woensdag 11 februari 2026

AANHEF

Vanmorgen heb ik moeders lied
te vondeling gelegd.
Spijts de ouderwetse woorden
klonk de aanhef goed.
 
Op een verlaten pad doorheen de mist
zou de zang niet van mond tot oren gaan
maar in een schijf zon blijven staan,
roerloos en doof afwezig.
 
Ook dat nog: mijn stem stokt.
De vrieslucht in mijn borst
beslaat de damp tot een ijzeren korst.
Ik houd mijn mond en laat gebeuren:
 
de doffe stilte bezijden vette weiden,
met molshopen waar hoog daarboven
een vlucht verspreide vogels glijden
naar de wijds gevlamde dageraad.
 
Eén lijkt cirkelvormig terug te draaien
om mij uitnodigend toe te kraaien.
Het kon de vondeling en helaas
moeders laatste dood niet meer baten.

maandag 9 februari 2026

VISIOEN

VISIOEN

De avond zong een droeve zang.
Scherp keek van hoog de lege maan
door het raam waar ik stond.
Voeten geplant op koude grond.

Aan de einder doofde
een laatste rode hemelbrand
en donker, zwaar
de beukende wolkenrand.
 
Helse koppen waarin
ik mijn plukkende hand stak
om ze tot één zwarte roos
in mijn borst te sluiten.
 
Daar woorden duiden op zijn bestaan,
staken er doorns door mijn lippen,
zoals ik in eendere dromen, door pijn
vallende regendruppels kon verstaan.

Een hond blaft: waf. De buurt schrikt.
Ik vraag mij af.



woensdag 28 januari 2026

Vliegdansen

 VLIEGDANSEN 

‘t Winterde toen zij naar buiten schreden.
De blauwe vreugdekoepel, bloemengeur
en vogelzang zouden hen begeleiden,
stappend naar het einde, de laatste deur.
 
De bruid, zijn witte maagd,
ongerept als boomsneeuw in de morgen
reikte haar slanke meisjeshand
tot gewijde overgave, volmaakt akkoord
 
voor hun vliegdans van dolle vogels,
opdat hij haar paren zou, beminnen,
behoedzaam op zijn borst gedragen
over de trappen der seizoenen klimmen.
 
Dan kwamen de dagen en de wandaden.
De uitverkorene werd een moordenaar.
Woorden hadden haar veren besmeurd,
het heilig moederschap verscheurd.
 
Het lege nest bezoedeld,
vloog het mannetje zijn gang
en weerde zij, prooi tussen beestige vliezen,
uit zijn borst het liederlijk gezang.
 
Schoner kon hun leven zijn vergaan.
Maar zonder één keer voor zichzelf te kiezen,
volhardend in haar rotsvast geloof
bleef zij rond hem vliegen: doof.
 
Ten laatste heeft haar keuze voor hem beslist:
Deze schone ziel is een prachtige dame.
Samen hebben zij hun vliegdansen hervat,
elke vleugelslag de schanddaden uitgewist.

Robert Baeken - 28 januari 2026

Nota van de auteur:
In dit gedicht blijft het perspectief vrijwel volledig bij de vrouw: Zij is vooral symbool (maagd, prooi, ziel). Dit roept de vraag op of haar volharding een keuze is of een tragisch gebrek daaraan?
De laatste strofe kan gezien worden als een esthetische oplossing. Maar volgens mijn visie is het niet altijd nodig een lange therapeutische weg op te gaan om tot inzicht te komen. Een standvastig voorbeeld kan direct iemands ogen openen. 

donderdag 8 januari 2026

Een tweeluik: 'Verzonnen' & 'Niet verzonnen'


Verzonnen

Stel, na jarenlang zware training
word ik de beste profvoetballer
van de landelijke ploeg geacht.
Ik verdien zoveel applaus, geld, macht,
dat het al mijn moeiten verzacht.

Sindsdien bevrijd van de lastigste lasten
zit ik met de vraag welke helpende hand
mij van vier uur na de middag kan genezen.
De kampioen wacht. Verveelt zich stout.
De straat is grijs en koud.

Zonder applaus, geld, macht,
volgt de vraag of tijd is verzonnen.
En ook of hij, als elke voorbijganger in de straat,
tot de ingebeelde ziekte wordt gedwongen
dat elke wereld gemetseld overeind staat.

Stel dat zwijgen meer zegt dan spreken
als het over menselijke tekorten gaat.
Blind zijn voor het kleine dat daar staat,
het naamloos zitten op de dagelijkse pot.
Gezond en wel, maar dood tot op het bot.

stelt de Aanzienlijke zijn vraag wat hij deed:
na die stilte zonder gehoor en waarlijk leed.
De een kokhalst. De ander trekt de schouders op,
verdrinkt in alcohol, meer werk of andere coke,
poogt vergeefs weg te lopen naar niemand:

Iemand die hij, met of zonder aanzien,
in zijn eentje feitelijk altijd is geweest.
Overtuigd aan het bestaan te ontsnappen,
smijt een lijf zich door het vensterraam.
Het zoveelste lijk schreeuwt: Laat begaan!

Niet verzonnen

In het donkerst van slapeloze nachten
vindt het blinde lijf weinig meer dan deze exit:
vergeefs kibbelen met onzichtbare machten,
het wringen van wurgende handen.

Eerst het hoofdkussen eraan laten geloven.
Daarna de onhoudbare jeuk achter beide oren.
Het stampen van voeten naar een muur of laken,
of ze te doen hebben met weerbarstige zaken.

Niets helpt. Zuchtend links, rechts en weer;
alles probeert het kantelend lijf, keer op keer
gedwongen eindelijk de slaap te vatten.
Om op te staan, tastend op zoek naar water.

Sta je daar met een koel glas in de handen.
Krijgt dat lijf een slag om de oren: geen gil!
Wat blijft is een ongehoorzaam, nukkig kind,
dat doet of laat, alles wat het zelve wil.

Tot overgave wordt gehesen: een wit doek.
De werknemer betreedt een chocoladefabriek.
Het gezelschap van zijn vriendelijke robotjes
noopt de gepensioneerde vaak tot lief bezoek.

© Robert Baeken — Antwerpen 08/01/2026

vrijdag 2 januari 2026

DEZE LIEFLIJKE UREN



Voor Simone, naar aanleiding van ons 60 jaar huwelijk.

Deze lieflijke uren

Weg van bittere tijden: onder een glazen stolp
en mild doorzeefd van zeeën zonlicht
over deze middagmeubels, zitten jij en ik
midden ons levenslang vredesbestand.

Wij drinken thee, knabbelen koekjes.
Keuvelen op gezegende leeftijd samen.
Onze vriendschap en huwelijkse band, amen.

Daarmee een schoner eind voegend aan
duizend droeve liefdesverhalen: het noodlot
van ene Isolde zonder haar Tristan
van Romeo en Julia, te vaak echt gebeurd.

Het onmogelijke biedt mogelijk troost:
Morgen en alle dagen jongzijn, beminnen.
Steeds opnieuw: fris de droom beginnen.

Tot tussen deze lieflijke uren, onvoorspelbaar
waarheidsgetrouw een serpent, vies geschubd
onder de stolp, als toentertijd met valse kop
geruisloos tussen ’t gebladerte opwaarts schuift.

Zijn gespleten tong spuugt glad vergif. Gestaag,
en voorzeker is het waar: eens valt het afscheid.
Maar ook hier, onder dit genadig licht, vandaag

in een paradijs met onze handen in elkaar,
houden wij vast aan de droom van bij ’t begin:
Niet in het gareel van de tijd te stappen.
Fris van zinnen. Zonder einde beminnen.

© Robert Baeken 2026