwoordt: kleurrijk en mythisch, - niet saai, triviaal, - of wellicht ter
wille van persoonlijke redenen juist wel! Een werkelijkheid met een blijvende
betekenis, die men als een geheel ter hand kan nemen. Want zo steek ik in
mekaar. Zo is mijn ware ik. Door die behoefte om mezelf via een inhoudelijke
vorm te definiëren, word ik gedreven.'
Zolang er
nog geen woord op papier staat, behoort deze innerlijkheid niet tot de
actualiteit, is ze bij de aspirant-schrijver ongeschapen aanwezig; dus ook
voor de buitenwereld onbestaande. Zij moet door overdrachtelijke beelden
waargemaakt worden. Dit kan evengoed in andere vormen dan het
schrift. Tot de oudste behoren de prehistorische wandschilderingen in
grotten. Waarschijnlijk bestond er toen ook al zang, en werden er 's avonds
rond het vuur verhalen verteld.
Zelf word
ik pas door een tekst getroffen als ik daarin iets van mezelf terugvindt: een
vorm van verwantschap. Dergelijke vorm van communicatie kan een brug slaan overheen
alle mogelijke grenzen en tijdperken.
Geen bellettrie
Het is evident dat veel
schrijvers in hun beginperiode onder de invloed staan van auteurs die zij
als een voorbeeld beschouwen. Toen ik een
jongeman was, heeft de verhalenbundel ’Black Spring’ van
Henry Miller zowat een jaar lang als een dagelijks ter hand genomen zwarte
bijbel onder mijn hoofdkussen gelegen. Voor mij was hij de eerste auteur die
van seks, van het leven op straat en van zijn anarchistische kijk op de samenleving
een gevoelige, levensblije waarheid maakte zonder in boekentaal te vervallen. ’Black
Spring’ werd geschreven in 1934. Vandaag leven wij in een gans andere
tijdgeest. Tal van die toen nog maatschappelijke taboes zijn ondertussen
gemeengoed. Zelf was Miller een bewonderaar van Dostojewski trouwens. Als
beginnend auteur ontwierp hij tragedies als 'De gebroeders Karamazow’. Tot
hij op een dag zonder een cent op zak van zijn geboortestad New York naar
Parijs trok en, wellicht ten gevolge van zijn ontheemding, uiteindelijk inzag
dat dit literaire beeld niet met de werkelijkheid strookte: de menselijke
ziel bleek hem ineens te klein voor dergelijke grootse tragedies, zodat dit
voor hem de enige tragedie werd. 'In Parijs kwam ik tot mezelf,' schreef
Miller.
De
autodidact in mij vroeg zich af wat er nodig was om tot mezelf te komen. Moest
ik eveneens de autobiografische toer opgaan en, in navolging van mijn idool,
de gore kanten van het leven onder de loep nemen? Aanvankelijk heb ik zoiets
geprobeerd. In drie jaar tikte ik vijfhonderd dichtbeschreven vellen
proza, waarbij me het er vooral om te doen was via zelfonderzoek een verhalend
verslag te bekomen rond de eerste jaren van mijn huwelijk. Bellettrie mocht
wel, maar ik zocht eerst de waarheid en zou die onverbloemd weergeven, mooi
of lelijk. Ik had me ingesteld op een genadeloos realisme, zoals bij Miller.
Maar helaas was hiermee geen vergelijk mogelijk. Toen ik het resultaat jaren
later terugzag, stoorde me de haast ondoordringbare structuur, voortvloeiend
uit de opvatting dat alles wat zich als een waarheid aan me had voorgedaan,
zelfs het onbeduidendste detail, ook de moeite was om te worden opgeschreven.
Als de Almachtige zich in de hemel bevindt, dan is Zijn werk vast ook zichtbaar
in de beerput, redeneerde ik. Door geen onderscheid te maken in wat voor
mij reëel was, had ik de verkeerde keuze gemaakt. Want hier zit volgens mij de
knoop: de waarheid van de ander is slechts ten dele waar. Zo kon Millers
anarchistische kijk inderdaad bijdragen tot gefundeerde maatschappijkritiek,
maar evengoed kan deze visie iemand op het verkeerde been zetten. Henry Miller
was een kind van de metropool, een rebel, een clown, een man van twaalf
ambachten en dertien ongelukken. Hij deugde wel, maar hij liep liever met zijn gebreken
te koop. In mijn ogen maakte dit van hem juist een heilige. Naar iemand
opkijken kan echter tot dweepzucht leiden, of alvast maken dat van die persoon
of zijn werk te weinig afstand genomen wordt. Want welbeschouwd was ik als
jongen uit een provincienest, als bewonderaar van Felix Timmersmans’
vertelkunst, als oppassende zoon van een hardwerkende weduwe, als student die
zijn leraren respecteerde en daarbij zelfs heel wat idealen in het vaandel
droeg, precies Millers antipode. Zo konden mijn dagelijkse ervaringen naast
die van mijn lichtend voorbeeld niet anders dan zoutloos voorkomen. Geleidelijk
aan begon ik me ook te realiseren dat Miller gretig gebruikgemaakt had van
allerlei groteske verdraaiingen van de werkelijkheid en dat de schuttingstaal
waarmee hij het vaak over seks had, eerder diende als een krachtig stijlfiguur
om zijn eigen waarheid aan op te hangen, daarmee de overtuiging uitschreeuwend
dat de ordinaire waarheid op straat de enige waarheid is.
Achteraf
bezien kwam Millers erotiek, door de dingen grofweg bij hun naam te noemen, me
ook eerder verschralend dan spannend voor; als werd seks daardoor louter
herleid tot een technische aangelegenheid, zoals in de loodgieterij,
wanneer een buis in een mof wordt geschoven. Hierover kon boeiender verteld
worden; temeer daar de inkleuring van het leven grotendeels in het eigen hoofd
plaatsvindt. Dit leidde vanzelf tot mijn drang om een tegengestelde koers te
varen en me eerder toe te leggen op mythevorming: het begin van jarenlang hard
labeur, zonder dat het enig ander resultaat opleverde dan maakwerk.
Tot zichzelf komen
Wel
confronteerden deze miskleunen me met vragen als ‘Wie is hier aan het woord?
Wie ben ik? Hoe kom ik tot mezelf?’ Vragen die enkel kunnen worden beantwoord
door aan alle valse schijn voorbij te gaan. Want de essentie van het leven kan
enkel gevonden worden in levendige gewaarwordingen die, juist doordat ze vluchtig
zijn, aan niemand toebehoren. Daarmee wordt de particuliere grens tussen hij,
jij of ik, vanzelf opgeheven. Door volledig op die anonieme gewaarwordingen in
te gaan, kwam ik tenslotte tot een raamwerk dat me hielp me in de ander te
verplaatsen. Daarmee viel de noodzaak om tot mezelf te komen, tegelijk als een
loodzware last van me af. Wat een zegen! Eens ik had ingezien dat ik zowel
niemand als iedereen kon zijn, voelde ik me vrij om te laten komen wat vanzelf
komt. Of ik daarmee zou slagen of niet: voor gedane inspanningen bestaan geen
garanties. Door niet langer een meesterwerk
te pretenderen, durfde ik de nodige risico’s nemen. Mijn volgende romans zou ik
niet langer verstandelijk uitbroeden.
Groei
Doordat ik
me al enkele jaren in een imaginaire wereld had ingeleefd, voelde ik hierna de
behoefte om een roman te schrijven die zich in meer hedendaagse milieus
afspeelt. Maar belangrijker dan het thema, werd voor mij het inzicht dat
literatuur enkel van belang is tijdens de creatie, waarbij je als uitvoerder
naar psychische toestanden wordt verplaatst, die je eigen leven niet altijd te
bieden heeft. De schrijfdaad wordt dan ervaren als een levend
gebeuren. Het is lachen, huilen, lijden, prakkiseren, mee- en inleven. Precies
als in het leven van alledag, diende ik op het juiste ogenblik de gepaste keuzes
te maken. Voortaan zou ik met elk idee wachten tot de appel vanzelf uit de boom
valt, of minstens tot het ogenblik is aangebroken om hem rijp te plukken. Dit
kwam erop neer dat ik de intrige met vertrouwen aan het verhaal zou
overlaten. Niet enkel diende ik mijn wil en persoonlijke ambities opzij te
schuiven; vooral moest ik mijn neiging bedwingen om als een goddelijke macht
tussenbeide te komen. In plaats van de personages te manipuleren, zou ik hen
juist op de voet volgen. Vanzelfsprekend vraagt dit alertheid en een aandachtig
oog voor wat het verhaal precies nodig heeft. Waarschijnlijk om die reden
ondervind ik tijdens de beginfase steeds de grootste moeilijkheden: er bestaan
dan nog te veel keuzemogelijkheden. Zo werd ik gaandeweg het werktuig in
handen van een mysterieuze macht. Doordat oppervlakkige, kortzichtige
gedachten geen kans krijgen om zich met het lot van zijn personages te
bemoeien, wordt het niet-verpersoonlijkte bewustzijn dat mensen over alle
tijden met elkaar gemeen hebben, aan het woord gelaten. De roman groeit dan
spontaan, zoals een boom naar het licht.
De waarheid
van een verhaal ligt niet zozeer in het feit of de historie echt gebeurd is,
maar psychologisch waar op het moment dat de roman vorm krijgt, zodat blijkt dat
de schrijver de juiste keuzes heeft gemaakt, dat hij trouw gebleven is aan
zichzelf, aan de wereld zoals hij die ervaart, aan de subjectieve kijk van zijn
personages. In dit opzicht kan fantasie evenveel waarheid bevatten als feiten
zwart op wit. De lezer heeft er trouwens geen controle over of de beschreven
gebeurtenissen al dan niet zijn voorgevallen. Voor hem is het vooral van belang
of hij zich dermate kan inleven dat de lectuur hem verplaatst naar de
psychische toestanden van de personages, waardoor de inhoud hem levensecht
voorkomt.
Fictie bekritiseerd
Tegenwoordig
zijn velen van mening dat de roman als genre om een verhaal te vertellen dood
is. Terecht vinden zij dat taal, zelfs indien deze in hoge mate vernieuwend,
efficiënt en door het dagelijkse gebruik messcherp geslepen is, tekortschiet
naast de onuitsprekelijke, woordloze werkelijkheid.
Ook ik
wilde in mijn romans meer vertellen dan enkel een verhaal. Vooreerst wou ik de
lezer op elke pagina doen vergeten dat hij een boek in handen heeft. Men moet
niet oog in oog staan met woorden, vind ik, maar met het leven zelf. Men kijkt
toch ook niet naar een schilderij, enkel ter wille van de verf? Om die reden
heb ik me nooit enige moeite bespaard om de lezer het gevoel te bezorgen dat
hij op de hoek van een straat een spontane babbel met me heeft. Maar hoe krijg
je het echte leven op papier?
Laat me dit
duidelijk maken door de werkelijkheid te vergelijken met een kleurrijke
vlinder. Zo was het mijn eerste impuls om dat beestje te vangen. Immers, zijn
schoonheid trof me, waardoor ik me gedrongen voelde zijn vlucht door de tuin
via de literatuur te bestendigen. Bij uitzonderlijke schrijvers had ik ervaren
dat dit mogelijk was. Zij stelden me echter voor een onmogelijk opdracht; want de
beschreven vlinder is niet dezelfde als toen hij vrij rondfladderde. Zijn
schoonheid maakt deel uit van een geheel dat in zoverre onbegrijpelijk is dat
je er nooit achter komt hoe het verschijnsel te verklaren. Maar waarom
verklaren? En waarom zou mijn vlinder zo nodig moeten lijken op de echte? Zolang
de lezer het gevoel wordt aangereikt zich thuis te voelen, is die kwestie van
geen tel. Op dit kantelpunt van de schepping ging ik nog een stap verder.
Nu het onmogelijk was een vlinder op papier te krijgen, waarom niet opkomen
voor mijn eigen ongeschapen wereld en alles daaromheen verzinnen: kleuren,
wiekende vleugels, tuin, toevallige passanten, ja het complete universum?
Schrijvend droomde ik, improviseerde ik, gehoorzaamde ik aan een innerlijk
ritme, verzorgde ik ‘mijn tere plantje’ om de diepere lagen in mij aan te boren.
Een spiegel voorhouden
Ik ben geen
maatschappelijk geëngageerde schrijver. Evenmin ben ik een voorstander
van l’art pour l’art. Door het echte leven via boeiende
vertellingen bij de lezer naar binnen te loodsen, probeer ik hem langs een
ontspannende omweg deelachtig te maken aan het leven zelf. En waarom zou ‘n
dergelijke confrontatie hem niet aanzetten om dat leven in zichzelf te
vermeerderen? Om die reden betracht ik een realiteit die de werking heeft van
een spiegel.
Maar welke
realiteit? Hier doet zich een filosofisch probleem voor dat ik oploste door me
op zaken te fixeren die herkenbaar zijn. Volgens de gegeven feiten is de
werkelijkheid immers volledig te herleiden tot het concrete verschijnsel hier
en nu. Dit verschijnsel behelst evengoed persoonlijke gevoelens als
maatschappelijke betrekkingen. Daardoor werd de realiteit in mijn romans die
van mijn personages: de optelsom van hun dromen, emoties, gedachten,
herinneringen, verlangens, zintuiglijke indrukken. Het feit dat er voor hen
buiten deze individuele gewaarwordingen geen andere werkelijkheid bestaat,
verleent hen trouwens hun bestaansrecht. Zo is elk
individu drager van het leven en beschikt hij naast zijn instinct over een mate
van intelligentie: dit is het bewustzijn dat van nature weet wat wijs is en wat
dwaas; een intuïtief besef van de waarheid.
Verdienste van het kind
‘De
verdiensten van een boek wordt niet bepaald door de kwaliteiten of gebreken
ervan,’ schreef de beruchte Franse criticus Paul Léautaud. ‘Die schuilt alleen
hierin dat een ander dan de schrijver het boek niet had kunnen schrijven. Elk
boek dat een ander dan de schrijver zelf had kunnen schrijven, is goed voor de
prullenmand.’
Als
auteur roept dit bij mij de volgende vragen op: ‘Hoor ik mijn unieke stem? Leef
ik me uit zonder me te vergalopperen, het evenwicht te verliezen en tegen de
vlakte te gaan? Kan ik zijn als een kind, net zo spontaan? Sta ik als de holbewoner
voor zijn rotstekeningen, zonder om te kijken naar de illustere voorbeelden van
anderen, links, rechts, voor of achter me? Ben ik een werktuig, volledig
vertrouwend op mezelf om mijn werkstuk behoorlijk klaar te spelen door ‘alles’
te geven wat ik in me heb? Breng ik met mijn verhalen leven in de brouwerij der
letteren? Omtrent mijn voltooide romans gaat de vraag al niet meer op. Want het
is mijn eerste bekommernis om wat ik heden doe: dat is de naakte mens
beschrijven; de mens achter zijn façade, de mens met zijn geloof en twijfels,
de universele mens achter mezelf, maar ook wel achter die van Jan, Piet en
Klaas.
‘Succes en mislukking zijn
bedriegers.’ (J.L.
Borges)
Ik
verstuurde mijn roman naar een aantal literaire uitgeverijen. Een jaar later
lag hij te pronken in de boekhandel. Van de ene dag op de andere scheen ik
aardig op weg om me als auteur te bevestigen. Nadat als het ware één eerste
dominosteentje omgevallen was, zag ik hoe het in werking schieten van een
voor mij tot dan toe verborgen mechanisme werd als het omvallen van een
lange rij andere dominosteentjes. Radio en tv werden er bijgehaald en in de
pers verschenen interviews en een boel uitermate gunstige besprekingen. De
hoofdredacteur van mijn Nederlandse uitgeverij had me al verzekerd dat mijn
volgende roman ook bij hen zou uitgegeven worden. Maar een jaar later, vlak
voor mijn reputatie met nieuw werk kon gevestigd worden, ging deze firma
bankroet. De uitgeverij werd wel overgenomen, maar de ganse redactie werd
ontslagen en veranderde, op het naambordje na, in een ander bedrijf. Later ben
ik nog eens uitgenodigd bij een grote uitgeverij in Antwerpen die
belangstelling had voor mijn twee volgende romans. Maar een week later vernam
ik dat ook deze firma door een andere werd opgeslokt. Door de malaise die zich
toen al in de boekenbranche aankondigde, verviel mijn hoop om van mijn pen te
kunnen leven.
Ondertussen
is er een half leven van schrijven in een sukkelstraatje voorbijgegaan. Wat
rest is mijn door een laag stof bedekt oeuvre. Nochtans heb ik bij elk werk
‘alles’ gegeven wat ik in me had. Mijn beide handen maken intuïtief het gebaar
van iemand die zijn borstkas opent om zijn innerlijk aan de wereld bloot te
geven, terwijl ik met ’alles’ eenvoudig zeg dat ik weigerde om in mijn werk
vooruit te hollen, dat ik bij elke scène net zolang stilstond tot deze geen
andere mogelijkheid meer te bieden had, waardoor dit werk zo evolueerde dat
het me op een natuurlijke wijze voortstuwde. In feite zijn al mijn teksten
me vanzelf ontvallen, mij gedicteerd.
Want in
mijn ogen verschilt schrijfkunst niet wezenlijk van levenskunst. In dat geval
is taal juist een middel om te ontsnappen aan de conventie van taal. Maar hoe
ik deze visie in mijn romans ook getrouw bleef, op de literaire markt ving ik
bot.
Iedereen
heeft recht op zijn eigen smaak. Om die reden kan een schrijver niet anders dan
dit recht van de lezer of lector eerbiedigen. Desondanks blijf ik ervan
overtuigd dat veel van deze overwegend psychologische romans niet inferieur
zijn aan mijn bejubeld romandebuut. Zo heb ik met eigen ogen vastgesteld wat er
gebeurt als het onzichtbare mechanisme dat bekendheid meebrengt in gang
schiet, precies zoals het later voor mij duidelijk werd wat er niet gebeurt
als datzelfde mechanisme blokkeert. Daardoor werd het voor mij ook makkelijker
om de gunsten van dat mechanisme te relativeren; iets wat ik ondanks het in
de mist gaan van mijn schrijversloopbaan alleszins als een voorrecht blijf
beschouwen. Het heeft me tegen mislukkingen gewapend.
Deze
herhaaldelijke verwijzing naar de prullenmand had ook zijn voordelen. Ze
hebben ervoor gezorgd dat ik nooit een schrijversimago heb bekomen dat mij via
het medialandschap op een voetstuk zou plaatsen: een canon waarbij mensen
elkaar nogal eens op ongelijke denkbeeldige niveaus bejegenen, waardoor de
dagelijkse, inspirerende omgang met mijn naasten allicht niet op gelijke voet
en minder spontaan zou zijn verlopen. Anonimiteit staat daar borg voor. Het is
een natuurlijke staat. Verder hebben de weigeringen me verhinderd op mijn
lauweren te gaan rusten. Bij elke roman werd ik weer gedwongen bij nul te
vertrekken. Zoals een goochelaar: niets in de handen, niets in de zakken!
Schrijven
is hard labeur. Dat houd je enkel vol als er liefde is voor het vak, als je bij
het schrijven intense vreugde voelt, meegesleept wordt door je inspiratie, als
je er psychologisch tegen opgewassen bent om in het literaire wereldje als een
passieve toeschouwer achter de zijlijn te staan. Vanzelfsprekend
komt het eventjes hard aan als je laatste geesteskind zoals Assepoester niet
interessant genoeg bevonden wordt om toegang te krijgen tot het galabal. Maar
van zodra ik een manuscript had voltooid, kreeg ik alweer andere, boeiende
ideeën die mijn aandacht opeisten. Steeds weer bleef ik dromen van een roman
die de vorige zou overtreffen. Daardoor werd het makkelijker om een afwimpeling
te incasseren. Maar zelfs deze levenslange miskenning heeft mij de artistieke
voldoening, het geloof in mezelf, en dat ik het recht heb te zijn zoals ik
ben, of te schrijven zoals ik schrijf, nooit kunnen afpakken. Wellicht ligt
deze aanvaarding wel in het besef dat niets iemand kan beletten om, zoals de
Franse dichter Rimbaud het in zijn Une saison en enfer zo raak uitdrukte,
zich te engageren met het goddelijke licht. Een mens mag trouwens niet alles
verwachten. Zo had het lot me gezegend met allerlei inzichten, een goede
gezondheid, een gelukkig huwelijk en een resem schatten van nakomelingen -
rijkdommen die nog belangrijker zijn en waarvoor ik dagelijks mijn stille dank
uit.
Eigenlijk
verkeerde ik als schrijver in de begenadigde toestand van een kind dat op een
vochtige strandstrook tussen het mulle zand en de oprukkende zeegolven met
plezier zandkastelen bouwt.
Niets verhindert een artiest te
volharden in zijn eigen smaak, trouw te blijven aan zichzelf en daarin
scheppende krachten te vinden. Want al bestaat er van een literair werk, zoals
deze uit de periode van vóór de boekdrukkunst, slechts één exemplaar, dit
neemt niet weg dat het bestaat, dat men ernaar kan teruggrijpen. Trouwens, bij de lezer bestaat
een verhaal pas als hij er door geraakt wordt. De kwaliteit ervan
wordt heus niet beter als hij door critici wordt geprezen en door hoge oplages
vermenigvuldigd. Maar boeken moeten nu eenmaal aan de man worden gebracht. Zij
ontsnappen niet aan de mallemolen van de commercie, aan de beïnvloeding opgezet
door financiële belangengroepen, die hun best doen om kunstenaars via
canonisatie in de media te verheffen boven zichzelf, in hun roem of
intellectuele status; ook al zijn dergelijke praktijken oneerlijk ten opzichte
van de onbevangen lezer, kijker of luisteraar, en blijken ze het onbevangen
lezen, kijken of luisteren dan vaak ook in de weg te staan. Wellicht biedt het besef dat enkel het
persoonlijke en eenzame gevecht essentieel is, troost. Want tegen de erosie van
de onmeetbare tijd blijkt niets opgewassen. Succes, roem, eer, rijkdom, dit
alles is relatief: niets anders dan ijdelheid.
Iedereen
kan inspiratie hebben, fantastische beelden zien, visioenen krijgen, op
bijzondere gedachten komen. Maar iemand is pas schrijver door de schrijfactie.
Minder door middel van een publiek uithangbord aan de voet van een piëdestal,
dan door de gedrevenheid waarmee hij elke dag in zijn eentje verhalen in een
vorm giet. Door veel te schrijven worden de hersenen meer geactiveerd en
blijven ze onbewust, zelfs tijdens de slaap, onvermoeid aan de slag. Zonder de
discipline van de dagelijkse schrijfactie, wat uiteraard een sober leven vereist,
had ik nooit al die in de loop der jaren ontvangen beelden, ingevingen en
gedachteassociaties gehad. Niet dat ik ooit de behoefte voel om al dit materiaal
weer op te diepen. Maar door te schrijven heb ik alvast meer dan één keer
geleefd en heb ik die anders onmogelijke, voorbije levens enigszins bewaard en
geïnventariseerd. Daardoor voel ik me rijk en kan ik bevredigd op de hieraan
gewijde jaren terugkijken. Alles had ik over om
mijn mogelijkheden tot het uiterste te ontwikkelen. Hoewel mijn werk vandaag
wat heeft van een in zee drijvende ijsberg, waarvan enkel het topje voor het
publiek zichtbaar is, ben ik toch tevreden dit te hebben gerealiseerd. Of ik
mijn mogelijkheden juist heb ingeschat, laat ik liever aan de lezer over.
Reacties of beschouwingen zijn welkom. Ik lees ze met
belangstelling. Robert.
Geen opmerkingen:
Een reactie posten