woensdag 24 april 2024
maandag 29 januari 2024
JONGEMAN STAPT WIJDE WERELD IN
In dit hedendaagse sprookje voor volwassenen, worden de lachwekkende belevenissen verteld van een ambitieuze jonge uitvinder, die zich tijdens zijn vrije uren bezighoudt met tapdansen, het bestuderen van hemellichamen en het volgen van de levensloop van beroemde filmsterren. Tijdens een receptie bij de inhuldiging van nieuwe kantoren, behorend tot een industrieel concern, wordt hij smoor op een operadiva, het lief van de grote baas. In de loop van de avond komt hij erachter dat de uitgestalde rijkdom slechts glitter is, daar het concern, als gevolg van haar intriges, aan de rand van het bankroet staat. Voor hem een gelegenheid om zijn plaats in het middelpunt van de financiële wereld binnen te rijven. Dit humoristisch verhaal van 120 pagina’s doorlopende tekst, speelt zich af op één locatie gedurende één avond.
Parrallel met een vloed van alle literaire grenzen overschrijdende gebeurtenissen, wordt op gelijke tred een verrassende kijk geboden op de sociale gelaagdheden rond het menselijk bestaan: de werkelijkheid voorgesteld als een allegorie waarin elk detail bekend voorkomt. Met een groteske lach worden naast alledaagse waanzinnen, herkenbare karaktertrekken als ijdelheid, hebzucht en geldingsdrang doorgelicht.
Eerste pagina's:
Venus bestaat. Ik heb haar met
mijn eigen ogen gezien. Iets bestaat pas voor zover het ook gezien wordt. En zo
gaat het met menschen als met planeten: het is niet genoeg voor een
rondzwervend object om in de kijker te lopen. Nee, er moet iets opvallends mee
gemoeid zijn, waardoor de observator de aandrang voelt het beeld scherp te
stellen om na te gaan of wat hij in de vlucht heeft opgemerkt, terecht of niet
zijn aandacht verdient.
Ik was op een receptie bij De Blauw ter
gelegenheid van de inhuldiging van zijn nieuwe kantoren. En terwijl ik me
tussen de dichte drommen van aanwezigen naar het buffet begaf, viel me tegen
een achtergrond van afgezaagde wijsjes op een piano en geroezemoes van velerlei
stemmen, plotseling een rij gehakte klanken op. Omvallende dominostenen: ongewoon
muzikaal, helder, en - ofschoon van een donker, welhaast mannelijk timbre, - duidelijk
afkomstig van een operadiva. Zo klinkt alleen Hoogduits. Delicaat brons. Hoogst
zeldzaam in onze mosachtige contreien.
Daar zag ik De Blauw, bijgenaamd de Beul van
Katanga, langs de rugzijde. Een grauw, blauw pak over zijn corpulente, misdadige
schouders. Ik zou haast zeggen: de achterzijde van de maan, die mij, in de
richting van de vallende dominosteentjes, het zicht belemmerde. Hij was omgeven
door een blauwe kring van hem gunstig gezinde satellieten, - trawanten of
slippendragers die, zeker doordat ze voor hun mateloze ambities van hem
afhankelijk zijn, hetzelfde beulsgezicht reflecteerden als hij. Aan hun mond
kon ik zien dat De Blauw glimlachte. Aan hun ogen en hun eenstemmige knikjes
mat ik de graad van geveinsde belangstelling waarmee De Blauwe beul naar een
spreker luisterde. Ofschoon ik me ook al een tijdje binnen zijn invloedsfeer
bevond, - wat trouwens mijn aanwezigheid hier verklaarde, - behoorde ik nog
niet tot deze elitaire satellietengroep. Het zou dan ook van een onvergeeflijke
aanmatiging getuigen als ik me, hoewel ik ter wille van De Blauw niet minder
bereid was een glimlach te veinzen of met blinkende ogen ja te knikken, zonder
een uitnodigende wenk bij het kringetje zou aansluiten. Dus liep ik door. Alsof
ik niets beters te doen had dan me, zoals de eerste de beste knul alhier, een tweede
glas Royale Touch met sappig fruitje van verse kumquats te laten inschenken.
Terwijl de barkeeper hiermee bezig was, draaide ik me om en posteerde er met de
zelfverzekerde koelheid van de harde bink, die volop bezig is het te maken in dit leven. Van jongs af eraan
gewend hele melkwegstelsels aan je oog te zien voorbijtrekken, raak je niet
dadelijk van slag als er toevallig een Duitse Venus in het vizier komt. Mijn
oog was beslist wetenschappelijk neutraal en onbevangen. Dit wil zeggen dat ik
niet toegaf aan mijn eerste indruk door, zonder op tekortkomingen te letten, te
gaan steigeren voor een weinig geziene vorm van schoonheid, zoals zij die naar
mijn gevoel uitstraalde.
Dat ik mijn glas voor slechts driekwart
gevuld kreeg, belette me niet mijn tijd te nemen voor enkele minpunten.
Objectief gezien kon men de Duitse struis noemen. Voor mij persoonlijk betekent
dat geen strop. Uitgemergelde skeletten horen in een kist, diep onder de zoden.
Een bolle boezem belooft overvloed. Mijn blik daalde naar de volgende welving,
- haar buik. Ook die zag er volgens de gangbare normen te mals of weelderig
uit.
Gangbare normen! Laat die grijze klootjes
van onbenullige meteorieten uit hun nek kletsen! Laat ze bij de eerste
aanraking met de dampkring opbranden en tot stof verpulveren! Liever ontblootte
mijn koortsachtige verbeelding een intiem moment van haar toestemming, zodat ik
mijn hand er ongehinderd overheen kon leggen en de vlezige veerkracht voelen:
een mateloos Vergnügen, aangenaam begeleid door haar mij
aanmoedigende, speelse gilletjes.
Haar gezicht wil ik niet beoordelen. Dat
gaat zoals bij het voorkomen van planeten: elk gelaat, of dat nu blauw, rood,
of wit is, kan er de ene nacht mooi dan weer lelijk uitzien. Praat me nog
minder over make-up of haarkleuren! Het zijn eerder de innerlijke stemmingen die
men moet beoordelen. Aangezien deze Venus Hoogduits sprak en eerder bleek van
huid was, zou men een blonde vamp verwachten. Vandaar mijn vermoeden dat de ravenzwarte
tressen, loshangend achter haar forse schouders, geverfd moesten zijn, precies zoals
bij de Koningin van de nacht uit Mozarts Die
Zauberflöte.
Bedenkend dat ik het voorlopig met minder
schoonheid moest stellen, begaf ik me, omzichtig vanwege het gevulde glas in
mijn hand, weer naar Justine, mijn vertrouwde gesprekspartner. Afgaand op de
Hoogduits vallende klankenrij nam ik dezelfde weg terug. Net voor die Venus
opnieuw achter De Blauws beulse heuvelrug wegdeemsterde, ving ik nog een
wonderlijke glimp op van het fijne beha-lintje, dat haar volle schouders
smaakvol in twee congruente parten deelde. Ik proefde een laatste druppel
schoonheid en onderging in één oogwenk de vluchtige bloei van het leven zelf.
‘’t Is toch niet doordat jij je stom
verveelt dat je weer verliefd moet worden!’ hoorde ik de eeuwige scepticus in
mij. Mijn voorhamer sloeg dat lastige kereltje in één klap de schedel in.
Vanaf
hier wist ik wat ik met mijn leven moest aanvangen.
zondag 18 juni 2023
TWEE HOOFDEN (Roman)
Als privédetective Joseph Reinhout wordt uitgenodigd op de lijkschouwing van een onthoofde vrouw, van wie hij in opdracht van haar echtgenoot al enkele dagen bewijzen verzamelt dat zij hem ontrouw was, komt hijzelf in nauwe schoentjes te staan. Niet enkel circuleert er bij de politie een compromitterende foto van hem met die dame. Onder zijn bed wordt ook een bebloede machete gevonden met daarop zijn vingerafdrukken. De plot wordt nog ingewikkelder als zijn oude vriend en diens vrouw tijdens hun vakantie in Oostenrijk met hun wagen in een ravijn storten. Dat het hoofd van die vrouw niet wordt teruggevonden, stelt Joseph voor een tweede raadsel. Om de zaken in zijn eentje op te lossen, probeert hij uit de handen van de politie te blijven.
Nieuw in het genre is de introductie van een levensecht personage wiens eigenzinnig karakter evengoed via zijn speurwerk als privéleven aan het licht komt. Het uitgebalanceerde evenwicht tussen diens uiterlijke waarnemingen en rijk innerlijk leven, houdt het verhaal over de ganse lijn fris en voor de lezer herkenbaar, alsof hij het zelf beleeft. Verhelderend is Josephs vereenvoudigde kijk op de wereld; al maken ook zijn zwakheden, angsten, obsessies en twijfels hem door en door menselijk.
Fragment:
Vreemd hoe Joseph ondanks de spanning van het wachten nog oog had voor de verkeerslichten en voor alles wat er langs de weg gebeurde. Als hij een eenzame wolf was, dan heette dit zijn jachtgebied. Daar achter het stuur van een passerende wagen een jakhals, ginds een troep buffels. Op het einde van de rit stonden meedogenloze jagers hem met hun geweren op te wachten. Hij kende dit levensgevaarlijke, onherbergzame terrein door en door. Hij kende de mens, heerser over tankstations, over industrieterreinen, over villa's langs de openbare weg, over scholen, bankgebouwen, supermarkten, vijvers, sloten en kanalen. Hij, de man die al jaren bezig is het geweld waarmee dit alles wordt opgebouwd met de koelheid van een onpartijdige te registreren, hij heeft zich nu voor het eerst schuldig gemaakt door zelfzuchtig in te gaan op zijn eigen menselijke gevoelens. Dus zal recht geschieden! De horde zal zich op zijn kadaver storten.
vrijdag 24 maart 2023
Parijs, de beesten (Roman voltooid in juni 2023)
In Parijs de Beesten wordt privédetective Joseph Reinhout losgelaten op een zaak die aanvankelijk te klein lijkt voor zijn talent: het terughalen van een weggelopen rijkeluisdochter. Behalve een opdrachtgever die liever niet te veel kwijt wil, beschikt hij over brieven van haar correspondent, student aan de Parijse Sorbonne. Al snel blijkt de eenvoudige zaak een valkuil. In de schaduwen van de lichtstad wordt hij de hele tijd door een zonderling heerschap op de hielen gezeten. Met een lichtvoetigheid, gecombineerd aan duistere elementen, - een evenwicht dat niet makkelijk te bereiken is - ontvouwt zich naast de dreigende plot rond een criminele bende van vier, een verrassende mélange van série noire: spanning, komedie, melancholie en scherpe observaties van het stadsleven. Actie en introspectie wisselen elkaar met een modern gevoel van ritme in snel tempo af. De personages zijn levendig, altijd herkenbaar in hun verlangens en zwaktes. Parijs is een inspirerende medespeler: verraderlijk en onbetrouwbaar. Wie houdt van literair vormgegeven met een vleug romantiek die evenveel charme ontleent aan zijn plot als aan de sfeer van achterkamers, rokerige studentencafés, emotionele resonanties en misdaadlogica, zonder zijn gevoel te verliezen voor het absurde van het dagelijks bestaan, zal hier enorm plezier aan beleven.
dinsdag 6 december 2022
De Trap
https://www.bravenewbooks.nl/site/userwebsite/index/id/robertusbaeken
De Trap
zaterdag 5 november 2022
Drie gedichten van Robert Baeken
woensdag 5 oktober 2022
Fragment uit de biografie 'Leonard en ik': Over Dostojewski
donderdag 16 juni 2022
Het gevaar loert in Mombasa als e-boek
dinsdag 7 juni 2022
Persbericht naar aanleiding van recente publicatie "Portret van de aardbeienplukster als jonge vrouw"
woensdag 15 december 2021
Portret van de aardbeienplukster als jonge vrouw - NABESCHOUWINGEN
‘Portret van de aardbeienplukster als jonge vrouw’ heb ik in twintig maanden uitgeschreven met potlood op papier. Dit gebeurde tussen 4 augustus 1980 en 27 maart 1982 tijdens de middagpauze van 12 tot 13 uur aan mijn bureau op het metallurgische bedrijf in Beerse, waar ik dagelijks de kans greep om na het nuttigen van de middaglunch, in mijn eentje voort te schrijven. Op dat bedrijf, gespecialiseerd in het smelten van lood en antimonium en het omzetten in andere derivaten, was ik op dat moment al 15 jaar werkzaam als technisch tekenaar. Door deze functie maakte ik tevens deel uit van een uitgebreide onderhoudsploeg van constructeurs, lassers, ovenmetsers, houtbewerkers, enz. Door mijn voltijds werk hier, had ik weinig tijd om te schrijven. Wel was ik door mijn nauw contact met al die collega’s op de werkvloer in de gelegenheid uitgebreide levenservaring op te doen. Genoeg voor een romanschrijver om in het bezit te komen van een staalkaart die geldt voor de hele wereld en alles wat des mensen is. Uiteraard bezat ik toen nog geen pc. Eenmaal thuis vulde ik mijn dagelijkse potloodversie tot 339 volgeschreven vellen aan om het geheel later met een schrijfmachine uit te typen.
Omdat het verhaal zich in de jaren zeventig afspeelt, leek het decor ondertussen wat gedateerd. Verbluffend hoeveel er de voorbije veertig jaar veranderd is in de wereld... Maar misschien vormde dat juist een meerwaarde. Het geheel scheen nu iets van een tamelijk recent-historische roman te hebben gekregen. Mijzelf boeide het verhaal in ieder geval nog steeds. Alleen trof ik, toen ik erop terugkeek, heel wat storende elementen aan. Zo prees ik me gelukkig, dat de roman indertijd op de valreep toch niet werd uitgegeven. In die eerste versie leidde een overvloed aan details en bloemrijke beschrijvingen de aandacht al te zeer af. Door minder verbositeit en meer soberheid, zou het verhaal veel beter uit de verf komen. Daar een roman bestaat voor zover hij goed geschreven is, begon ik de tekst te redigeren. Met soms zeer grove middelen: een snoeimes maar af en toe ook een hakbijl. Dat was nodig. Toen ik er na een half jaar opnieuw klaar mee was, bleek het oorspronkelijke verhaal van 300 pagina’s tot 200 te zijn teruggebracht.
Elke vogel zingt zoals hij gebekt is. Wat het lied juist zo interessant maakt. Maar of je nu zingt of schrijft of andere kunsten beoefent: de uitvoerder blijft het knechtje van wat hij verwezenlijkt. Voor mijn part mag het nooit zijn bedoeling zijn om de aandacht op zichzelf te vestigen, om zijn ‘kunnen’ te laten zien. Wel moet hij de verborgen wereld tonen die in ieder van ons is. Bij een schilderij gaat het niet om de verf, bij een roman niet om de woorden.
Voor het boek over de Aardbeienplukster was mijn uitgangspunt filosofisch van aard. Het verhaal speelt zich af in een periode waarin de kerken leeglopen, waarin het dogma van het traditionele geloof, meer dan ooit, verstandelijk aan de tand wordt gevoeld; dat thema is van alle tijden, maar op dat moment meer dan ooit actueel. Zoals het spreekwoord echter zegt: als twee honden vechten voor een been, loopt de derde ermee heen. Dit liet ik in mijn roman zo gebeuren. Die derde is namelijk het hoofdpersonage Mieke, die, juist omdat zij geen enkel ander argument heeft dan haar waarachtige honger naar het leven zelf, de anderen slimmer af is. Eenmaal een dergelijke zaadje is geplant, behoort het nooit tot mijn werkwijze om door een 'planmatige', verstandelijke tussenkomst daarrond een verhaal te 'verzinnen’. Het verhaal dringt zich onweerstaanbaar aan me op. Daarnaast laat ik de tijd zijn werk doen, door het zaadje elke dag verder te laten evolueren, en er ook al eens een nachtje over te slapen, op natuurlijke wijze, zoals een boomscheut uitgroeit naar het licht. Een riskante onderneming: je hebt geen enkele garantie om niet, op zeker ogenblik, op een dood spoor te belanden. Daarom ben ik het lot of de hemel dan ook bijzonder dankbaar voor ‘de genade’, als het ware, omdat het me vergund was mijn relaas tot een goed einde te mogen brengen.
Bij uitgeverij De Galge publiceerde ik tevoren al een dichtbundel, maar als romancier debuteerde ik in het jaar 1981, met het boek ‘Van liefde en ondeugd.’ Een liefdesroman, met als hoofdpersonage een suppoost in een museum. Hoewel de meeste van mijn romans over man-vrouw relaties gaan, verschillen ze onderling heel erg van elkaar. Behalve in mijn twee vroegste manuscripten uit mijn beginperiode, heb ik nooit op directe wijze over mijn eigen leven verteld. Waarschijnlijk inspireerden mijn persoonlijke belevenissen me te weinig om steeds maar in die ene, zelfde richting te blijven doorgaan, in het teken van mijn eigen, rimpelloze huwelijk (hoewel dit toch ook wel passioneel was), en mijn gezin van vijf kinderen, mijn dagelijkse schrijven, mijn werkzaamheden op de fabriek... Ik zou dan wellicht het gevaar hebben gelopen, steeds aan één en hetzelfde boek te hebben zitten schrijven. Al valt zelfs daar wel iets voor te zeggen. Het opwekken van spanning en emotie is een kwestie van individuele, seismografische gevoeligheden, en meer niet. De schrijver hoeft echt niet deel te nemen aan, bij wijze van spreken, een safari, om opmerkelijke gewaarwordingen aan anderen over te brengen.
Elk
leven heeft maar één uitkomst. Toch spelen toevalligheden daarin een ongeziene
rol. Onverwachts een straat oversteken, kan al voor gevolg hebben dat het leven
een heel andere wending neemt dan je voor ogen had. Elke dag opnieuw staat
iedereen voor verrassingen. En waarom zou je bij het schrijven niet de vrijheid
mogen nemen om sommige van die niet onwaarschijnlijke toevalligheden een handje
toe te steken en daarin mee te gaan? Door zelf op het toneel afwezig te
blijven, kan de schrijver gevolg geven aan andere keuzemogelijkheden dan die
voor de hand liggen. Niet enkel kan hij plotseling de straat oversteken en onverwachts
een onbekende tegenkomen. Door van zichzelf afstand te nemen kan hij erin
slagen een ander te worden. Door schrijvend in een andere werkelijkheid dan de
zijne te stappen, leeft hij twee keer. Zonder dit gegeven had ik me voor mijn
roman over de Aardbeienplukster, onmogelijk kunnen verplaatsen in de
werkelijkheid van een jonge vrouw, of, zoals in mijn daaropvolgende roman, in
die van een schrijnwerker, wiens huwelijk door ontrouw op de klippen dreigt te
lopen.
Merkwaardig hoe ik op
mijn zestiende, op een technische school, tijdens de les Nederlands,
‘verklarend lezen’, kennismaakte met Beatrijs en andere middeleeuwse teksten.
Er ontvlamde iets in mij, een onstilbare dorst naar het mooie, het waarachtige,
het troostende dat van literatuur kan uitgaan. Van de ene op de andere
dag wisselde ik mijn strips in voor romans. Het begon met Dostojewski’s
‘De gebroeders Karamazow’ en het hield niet meer op. In de plaatselijke
boekhandel werd ik een graag geziene klant. Ik las een heleboel klassieken,
zoals ‘Rood en zwart’ van Stendhal, de romans van Tolstoi, Saroyan, Steinbeck.
En van eigen bodem Felix Timmermans, Willem Elschot, Cyriel Buysse.
Een tweede openbaring greep plaats toen ik op
mijn achttiende, in een vertaling uit 1961, ‘Black Spring’ van Henry Miller
ontdekte; een bundel deels surrealistische teksten, geschreven in 1934. Vooral
het verhaal ‘De kleermakerij’ schudde mij heftig door elkaar. Dat iets zo
verschrikkelijk rauw en schaamteloos eerlijk, tegelijk diep
menselijk en ontroerend kon zijn, had ik nooit voor mogelijk gehouden. Een
bekentenissenliteratuur die zich ogenschijnlijk totaal niks van vorm aantrok.
Je hoefde om romans te
schrijven dus toch niet hoogopgeleid te zijn. Miller was een gewone straatjongen uit Brooklyn. Als hij het kon, waarom dan niet ik? Het was of
ik ontwaakte uit een droom. Maar Miller was een zeer sterke persoonlijkheid,
zodat het me vele jaren gekost heeft om van zijn invloed af te komen.
In zijn jeugd was Miller trouwens zelf ook een
fervent bewonderaar van Dostojewski’s tragedies. Tot hij op een dag inzag dat
dit literaire beeld niet met de werkelijkheid strookte; de menselijke ziel leek
hem ineens te klein voor het grootse van dergelijke tragedies, zodat dit
inzicht voor hem de énige tragedie werd. Een dergelijke aardverschuiving
overkwam ook mij. Hoewel ik Millers wereld herkende en zijn proza fel
bewonderde, opereerde ik als plattelandsjongen en brave zoon van een
hardwerkende weduwe met groot gezin, vanuit een heel andere achtergrond. Dus
moest ik, zonder me van iets of iemand aan te trekken, op zoek naar mijn eigen stem.
Een verhaal moet er naar de vorm, als geheel, naar mijn betrachting, even rond uitzien als een biljartbal. Dit kom je niet zo vaak tegen. Maar je vind het wel, bijvoorbeeld, in Mishima’s roman ‘Een zeeman door de zee verstoten’ (1963), of Tanizaki’s ‘Dagboek van een oude dwaas’ (1961). Ook in de korte roman ‘Agostino’ van Moravia (1945), of ‘Brandende liefde’ Jan Wolkers (1981).
maandag 2 augustus 2021
Recensie: Het gevaar loert in Mombasa in KNACK
Het gevaar loert in Mombasa
Recensie in Knack - Focus - 9 juni 2021 - Marnix Verplancke.
In de jaren 1920 trekt de Antwerpse boekhouder Oscar Van Kleut naar Afrika om er Clara Jansen te zoeken. Die is uit Mombasa vertrokken om de Kilimanjaro te beklimmen, waarna er nooit meer iets van haar vernomen is. Oscar reist in haar voetsporen, vergezeld door de Amsterdamse landmeter Duval – of is het Duvel, zoals sommigen beweren? Vaststaat dat hij met de glimlach handen van de inwoners afhakt, onder begeleiding van Waldteufels Estudiantina of Schuberts Der Lindenbaum (Oscar heeft een grammofoon en een stel reservenaalden mee).
Het gevaar loert in Mombasa is een heerlijke persiflage, geschreven door de eigenzinnige Robertus Baeken, die onwillekeurig doet denken aan Conrads Heart of Darkness , Tarzan en het verhaal van Stanley en Livingstone, () Er zit ook ernst verborgen achter de humor, want plots eindigt de bekende geschiedenis. Wie heeft wie vermoord, of is er helemaal niemand dood? Hoe ontstaan mythes en wat vermag de wetenschap ertegen? Ook dat intrigeert Baeken.
dinsdag 4 mei 2021
Het gevaar loert in Mombasa. Roman te verkrijgen in de boekhandel.
Het gevaar loert in Mombasa
ISBN: 9789464242089
Soort boek: Paperback / softback
Aantal pagina's: 100
Uitgeverij Aspekt Prijs: € 12.95 Te verkrijgen in de boekhandel
Een Vlaamse boekhouder, geïnspireerd door de beroemde, in het Braziliaanse oerwoud verdwenen ontdekkingsreiziger Fawcett, besluit in 1926 een in Afrika vermiste landgenote op te sporen. In Mombasa komt hij in contact met de Swahili-sprekende Duval. Deze ouwe rot zal hem behulpzaam zijn bij het oprichten van een expeditie en hem als gids door de jungle vergezellen. Tussen hen ontstaat een machtsstrijd.
Het jungleverhaal eindigt bij een teruggevonden skelet in een kloof nabij de Kilimanjaro.
Nieuwe literatuur, gebracht als een spannende avonturenverhaal; gevolgd door de chronologie van een met Tarzan en Fawcett verweven mythevorming rond de hoofdfiguur en andere zijsprongen waarin de auteur graag een loopje neemt met de ernst van de wereld.
In vrije val geschreven, is het verhaal toch niet de uitkomst van een ongebreidelde fantasie; want zowel ter lering als vermaak een metafoor gebaseerd op historische feiten.
Satire, pulpachtig geweld en zwarte humor in afwisselende tempo. Een brok pure dynamiet. Literair vuurwerk, de lezer met een comfortabel lontje aangereikt.
zondag 23 augustus 2020
Interview met het tijdschrift BLOOM
Wat houdt het ego volgens u in?
Ook al wordt het zelden
als feit ervaren, ieder mens leeft in twee werelden tegelijk. Inherent aan onze
concrete verschijning bestaat het abstracte ego, of alles wat ons met ons
persoonlijk verhaal bindt. Dit verhaal komt tot stand door unieke voorvallen,
ondergebracht in bepaalde categorieën zoals woorden of symbolen; noemers waardoor
ze als iets herkenbaars aan de grootste gemene deler kunnen worden overgedragen.
Dit kan gaan over allerlei zaken: herinneringen aan gebeurtenissen, projecties
waarmee we nauw in betrekking staan, onze levensloop in het verleden, onze
verwachtingen voor de toekomst, enz. Uiteraard is elk verhaal verschillend en
daardoor elk ego ook uniek. Tegelijk is elk verhaal een vrucht van de
verbeelding; een soort van immateriële aankleding, gelijkgesteld aan een
persoonlijke identiteit, wat zeer eigen is aan mensen. Zo te merken zijn dieren
minder met hun verbeelding bezig dan met hun directe noden en wat zich op
natuurlijke wijze voor hun neus afspeelt. Mensen zijn ook dieren, maar behalve
in de concrete wereld van heden, staan zij met één been in een geabstraheerde
wereld, opgeroepen door hun verbeelding. Verbeelding maakt hun leven rijk. Zonder
verbeelding geen taal, geen geschiedenis, geen cultuur, geen boeken,
wetenschappen of kunsten, geen beschaving, geen huizen, wegen of bruggen, geen maatschappelijke
ordening, geen identificatie, geen ego. Toch zien we hoe achter het
vernislaagje van al deze zegeningen, zich de grootste dwaasheden afspelen. De
gevangenissen zitten overvol. Dagelijks verdwijnen tonnen chemicaliën in de
lucht, de aarde en het zeewater. Eén druk op de knop en onze blauwe planeet is
naar de vaantjes. Heel wat mensen misdragen zich erger dan beesten.
Zijn ego en egoïsme synoniemen?
Deze geabstraheerde
wereld is in de loop van de evolutie zodanig ons leven gaan beheersen, dat we
haar vanzelfsprekend vinden. Als gevolg van historische gewenning hebben mensen
het moeilijk om nog te onderscheiden wat in hun leven abstract en wat concreet
aanwezig is. Nogmaals: concreet zijn de directe zintuiglijke gewaarwordingen.
Abstract is wat wij ons hierbij voorstellen. Om dit met een eenvoudig voorbeeldje
duidelijk te maken: er bestaat een hemelsbreed verschil tussen een boom zoals
met de ogen waargenomen of zoals die in gedachten wordt opgeroepen. Ook al
lijkt de abstracte boom voor ons zo reëel dat we hem kunnen beschrijven, hij
wuift ons niet op wonderbaarlijke wijze toe met zijn tienduizend blaadjes in de
wind. In tegenstelling tot onze directe zintuiglijke gewaarwording is en blijft
de abstractie een door mensen verzonnen toevoegsel, precies zoals het ego.
Daarentegen wijkt het zintuiglijke geen moment van onze zijde. En dat is maar
goed ook; anders zouden we bij het oversteken van een drukke straat algauw
onder een auto terechtkomen. Dit neemt echter niet weg dat onze waarnemingen zodanig
door de verbeelding kunnen worden opgeslorpt, beïnvloed, aangetast of
verduisterd dat we wél onder een auto lopen. Al naar gelang onze wensen en voorkeuren,
of die nu persoonlijk zijn of collectief, beoordelen wij onze ervaringen door
middel van tegenstellingen zoals groot en klein, aangenaam en onaangenaam, kort
en lang, boeiend en vervelend. Kortom, wij bestuderen het leven en passen het
in hokjes, of in tijdvakjes, zo je wil. Het ego is uit op zekerheid en geluk. Paradoxaal
genoeg is precies dat streven vaak de oorzaak van zijn onzekerheid en ongeluk. Het
ego gaat op zoek naar vormen van uitbreiding, naar meer dan het nodig heeft
voor zijn dagelijks levensonderhoud, of dat nu banale pleziertjes lijken of hogere
toestanden. Tijdens deze zoektocht biedt zijn opdringerige entourage, om haar dingen
aan de man te brengen, het ego genoeg inspiratie om achter het heil dat het in
gedachten heeft aan te hollen. Als dat bereiken van zijn doel ten koste gaat van
de concrete gewaarwordingen waarbij evengoed het welzijn van andere schepsels
hoort, overstijgt het ego zich in een uitvergrotende trap: egoïsme.
Is egoïsme een negatieve uiting? Maakt het mensen er
minder humaan op?
Egoïsme is vooral een
uiting van niet weten wat de Voorzienigheid met het leven voorheeft. Ik gebruik
hier de niet-gepersonaliseerde term ‘Voorzienigheid’ bij gebrek aan iets beters;
omdat ik niet in de val wil trappen van het bedrieglijke religieuze discours,
waarbij het veelal weer om naamgeving of menselijke voorstellingen te doen is.
Ook omdat we in het duister tasten als het gaat om het fenomeen dat wij hier rondlopen,
terwijl we toch zien dat zowel het eigen lijf als de grootste chaos daarbuiten,
gehoorzaamt aan een alles in stand houdende, ononderbroken, intelligent naar
evenwicht strevende orde. Onwetendheid wordt door het leven zelf bestraft. In
extreme mate teruggeworpen op de keuzes van het eigen ik, met alle daarbij
horende verlangens en betrachtingen, wordt de verbeelding nog aangescherpt. Zo
kan de kracht van woorden of gedachten onze angsten en bezorgdheden groter doen
lijken dan ze al zijn en zelfs maken dat wij er ’s nachts geen oog van dicht
doen. Mogelijk loopt het verblinde ego op weg naar zijn doel niet direct onder
een auto. Maar door zijn afscheiding zit het zijn kostbare tijd wél in een zelfgebouwde
gevangenis uit, knarsetandend en bevend van onrust, terwijl achter zijn tralies
de naamloze werkelijkheid voorbij vliedt. Wat een mens tijdens zijn leven ook
verwerft: - fortuin, achting, roem, wijsheid, - even uitgekleed als hij op de
wereld gekomen is, zal hij die verlaten; alsof zijn toestand nooit anders is
geweest. Vanzelfsprekend kunnen we ter wille van onze boterham niet met
gekruiste armen over elkaar blijven zitten. En waarom zouden we, als we te
kiezen hebben, niet gaan voor werk dat ons het meest boeit, of het best in onze
aanleg of vermogen past? Ook al gebeurt het misschien tegen een geringere
beloning? Ik zou zeggen: doe wat je wil, maar beleef er in ’s hemelsnaam
plezier aan, ontspan je, fluit een deuntje! Wat uw vraag betreft: in het
verleden hebben we gezien dat een strak geconditioneerde samenleving, geleid
door de extreme wil van een collectief ego, inderdaad minder leefbaar wordt,
dommer, strenger, minder humaan; om niet te zeggen dat zij mensen er zelfs toe aanzet
de ruiten in te gooien van al wie hen vreemd is of zich te bezondigen aan
genocide.
U haalt aan dat elk levend wezen zowel een enkeling is
als iedereen, zolang er aanwijzingen uitblijven die duiden op een
gepersonifieerde identiteit. Wat houdt dit precies in?
Door onderscheid te
maken tussen de concrete fenomenen en de abstracties van het ego waarmee we door
onze sociale omgang voortdurend te maken hebben, wordt de loze buitenkant van
dat ego vanzelf doorprikt. Fenomenen zijn wél waarachtig, maar doordat zij even
uniek als voortdurend wisselend zijn, is het onmogelijk ze zonder hulp van de
verbeelding toe te eigenen. Op zich biedt geen enkel fenomeen voldoende houvast
om zich daarmee te vereenzelvigen en zo tot een gepersonifieerde entiteit te komen.
Fenomenen zijn concreet, zonder geschiedenis, zonder verleden of toekomst. Ze
vlieten aan ons voorbij, maar tegelijk zijn ze blijvend. Want binnen hun
werkelijkheid bestaat geen tijd. Oog in oog met de fenomenen, maak je er onverbrekelijk
deel van uit. Verder ben je niemand. Het bewustzijn dat anderen eveneens met dergelijke
fenomenen te maken hebben - mogelijk zonder dat dezen zich er zelf van bewust
zijn, - verheft de eigen concrete toestand ogenblikkelijk tot die van
herkenning en universeel begrijpen. Enkel door niemand te zijn, ben je iedereen:
onze basistoestand zonder dat daaraan een wordings- of groeiproces voorafgaat.
°Subvraag: En hoe belangrijk is die identiteit voor
het geheel, voor Het Grote Verhaal van de maatschappij?
Ik houd me liever bij
het zojuist aangehaalde begrijpen. Een dergelijke collectieve stap, waarbij het
ego wordt genomen voor wat het is, zou inderdaad van grote betekenis zijn in de
evolutie van de mensheid. Maar zoals het er vandaag uitziet, is nog geen enkele
samenleving in dat geestelijke avontuur meegegaan. Tot hier dient de waarheid enkel
de ingewijde enkeling die van zijn maatschappelijke conditionering is
afgeraakt. Blijkbaar zitten weinigen te wachten op essentiële ervaringen die het
summum betekenen van eenvoud en doordat ze gespeend van taal onmogelijk onder
woorden te brengen zijn. De religies die ten behoeve van de geloofwaardigheid
en identiteit van hun geloofsgroepen zijn uitgebouwd tot machtige instituten, proberen
dit juist wel. Ofschoon niets zo onheilig is als het streven naar zijn eigen
heil, menen zij door het uitvaardigen van strenge leefregels het egoïsme aan
banden te kunnen leggen. Om van zijn gebreken of ondeugden af te komen, wil de
gelovige daarin best meegaan. Tegemoetkomend aan hem voorgespiegelde ideaalbeelden,
gaat hij zich eerder richten op zijn fouten in het verleden en zijn goede voornemens
in de toekomst dan wat er op het huidige moment in hem gaande is. In plaats van
te zien wie hij werkelijk is, wordt het ego ingeschakeld in een groei- of
wordingsproces, in een strijd van voortdurend vallen en weer opstaan, - een gevecht
dat hij onmogelijk kan winnen. Want het ego mag zich dan wel tijdelijk gedwee
opstellen, doordat het zich identificeert met zijn oude gewoonten, laat het zich
nooit temmen, nooit dwingen in een hem opgelegd keurslijf. Ondanks de beste
bedoelingen blijkt deze wereld met al zijn gewelddaden en onrecht, er dan ook weinig
beter van geworden.
Is het zintuiglijke, het materiële een
waanvoorstelling?
Elke zintuiglijke
waarneming is te herleiden tot een uniek fenomeen. Tot de uiterlijke kant van
dit verschijnsel behoren zowel de waarnemer als de materie: twee noodzakelijk op
elkaar aangewezen bestanddelen. Geen van beide kan immers op zichzelf bestaan.
Waarnemen is één onstoffelijk gebeuren, precies zoals het verschijnsel waarnemer
en materie daarin. Om die reden bestaat er niets buiten het fenomeen en
manifesteert alles in het leven, van het kleinste onder de microscoop tot het
verste melkwegstelsel achter een machtige sterrenkijker, zich aan het oog als
zuivere geest.
Waar vinden we de waarheid in het leven, in een wereld
vol zogezegd ‘fake news’?
Omdat wij, toch wat de meeste
berichten betreft, niet anders dan op derden kunnen afgaan, kan de wereld ons
het gekste wijsmaken. Men moet zelf al een ferme vinger in de pap van de
berichtgeving hebben om de belangen van die ‘derden’ te doorzien. Gewone
burgers bevinden zich niet in die positie. Zij worden met een vingerknip
gemanipuleerd en geïndoctrineerd, bijvoorbeeld door de politieke koers, door
industriëlen, of door machtige zakenlui in de reclamewereld. Deze hebzuchtige aanstichters
(door aan deze conditionering deel te nemen horen we daar zelf ook bij) van de
consumptiemaatschappij dringen hen ongelimiteerd behoeften en diensten op die
de burgers vroeger niet hadden. De enige waarheid waarvan we zeker zijn, doet
zich direct aan ons voor; een gevolg van het onbevooroordeeld, onbevangen zien
van de dingen zoals ze zijn. Zij heeft niks te maken met onze keuzes om enkel die
argumenten naar voren te brengen waarnaar onze belangen en voorkeuren uitgaan,
zoals we onszelf vaak wijsmaken.
Is de verinnerlijking de te bewandelen weg in de
moderne wereld?
De enige te bewandelen
weg is die welke je naar het echte leven voert, naar innerlijke tevredenheid en
harmonie, naar content zijn en vandaar naar het enige ware geluk, waar ter
wereld je ook leeft.
De mens evolueert in de loop van zijn leven van een
baby met een helder en willoos bewustzijn tot een apart individu die een naam
toebedeeld krijgt om binnen de groep te worden geïdentificeerd en te kunnen
functioneren. Welke invloeden wegen in deze evolutie het zwaarst door? Door
wie/wat worden we uiteindelijk gevormd tot wie we zijn?
Geen enkel levend wezen heeft er schuld of verdienste aan hoe het wordt geboren. Of men nu in het Oosten of het Westen, als schaap of mens, als man of vrouw, gehandicapt of zeer begaafd, arm als een luis of rijk begiftigd op de wereld komt: niemand heeft ervoor gekozen. Het zou al veel discriminatie en ellende uit de wereld helpen als de mensen zich dat voor ogen houden. Hoe dan ook is iedere baby een uiting van de Voorzienigheid: een helder en willoos bewustzijn dat van nature niet verder kan zonder de melk van zijn moeder en de schoot van zijn familie. Die clan heeft hij nodig, want zonder hun hulp kan hij niet opgroeien. De clan heeft hem onder zijn hoede, geeft hem een naam: Piet, Anibal of Ali, - een abstract toevoegsel om de kleine te identificeren, of zeg maar weer: op immateriële wijze aan te kleden. Uit dank, of misschien ook wel uit angst voor repressie, doen kinderen hun best om mee te tellen en tegemoet te komen aan de gedragspatronen die de clan van hen verwacht: een goede uitslag op school, traditioneel kerstmis vieren waar de clan christelijk is, huwen met het meisje dat je vader na overleg met de vader van de bruid voor je heeft uitgekozen in de Oosterse wereld. Tradities zijn collectieve gewoonten. Om niemand voor het hoofd te stoten, zit iedereen wel met zo ‘n conformistisch rollenpatroon opgezadeld. Of je nu een tulband draagt of een hoofddoek, zolang de uiterlijke vormen je niet zodanig in hun greep houden dat je daarmee geïndoctrineerd, egoïstisch, kleinzielig of op automatische piloot door het leven gaat, zit je met onschuldige vermommingen. Misschien ga je als zelfstandig denkende volwassene het onnozele inzien van heel wat van zulke gemeenschappelijke gewoonten; genoeg om er afstand van te nemen en je eigen koers te varen. Tant pis als een dergelijk blijken van intelligentie je door de clan kwalijk wordt genomen. Juist om die reden is het goed dat geen enkele omstandigheid, geen enkele gemeenschap, ja niemand je kan beletten onzichtbaar stil te staan bij het leven zelf.

.jpg%20kaft.jpg)



