Beschut door een muurtje naast 't riool.
zaten wij tussen afval en opgeschoten onkruid.
Baksteen en halve kapstok dienden als goal.
Nat bukte het kale plein onder avondlijke druil.
Jij was een volbloed, een koningsdochter
van Attila de Hun, barbaars: met hoge jukbeenderen.
Een wijde lach vol tanden, blinkende ogen,
mager van de honger naar 't leven dat komen zou.
In mij gleed een wolk van onzegbare droefheid.
Ik zag en hoorde, tussen ons zouden zich hoog stapelen:
nutteloze jaren van roest en dikke lagen mos.
Dus vergeef ons dat wij verder niets te zeggen hadden.
Welja, het plein sindsdien volgebouwd
met huizen, propere gezinnen.
Daar lopen nieuwe mensen in en uit kantoor,
Welbespraakt, redelijk. En beschaafd, zoals ik hoor.
Deze laatste herfst heb ik jou nog eens teruggezien:
tussen een geruisloze lawine van blauwe kerkhofsteen
en bedolven onder de schaduw van een kruis
kletste jouw vlakke beeltenis een hand in mijn gezicht.
De verzadigde glimlach van een toegenegen Oma.
Rond brilletje, ronde kin. Einde verhaal.
Voor zoveel schoons was ik evenwel niet klaar.
'T is waar: de dorpsdichter had weinig te vieren.
De ouwe kijkt naar 't vuurwerk met Nieuwjaar.
Ook klapt hij vrolijke handen voor wie 't horen mag.
Maar janken doet hij om niks, zoals na zijn val in de goot
en ook de volgende dag, mankend op één poot.
Huizengevels zijn als gezichten van mensen.
Zij kunnen zowel armoedig als statig zijn,
getaand of protserig behangen met juwelen zwaar,
uit interbellum, kaal, of met de schijn van dik haar.
Een verdwaalde knaap snuift straten op,
herinnert zich voorbije deuren.
Of waren het oren? Neuzen?
Niet vervlogen is de stalgeur uit zijn jeugd.
Waar zijn de jongens en meisjes? De oude muren?
Het hart blijft kind. Bewaart de harde leerschool,
rond de wieg waar hij zijn eerste stapjes liep
tussen de kaartspelende, doodgevallen bewoners.
De metselaars blijven jong door fluiten.
Tussen andere levens zonder naam
verzamelt hij wat in hem niet is uitgedoofd:
stukken van een legpuzzel.
Zelden zucht hij tegen een mankepoot
op leeftijd dit verhaal: Weet je nog?
De eerwaarde, - braaf bekend, ronde bril, -
hield met stompje potlood onze boeken bij.
Gelukkig zijn er nog herkenningspunten:
aanblazende wolken, spitse ochtendgeluiden,
het koppig blinken van Vlaamse keien,
elke wegbeschrijving naar moeder en vader.
De gevels leunen tegen elkaar, zoeken troost.
Bepleister hun huilen tot een volgende eeuw.
Hier vergoot een vriendje zijn tranen.
Gezichten, - lach na zo lange onverschilligheid.
Vanmorgen
heb ik moeders lied te
vondeling gelegd. Spijts
de ouderwetse woorden klonk
de aanhef goed. Op
een verlaten pad doorheen de mist zou
de zang niet van mond tot oren gaan maar
in een schijf zon blijven staan, roerloos en doof afwezig. Ook dat nog: mijn stem stokt. De
vrieslucht in mijn borst beslaat
de damp tot een ijzeren korst. Ik houd mijn mond en laat gebeuren: de
doffe stilte bezijden vette weiden, met
molshopen waar hoog daarboven een
vlucht verspreide vogels glijden naar
de wijds gevlamde dageraad. Eén
lijkt cirkelvormig terug te draaien om
mij uitnodigend toe te kraaien. Het
kon de vondeling en helaas moeders laatste dood niet meer baten.