Achter de lens
Kijken
door het venster. De stammen zien van een naaldbos, omgeven door de huizen een
rustige buitenwijk. Een stukje hemel opmerken en het omfloerste licht van de
voorjaarszon, hangend tussen de kruin van een schimmige berk om een bundel
schuine lijnen te werpen over een plekje graspollen dat de verwaarloosde bleekheid
vertoont, eigen aan alles wat tiert op braakliggende terreinen. Bij dit alles
voegt zich de onrust van zwiepende twijgjes, wat duidt op wind. Ook bereikt me
de rauwe kras van een ekster en vanuit de verte het blaffen van een hond.
Hoewel dit mij vertrouwde uitzicht geen belvedère is waarvoor zich
bussen met toeristen zouden verzamelen, blijft het wonderlijk. Het spel van licht,
schaduw en kleurschakeringen, het eenvoudige feit dat het bos steeds is zoals
het voorkomt, drukt me met de neus op een essentiële waarheid: het bestaat als
een fenomeen dat mij een absoluut houvast biedt. Ik zie geen redenen om aan
deze waarneming te twijfelen. Het gegeven doet zich voor als feit, los van de
voorafgaande oorzaken waarom het er zo uitziet, of hoe het wordt beoordeeld.
Feitelijk maakt dit bos deel uit van mijn universum. Dit roept de vraag
op of een fenomeen wel bestaat als het niet wordt waargenomen. Een wereld die
niet wordt waargenomen, daarover kan niemand vanuit zijn directe ervaring
getuigen.
Door deze voorwaarde, dat iets pas bestaat als het ervaren wordt, zou men
ervan kunnen uitgaan dat geen enkele wereld los van een observator bestaat. Een
verschijnsel komt niet enkel voor zoals het gezien wordt, maar ook doordat
gezien wordt, bij gratie van een ziener. Het zien evenwel in de breedste zin
opgevat. Zien veronderstelt dat er een waarnemer is, een bewustzijn dat het
universum en zijn plaats daarin gewaarwordt.
Meteen roept dit de vraag op wat men dient te verstaan onder zulk een bewustzijn dat zich zelfstandig achter een oog, trommelvlies, sonar, of hoe het waarnemingssysteem ook mag zijn uitgerust, lijkt op te werpen. Om deze vraag te beantwoorden, zou dat bewustzijn in omgekeerde richting naar zichzelf moeten kijken en nagaan wat het opmerkt. Redelijkerwijze zou elke ziener hiertoe in staat zijn. Daarbij hoort hij wel aan de eigen lichamelijkheid voorbij te gaan. Door zijn voorkomen maakt het lijf immers eerder deel uit van de som van alle op hem afkomende fenomenen, dan van het in een lichaam zetelend bewustzijn.
Hierdoor valt de noodzaak op dat het bewustzijn voor zijn beschrijving, geacht wordt verbonden te zijn met andere feiten dan zijn waarnemingen. Maar juist daar wringt het schoentje. Om tot een eensluidende uitspraak te komen die de ziener nergens tekortdoet, zou hij over een identificeerbare hoedanigheid moeten beschikken. Maar als aanwijzing stuit men louter op anonimiteit. In dat geval wordt de ziener, die vanuit de vraagstelling niets met zijn waarnemingen van doen heeft, ten onrechte in staat geacht om wat onuitsprekelijk is uit te spreken, het onzichtbare te zien, het onmeetbare af te meten. De laatste mogelijkheid wijst erop de ziener te beschouwen als de complementaire helft van zijn waarneming: zoals een handschoen zich passend rond de vingers sluit, wat neerkomt op een leegheid, geleidelijk gevuld door beweeglijke fenomenen. In dat geval bestaan bewustzijn en fenomeen bij gratie van elkaar en is de ziener als een indirect feit aanwezig. Of het nu gaat over een kruipend leven op de oceaanbodem, een vleermuis, een viervoeter of een mens, van zodra een wezen zichzelf wil uitleggen, blijkt het, ondanks zijn bestaanskennis, gedoemd tot stilte. Als getuige van de fenomenen is de ziener daar zo intens mee verbonden dat men kan stellen dat elk fenomeen in het bewustzijn wordt vervuld, waardoor het zijn de binnen- en buitenwereld gezamenlijk omvat. Kijkend wordt het bewustzijn voortdurend ook iets anders gewaar: echter zonder in staat te zijn zich dit voorbijgaande toe te eigenen.
Tijdens het ogenblikkelijke ervaren van een fenomeen, daagt wel de
fysieke verschijning van de enkeling op en zijn verbondenheid met alles wat hij
gewaarwordt. Zo kan van elk wezen gezegd worden dat het uit ogenblikkelijke
gewaarwordingen bestaat. Deze
vaststelling dat elke levensvorm in hetzelfde schuitje zit zou, naarmate er
langs fysieke gelijkenissen wordt aangevoeld dat de ervaringen van anderen
soortgelijk zijn, kunnen leiden tot een gevoel van empathie, verbondenheid,
mededogen; dus tot een behoorlijk sociaal gedrag, zoals ook bij zoogdieren te
zien is. Dergelijke zorg uit zich extreem bij moederliefde, meestal ook onder
leden van eenzelfde clan.
De vraag wie er van binnen zit, blijft een raadsel. Tegelijk zien we dat een leven zonder raadsels evenzo doorgang vindt. Dus kan men de zogenaamde mysteriën evengoed laten voor wat ze zijn, zich niets afvragen en zich simpel neerleggen bij het gegeven dat alles is zoals het aan den lijve wordt ervaren.
Verbeelding
Mensen onderscheiden zich van andere bekende levensvormen op aarde door het bij hen sterk ontwikkelde vermogen om een fenomeen, nadat het zich heeft voorgedaan, zodanig in het geheugen vast te houden, dat andere feiten hiermee in verband kunnen worden gebracht. Via de kracht van hun verbeelding kwamen zij tot de kunstgreep van de taal. Vermoedelijk ontstaan als een verzameling rudimentaire klanken binnen een groep - later uitgebreid naar schrifttekens - werden feiten geabstraheerd en als kennismateriaal doorgegeven. Zo blijken mensen in staat verder te kijken dan de huidige tijd, wat het voor hen mogelijk maakt in verschillende werelden te leven. De verbeelding zet hen aan tot reflectie omtrent gebeurtenissen uit het heden, verleden en toekomst. De ogenblikkelijke waarneming, oorspronkelijk één, onverdeeld en tijdloos, werd opgedeeld in verschillende opponenten.
Na miljoenen jaren van evolutie, werd eindelijk een mens geboren. Zijn
ogen gingen als het ware voor de tweede keer open. Het trof hem dat zijn
ervaringswereld zich onderscheidde van alles wat zich anders voortbewoog op het
land, te water en in de lucht. Aan de hand van zijn associatieve vermogens vond
hij een zelf uit, vrij van alle natuurverschijnselen. Noodgedwongen, doordat er
geen vat te krijgen is op het onmetelijke, nam hij zijn eigen verschijningsvorm
als richting en maatstaf. Ontstaan vanuit een praktische noodzaak, want gericht
op de dagelijkse omgang van mensen onder elkaar, was dat zelf van begin af nauw
met taal verweven. Taal als hulpbron om zich te midden van de verscheidenheid
als ‘ik’ kenbaar te maken en de ander als ‘hij’, of meer direct als ‘jij’.
Zo lijkt de sluimer van een pasgeborene nog te herinneren aan de periode voor dit ontwaken. Tijdens de slaap wordt nog dat vroegste stadium van onwetendheid beleefd: een vorm van dierlijke onschuld waarbij een mens in de wereld kijkt zonder haar te definiëren en, versmeltend met dat onmetelijke om zich heen, evengoed niemand is als iedereen.
Wakker krijgt hij weer te maken met zijn associatieve vermogens en artificieel gestructureerde leefwereld. Door binnen de groep als een individu naar buiten te treden, krijgt hij een naam toebedeeld, nodig om daarin te functioneren. Daarbij komt hij terecht in een kluwen van allerlei door de groep opgestelde voorwaarden tot het verkrijgen van een stabiel vormgegeven, zoals elke samenleving dit betracht. In den beginne waren deze structuren allicht rudimentair en voor alle leden duidelijk, maar door de historische gewenning, de kolossale uitbreiding en complexiteit van de groep zijn ze diep onder gaan liggen.
Wellicht daardoor werd het allengs moeilijker om de echtheid van elk
fenomeen als uniek te erkennen; precies zoals alles wat via de verbeelding
hiervan is afgeleid te blijven zien als interpretaties van de oorspronkelijke
feiten. Daarenboven schijnt niets te beletten dit maakwerk ongelimiteerd uit te
breiden. Het beperkt zich allang niet meer tot nabije gebeurtenissen.
Een simpel voorbeeld: sinds Columbus Amerika heeft ontdekt, behoort dit
continent tot het materieel en geestelijk erfgoed van al de na hem gekomen
generaties. Er zijn zaken mee te doen. Mensen kunnen erover lezen of naartoe
reizen. Toegevoegd aan het algemeen wereldbeeld kan men het continent met zijn landschappen en steden in gedachten
omvatten, zoals men bijvoorbeeld dankzij leerboeken over anatomie kan leren hoe
je maag eruitziet.
Om in een ingewikkelde, dichtbevolkte samenleving te overleven, heeft
het bestaan van Amerika en de kennis erover beslist zijn nut, net zoals
leerboeken over anatomie. In zulke wereld is alle kennis welkom, ook al worden
de oorspronkelijke structuren daarmee nog onduidelijker. Want door kennis
verhoogt men niet enkel de kans om binnen de samenleving beter aan de kost te
komen; vooral verruimt men daarmee zijn wereldbeeld en indirect ook dat van
anderen. Al deze verworvenheden breiden het ego uit. Want zij voegen zowel een
ruimere waarde toe aan uw zelfbeeld als aan het beeld dat anderen van u krijgen:
een subtiele vorm van aankleding waarbij de essentie mettertijd uit het oog kan
worden verloren. Deze verwijdering brengt onvermijdelijk onrust teweeg. Want de
aandacht wordt gefocust op een schijnwereld. Het oog richt zich eerder op wat
het verwacht te zien dan op wat het ziet. En het hoofd zit propvol; gegijzeld
als het wordt door een gedachtestroom die de schijnwereld op gang brengt.
De mensheid ruilde het tijdloze in voor het tijdelijke, het onmetelijke
voor het meetbare, de chaos voor orde, het raadsel voor kennis. Geweldige
voordelen. Maar door al die beeldvorming wordt het echte kijken vaak zodanig verwaarloosd
dat niet wordt opgemerkt wanneer de menselijke verbeelding ontspoort; zoals
wanneer een individu als gevolg van onwetend-, of vergetelheid meent zich wel
een en ander te kunnen toe-eigenen, waardoor het ego dat oorspronkelijk louter
om praktische redenen in het leven werd geroepen, vanzelf afglijdt naar
egoïsme.
De vele mensonterende toestanden in de wereld leggen duidelijk de vinger
op de wonde. Zelfs de meeste georganiseerde religies kunnen er niet omheen dat het
egoïsme aan de basis ligt van veel kwaad. Daar zij menen dat zelfzucht door
strijd moet worden overwonnen, richten zij alle aandacht op de inspanningen van
het individu om een beter mens te worden; een streven dat, gezien de toestand
op het wereldtoneel, weinig of geen vooruitgang lijkt te bieden.
Kunstgrepen
Nu mag dit bos aan de overkant van mijn straat nog zo nauwkeurig beschreven worden, zoals alle waarnemingen biedt het een tijdelijk uitzicht. Daarmee rijst de vraag hoe deze verzameling bomen te definiëren. Want moet bij het bos ook niet de lucht tussen de kruinen gerekend worden, de wind die zijn takjes roert, de kreten van vogels en het blaffen van een hond die gaat van stam tot stam?
Ik kan naar buiten wandelen, de dennengeuren opsnuiven, mijn hand op een ruwe bast leggen. Mijn zintuigen nemen een door het bos gekleurde totaliteit waar, zonder dit op te nemen. Afgezien hiervan bestaat er een continuïteit waardoor ik juist deze bomen dit bos noem. Hoewel de stammen gisteren ten gevolge van een voorjaarsregen nat waren, waardoor sommige schorsen donkere vlekken vertoonden, blijft er een herkenbare gelijkenis tussen het bos van gisteren en dat van heden. Die gelijkenis kan ook seizoenen, ja zelfs jaren overbruggen. Door die gelijkenis kan ik aan het bos denken, me van het bos zelfs met de ogen dicht een voorstelling maken; ook als de bomen reeds lang zouden gekapt zijn. Zodoende wordt het bos gedetermineerd door een abstract beeld of begrip. De herinnering aan het bos is afgeleid van de directe waarneming. Tegelijk heeft het via deze kunstgreep een duurzamere vorm aangenomen.
Het fenomeen gaat echter steeds vooraf aan de voorstelling of het
begrip. Haar waarheid is van een primaire orde. Het fenomeen verklaren zou
hetzelfde betekenen als het leven of de wereld en haar waarnemer verklaren. Het
fenomeen doet zich voor. Niet meer, niet minder. Het dient zich aan, maar eist verder
totaal niets. Het vraagt niet te worden toegeëigend, in taal omgezet,
geïnterpreteerd, verklaard of aanbeden. De wuivende takken, de graspollen, de
geluiden hebben genoeg aan hun voorkomen. Maar als een dergelijke waarheid waar
is, verdient zij om die reden wel als zodanig te worden onderscheiden en
behandeld.
Dit zintuiglijke leven is geen waan. Als een klant op de markt citroenen
koopt, zal de groenteboer geen appels voor hem inpakken. Bij zien zoals het is,
hoort correct handelen. Zo dit eenvoudige voorbeeld van handelen wordt
uitgebreid door de ander niet uitsluitend te zien als een abstract beeld,
categorie of middel, maar als een levend, kwetsbaar wezen, vermindert dit ten
minste de kans op ontmenselijking. Elk gevolg van juist zien, voert het
menselijk gedrag vanzelf naar een keuze vrij van beoordeling; wat men zou
kunnen noemen: een moraliteit avant la
lettre. Het gaat hier immers over een ethiek zonder de gebruikelijke
tendensen, zonder tussenkomst van principes of aanbevelingen van religieuze of
burgerlijke aard. Dit wil zeggen dat de notie van waarheid elk redelijk wezen
als een individueel kompas zit ingebakken. Men hoeft er geen theologie of
rechten voor te hebben gestudeerd. Het is onnodig te kunnen lezen of schrijven.
Beeldvorming
Als ik de dokter vertel dat ik mijn
zitvlak heb verbrand, hoeft hij niet de blaren te zien om te weten welke
pijnlijke gewaarwording ik onderga en welk zalfje ik voor mijn genezing nodig
heb. Het bijzondere van de oorspronkelijke gewaarwording werd door mijn
verklaring verschoven naar een specifieke voorstelling van de kwetsuur. Op zowat
eendere wijze wordt ervan uitgegaan dat men een vollediger beeld van iemand
krijgt door dieper te graven dan de direct ontvangen indruk. Daarnaast
veroorzaakt meer kennis door vergelijkend onderzoek een vorm van blindheid.
Deze optiek geldt evengoed voor dingen, landschappen, mensen.
Bij onze eerste ontmoeting met een onbekende kijken we vooral met de
ogen. Maar van zodra iemands gelaatstrekken en gedragingen aan ons genoeg vertrouwd
zijn, verslapt onze belangstelling voor dit visuele aspect. Door onze indrukken
te verzamelen menen we op zoek te gaan naar een rijker totaalbeeld. Deze
materie kan aangevuld en gecorrigeerd worden door observaties of beoordelingen
afkomstig van derden. Alle bijkomende gegevens komen tegemoet aan onze behoefte
om de onbekende te identificeren, hem een continuïteit te verlenen die
teruggaat tot zijn vroegste verleden. Dit zou ons helpen hem te plaatsen in een
ruimer kader dan zijn actuele verschijning. Toegegeven, deze materie is vaak
ruw en niet altijd betrouwbaar; want sommige gegevens zijn mogelijk al door de
tijd vervaagd en dus moeilijk te achterhalen. Vaak komen zij uit de tweede of
zelfs derde hand en zijn daardoor twijfelachtig. Maar wij beschikken nu wel
over een vorm van identificatie wat ons, menen we, helpt op gepaste wijze met
hem om te gaan. Reken bij deze verborgen essentie zijn antecedenten,
geaardheid, gewoonten. Die karakteristieken komen nog beter uit de verf als
zijn gedrag al een tijdlang wordt geobserveerd, zodat besluitvorming mogelijk
is, ook al is dit onbillijk tegenover de persoon in kwestie.
Want ongetwijfeld heeft het identificeren van mensen en dingen, waardoor
bewegende beelden binnen een eng kadertje aan de wand worden opgehangen, zijn
praktisch nut. Zonder dit zouden mensen niet beoordeeld kunnen worden op grond
van hun daden uit het verleden, zoals dit gebeurt in rechtszalen met het doel
booswichten op te sluiten.
Nochtans zijn aan dit uitbreiden van de wereld door het opslaan van
kennis ook desastreuze verschrikkingen verbonden. Het gaat dan over het
niet-meer-zien van wat is zoals het is. Voor het bestaan van feiten is geen
naamgeving nodig, terwijl eender welke voorstelling kan bewerkt worden en
afglijden naar een cliché, laster of leugen.
Men kan aan een bos denken erover lezen of schrijven. Niettemin blijft
het onmogelijk de voorstelling tot een zintuiglijke waarheid te verheffen. Toch
is dit leven dicht begroeid met wat ik bij deze gelegenheid noem: allerlei
irreële bomen, woekerende denkbeelden, illusies en fixaties die mensen vaak
even lief voor een concrete waarheid slikken als het bos voor hun neus.
Zo illustreert Shakespeares toneelwerk ‘Othello’ tot welk een drama
beeldvorming kan leiden. Othello brengt zijn geliefde Desdemona met geweld om het
leven doordat hij de laster, voortvloeiend uit de onbetrouwbare informatie van
een derde, als een absolute waarheid accepteert. Daarmee geeft hij voorrang aan
een twijfelachtig gegeven boven wat er datzelfde moment door hem heen raast:
zijn verschrikkelijke jaloezie waarover hij geen controle kan krijgen.
De denker bedacht
Kijken naar zichzelf verschilt niet
wezenlijk van kijken naar een bos. Aan dit kijken zit geen beeld, geen onzichtbaar
roerloos centrum, noch een beoordeling vast. Daarnaast blijkt een beeld niet
altijd te kloppen. Men kan de ogen sluiten voor wat men niet graag ziet. Men
kan sommige feiten overdrijven of scheeftrekken.
Zijn ego, voortbrengsel van een gedachte, zal niemand ooit tegen het
lijf lopen. Om die reden moet de hypothese dat hij aanwezig is en zo zijn nut
bewijst in het dagelijkse leven, niet bedrieglijk afglijden. Het reële voorkomen
van de enkeling draagt hier voldoende toe bij; ook al houdt de dood hem levenslang
bij het handje.
Voortschrijdend langs zijn levensweg krijgt een mens te maken met tijd,
met een opeenstapeling van herinneringen aan gebeurtenissen. Daarmee eigent hij
zich een keuze van voorbije feiten toe: een verleden dat enkel via de
verbeelding kan aangesproken worden. Vaak blijkt hij zelfs meer dan de stof van
een omvangrijk literair oeuvre op zijn pad tegen te komen. Daarentegen overkomt
iemand die elke stap beleeft als de eerste en tegelijk de laatste, enkel die
stap. Dit neemt niet weg dat het hele scala van ongemakken en menselijke
kwetsuren hem evengoed aandoen.
Om tot klaarheid te komen, verdient het aanbeveling door alle aankleding
heen te kijken. Je kijkt dan met de ogen van een kind: zonder voorkennis,
zonder enige psychologische druk, zonder verlangens ook, - een vorm van
leegheid die erop neerkomt dat de blik onbezoedeld is, sereen, vrij van
woorden, angsten, persoonlijke keuzes.
Elk bewustzijn dat zo direct met een fenomeen in contact treedt, heeft
de handen vol aan dat gebeuren. Daarnaast zijn de rusteloze, van de hak op de
tak springende beelden- of gedachten in de bovenkamer evengoed een soort van
buitenkant. Ook die stroom kan geobserveerd worden. En eerder zal die vaart,
nauw samenhangend met de complexiteit van het leven, ook niet ophouden. Want
gedachten komen eraan doordat het bewustzijn niet waakt over de leegheid van
het oorspronkelijke leven. Instinctief volgen zij impulsen van buitenaf en
glippen als dieven naar binnen. Ik spreek hier niet over de werking van het
brein dat zich met praktische zaken bezighoudt, zoals plan-, reken- of
taalopgaven, maar over het onbewust wegglijden van de aandacht voor de
oorspronkelijke waarneming naar een abstracte, imaginaire wereld, vertekend
door de beslommeringen die vooral ’s nachts worden uitgebroed en elkaar in het
hoofd versterken. Trouwens, wat is denken? Mij lijkt de werking van het brein
al even onmogelijk te omschrijven als andere lichamelijke functies. Er gebeurt in
het hoofd wat er gebeurt, zeg maar.
Als zorgelijke gedachten het hoofd in beslag nemen, is het makkelijk
vast te stellen dat het lijf verweesd achterblijft. Het nauw met gezondheid verbonden
levensgevoel ontbreekt dan of is op zijn minst verschoven. Ook staan de
zintuigen minder op scherp. Gedachten kunnen iemand zo in beslag nemen dat hij
bij het oversteken van een straat niet eens het gevaarlijke verkeer bemerkt.
Zelfkennis
Niemand kan zeggen wie hij is, net
zoals het onmogelijk is uit te spreken wat de wereld en haar schepper is zonder
dit te vertalen naar kenbare begrippen.
Voor zelfkennis, zoals dit begrip doorgaans als het resultaat van een
langdurige gedragsanalyse wordt opgevat, bestaat hier geen opslagruimte; zij is
simpelweg verbonden met het observeren van het eigen gedrag. Enkel binnen dit
perspectief is het mogelijk gedragspatronen te detecteren. Pas als men feiten
bij zichzelf ook enkel als feiten tegenkomt, kan je ze bij hun nekvel te
pakken.
Hé, wat lijkt deze allereenvoudigste zienswijze moeilijk te aanvaarden!
Want hoewel er zintuiglijk geen andere plaats of tijd bestaat dan deze waarin
men zich bevindt, is de ganse mensenwereld ervan overtuigd dat er buiten ons één
gemeenschappelijk universum bestaat. Dit gegeven sluit echter niet uit dat elk wezen
een wereld vormt op zich. Want helaas kan men dat éne universum, gezien het om
vooronderstellingen gaat, alleen maar voorstellen.
Bijna stond ik op het punt er beeldvormend aan toe te voegen dat bij
zuiver waarnemen de fysieke wereld in zijn geheel naar een immateriële dimensie
verschuift; alsof de beschouwer en de wereld zouden transcenderen naar een
hoger plan of bewustzijn. Maar het zou onjuist zijn binnen deze context zulke begrippen
te hanteren: deze voeren het kijken naar gebieden die eerder toebehoren aan de
religie, wijsbegeerte of poëzie. En het zuivere kijken is juist zoals het is.
Het is de eenvoud van alles wat met het werkwoord leven te maken heeft. Terwijl het
leven, als zelfstandig naamwoord, veeleer te maken heeft met continuïteit,
mythevorming, tijd, herinneringen, verouderen, sterven.
Hiermee wil ik allerminst alle afgeleide waarheden, zoals vervat in
taal, cultuur, wetenschap, in één slag van tafel vegen. Feiten zijn niet te
ontkennen, of men is te kwader trouw. Als ik aan de hand van feiten het
mechanisme van het kijken probeer uit te leggen, dan enkel om de aandacht te vestigen
op verborgen structuren. Verder doet mijn uitleg niets ter zake. Kijken moet
ieder voor zichzelf.
Diepgang
Mensen groeien op in een samenleving
waarin deze kloof tussen de persoonlijke binnenkant en die éne gezamenlijke
buitenwereld, als vanzelfsprekend wordt geacht. Onbewust leren zij deze
gespletenheid aanvaarden en gaat de rede verder: 'Dit lichaam is mijn wieg!
Hierin huis ik en daarbuiten is dat onpersoonlijke universum van de natuur. Ik
wil deze niet op mensenmaat gemodelleerde wereld, behorend tot het toeval en de
chaos, beheersen door een verzameling van wetmatigheden waarop ik kan bouwen.
Mijn ego behoort tot mezelf. Het gemeenschappelijke denken, de taal, de
wetenschap en kunsten, de traditie, de sociale omgang: dit alles komt als een
erfgoed tot mij. En hoewel deze wereld ver van volmaakt is, heet ik haar
welkom; want zij draagt bij tot de menselijke beschaving, mijn identiteit en
geestelijke bagage.'
Dit onophoudelijke verlangen naar meer diepgang, of de wil om zichzelf
en de dagelijkse situaties, om te zetten naar hoe het beter zou gaan, slaat
echter zoals elke wens, een brug naar de immer wijkende verte. Deze brug
creëert de illusie van tijd en wording, of het concept van een historische
werkelijkheid waarbinnen de wereld allengs humaner en beter leefbaar zou
worden, terwijl dergelijke vooruitgang niets anders is dan een creatie van de
verbeelding die bijdraagt tot allerlei gerief en dus zeker nuttig kan zijn. Zo
blijkt tijd een praktische maatstaf om de duur aan te duiden van voorspelbare
bewegingen. Dit gaande van geboorte tot dood en nog verder wat het ego hierna
te wachten staat. Want afgeleide waarheden zijn onontbeerlijk. Als burgers
hebben wij identiteitspapieren nodig, wetenschappelijke inzichten, kennis van
de natuur: alles wat ertoe bijdraagt om comfortabele huizen te bouwen en gezond
voedsel op de plank te krijgen. Het gegeven bijvoorbeeld dat dinsdag op maandag
volgt, blijkt zoals de meeste overeenkomsten van een onmisbaar nut om een
ordentelijke samenleving mogelijk te maken. De kracht van de verbeelding is
onschadelijk, want niets daarvan staat een zuivere kijk in de weg.
Daarnaast wil ik niet tegen andere vormen van diepgang tekeergaan. Maar
als ik zo om me heen kijk, komt het me voor dat deze veelal uit onwetendheid in
een verkeerde richting wordt gezocht: volgens een van tevoren uitgebroed recept
of gedachtegoed. Er is een andere diepgang mogelijk! Een waarbij alle afgeleide
waarheden worden doorzien, zodat ze genomen worden voor wat ze zijn. Zulke
houding eist een ledigheid die aanduidt dat individuele groei als vorm van
vergaren, of in de betekenis van de levenslange strijd om beter of volmaakter
te zijn dan men al van bij de geboorte was, te staken. De moordende jacht op
meestal dure sensaties om zijn leven te verrijken, hoeft dan niet langer. Belangrijker
is het om van elke ademteug te genieten en daarbij een grotere gevoeligheid
voor het zogenaamd gewone aan de dag te leggen.
De waarden van taal, beelden of vormen zoals kapitaal of macht, bestaan
enkel op grond van onderlinge afspraken. Dit betekent niet dat er iets mis zou
zijn aan het gebruik ervan. Toch dient men op te letten. Zoals taal is een gedachte
zelden oorspronkelijk. Gemeenplaatsen, gangbare doctrines, collectieve
gewoonten, slagzinnen, hebben wat van handelswaar dat door zijn veelvuldige
uitstalling voorrang krijgt op de pure gewaarwording van de enkeling. Het
gevolg is maatschappelijke conventie: een vorm van blindheid, waardoor de
enkeling dit buitengewone leven gaat ervaren als een sleur. Het verstikkend
gevoel waarvoor hij geneigd is te vluchten in verslavingen, komt bij velen om het
hoekje gluren.
Een interpretatie als absolute waarheid vooropstellen duidt meestal op laksheid,
of menselijke hoogmoed, - een vorm van gekte. Niet enkel leiden dergelijke
dwalingen tot collectieve ondergang, tot waanzin, zoals oorlog en terrorisme.
Daarentegen leidt het onbevangen zien zonder omwegen naar deugd zonder
deugdzaamheid, naar het feit dat jij als waarnemer, jij als niet te
identificeren enkeling, jij als gebeuren, de hele wereld bent, - zowel niemand
als iedereen.
Maar laten we dergelijke gevleugelde woorden niet misbruiken. Laat
evenmin toe dat een of andere idealistische verbeelding met de waarheid aan de
haal gaat. Laten wij er de voorkeur aan geven een stap terug te zetten om ieder
bij zijn eigen venster stil te staan. Kijken en vaststellen dat alles is zoals
het eruitziet.
Geen opmerkingen:
Een reactie posten