maandag 29 juni 2026

Essay: Leven in de brouwerij der letteren

Essay: LEVEN IN DE BROUWERIJ DER LETTEREN

‘De roman is het hoogste voorbeeld van subtiele onderlinge verwantschap, dat de mens ontdekt heeft. Ieder ding is waar op zijn eigen plaats, tijd en omstandigheid en niet waar buiten die eigen plaats, tijd en omstandigheid. Indien de roman levendige betrekkingen onthult, is het een zedelijk werk, waar die betrekkingen ook uit mogen bestaan.’  

(D.H. Lawrence)

 

De vorm

Men kan ervan uitgaan dat de werkelijkheid, doordat zij vlie­tend is, weinig voldoet aan de menselijke verwachtin­gen; dat zij geen betekenis heeft, oppervlakkig lijkt, leeg, chaotisch en meestal afhan­gt van een stom toe­val. Men kan hier zelfs aan toevoegen dat de werkelijk­heid, juist doordat zij niet gedefinieerd kan worden, feitelijk niet heus bestaat. Op dit gegeven waaraan niemand een touw kan vastknopen, ontspringt volgens mij de artistieke behoef­te om een vorm te scheppen die niet aan causale veranderingen onderhevig is. Deze veran­deringen zouden dan moeten worden ingedamd tot een vorm die in een ongewijzigde staat be­waard kan blijven, of­schoon zij meestal toch naar die vlie­tende werkelijkheid refereert. ­Zo wordt met behulp van de verbeelding een in letteren gestolde droom aan de dagelijkse werkelijkheid toegevoegd.

De schrijver brengt een in hem sluime­rende wereld naar buiten. Zijn gevoel zegt hem: 'Ik ben een kind van de onzichtbare innerlijkheid. Ik wil een realiteit scheppen die helemaal van mij is, die aan mijn verwach­tingen en ideeën over het leven beant­woo­rdt: kleurrijk en mythisch, - niet saai, triviaal, - of wellicht ter wille van persoonlijke redenen juist wel! Een werkelijk­heid met een blijvende beteke­nis, die men als een geheel ter hand kan nemen. Want zo steek ik in mekaar. Zo is mijn ware ik. Door die behoefte om mezelf via een inhoudelijke vorm te definiëren, word ik gedreven.'

Zolang er nog geen woord op papier staat, behoort deze innerlijkheid niet tot de actualiteit, is ze bij de aspirant-schrijver onge­schapen aanwezig; dus ook voor de buitenwereld onbestaande. Zij moet door overdrachtelijke beel­den waarge­maakt wor­den. Dit kan  evengoed in andere vormen dan het schrift. Tot de oud­ste behoren de prehistorische wandschilderin­gen in grotten. Waarschijnlijk bestond er toen ook al zang, en werden er 's avonds rond het vuur verhalen ver­teld.

Zelf word ik pas door een tekst getroffen als ik daarin iets van mezelf terugvindt: een vorm van verwantschap. Dergelijke vorm van communicatie kan een brug slaan over­heen alle mogelijke grenzen en tijdper­ken.

 

Geen bellettrie

Het is evident dat veel schrijvers in hun beginperiode onder de in­vloe­d staan van au­teurs die zij als een voor­beeld beschouwen. Toen ik een jonge­man was, heeft de verhalenbundel ’Black Spring’ van Henry Miller zowat een jaar lang als een dagelijks ter hand genomen zwarte bijbel onder mijn hoofd­kussen gelegen. Voor mij was hij de eerste auteur die van seks, van het leven op straat en van zijn anarchistische kijk op de samen­leving een ge­voelige, levensblije waar­heid maakte zonder in boeken­taal te verval­len. ’Black Spring’ werd geschreven in 1934. Vandaag leven wij in een gans andere tijdgeest. Tal van die toen nog maatschappelijke taboes zijn ondertussen gemeengoed. Zelf was Miller een bewon­de­raar van Dosto­jew­ski trouwens. Als beginnend auteur ont­wierp hij tra­gedies als 'De gebroe­ders Karama­zow’. Tot hij op een dag zonder een cent op zak van zijn geboortestad New York naar Parijs trok en, wellicht ten gevolge van zijn ontheemding, uiteindelijk inzag dat dit literaire beeld niet met de werkelijkheid stroo­kte: de men­se­lijke ziel bleek hem ineens te klein voor dergelijke groot­se trage­dies, zodat dit voor hem de enige tra­ge­die werd. 'In Parijs kwam ik tot mezelf,' schreef Miller.

De autodidact in mij vroeg zich af wat er nodig was om tot mezelf te komen. Moest ik eveneens de autobiogra­fische toer opgaan en, in navolging van mijn idool, de gore kanten van het leven onder de loep nemen? Aanvankelijk heb ik zoiets geprobeerd. In drie jaar tikte ik vijfhonderd  dichtbeschreven vellen proza, waar­bij me het er vooral om te doen was via zelfonderzoek een verhalend ver­slag te beko­men rond de eerste jaren van mijn huwelijk. Bellettrie mocht wel, maar ik zocht eerst de waar­heid en zou die onver­bloemd weergeven, mooi of lelijk. Ik had me inge­steld op een genadeloos realisme, zoals bij Miller. Maar helaas was hiermee geen vergelijk mogelijk. Toen ik het resultaat jaren later terugzag, stoorde me de haast on­doordringbare struc­tuur, voortvloeiend uit de opvatting dat alles wat zich als een waar­heid aan me had voorgedaan, zelfs het onbeduidend­ste detail, ook de moeite was om te worden opgeschre­ven. Als de Almachtige zich in de hemel bevindt, dan is Zijn werk vast ook zichtbaar in de beer­put, redeneerde ik. Door geen on­der­sche­id te maken in wat voor mij reëel was, had ik de verkeerde keuze gemaakt. Want hier zit volgens mij de knoop: de waarheid van de ander is sle­chts ten dele waar. Zo kon Millers anarchistische kijk inderdaad bijdragen tot gefundeerde maatschappijkritiek, maar evengoed kan deze visie iemand op het ver­keerde been zetten. Henry Miller was een kind van de metropool, een rebel, een clown, een man van twaalf ambachten en dertien ongelukken. Hij deugde wel, maar hij liep liever met zijn gebre­ken te koop. In mijn ogen maakte dit van hem juist een heilige. Naar iemand opkijken kan echter tot dweepzucht lei­den, of alvast maken dat van die persoon of zijn werk te weinig afstand genomen wordt. Want welbeschouwd was ik als jongen uit een provin­cie­nest, als bewonderaar van Felix Timmersmans’ vertelkunst, als oppassende zoon van een hardwer­kende wedu­we, als student die zijn lera­ren respecteerde en daarbij zelfs heel wat idealen in het vaandel droeg, pre­cies Mil­lers antipo­de. Zo konden mijn dagelijkse ervaringen naast die van mijn lichtend voorbeeld niet anders dan zoutloos voorkomen. Geleidelijk aan begon ik me ook te realiseren dat Miller gretig ge­bruik­ge­maakt had van allerlei gro­teske ver­draai­ingen van de werkelijkheid en dat de schuttingstaal waarmee hij het vaak over seks had, eerder diende als een krachtig stijl­figuur om zijn eigen waar­heid aan op te hangen, daarmee de overtuiging uitschreeuwend dat de ordinaire waarheid op straat de enige waarheid is.

Achteraf bezien kwam Millers erotiek, door de dingen grofweg bij hun naam te noe­men, me ook eerder verschralend dan spannend voor; als werd seks daardoor louter herleid tot een techni­sche aangelegenheid, zoals in de lood­gie­te­rij, wanneer een buis in een mof wordt geschoven. Hierover kon boeiender­ verteld worden; temeer daar de inkleuring van het leven grotendeels in het eigen hoofd plaa­ts­vindt. Dit leidde vanzelf tot mijn drang om een tegengestelde koers te varen en me eerder toe te leg­gen op mythevorming: het begin van jarenlang hard labeur, zonder dat het enig ander resultaat oplever­de dan maakwerk.

 

Tot zichzelf komen

Wel confronteerden deze miskleunen me met vragen als ‘Wie is hier aan het woord? Wie ben ik? Hoe kom ik tot mezelf?’ Vragen die enkel kunnen worden beantwoord door aan alle valse schijn voorbij te gaan. Want de essentie van het leven kan enkel gevonden worden in levendige gewaarwordingen die, juist doordat ze vluchtig zijn, aan niemand toebehoren. Daarmee wordt de particuliere grens tussen hij, jij of ik, vanzelf opgeheven. Door volledig op die anonieme gewaarwordingen in te gaan, kwam ik tenslotte tot een raamwerk dat me hielp me in de ander te verplaatsen. Daarmee viel de noodzaak om tot mezelf te komen, tegelijk als een loodzware last van me af. Wat een zegen! Eens ik had ingezien dat ik zowel niemand als iedereen kon zijn, voelde ik me vrij om te laten komen wat vanzelf komt. Of ik daarmee zou slagen of niet: voor gedane inspanningen bestaan geen garanties. Door niet  langer een meesterwerk te pretenderen, durfde ik de nodige risico’s nemen. Mijn volgende romans zou ik niet langer verstandelijk uitbroeden.

 

Groei

Doordat ik me al enkele jaren in een imaginaire wereld had ingeleefd, voelde ik hierna de behoefte om een roman te schrijven die zich in meer hedendaagse milieus afspeelt. Maar belangrij­ker dan het thema, werd voor mij het inzicht dat literatuur enkel van belang­ is tijdens de creatie, waarbij je als uitvoerder naar psychische toestanden wordt verplaatst, die je eigen leven niet altijd te bieden heeft. De schrijfdaad wordt dan ervaren als een levend gebeuren. Het is lachen, huilen, lijden, prakkiseren, mee- en inleven. Precies als in het leven van alledag, diende ik op het juiste ogen­blik de gepaste keu­zes te maken. Voortaan zou ik met elk idee wachten tot de appel vanzelf uit de boom valt, of minstens tot het ogenblik is aange­bro­ken om hem rijp te plukken. Dit kwam erop neer dat ik de intrige met ver­trou­wen aan het ver­haal zou overlaten. Niet enkel diende ik mijn wil en persoonlijke ambi­ties opzij te schuiven; vooral moest ik mijn neiging bedwingen om als een goddelijke macht tussenbeide te komen. In plaats van de perso­nages te mani­pu­le­ren, zou ik hen juist op de voet volgen. Vanzelfsprekend vraagt dit alertheid en een aan­dach­tig oog voor wat het ver­haal pre­cies nodig heeft. Waarschijnlijk om die reden ondervind ik tijdens de beginfase steeds de grootste moeilijkheden: er bestaan dan nog te veel keuzemogelijk­he­den. Zo werd ik gaande­weg het werktuig in handen van een mysterieuze mac­ht. Door­dat opper­vlakkige, kortzichtige gedachten geen kans krijgen om zich met het lot van zijn personages te bemoeien, wordt het niet-verpersoonlijkte bewus­tzijn dat mensen over alle tijden met elkaar gemeen hebben, aan het woord gela­ten. De roman groeit dan spontaan, zoals een boom naar het licht.

De waarheid van een verhaal ligt niet zozeer in het feit of de historie echt gebeurd is, maar psychologisch waar op het moment dat de roman vorm krijgt, zodat blijkt dat de schrijver de juiste keuzes heeft ge­maakt, dat hij trouw gebleven is aan zichzelf, aan de wereld zoals hij die ervaart, aan de subjectieve kijk van zijn personages. In dit opzicht kan fantasie evenveel waar­heid bevatten als feiten zwart op wit. De lezer heeft er trouwens geen controle over of de be­schreve­n gebeurtenissen al dan niet zijn voorgevallen. Voor hem is het vooral van belang of hij zich dermate kan inleven dat de lectuur hem verplaatst naar de psychische toestanden van de personages, waardoor de inhoud hem levensecht voorkomt.

 

Fictie bekritiseerd

Tegenwoordig zijn velen van mening dat de roman als genre om een verhaal te vertellen dood is. Terecht vin­den zij dat taal, zelfs indien deze in hoge mate vernieuwend, efficiënt en door het dagelijkse ge­bruik mes­scherp geslepen is, te­kort­schiet naast de onuit­spre­kelij­ke, woordlo­ze werkelijkheid.

Ook ik wilde in mijn romans meer vertellen dan enkel een verhaal. Vooreerst wou ik de lezer op elke pagina doen vergeten dat hij een boek in handen heeft. Men moet niet oog in oog staan met woor­den, vind ik, maar met het leven zelf. Men kijkt toch ook niet naar een schilderij, enkel ter wille van de verf? Om die reden heb ik me nooit enige moeite bespaard om de lezer het gevoel te bezorgen dat hij op de hoek van een straat een spontane babbel met me heeft. Maar hoe krijg je het echte leven op papier?

Laat me dit duidelijk maken door de werkelijkheid te vergelijken met een kleurrijke vlinder. Zo was het mijn eerste impuls om dat beestje te vangen. Immers, zijn schoonheid trof me, waardoor ik me gedrongen voelde zijn vlucht door de tuin via de literatuur te bestendigen. Bij uitzonderlijke schrijvers had ik ervaren dat dit mogelijk was. Zij stelden me echter voor een onmogelijk opdracht; want de beschreven vlinder is niet dezelfde als toen hij vrij rondfladderde. Zijn schoonheid maakt deel uit van een geheel dat in zoverre onbegrijpelijk is dat je er nooit achter komt hoe het verschijnsel te verklaren. Maar waarom verklaren? En waarom zou mijn vlinder zo nodig moeten lijken op de echte? Zolang de lezer het gevoel wordt aangereikt zich thuis te voelen, is die kwestie van geen tel. Op dit kantelpunt van de schepping ging ik nog een stap verder. Nu het onmogelijk was een vlinder op papier te krijgen, waarom niet opkomen voor mijn eigen ongeschapen wereld en alles daaromheen verzinnen: kleuren, wiekende vleugels, tuin, toevallige passanten, ja het complete universum? Schrijvend droomde ik, improviseerde ik, gehoorzaamde ik aan een innerlijk ritme, verzorgde ik ‘mijn tere plantje’ om de diepere lagen in mij aan te boren.

 

Een spiegel voorhouden

Ik ben geen maatschappelijk geëngageerde schrijver. Evenmin ben ik een voorstander van l’art pour l’art. Door het echte leven via boeiende vertellingen bij de lezer naar binnen te loodsen, probeer ik hem langs een ontspannende omweg deelachtig te maken aan het leven zelf. En waarom zou ‘n dergelijke confrontatie hem niet aanzetten om dat leven in zichzelf te vermeerderen? Om die reden betracht ik een realiteit die de werking heeft van een spiegel.

Maar welke realiteit? Hier doet zich een filosofisch probleem voor dat ik oploste door me op zaken te fixeren die herkenbaar zijn. Volgens de gegeven feiten is de werkelijkheid immers volledig te herleiden tot het concrete verschijnsel hier en nu. Dit verschijnsel behelst evengoed persoonlijke gevoelens als maatschappelijke betrekkingen. Daardoor werd de realiteit in mijn romans die van mijn personages: de optelsom van hun dromen, emoties, gedachten, herinneringen, verlangens, zintuiglijke indrukken. Het feit dat er voor hen buiten deze individuele gewaarwordingen geen andere werkelijkheid bestaat, verleent hen trouwens hun bestaansrecht. Zo is elk individu drager van het leven en beschikt hij naast zijn instinct over een mate van intelligentie: dit is het bewustzijn dat van nature weet wat wijs is en wat dwaas; een intuïtief besef van de waarheid. 

 

Verdienste van het kind

‘De verdiensten van een boek wordt niet bepaald door de kwaliteiten of gebreken ervan,’ schreef de beruchte Franse criticus Paul Léautaud. ‘Die schuilt alleen hierin dat een ander dan de schrijver het boek niet had kunnen schrijven. Elk boek dat een ander dan de schrijver zelf had kunnen schrijven, is goed voor de prullenmand.’

   Als auteur roept dit bij mij de volgende vragen op: ‘Hoor ik mijn unieke stem? Leef ik me uit zonder me te vergalopperen, het evenwicht te verliezen en tegen de vlakte te gaan? Kan ik zijn als een kind, net zo spontaan? Sta ik als de holbewoner voor zijn rotstekeningen, zonder om te kijken naar de illustere voorbeelden van anderen, links, rechts, voor of achter me? Ben ik een werktuig, volledig vertrouwend op mezelf om mijn werkstuk behoorlijk klaar te spelen door ‘alles’ te geven wat ik in me heb? Breng ik met mijn verhalen leven in de brouwerij der letteren? Omtrent mijn voltooide romans gaat de vraag al niet meer op. Want het is mijn eerste bekommernis om wat ik heden doe: dat is de naakte mens beschrijven; de mens achter zijn façade, de mens met zijn geloof en twijfels, de universele mens achter mezelf, maar ook wel achter die van Jan, Piet en Klaas.

 

‘Succes en mislukking zijn bedriegers.’ (J.L. Borges)

Ik verstuurde mijn roman naar een aantal literaire uitge­verijen. Een jaar later lag hij te pronken in de boek­han­del. Van de ene dag op de andere scheen ik aardig op weg om me als auteur te bevestigen. Nadat als het ware één eer­ste domino­steentje omge­vallen was, zag ik hoe het in werking schie­ten van een voor mij tot dan toe ver­bor­gen me­cha­nisme werd als het omvallen van een lange rij andere dominosteen­tjes. Ra­dio en tv werden er bijge­haald en in de pers verschenen interviews en een boel ui­terma­te gun­stige besprekingen. De hoofd­re­dacteur van mijn Nederlandse uitgeverij had me al verzekerd dat mijn volgen­de roman ook bij hen zou uitgegeven wor­den. Maar een jaar later, vlak voor mijn reputatie met nieuw werk kon geves­tigd worden, ging deze firma bankroet. De uitgeverij werd wel over­geno­men, maar de ganse re­dactie werd ontslagen en veranderde, op het naambord­je na, in een ander bedrijf. Later ben ik nog eens uitgenodigd bij een grote uitgeverij in Antwerpen die belangstelling had voor mijn twee volgende romans. Maar een week later vernam ik dat ook deze firma door een andere werd opgeslokt. Door de malaise die zich toen al in de boekenbranche aankondigde, verviel mijn hoop om van mijn pen te kunnen leven.

Ondertussen is er een half leven van schrijven in een sukkelstraatje voorbijgegaan. Wat rest is mijn door een laag stof bedekt oeuvre. Nochtans heb ik bij elk werk ‘alles’ gegeven wat ik in me had. Mijn beide handen maken intu­ïtief het gebaar van iemand die zijn borst­kas opent om zijn innerlijk aan de wereld bloot te geven, terwijl ik met ’alles’ een­voudig zeg dat ik weigerde om in mijn werk vooruit te hollen, dat ik bij elke scène net zolang stilstond tot deze geen andere mogelijkhe­id meer te bieden had, waar­door dit werk zo evolueer­de dat het me op een na­tuurlijke wijze voort­stuw­de. In feite zijn al mijn teksten me vanzelf ontvallen, mij gedicteerd.

Want in mijn ogen verschilt schrijfkunst niet wezen­lijk van levenskunst. In dat geval is taal juist een middel om te ontsnappen aan de conventie van taal. Maar hoe ik deze visie in mijn romans ook getrouw ble­ef, op de lite­raire markt ving ik bot.

Iedereen heeft recht op zijn eigen smaak. Om die reden kan een schrijver niet anders dan dit recht van de lezer of lector eerbiedigen. Desondanks blijf ik ervan overtuigd dat veel van deze overwegend psy­cholo­gische romans niet inferieur zijn aan mijn bejubeld romandebuut. Zo heb ik met eigen ogen vastgesteld wat er gebeurt als het on­zichtbare me­cha­nisme dat bekendheid mee­brengt in gang schiet, precies zoals het later voor mij duide­lijk werd wat er niet gebeurt als datzelfde mecha­nis­me blokkeert.­ Daardoor werd het voor mij ook makke­lij­ker om de gunsten van dat mechanisme te relati­ve­ren; iets wat ik ondanks het in de mist gaan van mijn schrijversloopbaan alleszins als een voor­recht blijf beschouwen. Het heeft me tegen mislukkingen gewa­pend.

Deze herhaaldelijke verwij­zing naar de prullenmand had ook zijn voordelen. Ze hebben ervoor gezorgd dat ik nooit een schrijversimago heb bekomen dat mij via het medialandschap op een voetstuk zou plaatsen: een canon waarbij mensen elkaar nogal eens op ongelijke denkbeeldige niveaus bejegenen, waardoor de dagelijkse, inspirerende omgang met mijn naasten allicht niet op gelijke voet en minder spontaan zou zijn verlopen. Anonimiteit staat daar borg voor. Het is een natuurlijke staat. Verder hebben de weigeringen me verhinderd op mijn lauweren te gaan rusten. Bij elke roman werd ik weer gedwongen bij nul te vertrek­ken. Zoals een goochelaar: niets in de handen, niets in de zakken!

Schrijven is hard labeur. Dat houd je enkel vol als er liefde is voor het vak, als je bij het schrijven intense vreugde voelt, meegesleept wordt door je inspiratie, als je er psychologisch tegen opgewassen bent om in het literaire wereldje als een passieve toeschouwer achter de zijlijn te staan. Vanzelfsprekend komt het eventjes hard aan als je laatste geesteskind zoals Assepoester niet interessant genoeg bevonden wordt om toegang te krijgen tot het galabal. Maar van zodra ik een manuscript had voltooid, kreeg ik alweer andere, boeiende ideeën die mijn aandacht opeisten. Steeds weer bleef ik dromen van een roman die de vorige zou overtreffen. Daardoor werd het makkelijker om een afwimpeling te incasseren. Maar zelfs deze levenslange miskenning heeft mij de artistieke voldoening, het geloof in me­zelf, en dat ik het recht heb te zijn zoals ik ben, of te schrijven zoals ik schrijf, nooit kunnen afpak­ken. Wellicht ligt deze aanvaarding wel in het besef dat niets iemand kan beletten om, zoals de Franse dichter Rimbaud het in zijn Une saison en enfer zo raak uitdrukte, zich te engageren met het goddelijke licht. Een mens mag trouwens niet alles verwachten. Zo had het lot me gezegend met allerlei inzichten, een goede gezondheid, een gelukkig huwelijk en een resem schatten van nakomelingen - rijkdommen die nog belangrijker zijn en waarvoor ik dagelijks mijn stille dank uit.

Eigenlijk verkeerde ik als schrijver in de begenadigde toestand van een kind dat op een vochtige strandstrook tussen het mulle zand en de oprukkende zeegolven met plezier zandkastelen bouwt. 

Niets verhindert een artiest te volharden in zijn eigen smaak, trouw te blijven aan zichzelf en daarin scheppende krachten te vinden. Want al bestaat er van een literair werk, zoals deze uit de periode van vóór de boek­drukkunst, slec­hts één exemplaar, dit neemt niet weg dat het bestaat, dat men ernaar kan  teruggrijpen. Trouwens, bij de lezer bestaat een verhaal pas als hij er door geraakt wordt. De kwaliteit ervan wordt heus niet beter als hij door critici wordt geprezen en door hoge oplages vermenigvuldigd. Maar boeken moeten nu eenmaal aan de man worden gebracht. Zij ontsnappen niet aan de mallemolen van de commercie, aan de beïnvloeding opgezet door finan­ciële belangengroe­pen, die hun best doen om kunstenaars via canonisatie in de media te verhef­fen boven zichzelf, in hun roem of intellectuele sta­tus; ook al zijn dergelijke praktijken oneerlijk ten opzichte van de onbevangen lezer, kijker of luisteraar, en blij­ken ze het onbevangen lezen, kijken of luisteren dan vaak ook in de weg te staan. Wellicht biedt het besef dat enkel het persoonlijke en eenzame gevecht essentieel is, troost. Want tegen de erosie van de onmeetbare tijd blijkt niets opgewassen. Succes, roem, eer, rijkdom, dit alles is relatief: niets anders dan ijdelheid.

Iedereen kan inspiratie hebben, fantastische beelden zien, visioenen krijgen, op bijzondere gedachten komen. Maar iemand is pas schrijver door de schr­ijf­actie. Minder door middel van een publiek uithangbord aan de voet van een piëdestal, dan door de gedrevenheid waarmee hij elke dag in zijn eentje ver­halen in een vorm giet. Door veel te schrij­ven worden de hersenen meer geacti­veerd en blijven ze onbewust, zelfs tijdens de slaap, onver­moeid aan de slag. Zonder de discipline van de dagelijkse sch­rij­factie, wat uiteraard een sober leven vereist, had ik nooit al die in de loop der jaren ontvangen beelden, ingevingen en gedachteassociaties gehad. Niet dat ik ooit de be­hoefte voel om al dit mate­riaal weer op te diepen. Maar door te schrijven heb ik alvast meer dan één keer geleefd en heb ik die anders onmogelijke, voorbije levens enigszins be­waard en geïnventari­seerd. Daar­door voel ik me rijk en kan ik bevre­digd op de hieraan gewijde jaren terug­kij­ken. Alles had ik over om mijn mogelijkheden tot het uiterste te ontwikke­len. Hoewel mijn werk vandaag wat heeft van een in zee drijvende ijsberg, waarvan enkel het topje voor het publiek zichtbaar is, ben ik toch tevreden dit te hebben gerealiseerd. Of ik mijn mogelijkheden juist heb ingeschat, laat ik liever aan de lezer over.

 Reacties of beschouwingen zijn welkom. Ik lees ze met belangstelling. Robert.

Geen opmerkingen:

Een reactie posten