zondag 6 september 2026

ROBERTS LOTGEVALLEN

EEN GESCHIEDENIS VAN HET LOT (1)

Autobiografische notities te lezen als een wekelijks vervolgverhaal waarin de auteur blijft stilstaan bij enkele gebeurtenissen uit zijn jeugd.

 

Eerste schooldag

In mijn herinnering bestaat een grijze ochtend tegen het einde van de zomer. Aan de zijde van mijn grote broer liep ik de wijde wereld in. Wij passeerden fraai onderhouden straten die ik nooit eerder gezien had. Enkele maanden tevoren waren er verkiezin­gen geweest. Tegen deze muren kleefden geen half verwijderde aanplakbiljetten met nummers van politieke partijen, zoals in onze buurt.

   Wij passeerden een driehoekig pleintje met in het midden een arduinen sokkel waarop een oorlogs­monu­ment: een zwarte beeldengroep van neerstuikende soldaten tegen een kluwen van engelen met triomfantelijk in de hoogte gestoken bazuinen die, mits wat verbeelding, door opstotend geschal de overwinning voorstelden.

   Meer belangstelling had ik voor de rondrijdende treintjes­ achter de uitstal­ramen van een speelgoedwinkel, op een steenworp daarvan. Na het oversteken ving ik een glimp op van een kasteel met brede slot­gracht waar, zoals broer me vertelde, volgende zondag een honderdjarige werd gehuldigd. Zijn ver­dien­ste be­stond eruit dat hij op 11 september 1849, niet lang na de val van Napoleon, zou geboren zijn.

   Het overdadige pleisterwerk van de deftige herenhuizen bedrukte me. Op onverklaarbare wijze bracht ik hun voorgevels in verband met de hangende kwasten op de epauletten van maarschalken, zoals te zien in mijn verzameling prenten van  Historia rond diezelfde Napoleon. Hun gezichten wedijverden in gestrengheid, vervul­den me met het beklemmende voorgevoel dat ik dra aan dergelijke onbuigzame bestuursorganen gehoor zou moeten geven.

   Langs diezelfde slotgracht bereikten we de school: een grauw bolwerk met de gekleurde glasramen van een kapel aan de buitenkant. Nog angstiger werd ik toen broerlief me via een hol klinkende lange doorgang naar een geplaveide binnenplaats leidde waar zich een menigte jongens had verza­meld. Broer liet mijn hand los en holde naar zijn voetballende kameraden.

   Aan mijn lot overgela­ten, bleef ik bedrem­meld staan en keek rond, verloren te midden van oor­verd­ovend gejoel dat huilend neersloeg tegen de sombere klaslokalen waar een kloosterbroeder straks de plak over ons zou zwaaien. Rijen grote knullen wedijverden met elkaar in hoogspringen. Zij waren hier al goed thuis. Ik zag de kuif van een branieschopper tijdens zijn sprong hoog boven de hoofden flitsen. Een innerlijke stem fluisterde me in dat ik anders was dan de anderen, hulpeloos en alleen. Want alle ande­re jongens lachten, renden zorgeloos in het rond, voetbalden, sprongen haasje-over.

   Het gejoel verstomde en een samenscholing stoof in paniek uiteen. Daar kwam een broeder aanlopen. Zijn gestalte even breed als hoog. Enorme sandalen legden de nadruk op zijn onbehouwen reuzenschreden en bleke voeten onder de zwarte pij. Het was of vlak voor mij de kop van een gek geworden nijlpaard druisend boven water kwam. Een opengesperde muil waarin weinige bruine tanden, spatte overdadig speeksel en loeide: ‘Wat vuile manieren!’ Ik gluurde naar het grauw van de weergalmende muren. De klem­toon op ‘manieren’ wekte het geluid van knarsende ketens en een ijzeren slot dat met harde klak dichtsloeg. ‘Vuile manieren’, daar had ik nog nooit van gehoord. En daar­na spuugde diezelfde speekselkrater weer van ‘goede manieren’. Ook dat voorspelde weinig goeds. Volgens mij had het te maken met de opgedofte schouderstukken van de patriciërhuizen. Een ruwe korst binnenin schuurde tegen mijn borst.

   De bel ging. Onder het toeziend oog van een lijkkleurig klashoofd, wijd bemanteld in zwarte pij, betraden de in dodelijke stilte gehulde belhamels het klaslokaal. Vanaf hier ademde ik een vervaarlijke, met giftige ernst vermengde nabijheid in. Tegen die dreiging was het gek geworden nijlpaard nog een lieverdje.

    Zo gauw de laatste jongen neer­zat, stelde het bleke doodshoofd doodernstig de vraag wie van ons later ook een zwarte pij wilde dragen. Daar er tus­sen het ernstige hoofd en mij, op de laat­ste bank achter­aan, op slag evenveel handen als leerlin­gen de hoog­te in schoten, bleek ik de enige die niet zo van het prettige van het broederschap was over­tuigd. Het deed de ronde dat het doodshoofd zo hard kon bulderen dat de muren ervan barsten. Mijn glurende ogen ontdekten inderdaad een verdacht spoor in het pleisterwerk.

   ‘Ernstig nu! Vouw beide armen bovenop de lessenaar!’

   Vermoedelijk was mijn blik niet ernstig genoeg; of anders vond de lijkkleurige de gezonde blos op mijn wangen verdacht. Want de volgende dagen leerde ik wel rekenen, schrijven en lezen, maar minder vlot dan de anderen. Volgens mijn eerste cijfers was het doodshoofd ervan overtuigd dat stomme kalveren niets op school te zoeken hadden. En ik had er inderdaad de pest in. Elke morgen als ik de grauwe vesting naderde, voelde ik in mijn beklemde binnenste alweer het schuren van de harde korst.

   Op een mooie dag weigerde het knaapje naar school te gaan. Hij stond op de drempel aan de voeten van een vrouw, dagelijkse hulp in het huishouden. In mijn geheugen staat zij daar nog: zonder naam, zonder aangezicht. Achter haar jurk haalde een kwaaie hand scherp uit naar zijn appelwangetjes. Als de bliksem schoot het ventje de kamer in, maar de raak zwiepende hand volgde zijn vlucht tot de verste hoeken van het achterhuis. En hoe het rebelse joch doorheen een vloed van snot en tranen ook krijste, het ontving nog meer striemen; tot het met zijn schooltasje onder de oksel murw op de str­aat­keien belandde.

   De volgende morgen, vlak voor zijn vertrek naar school, vond het jochie plotseling geen steun meer in de knieën. Zijn bovenlijf gleed als een zak meel over de drempel. En hoe vrese­lijk het kind ook zijn best deed, het raakte niet over­eind. Een dokter kwam er niet aan te pas. Zijn oudste zus die, opdat iemand het huishouden moest doen, een jaar vroeger van haar schoolplicht was ontheven, legde  uit dat hij als gevolg van zijn groei water in de knieën had. Het dertienjarige meisje reikte hem zijn collectie aan: een schoen­doos vol afbeeldingen van bekende wielren­ners die, net als de prenten van Napoleons entourage, van tussen verpakte chocoladerepen kwamen. Zij tilde haar broertje op en bracht hem naar de bank midden een zonni­g plekje in een door muren omsloten lap zwarte aarde.

   Va was al twee jaar dood. Voor Moe die op haar dertigste met vijf nakomelingen achterbleef, begonnen harde tij­den. Deze moeilijke omstandigheden brachten haar tot een zekere heldhaftigheid, temeer daar zij geen andere relatie meer wenste aan te knopen.

   Jaren later zou ik van een tante vernemen dat Moe het risico wou vermijden dat een vreemde kostwinner voogdij over haar kinderen zou krijgen. Wij zaten in dezelfde bus van Antwerpen naar Turnhout. In één adem voegde zij eraan toe dat mijn ouders elkaar buitensporig hadden liefgehad, - wat voor Moe de doorslag gaf om in haar eentje verder te boeren.

   Zoals bij de meeste levensmiddelen bleek tijdens die eerste jaren na de oorlog ook de vraag naar kleding groter dan het aan­bod. Moe kwam uit een kleermakersgezin en zij had die nood goed begrepen.  Ofschoon zij als kind tegen haar zin had leren naaien, heeft zij in haar leven nooit veel anders gedaan. In Antwerpen kocht zij stoffen op de rol die zij thuis verknipte, aan haar voetmatig aangedreven Singer as­sembleerde en achter een onooglijk kraampje op de openbare markten te koop aanbood. De verkoop liep op wieltjes. Maar dan moest er na haar thuiskomst elke middag weer tot diep in de nacht tegen een razend tempo ge­knipt en genaaid wor­den. Bewonderenswaardig vond ik de marskramer die zo met haar lot begaan was dat hij achteraan tussen de hoop schoendozen in zijn camionette een open plekje ruimde opdat zij er met haar bundel opgevouwen koopwaren kon plaatsnemen. Op dagen dat het teveel werd, legde zij haar gerief in een kruiwagen om alles te voet naar het station te brengen waar een tram haar en het hele boeltje naar de markt in een naburige gemeente voerde. Mijn oudste zus, een groot kind, bracht de lege kruiwagen weer naar huis. Eens vertelde zij me over haar schaamte telkens zij op straat een mooi opgedirkt vriendinnetje tegenkwam. Voor mijn part mocht ook zij een medaille voor bewonderingswaardigheid opgespeld krijgen.

   Het spreekt vanzelf dat Moe geen tijd had om ons bij huistaken bij te staan, zoals dit wél gebeurde bij de andere kin­de­ren, aangezien toentertijd weinig huismoeders uit werken gingen. Daardoor gaat me vandaag een licht op over haar motief om ons al bij klaarlichte avond naar bed te sturen: dan kon zij ongestoord werken. Het volkse gezegde dat kinderen voor hun gezondheid vroegtijdig in bed horen, vond bij haar meer gehoor dan de mening dat een te lange nachtrust hun ontwikkeling kan schaden. Ik gaf dat eerste gezegde groot ongelijk. Zolang het gejoel van spelende kinderen op straat te horen was, raakten wij immers niet in slaap. Daarom probeerde ik me, van zodra het duisterde, te verstoppen. Op een winteravond gebeurde iets merkwaardigs. Terwijl het gezin gezellig rond de kachel zat, had ik me geprangd tussen de muur en rugleuning van een fauteuil. Vandaar hoorde ik mijn oudste broer pochen dat hij op beide handen kon lopen. Hoewel ik vanaf dat lage plekje enkel de onderbenen van mijn moeder kon zien, moest ik zijn prestatie voor waar aannemen. Want mijn grootvader die toevallig op bezoek was, reageerde verschrikt: ‘Jongen, pas op! Val niet om!’

   Voor de eerste keer verzamelde ik mijn indrukken alsof het ging om de totaalsom van een bewuste droom. Niets ontsnapte me. Ik wist dat Moe volop bezig was aan de keukentafel een patroon uit te knippen. Ik verwachtte dat ze de fauteuil elk ogenblik naar voor zou schuiven. Ik proefde de ganse sfeer en stelde me voor dat dit geheel zolang ik leefde zou voortduren, - weliswaar telkens met andere beelden en sferen, maar wezenlijk onophoudelijk puur en hetzelfde.

   Van zodra zich na deze buitengewone ontdekking een gunstige gelegenheid voordeed, gleed ik als een schim naar buiten en vond een plekje bovenop de vliering van een afgedankt varkenshok. Andere beelden en een andere sfeer, jazeker; maar dit keer voelde de ligplaats zo hard, ongezellig en koud, dat ik algauw opkraste. Behalve op zijn handen lopen, kon mijn oudste broer in zijn bed naast het mijne, ook de dramatische cowboyliedjes uit High Noon nabootsen die wij op plaat hadden. ‘Do not forsake me oh my darling!’ Misschien konden wij een duet vormen?

   's Morgens trof ik mijn boekentasje in dezelfde hoek van de kamer waar ik het daags voordien na school­tijd had neergeworpen. De leer­stof van de doodskop kwam me de strot uit. Nooit had ik met zijn dorre letters en cijfers leren omgaan: op een spee­lse wijze, zoals kinderen graag rond een bal huppelen. Daar ik de twaalf artikelen van het christelijk geloof niet kon afdreunen, moest ik alleen na­blij­ven.

   'Begin opnieuw! Opnieuw! Ja weer!'

   Terwijl ik voor de zoveelste keer de artikelen afhaspelde, leidde een gereutel mijn aandacht af. Uit een duistere spookhoek trad de zwarte gedaante met doodskop. Mijn oog viel op de blin­kende, voor zich uit gestoken punt van een zakmes.

   Mogelijk zou het joch erin ge­slaagd zijn alle arti­kelen tijdig af te ronden. Maar zijn adem stok­te. Voor zijn voe­tjes opende zich een bodemloze diepte. Niet enkel liepen zijn knieën weer vol water. De ruwe korst reet zijn lijfje helemaal open! Het stikkende knaapje had zich niet vergist, - niet in de deftige stadsgevels, niet in de opgedofte uniformen van Napoleons legerofficieren, niet in deze sombere school.

   ‘Ach ja, op de keper beschouwd waren die broeders ook maar stumperds,’ legde ik mijn tante hun frustraties uit. ‘Levenslang te zijn opgesloten in een naargeestig gebouw en lijdend onder het celibaat. Hun was een droevig lot beschoren.’

   Op ’n heldere voormiddag rolde er een druppel inkt uit mijn pen, zomaar midden mijn geopende schrift. Nu ging de doodskop zo te keer of ik de schande van mijn moeder was. Loerend naar de barst in het pleisterwerk kwam het me voor dat die heus wijder werd. Voor mijn straf werd ik wande­len gestuurd: vijf keer heen en weer over de speel­plaats die volliep met toekomstige dragers van de zwarte pij. Maar eerst scheurde het welgemanierde doodshoofd de kladvellen uit om ze duidelijk zichtbaar aan de re­vers van mijn jasje vast te spelden.

   Door dit uithangbord van de schande werd ik nog stommer dan een kalf. Zoals de wrede jongens met hun gladde spekgezichten me op de speelplaats vanaf een veilige afstand beschimpten, stonken de kladvellen naar viezigheid. Naast oliedom bleek ik besmettelijk, onwaardig gelijk een kruipende mestkever.

   Op een keer, toen Moe bemerkte dat ik tijdens mijn huiswerk hopeloos in tranen schoot, boog zij zich mee over het vraagstuk en legde me in één handomdraai de wiskundige regel van drie uit.

   Moe had mijn nood aangevoeld. Nooit was ik het lot zo dankbaar als de dag dat zij haar kroost naar een naburig wijkschooltje van het rijksonderwijs stuurde.

   De klaslokalen bestonden uit eenvoudi­ge pavil­joentjes. Een met metaalgaas afgespan­nen zandplein deed dienst als spee­l­plaats. Hier werden de kinderen niet gedwongen om te voet­bal­len of hoog te springen, maar mochten ze doen waar ze zin in hadden, - zoals knikkeren in het zand. Belangstelling voor de leerstof laaide helaas niet in me op. Geluk­kig kweten de leerkrach­ten zich bescheiden van hun taak. Zelfs als deze huisvaders uit kinderboeken voor­lazen, ge­beurde dit even betoverend als gewoon, zonder de mond vol te hebben over ‘manieren’, en zonder de kinderen door gestrengheid te belet­ten met deze verhalen weg te dromen. 

Geen opmerkingen:

Een reactie posten