EEN GESCHIEDENIS VAN HET LOT (1)
Autobiografische notities te lezen als een wekelijks vervolgverhaal waarin de auteur blijft stilstaan bij enkele gebeurtenissen
uit zijn jeugd.
Eerste schooldag
In mijn herinnering bestaat een grijze ochtend tegen het einde van de zomer. Aan de zijde van mijn grote broer liep ik de wijde wereld in. Wij passeerden fraai onderhouden straten die ik nooit eerder gezien had. Enkele maanden tevoren waren er verkiezingen geweest. Tegen deze muren kleefden geen half verwijderde aanplakbiljetten met nummers van politieke partijen, zoals in onze buurt.
Wij passeerden een driehoekig pleintje met
in het midden een arduinen sokkel waarop een oorlogsmonument: een zwarte
beeldengroep van neerstuikende soldaten tegen een kluwen van engelen met
triomfantelijk in de hoogte gestoken bazuinen die, mits wat verbeelding, door
opstotend geschal de overwinning voorstelden.
Meer belangstelling had ik voor de
rondrijdende treintjes achter de uitstalramen van een speelgoedwinkel, op een
steenworp daarvan. Na het oversteken ving ik een glimp op van een kasteel met
brede slotgracht waar, zoals broer me vertelde, volgende zondag een
honderdjarige werd gehuldigd. Zijn verdienste bestond eruit dat hij op 11
september 1849, niet lang na de val van Napoleon, zou geboren zijn.
Het overdadige pleisterwerk van de deftige
herenhuizen bedrukte me. Op onverklaarbare wijze bracht ik hun voorgevels in
verband met de hangende kwasten op de epauletten van maarschalken, zoals te
zien in mijn verzameling prenten van Historia
rond diezelfde Napoleon. Hun gezichten wedijverden in gestrengheid, vervulden
me met het beklemmende voorgevoel dat ik dra aan dergelijke onbuigzame
bestuursorganen gehoor zou moeten geven.
Langs diezelfde slotgracht bereikten we de
school: een grauw bolwerk met de gekleurde glasramen van een kapel aan de
buitenkant. Nog angstiger werd ik toen broerlief me via een hol klinkende lange
doorgang naar een geplaveide binnenplaats leidde waar zich een menigte jongens had
verzameld. Broer liet mijn hand los en holde naar zijn voetballende kameraden.
Aan mijn lot overgelaten, bleef ik bedremmeld
staan en keek rond, verloren te midden van oorverdovend gejoel dat huilend
neersloeg tegen de sombere klaslokalen waar een kloosterbroeder straks de plak
over ons zou zwaaien. Rijen grote knullen wedijverden met elkaar in
hoogspringen. Zij waren hier al goed thuis. Ik zag de kuif van een
branieschopper tijdens zijn sprong hoog boven de hoofden flitsen. Een
innerlijke stem fluisterde me in dat ik anders was dan de anderen, hulpeloos en
alleen. Want alle andere jongens lachten, renden zorgeloos in het rond,
voetbalden, sprongen haasje-over.
Het gejoel verstomde en een samenscholing
stoof in paniek uiteen. Daar kwam een broeder aanlopen. Zijn gestalte even
breed als hoog. Enorme sandalen legden de nadruk op zijn onbehouwen
reuzenschreden en bleke voeten onder de zwarte pij. Het was of vlak voor mij de
kop van een gek geworden nijlpaard druisend boven water kwam. Een opengesperde
muil waarin weinige bruine tanden, spatte overdadig speeksel en loeide: ‘Wat
vuile manieren!’ Ik gluurde naar het grauw van de weergalmende muren. De klemtoon
op ‘manieren’ wekte het geluid van knarsende ketens en een ijzeren slot dat met
harde klak dichtsloeg. ‘Vuile manieren’, daar had ik nog nooit van gehoord. En
daarna spuugde diezelfde speekselkrater weer van ‘goede manieren’. Ook dat
voorspelde weinig goeds. Volgens mij had het te maken met de opgedofte
schouderstukken van de patriciërhuizen. Een ruwe korst binnenin schuurde tegen
mijn borst.
De bel ging. Onder het toeziend oog van een
lijkkleurig klashoofd, wijd bemanteld in zwarte pij, betraden de in dodelijke
stilte gehulde belhamels het klaslokaal. Vanaf hier ademde ik een vervaarlijke,
met giftige ernst vermengde nabijheid in. Tegen die dreiging was het gek
geworden nijlpaard nog een lieverdje.
Zo gauw de laatste jongen neerzat, stelde
het bleke doodshoofd doodernstig de vraag wie van ons later ook een zwarte pij
wilde dragen. Daar er tussen het ernstige hoofd en mij, op de laatste bank
achteraan, op slag evenveel handen als leerlingen de hoogte in schoten,
bleek ik de enige die niet zo van het prettige van het broederschap was overtuigd.
Het deed de ronde dat het doodshoofd zo hard kon bulderen dat de muren ervan
barsten. Mijn glurende ogen ontdekten inderdaad een verdacht spoor in het
pleisterwerk.
‘Ernstig nu! Vouw beide armen bovenop de
lessenaar!’
Vermoedelijk was mijn blik niet ernstig
genoeg; of anders vond de lijkkleurige de gezonde blos op mijn wangen verdacht.
Want de volgende dagen leerde ik wel rekenen, schrijven en lezen, maar minder
vlot dan de anderen. Volgens mijn eerste cijfers was het doodshoofd ervan
overtuigd dat stomme kalveren niets op school te zoeken hadden. En ik had er
inderdaad de pest in. Elke morgen als ik de grauwe vesting naderde, voelde ik
in mijn beklemde binnenste alweer het schuren van de harde korst.
Op een mooie dag weigerde het knaapje naar
school te gaan. Hij stond op de drempel aan de voeten van een vrouw, dagelijkse
hulp in het huishouden. In mijn geheugen staat zij daar nog: zonder naam,
zonder aangezicht. Achter haar jurk haalde een kwaaie hand scherp uit naar zijn
appelwangetjes. Als de bliksem schoot het ventje de kamer in, maar de raak
zwiepende hand volgde zijn vlucht tot de verste hoeken van het achterhuis. En
hoe het rebelse joch doorheen een vloed van snot en tranen ook krijste, het ontving
nog meer striemen; tot het met zijn schooltasje onder de oksel murw op de straatkeien
belandde.
De volgende morgen, vlak voor zijn vertrek
naar school, vond het jochie plotseling geen steun meer in de knieën. Zijn
bovenlijf gleed als een zak meel over de drempel. En hoe vreselijk het kind
ook zijn best deed, het raakte niet overeind. Een dokter kwam er niet aan te
pas. Zijn oudste zus die, opdat iemand het huishouden moest doen, een jaar
vroeger van haar schoolplicht was ontheven, legde uit dat hij als gevolg van zijn groei water in
de knieën had. Het dertienjarige meisje reikte hem zijn collectie aan: een
schoendoos vol afbeeldingen van bekende wielrenners die, net als de prenten
van Napoleons entourage, van tussen verpakte chocoladerepen kwamen. Zij tilde
haar broertje op en bracht hem naar de bank midden een zonnig plekje in een
door muren omsloten lap zwarte aarde.
Va was al twee jaar dood. Voor Moe die op
haar dertigste met vijf nakomelingen achterbleef, begonnen harde tijden. Deze
moeilijke omstandigheden brachten haar tot een zekere heldhaftigheid, temeer
daar zij geen andere relatie meer wenste aan te knopen.
Jaren later zou ik van een tante vernemen
dat Moe het risico wou vermijden dat een vreemde kostwinner voogdij over haar
kinderen zou krijgen. Wij zaten in dezelfde bus van Antwerpen naar Turnhout. In
één adem voegde zij eraan toe dat mijn ouders elkaar buitensporig hadden
liefgehad, - wat voor Moe de doorslag gaf om in haar eentje verder te boeren.
Zoals bij de meeste levensmiddelen bleek
tijdens die eerste jaren na de oorlog ook de vraag naar kleding groter dan het
aanbod. Moe kwam uit een kleermakersgezin en zij had die nood goed begrepen. Ofschoon zij als kind tegen haar zin had leren
naaien, heeft zij in haar leven nooit veel anders gedaan. In Antwerpen kocht
zij stoffen op de rol die zij thuis verknipte, aan haar voetmatig aangedreven Singer
assembleerde en achter een onooglijk kraampje op de openbare markten te koop aanbood.
De verkoop liep op wieltjes. Maar dan moest er na haar thuiskomst elke middag
weer tot diep in de nacht tegen een razend tempo geknipt en genaaid worden. Bewonderenswaardig
vond ik de marskramer die zo met haar lot begaan was dat hij achteraan tussen de
hoop schoendozen in zijn camionette een open plekje ruimde opdat zij er met
haar bundel opgevouwen koopwaren kon plaatsnemen. Op dagen dat het teveel werd,
legde zij haar gerief in een kruiwagen om alles te voet naar het station te
brengen waar een tram haar en het hele boeltje naar de markt in een naburige
gemeente voerde. Mijn oudste zus, een groot kind, bracht de lege kruiwagen weer
naar huis. Eens vertelde zij me over haar schaamte telkens zij op straat een
mooi opgedirkt vriendinnetje tegenkwam. Voor mijn part mocht ook zij een
medaille voor bewonderingswaardigheid opgespeld krijgen.
Het spreekt vanzelf dat Moe geen tijd had om
ons bij huistaken bij te staan, zoals dit wél gebeurde bij de andere kinderen,
aangezien toentertijd weinig huismoeders uit werken gingen. Daardoor gaat me
vandaag een licht op over haar motief om ons al bij klaarlichte avond naar bed
te sturen: dan kon zij ongestoord werken. Het volkse gezegde dat kinderen voor
hun gezondheid vroegtijdig in bed horen, vond bij haar meer gehoor dan de mening
dat een te lange nachtrust hun ontwikkeling kan schaden. Ik gaf dat eerste gezegde
groot ongelijk. Zolang het gejoel van spelende kinderen op straat te horen was,
raakten wij immers niet in slaap. Daarom probeerde ik me, van zodra het
duisterde, te verstoppen. Op een winteravond gebeurde iets merkwaardigs.
Terwijl het gezin gezellig rond de kachel zat, had ik me geprangd tussen de muur
en rugleuning van een fauteuil. Vandaar hoorde ik mijn oudste broer pochen dat
hij op beide handen kon lopen. Hoewel ik vanaf dat lage plekje enkel de
onderbenen van mijn moeder kon zien, moest ik zijn prestatie voor waar aannemen.
Want mijn grootvader die toevallig op bezoek was, reageerde verschrikt:
‘Jongen, pas op! Val niet om!’
Voor de eerste keer verzamelde ik mijn
indrukken alsof het ging om de totaalsom van een bewuste droom. Niets ontsnapte
me. Ik wist dat Moe volop bezig was aan de keukentafel een patroon uit te
knippen. Ik verwachtte dat ze de fauteuil elk ogenblik naar voor zou schuiven.
Ik proefde de ganse sfeer en stelde me voor dat dit geheel zolang ik leefde zou
voortduren, - weliswaar telkens met andere beelden en sferen, maar wezenlijk onophoudelijk
puur en hetzelfde.
Van zodra zich na deze buitengewone
ontdekking een gunstige gelegenheid voordeed, gleed ik als een schim naar
buiten en vond een plekje bovenop de vliering van een afgedankt varkenshok.
Andere beelden en een andere sfeer, jazeker; maar dit keer voelde de ligplaats
zo hard, ongezellig en koud, dat ik algauw opkraste. Behalve op zijn handen
lopen, kon mijn oudste broer in zijn bed naast het mijne, ook de dramatische cowboyliedjes
uit High Noon nabootsen die wij op plaat hadden. ‘Do not forsake me
oh my darling!’ Misschien konden wij een duet vormen?
's Morgens trof ik mijn boekentasje in
dezelfde hoek van de kamer waar ik het daags voordien na schooltijd had
neergeworpen. De leerstof van de doodskop kwam me de strot uit. Nooit had ik
met zijn dorre letters en cijfers leren omgaan: op een speelse wijze, zoals
kinderen graag rond een bal huppelen. Daar ik de twaalf artikelen van het
christelijk geloof niet kon afdreunen, moest ik alleen nablijven.
'Begin opnieuw! Opnieuw! Ja weer!'
Terwijl ik voor de zoveelste keer de
artikelen afhaspelde, leidde een gereutel mijn aandacht af. Uit een duistere
spookhoek trad de zwarte gedaante met doodskop. Mijn oog viel op de blinkende,
voor zich uit gestoken punt van een zakmes.
Mogelijk zou
het joch erin geslaagd zijn alle artikelen tijdig af te ronden. Maar zijn
adem stokte. Voor zijn voetjes opende zich een bodemloze diepte. Niet enkel
liepen zijn knieën weer vol water. De ruwe korst reet zijn lijfje helemaal
open! Het stikkende knaapje had zich niet vergist, - niet in de deftige
stadsgevels, niet in de opgedofte uniformen van Napoleons legerofficieren, niet
in deze sombere school.
‘Ach ja, op de keper beschouwd waren die
broeders ook maar stumperds,’ legde ik mijn tante hun frustraties uit.
‘Levenslang te zijn opgesloten in een naargeestig gebouw en lijdend onder het
celibaat. Hun was een droevig lot beschoren.’
Op ’n heldere voormiddag rolde er een
druppel inkt uit mijn pen, zomaar midden mijn geopende schrift. Nu ging de
doodskop zo te keer of ik de schande van mijn moeder was. Loerend naar de barst
in het pleisterwerk kwam het me voor dat die heus wijder werd. Voor mijn straf
werd ik wandelen gestuurd: vijf keer heen en weer over de speelplaats die
volliep met toekomstige dragers van de zwarte pij. Maar eerst scheurde het
welgemanierde doodshoofd de kladvellen uit om ze duidelijk zichtbaar aan de revers
van mijn jasje vast te spelden.
Door dit uithangbord van de schande werd ik
nog stommer dan een kalf. Zoals de wrede jongens met hun gladde spekgezichten
me op de speelplaats vanaf een veilige afstand beschimpten, stonken de
kladvellen naar viezigheid. Naast oliedom bleek ik besmettelijk, onwaardig
gelijk een kruipende mestkever.
Op een keer, toen Moe bemerkte dat ik
tijdens mijn huiswerk hopeloos in tranen schoot, boog zij zich mee over het
vraagstuk en legde me in één handomdraai de wiskundige regel van drie uit.
Moe had mijn nood aangevoeld. Nooit was ik
het lot zo dankbaar als de dag dat zij haar kroost naar een naburig
wijkschooltje van het rijksonderwijs stuurde.
De klaslokalen bestonden uit eenvoudige paviljoentjes. Een met metaalgaas afgespannen zandplein deed dienst als speelplaats. Hier werden de kinderen niet gedwongen om te voetballen of hoog te springen, maar mochten ze doen waar ze zin in hadden, - zoals knikkeren in het zand. Belangstelling voor de leerstof laaide helaas niet in me op. Gelukkig kweten de leerkrachten zich bescheiden van hun taak. Zelfs als deze huisvaders uit kinderboeken voorlazen, gebeurde dit even betoverend als gewoon, zonder de mond vol te hebben over ‘manieren’, en zonder de kinderen door gestrengheid te beletten met deze verhalen weg te dromen.
Geen opmerkingen:
Een reactie posten