woensdag 15 december 2021

Portret van de aardbeienplukster als jonge vrouw - NABESCHOUWINGEN


 

‘Portret van de aardbeienplukster als jonge vrouw’ heb ik in twintig maanden uitgeschreven met potlood op papier. Dit gebeurde tussen 4 augustus 1980 en 27 maart 1982 tijdens de middagpauze van 12 tot 13 uur aan mijn bureau op het metallurgische bedrijf in Beerse, waar ik dagelijks de kans greep om na het nuttigen van de middaglunch, in mijn eentje voort te schrijven. Op dat bedrijf, gespecialiseerd in het smelten van lood en antimonium en het omzetten in andere derivaten, was ik op dat moment al 15 jaar werkzaam als technisch tekenaar. Door deze functie maakte ik tevens deel uit van een uitgebreide onderhoudsploeg van constructeurs, lassers, ovenmetsers, houtbewerkers, enz. Door mijn voltijds werk hier, had ik weinig tijd om te schrijven. Wel was ik door mijn nauw contact met al die collega’s op de werkvloer in de gelegenheid uitgebreide levenservaring op te doen. Genoeg voor een romanschrijver om in het bezit te komen van een staalkaart die geldt voor de hele wereld en alles wat des mensen is. Uiteraard bezat ik toen nog geen pc. Eenmaal thuis vulde ik mijn dagelijkse potloodversie tot 339 volgeschreven vellen aan om het geheel later met een schrijfmachine uit te typen.


    Deze roman werd geschreven in opdracht van Bruna & Zoon, in die tijd mijn uitgever Hoewel het weinig scheelde, is de roman nooit uitgegeven. Jammer voor mijn geesteskinderen, de hoofdpersonages. Zij droegen bij tot een boeiend verhaal, goed voor breed lezerspubliek. Maar niet getreurd, mijn kindertjes, vrouwtje en ik blaakten van gezondheid  en we leden geen gebrek. Dus had ik niet te klagen. Bovendien bleef ik in mezelf geloven, en zoals steeds begon ik onmiddellijk aan nieuw werk, wat opnieuw zoveel aandacht van me vergde, dat ik mijn vorige romans snel uit het oog verloor. Door mijn belangstelling voor het nieuwe, kwam het er trouwens nooit van om mijn eigen, ouder werk opnieuw te lezen. De voorbije zomer heb ik dat, voor het eerst in mijn leven, toch wél eens gedaan.

   Omdat het verhaal zich in de jaren zeventig afspeelt, leek het decor ondertussen wat gedateerd. Verbluffend hoeveel er de voorbije veertig jaar veranderd is in de wereld... Maar misschien vormde dat juist een meerwaarde. Het geheel scheen nu iets van een tamelijk recent-historische roman te hebben gekregen. Mijzelf boeide het verhaal in ieder geval nog steeds. Alleen trof ik, toen ik erop terugkeek, heel wat storende elementen aan. Zo prees ik me gelukkig, dat de roman indertijd op de valreep toch niet werd uitgegeven. In die eerste versie leidde een overvloed aan details en bloemrijke beschrijvingen de aandacht al te zeer af. Door minder verbositeit en meer soberheid, zou het verhaal veel beter uit de verf komen. Daar een roman bestaat voor zover hij goed geschreven is, begon ik de tekst te redigeren. Met soms zeer grove middelen: een snoeimes maar af en toe ook een hakbijl. Dat was nodig. Toen ik er na een half jaar opnieuw klaar mee was, bleek het oorspronkelijke verhaal van 300 pagina’s tot 200 te zijn teruggebracht.

   Elke vogel zingt zoals hij gebekt is. Wat het lied juist zo interessant maakt. Maar of je nu zingt of schrijft of andere kunsten beoefent: de uitvoerder blijft het knechtje van wat hij verwezenlijkt. Voor mijn part mag het nooit zijn bedoeling zijn om de aandacht op zichzelf te vestigen, om zijn ‘kunnen’ te laten zien. Wel moet hij de verborgen wereld tonen die in ieder van ons is. Bij een schilderij gaat het niet om de verf, bij een roman niet om de woorden.

   Voor het boek over de Aardbeienplukster was mijn uitgangspunt filosofisch van aard. Het verhaal speelt zich af in een periode waarin de kerken leeglopen, waarin het dogma van het traditionele geloof, meer dan ooit, verstandelijk aan de tand wordt gevoeld; dat thema is van alle tijden, maar op dat moment meer dan ooit actueel. Zoals het spreekwoord echter zegt: als twee honden vechten voor een been, loopt de derde ermee heen. Dit liet ik in mijn roman zo gebeuren. Die derde is namelijk het hoofdpersonage Mieke, die, juist omdat zij geen enkel ander argument heeft dan haar waarachtige honger naar het leven zelf, de anderen slimmer af is. Eenmaal een dergelijke zaadje is geplant, behoort het nooit tot mijn werkwijze om door een 'planmatige', verstandelijke tussenkomst daarrond een verhaal te 'verzinnen’. Het verhaal dringt zich onweerstaanbaar aan me op. Daarnaast laat ik de tijd zijn werk doen, door het zaadje elke dag verder te laten evolueren, en er ook al eens een nachtje over te slapen, op natuurlijke wijze, zoals een boomscheut uitgroeit naar het licht. Een riskante onderneming: je hebt geen enkele garantie om niet, op zeker ogenblik, op een dood spoor te belanden. Daarom ben ik het lot of de hemel dan ook bijzonder dankbaar voor ‘de genade’, als het ware, omdat het me vergund was mijn relaas tot een goed einde te mogen brengen. 

   Bij uitgeverij De Galge publiceerde ik tevoren al een dichtbundel, maar als romancier debuteerde ik in het jaar 1981, met het boek ‘Van liefde en ondeugd.’ Een liefdesroman, met als hoofdpersonage een suppoost in een museum. Hoewel de meeste van mijn romans over man-vrouw relaties gaan, verschillen ze onderling heel erg van elkaar. Behalve in mijn twee vroegste manuscripten uit mijn beginperiode, heb ik nooit op directe wijze over mijn eigen leven verteld. Waarschijnlijk inspireerden mijn persoonlijke belevenissen me te weinig om steeds maar in die ene, zelfde richting te blijven doorgaan, in het teken van mijn eigen, rimpelloze huwelijk (hoewel dit toch ook wel passioneel was), en mijn gezin van vijf kinderen, mijn dagelijkse schrijven, mijn werkzaamheden op de fabriek... Ik zou dan wellicht het gevaar hebben gelopen, steeds aan één en hetzelfde boek te hebben zitten schrijven. Al valt zelfs daar wel iets voor te zeggen. Het opwekken van spanning en emotie is een kwestie van individuele, seismografische gevoeligheden, en meer niet. De schrijver hoeft echt niet deel te nemen aan, bij wijze van spreken, een safari, om opmerkelijke gewaarwordingen aan anderen over te brengen.

   Elk leven heeft maar één uitkomst. Toch spelen toevalligheden daarin een ongeziene rol. Onverwachts een straat oversteken, kan al voor gevolg hebben dat het leven een heel andere wending neemt dan je voor ogen had. Elke dag opnieuw staat iedereen voor verrassingen. En waarom zou je bij het schrijven niet de vrijheid mogen nemen om sommige van die niet onwaarschijnlijke toevalligheden een handje toe te steken en daarin mee te gaan? Door zelf op het toneel afwezig te blijven, kan de schrijver gevolg geven aan andere keuzemogelijkheden dan die voor de hand liggen. Niet enkel kan hij plotseling de straat oversteken en onverwachts een onbekende tegenkomen. Door van zichzelf afstand te nemen kan hij erin slagen een ander te worden. Door schrijvend in een andere werkelijkheid dan de zijne te stappen, leeft hij twee keer. Zonder dit gegeven had ik me voor mijn roman over de Aardbeienplukster, onmogelijk kunnen verplaatsen in de werkelijkheid van een jonge vrouw, of, zoals in mijn daaropvolgende roman, in die van een schrijnwerker, wiens huwelijk door ontrouw op de klippen dreigt te lopen.

   Merkwaardig hoe ik op mijn zestiende, op een technische school, tijdens de les Nederlands, ‘verklarend lezen’, kennismaakte met Beatrijs en andere middeleeuwse teksten. Er ontvlamde iets in mij, een onstilbare dorst naar het mooie, het waarachtige, het troostende dat van literatuur kan uitgaan. Van de ene op de andere dag  wisselde ik mijn strips in voor romans. Het begon met Dostojewski’s ‘De gebroeders Karamazow’ en het hield niet meer op. In de plaatselijke boekhandel werd ik een graag geziene klant. Ik las een heleboel klassieken, zoals ‘Rood en zwart’ van Stendhal, de romans van Tolstoi, Saroyan, Steinbeck. En van eigen bodem Felix Timmermans, Willem Elschot, Cyriel Buysse.

    Een tweede openbaring greep plaats toen ik op mijn achttiende, in een vertaling uit 1961, ‘Black Spring’ van Henry Miller ontdekte; een bundel deels surrealistische teksten, geschreven in 1934. Vooral het verhaal ‘De kleermakerij’ schudde mij heftig door elkaar. Dat iets zo verschrikkelijk rauw en schaamteloos eerlijk, tegelijk diep menselijk en ontroerend kon zijn, had ik nooit voor mogelijk gehouden. Een bekentenissenliteratuur die zich ogenschijnlijk totaal niks van vorm aantrok.

   Je hoefde om romans te schrijven dus toch niet hoogopgeleid te zijn. Miller was een gewone straatjongen uit Brooklyn. Als hij het kon, waarom dan niet ik? Het was of ik ontwaakte uit een droom. Maar Miller was een zeer sterke persoonlijkheid, zodat het me vele jaren gekost heeft om van zijn invloed af te komen.

    In zijn jeugd was Miller trouwens zelf ook een fervent bewonderaar van Dostojewski’s tragedies. Tot hij op een dag inzag dat dit literaire beeld niet met de werkelijkheid strookte; de menselijke ziel leek hem ineens te klein voor het grootse van dergelijke tragedies, zodat dit inzicht voor hem de énige tragedie werd. Een dergelijke aardverschuiving overkwam ook mij. Hoewel ik Millers wereld herkende en zijn proza fel bewonderde, opereerde ik als plattelandsjongen en brave zoon van een hardwerkende weduwe met groot gezin, vanuit een heel andere achtergrond. Dus moest ik, zonder me van iets of iemand aan te trekken, op zoek naar mijn eigen stem.

    Een verhaal moet er naar de vorm, als geheel, naar mijn betrachting, even rond uitzien als een biljartbal. Dit kom je niet zo vaak tegen. Maar je vind het wel, bijvoorbeeld, in Mishima’s roman ‘Een zeeman door de zee verstoten’ (1963), of Tanizaki’s ‘Dagboek van een oude dwaas’ (1961). Ook in de korte roman  ‘Agostino’ van Moravia (1945), of ‘Brandende liefde’ Jan Wolkers (1981). 

maandag 2 augustus 2021

Recensie: Het gevaar loert in Mombasa in KNACK

 

Het gevaar loert in Mombasa

Recensie in Knack -  Focus  - 9 juni 2021 - Marnix Verplancke.

In de jaren 1920 trekt de Antwerpse boekhouder Oscar Van Kleut naar Afrika om er Clara Jansen te zoeken. Die is uit Mombasa vertrokken om de Kilimanjaro te beklimmen, waarna er nooit meer iets van haar vernomen is. Oscar reist in haar voetsporen, vergezeld door de Amsterdamse landmeter Duval – of is het Duvel, zoals sommigen beweren? Vaststaat dat hij met de glimlach handen van de inwoners afhakt, onder begeleiding van Waldteufels Estudiantina of Schuberts Der Lindenbaum (Oscar heeft een grammofoon en een stel reservenaalden mee). 

Het gevaar loert in Mombasa is een heerlijke persiflage, geschreven door de eigenzinnige Robertus Baeken, die onwillekeurig doet denken aan Conrads Heart of Darkness , Tarzan en het verhaal van Stanley en Livingstone, () Er zit ook ernst verborgen achter de humor, want plots eindigt de bekende geschiedenis. Wie heeft wie vermoord, of is er helemaal niemand dood? Hoe ontstaan mythes en wat vermag de wetenschap ertegen? Ook dat intrigeert Baeken.

dinsdag 4 mei 2021

Het gevaar loert in Mombasa. Roman te verkrijgen in de boekhandel.

 


Het gevaar loert in Mombasa
ISBN: 9789464242089
Soort boek: Paperback / softback
Aantal pagina's: 100
Uitgeverij Aspekt Prijs: € 12.95 Te verkrijgen in de boekhandel

Een Vlaamse boekhouder, geïnspireerd door de beroemde, in het Braziliaanse oerwoud verdwenen ontdekkingsreiziger Fawcett, besluit in 1926 een in Afrika vermiste landgenote op te sporen. In Mombasa komt hij in contact met de Swahili-sprekende Duval. Deze ouwe rot zal hem behulpzaam zijn bij het oprichten van een expeditie en hem als gids door de jungle vergezellen. Tussen hen ontstaat een machtsstrijd.
Het jungleverhaal eindigt bij een teruggevonden skelet in een kloof nabij de Kilimanjaro.
Nieuwe literatuur, gebracht als een spannende avonturenverhaal; gevolgd door de chronologie van een met Tarzan en Fawcett verweven mythevorming rond de hoofdfiguur en andere zijsprongen waarin de auteur graag een loopje neemt met de ernst van de wereld.
In vrije val geschreven, is het verhaal toch niet de uitkomst van een ongebreidelde fantasie; want zowel ter lering als vermaak een metafoor gebaseerd op historische feiten.
Satire, pulpachtig geweld en zwarte humor in afwisselende tempo. Een brok pure dynamiet. Literair vuurwerk, de lezer met een comfortabel lontje aangereikt.

zondag 23 augustus 2020

Interview met het tijdschrift BLOOM

 

Wat houdt het ego volgens u in?

Ook al wordt het zelden als feit ervaren, ieder mens leeft in twee werelden tegelijk. Inherent aan onze concrete verschijning bestaat het abstracte ego, of alles wat ons met ons persoonlijk verhaal bindt. Dit verhaal komt tot stand door unieke voorvallen, ondergebracht in bepaalde categorieën zoals woorden of symbolen; noemers waardoor ze als iets herkenbaars aan de grootste gemene deler kunnen worden overgedragen. Dit kan gaan over allerlei zaken: herinneringen aan gebeurtenissen, projecties waarmee we nauw in betrekking staan, onze levensloop in het verleden, onze verwachtingen voor de toekomst, enz. Uiteraard is elk verhaal verschillend en daardoor elk ego ook uniek. Tegelijk is elk verhaal een vrucht van de verbeelding; een soort van immateriële aankleding, gelijkgesteld aan een persoonlijke identiteit, wat zeer eigen is aan mensen. Zo te merken zijn dieren minder met hun verbeelding bezig dan met hun directe noden en wat zich op natuurlijke wijze voor hun neus afspeelt. Mensen zijn ook dieren, maar behalve in de concrete wereld van heden, staan zij met één been in een geabstraheerde wereld, opgeroepen door hun verbeelding. Verbeelding maakt hun leven rijk. Zonder verbeelding geen taal, geen geschiedenis, geen cultuur, geen boeken, wetenschappen of kunsten, geen beschaving, geen huizen, wegen of bruggen, geen maatschappelijke ordening, geen identificatie, geen ego. Toch zien we hoe achter het vernislaagje van al deze zegeningen, zich de grootste dwaasheden afspelen. De gevangenissen zitten overvol. Dagelijks verdwijnen tonnen chemicaliën in de lucht, de aarde en het zeewater. Eén druk op de knop en onze blauwe planeet is naar de vaantjes. Heel wat mensen misdragen zich erger dan beesten.

 

Zijn ego en egoïsme synoniemen?

Deze geabstraheerde wereld is in de loop van de evolutie zodanig ons leven gaan beheersen, dat we haar vanzelfsprekend vinden. Als gevolg van historische gewenning hebben mensen het moeilijk om nog te onderscheiden wat in hun leven abstract en wat concreet aanwezig is. Nogmaals: concreet zijn de directe zintuiglijke gewaarwordingen. Abstract is wat wij ons hierbij voorstellen. Om dit met een eenvoudig voorbeeldje duidelijk te maken: er bestaat een hemelsbreed verschil tussen een boom zoals met de ogen waargenomen of zoals die in gedachten wordt opgeroepen. Ook al lijkt de abstracte boom voor ons zo reëel dat we hem kunnen beschrijven, hij wuift ons niet op wonderbaarlijke wijze toe met zijn tienduizend blaadjes in de wind. In tegenstelling tot onze directe zintuiglijke gewaarwording is en blijft de abstractie een door mensen verzonnen toevoegsel, precies zoals het ego. Daarentegen wijkt het zintuiglijke geen moment van onze zijde. En dat is maar goed ook; anders zouden we bij het oversteken van een drukke straat algauw onder een auto terechtkomen. Dit neemt echter niet weg dat onze waarnemingen zodanig door de verbeelding kunnen worden opgeslorpt, beïnvloed, aangetast of verduisterd dat we wél onder een auto lopen. Al naar gelang onze wensen en voorkeuren, of die nu persoonlijk zijn of collectief, beoordelen wij onze ervaringen door middel van tegenstellingen zoals groot en klein, aangenaam en onaangenaam, kort en lang, boeiend en vervelend. Kortom, wij bestuderen het leven en passen het in hokjes, of in tijdvakjes, zo je wil. Het ego is uit op zekerheid en geluk. Paradoxaal genoeg is precies dat streven vaak de oorzaak van zijn onzekerheid en ongeluk. Het ego gaat op zoek naar vormen van uitbreiding, naar meer dan het nodig heeft voor zijn dagelijks levensonderhoud, of dat nu banale pleziertjes lijken of hogere toestanden. Tijdens deze zoektocht biedt zijn opdringerige entourage, om haar dingen aan de man te brengen, het ego genoeg inspiratie om achter het heil dat het in gedachten heeft aan te hollen. Als dat bereiken van zijn doel ten koste gaat van de concrete gewaarwordingen waarbij evengoed het welzijn van andere schepsels hoort, overstijgt het ego zich in een uitvergrotende trap: egoïsme.

 

Is egoïsme een negatieve uiting? Maakt het mensen er minder humaan op?

Egoïsme is vooral een uiting van niet weten wat de Voorzienigheid met het leven voorheeft. Ik gebruik hier de niet-gepersonaliseerde term ‘Voorzienigheid’ bij gebrek aan iets beters; omdat ik niet in de val wil trappen van het bedrieglijke religieuze discours, waarbij het veelal weer om naamgeving of menselijke voorstellingen te doen is. Ook omdat we in het duister tasten als het gaat om het fenomeen dat wij hier rondlopen, terwijl we toch zien dat zowel het eigen lijf als de grootste chaos daarbuiten, gehoorzaamt aan een alles in stand houdende, ononderbroken, intelligent naar evenwicht strevende orde. Onwetendheid wordt door het leven zelf bestraft. In extreme mate teruggeworpen op de keuzes van het eigen ik, met alle daarbij horende verlangens en betrachtingen, wordt de verbeelding nog aangescherpt. Zo kan de kracht van woorden of gedachten onze angsten en bezorgdheden groter doen lijken dan ze al zijn en zelfs maken dat wij er ’s nachts geen oog van dicht doen. Mogelijk loopt het verblinde ego op weg naar zijn doel niet direct onder een auto. Maar door zijn afscheiding zit het zijn kostbare tijd wél in een zelfgebouwde gevangenis uit, knarsetandend en bevend van onrust, terwijl achter zijn tralies de naamloze werkelijkheid voorbij vliedt. Wat een mens tijdens zijn leven ook verwerft: - fortuin, achting, roem, wijsheid, - even uitgekleed als hij op de wereld gekomen is, zal hij die verlaten; alsof zijn toestand nooit anders is geweest. Vanzelfsprekend kunnen we ter wille van onze boterham niet met gekruiste armen over elkaar blijven zitten. En waarom zouden we, als we te kiezen hebben, niet gaan voor werk dat ons het meest boeit, of het best in onze aanleg of vermogen past? Ook al gebeurt het misschien tegen een geringere beloning? Ik zou zeggen: doe wat je wil, maar beleef er in ’s hemelsnaam plezier aan, ontspan je, fluit een deuntje! Wat uw vraag betreft: in het verleden hebben we gezien dat een strak geconditioneerde samenleving, geleid door de extreme wil van een collectief ego, inderdaad minder leefbaar wordt, dommer, strenger, minder humaan; om niet te zeggen dat zij mensen er zelfs toe aanzet de ruiten in te gooien van al wie hen vreemd is of zich te bezondigen aan genocide.

 

U haalt aan dat elk levend wezen zowel een enkeling is als iedereen, zolang er aanwijzingen uitblijven die duiden op een gepersonifieerde identiteit. Wat houdt dit precies in?

Door onderscheid te maken tussen de concrete fenomenen en de abstracties van het ego waarmee we door onze sociale omgang voortdurend te maken hebben, wordt de loze buitenkant van dat ego vanzelf doorprikt. Fenomenen zijn wél waarachtig, maar doordat zij even uniek als voortdurend wisselend zijn, is het onmogelijk ze zonder hulp van de verbeelding toe te eigenen. Op zich biedt geen enkel fenomeen voldoende houvast om zich daarmee te vereenzelvigen en zo tot een gepersonifieerde entiteit te komen. Fenomenen zijn concreet, zonder geschiedenis, zonder verleden of toekomst. Ze vlieten aan ons voorbij, maar tegelijk zijn ze blijvend. Want binnen hun werkelijkheid bestaat geen tijd. Oog in oog met de fenomenen, maak je er onverbrekelijk deel van uit. Verder ben je niemand. Het bewustzijn dat anderen eveneens met dergelijke fenomenen te maken hebben - mogelijk zonder dat dezen zich er zelf van bewust zijn, - verheft de eigen concrete toestand ogenblikkelijk tot die van herkenning en universeel begrijpen. Enkel door niemand te zijn, ben je iedereen: onze basistoestand zonder dat daaraan een wordings- of groeiproces voorafgaat.

 

 

°Subvraag: En hoe belangrijk is die identiteit voor het geheel, voor Het Grote Verhaal van de maatschappij?

Ik houd me liever bij het zojuist aangehaalde begrijpen. Een dergelijke collectieve stap, waarbij het ego wordt genomen voor wat het is, zou inderdaad van grote betekenis zijn in de evolutie van de mensheid. Maar zoals het er vandaag uitziet, is nog geen enkele samenleving in dat geestelijke avontuur meegegaan. Tot hier dient de waarheid enkel de ingewijde enkeling die van zijn maatschappelijke conditionering is afgeraakt. Blijkbaar zitten weinigen te wachten op essentiële ervaringen die het summum betekenen van eenvoud en doordat ze gespeend van taal onmogelijk onder woorden te brengen zijn. De religies die ten behoeve van de geloofwaardigheid en identiteit van hun geloofsgroepen zijn uitgebouwd tot machtige instituten, proberen dit juist wel. Ofschoon niets zo onheilig is als het streven naar zijn eigen heil, menen zij door het uitvaardigen van strenge leefregels het egoïsme aan banden te kunnen leggen. Om van zijn gebreken of ondeugden af te komen, wil de gelovige daarin best meegaan. Tegemoetkomend aan hem voorgespiegelde ideaalbeelden, gaat hij zich eerder richten op zijn fouten in het verleden en zijn goede voornemens in de toekomst dan wat er op het huidige moment in hem gaande is. In plaats van te zien wie hij werkelijk is, wordt het ego ingeschakeld in een groei- of wordingsproces, in een strijd van voortdurend vallen en weer opstaan, - een gevecht dat hij onmogelijk kan winnen. Want het ego mag zich dan wel tijdelijk gedwee opstellen, doordat het zich identificeert met zijn oude gewoonten, laat het zich nooit temmen, nooit dwingen in een hem opgelegd keurslijf. Ondanks de beste bedoelingen blijkt deze wereld met al zijn gewelddaden en onrecht, er dan ook weinig beter van geworden.

 

Is het zintuiglijke, het materiële een waanvoorstelling?

Elke zintuiglijke waarneming is te herleiden tot een uniek fenomeen. Tot de uiterlijke kant van dit verschijnsel behoren zowel de waarnemer als de materie: twee noodzakelijk op elkaar aangewezen bestanddelen. Geen van beide kan immers op zichzelf bestaan. Waarnemen is één onstoffelijk gebeuren, precies zoals het verschijnsel waarnemer en materie daarin. Om die reden bestaat er niets buiten het fenomeen en manifesteert alles in het leven, van het kleinste onder de microscoop tot het verste melkwegstelsel achter een machtige sterrenkijker, zich aan het oog als zuivere geest.

 

Waar vinden we de waarheid in het leven, in een wereld vol zogezegd ‘fake news’?

Omdat wij, toch wat de meeste berichten betreft, niet anders dan op derden kunnen afgaan, kan de wereld ons het gekste wijsmaken. Men moet zelf al een ferme vinger in de pap van de berichtgeving hebben om de belangen van die ‘derden’ te doorzien. Gewone burgers bevinden zich niet in die positie. Zij worden met een vingerknip gemanipuleerd en geïndoctrineerd, bijvoorbeeld door de politieke koers, door industriëlen, of door machtige zakenlui in de reclamewereld. Deze hebzuchtige aanstichters (door aan deze conditionering deel te nemen horen we daar zelf ook bij) van de consumptiemaatschappij dringen hen ongelimiteerd behoeften en diensten op die de burgers vroeger niet hadden. De enige waarheid waarvan we zeker zijn, doet zich direct aan ons voor; een gevolg van het onbevooroordeeld, onbevangen zien van de dingen zoals ze zijn. Zij heeft niks te maken met onze keuzes om enkel die argumenten naar voren te brengen waarnaar onze belangen en voorkeuren uitgaan, zoals we onszelf vaak wijsmaken.

 

Is de verinnerlijking de te bewandelen weg in de moderne wereld?

De enige te bewandelen weg is die welke je naar het echte leven voert, naar innerlijke tevredenheid en harmonie, naar content zijn en vandaar naar het enige ware geluk, waar ter wereld je ook leeft.

 

De mens evolueert in de loop van zijn leven van een baby met een helder en willoos bewustzijn tot een apart individu die een naam toebedeeld krijgt om binnen de groep te worden geïdentificeerd en te kunnen functioneren. Welke invloeden wegen in deze evolutie het zwaarst door? Door wie/wat worden we uiteindelijk gevormd tot wie we zijn?

Geen enkel levend wezen heeft er schuld of verdienste aan hoe het wordt geboren. Of men nu in het Oosten of het Westen, als schaap of mens, als man of vrouw, gehandicapt of zeer begaafd, arm als een luis of rijk begiftigd op de wereld komt: niemand heeft ervoor gekozen. Het zou al veel discriminatie en ellende uit de wereld helpen als de mensen zich dat voor ogen houden. Hoe dan ook is iedere baby een uiting van de Voorzienigheid: een helder en willoos bewustzijn dat van nature niet verder kan zonder de melk van zijn moeder en de schoot van zijn familie. Die clan heeft hij nodig, want zonder hun hulp kan hij niet opgroeien. De clan heeft hem onder zijn hoede, geeft hem een naam: Piet, Anibal of Ali, - een abstract toevoegsel om de kleine te identificeren, of zeg maar weer: op immateriële wijze aan te kleden. Uit dank, of misschien ook wel uit angst voor repressie, doen kinderen hun best om mee te tellen en tegemoet te komen aan de gedragspatronen die de clan van hen verwacht: een goede uitslag op school, traditioneel kerstmis vieren waar de clan christelijk is, huwen met het meisje dat je vader na overleg met de vader van de bruid voor je heeft uitgekozen in de Oosterse wereld. Tradities zijn collectieve gewoonten. Om niemand voor het hoofd te stoten, zit iedereen wel met zo ‘n conformistisch rollenpatroon opgezadeld. Of je nu een tulband draagt of een hoofddoek, zolang de uiterlijke vormen je niet zodanig in hun greep houden dat je daarmee geïndoctrineerd, egoïstisch, kleinzielig of op automatische piloot door het leven gaat, zit je met onschuldige vermommingen. Misschien ga je als zelfstandig denkende volwassene het onnozele inzien van heel wat van zulke gemeenschappelijke gewoonten; genoeg om er afstand van te nemen en je eigen koers te varen. Tant pis als een dergelijk blijken van intelligentie je door de clan kwalijk wordt genomen. Juist om die reden is het goed dat geen enkele omstandigheid, geen enkele gemeenschap, ja niemand je kan beletten onzichtbaar stil te staan bij het leven zelf.

 

 

 

 

 

 

 

 

maandag 18 mei 2020

Meer is in ons


Over ‘De kus van Dabrowski - Chris Van Camp’





Boeken die me bij m’n nekvel pakken, doordat ze me bij ’t lezen het gevoel geven dat ze over mij gaan, worden door mij meermaals ter hand genomen. Zo heb ik dit voorgehad met het werk van H. Miller, Y. Mishima, J. Tanizaki, A. Moravia, M. Kundera, L-F. Céline, - schrijvers van wie, hoewel ze zeer van mij verschillen en in een totaal andere wereld leven, hun proza me al zo bekend is dat ik het ondertussen wel voor gezien houd. Na lezing van Chris Van Camps autobiografische notities De kus van Dabrowski legde ik dit werk met hetzelfde voornemen binnen handbereik. Haar boek ‘deed’ me wat. Hierbij wil ik het niet hebben over het feit dat een fragment me zo diep ontroerde dat er tranen aan te pas kwamen (wat me bij het lezen zelden overkomt) of verscheidene keren verleid werd tot een spontane glimlach. Er is meer. Dit ‘meer’ zie ik in de inhoudelijke tussenkomst van Dabrowski, aan wie Van Camp in haar titel refereert, in de eerlijkheid waarmee zij haar observaties als levensecht beschrijft en analyseert, maar vooral in het liefdevolle mededogen waarmee zij haar uitgetekende portretten de revue laat passeren.
Laat ik beginnen bij het eerste hoofdstuk. In plaats van kennis te maken met het begin van een verhaal, had ik meteen de verrassende indruk of er voor mijn neus een legpuzzel met duizend stukjes op tafel werd gegooid. En wat doe je met die kleine dingetjes? Je stelt ze geduldig samen, wat in dit geval aanvankelijk behoorlijk wat inspanning vergde, temeer daar Van Camp het verleden zonder enige chronologie en met enkel een lege alinea als overgang naar het heden voortdurend door elkaar laat lopen. Daarnaast gaat zij erg introspectief te werk, waardoor haar nochtans rake beschrijvingen van mensen, gebeurtenissen, leefwerelden je bij details vasthouden die het soms moeilijk maken de stukjes direct binnen een juiste context te plaatsen. Tenminste, zo verging het mij. Bij het eerste stukje dat ik beetpakte, werd ik meteen geconfronteerd met de kleuren van woede en opstandigheid zonder dat daarop een direct antwoord wordt gegeven, zodat je je afvraagt waar die vandaan komen. Met het vorderen van de puzzel komt echter langzaamaan een totaalbeeld tot stand. Terwijl de schrijfster haar stervende moeder tijdens ‘r laatste dagen bijstaat, beleeft zij opnieuw haar jeugd en de vele pijnpunten van hun moeilijke relatie: het hoofdthema. Naast rake beschrijvingen van de mensen in haar omgeving, bevat de legpuzzel eveneens tal van vintagebeelden van het familiale, kleinsteedse buitenleven met de hierbij horende plaatselijke toestanden waarin zij is opgegroeid; zeer herkenbaar, vaak hilarisch ook voor al wie ooit met gelijkaardige gebeurtenissen uit de jaren 70 te maken heeft gehad.
Zoals het bij een legpuzzel past, heb ik er geduldig mijn tijd voor genomen. Dit kwam deels omdat ik me in dezelfde periode, om de elegante Franse taal wat machtiger te worden, met mondjesmaat aan L’ étranger van Albert Camus (verschenen in 1942) had gewaagd. Ik weet niet of het komt door die gelijktijdigheid: mij trof een zo merkwaardig verband tussen de inhoudelijkheid van beide boeken, dat het me bijna voorkomt of dit geen toeval kon zijn.
In L’ étranger staat het hoofdpersonage terecht voor moord, gepleegd terwijl hij in z’n eentje onder de verschroeiende Algerijnse zon langs het strand loopt en daardoor in een verdwaasde toestand raakt, met als gevolg dat hij vier kogels afvuurt op een Arabier die zijn vriend tijdens een eerdere wandel, diezelfde dag en langs datzelfde strand, met een mes had verwond. In de rechtszaal wordt hij echter zwaarder dan op deze daad afgerekend. Aan de hand van allerlei bijkomstige feiten, zoals de teraardebestelling van zijn moeder enkele dagen tevoren, waarbij hij ten gevolge van vermoeidheid en als zwijgzaam type door zijn houding bij de rouwende aanwezigen van onverschilligheid zou hebben getuigd, wordt vooral zijn gebrek aan moraal op de rooster gelegd. Nog andere bezwarende feiten die hem in de ogen van de openbare aanklager en de jury beschrijven als een ‘onmens’ die de doodstraf verdient, zijn onder meer zijn toevallige kennismaking en afspraak met een jonge vrouw, met wie hij, zonder enige rouwperiode in acht te nemen, de volgende dag al uit zwemmen gaat en een bioscoop bezoekt voor een komische film met Fernandel. Verder is de man wiens vuurwapen hij heeft gebruikt een pooier met wie hij vriendschappelijk omgaat. Als het na de pleidooien de beklaagde wordt toegestaan om zelf het laatste woord te nemen en daarbij, zoals het hof van hem verwacht, verzachting had kunnen inroepen door van zogenaamde oprechte spijt te getuigen, doet hij er ongewild nog een schepje bovenop. In alle eerlijkheid herhaalt hij dat de langdurige hitte van de zon boven het strand en de zee zijn hoofd danig in verwarring had gebracht, - een verklaring die in de rechtszaal met hoongelach wordt onthaald.
De beschuldigde houdt van het leven. Dit wordt met grote gevoeligheid gesuggereerd door de manier waarop hij later, wachtend op zijn executie, oor heeft voor de sfeervolle stadsgeluiden achter de tralies terwijl hij ‘s avonds naar buiten kijkt, naar de kleurenpracht in de lucht boven de zee en het mediterrane landschap. Desondanks ziet hij er geen heil in als hem op de valreep alsnog gratie wordt verleend. Alleen de dood geeft zin aan zijn leven, - niet het feit dat het met pakweg twintig jaar zou verlengd worden. Als je dood bent doet niets er nog toe. Hoe een mens zich ook inspant voor eer, geld, wijsheid, roem, kennis; hij kan niets bereiken of bekomen. Dus houdt de veroordeelde zich aan de essentie en kijkt niet verder dan de laatste stappen onderweg. Ik denk dat het Camus bij het schrijven van dit boek om deze bittere waarheid, die voor iedereen geldt, te doen was. Wij zijn allemaal veroordeeld. Enkel het bewustzijn dat elke stap ons dichter brengt naar het schavot, maakt die stap doorleefder. Desondanks wil ik, zoals de meeste mensen graag tegen deze redenering ingaan. Het leven is al kort genoeg. Het is mooi voor wie erin slaagt tevreden te zijn met zijn lot. En voor zover we weten, is dit leven ook het enige. Reden om het lot dankbaar te zijn voor elk uitstel van executie.
Een andere, ook vaak ontkende waarheid, is dat elke persoonlijkheid uit meerdere lagen bestaat. Je zou het als een verrijking kunnen beschouwen dat je, meegesleurd en beïnvloed door dagelijkse gebeurtenissen, de ene dag zus bent, een kwartier later zo. Maar bang door sommige van die aspecten in verlegenheid of ongunstig daglicht te worden geplaatst, wordt de voorkeur gegeven aan een gepolijste buitenkant, wat het mogelijk maakt van zichzelf of de ander een psychologisch portret op te hangen, zoals dat gebeurt met een foto binnen een lijstje aan de muur. Zo krijgt elk individu te maken met conventionele gedragspatronen die, ter wille van een vlotter sociaal contact ook, evengoed van hem worden verwacht als hij van de ander.
Hoe dit soort van immateriële aankleding eruitziet, wordt door de samenleving zelf bepaald. Doordat zij afhangt van plaats, tijd, cultuur, is zij veranderlijk, - om niet te zeggen dat zij zelfs hier beantwoordt aan modebeelden. Een halve eeuw geleden werden de heersende gedragspatronen veelal nog ingegeven door religie en traditie. Gehersenspoeld door de consumptiemaatschappij lijkt onze buitenkant vandaag minder fatsoenlijk dan voorheen. Mensen baseren zich hoe langer hoe meer op het burgerlijke wetboek met al zijn achterpoortjes. Zolang je je belastingen betaalt, je je niet bezondigt aan valsheid in geschrifte, niet zonder vergunning met een vuurwapen rondloopt, op je hoede blijft voor ‘pooiers’ of ander crapuul, je geen plastic bij het tuinafval gooit, wordt je zakelijk veel succes toegewenst: een stimulans om in het bezit te komen van een leugenachtig, door ijdelheid ingegeven prestige door meer geld en goederen te verwerven dan men ter wille van een behoorlijk levensonderhoud nodig heeft.
Ook in De kus van Dabrowski vormen die verborgen lagen het hoofdthema. De nood om hiervoor uit te komen, laat zich vanzelfsprekend sterker gevoelen in familieverband dan in het openbaar tegenover vreemden. Want als een moeder en haar dochter elkaar de waarheid niet durven zeggen, wie dan wel? Hier zit de moeilijkheid vooral in het feit dat zij beiden tot een andere generatie behoren en beiden opgezadeld zitten met verwachtingspatronen waaraan zij voor zichzelf of de ander niet kunnen voldoen. Het kind en jongmeisje dat alles in het werk stelt om de moeder te behagen, krijgt een vreselijke knauw als het erachter komt dat zij binnen het huwelijk van haar moeder een bastaard is; een facet waarvoor de moeder, mede door haar jarenlange buitenechtelijke relatie, door de dochter ter verantwoording wordt geroepen, maar waarvoor ze, bang door haar kleinsteedse omgeving van toen te worden veroordeeld, niet durft uitkomen.
De beschuldigde in L’ étranger is een gesloten persoonlijkheid. Of hij met angstgevoelens had af te rekenen, of hij naïef was of zo principieel voor de waarheid kiest om liever nog alle schepen achter zich te verbranden, dan zich voor zijn daad te verontschuldigen, wordt nergens gezegd. Wat wel duidelijk wordt, is wat er gebeurt als je je niet volgens het boekje gedraagt: je wordt uit de maatschappij gestoten. De beschuldigde wordt ‘de vreemdeling’ waarop de titel alludeert.
Deze angst om alleen te komen staan, behoort tot de belangrijkste menselijke drijfveren. Wellicht is hij de voornaamste oorzaak van hypocrisie, - iets waarmee de dochter in haar grote honger en dorst naar puurheid, te meer daar het om haar moeder gaat, zich onmogelijk kan verzoenen.
Niet enkel heeft een mens vele lagen; enerzijds geïnspireerd door aanstekelijke voorbeelden, anderzijds uit op het behoud van zijn vertrouwde persoonlijkheid, lijkt hij vaak een vat vol tegenstrijdigheden. Literatuur kan aan het dromen of aan het denken zetten. Zij kan maken dat je jezelf vragen stelt over alles wat misleidend, want al te gewoon, vanzelfsprekend en conventioneel schijnt. Precies zoals de moeder via boeken als M. Yourcenars Het hermetisch zwart, gevoed door hogere verwachtingen, aan de dagelijkse banaliteit probeerde te ontsnappen, treft mij het vuur waarmee de schrijfster zich als kind identificeerde met de Carmen van Bizet, - een literair icoon van onschuld en onvoorwaardelijke puurheid dat in een wereld waarin voortdurend compromissen worden gesloten, niet lang vol te houden is. Of je gaat eraan dood, zoals Gustave Flauberts heldin Madame Bovary van wie de schrijfster op latere leeftijd al even vervuld raakte. Dit had haar moeder dan weer goed begrepen: tegenstrijdigheden kunnen leiden tot zelfdestructie. Haar kind was in alles opvallend buitensporig. Vandaar haar bezorgdheid en de gespannen relatie tussen beiden.
Veel wordt de dochter duidelijk als zij bij het opruimen van haar moeders bibliotheek Kazimierz Dabrowski ontdekt en erachter komt dat diens boek ‘over positieve integratie’ ook speciaal voor haar leek geschreven. De lezer krijgt plotseling rechte lijnen en hoeken in handen waardoor de puzzel in zijn geheel op overzichtelijker wijze wordt omkaderd en in elkaar gepast. Dank zij deze Poolse psycholoog gaat de dochter inzien dat al die strijd tussen haar en haar moeder eigenlijk niet echt nodig was. Dit eenvoudige zinnetje: Wij zijn niet gewoon wie we zijn, we zijn ook wie we kunnen worden, beschouw ik als de sleutel tot haar boek. Het betekent dat we onze tekortkomingen niet moeten beoordelen, maar veeleer zien als mislukte pogingen om een beter mens te worden, of een mens met een rijkere persoonlijkheid dan jan met de pet in ons vermoedt. Uit Van Camps proza kan men afleiden dat Dabrowski’s leerstellingen er voornamelijk uit bestaan om die zogenaamde tekortkomingen in onszelf en de ander, eerder dan ze af te wijzen en te bestrijden, in te zien en op positieve wijze los te laten, waardoor de daaruit ontstane conflicten zich vanzelf oplossen. Niet veroordelen, maar begrijpen: daar komt de hele kwestie op neer. Want wij zijn niet gewoon wie we zijn, we zijn ook wie we NIET willen worden. Alle mogelijkheden liggen voor ons open.
Om te begrijpen is het nodig dat men ziet, of beter: inziet. Wie op automatische piloot door het leven gaat, kan de vinger niet op de wonde leggen. Daarmee kom ik terug op onze weg naar het schavot. De ter dood veroordeelde laat geen moment meer aan zijn aandacht ontsnappen. Hij ziet en bij de volgende stap maakt hij zich los van wat hij eerder gezien heeft. Hij onderkent een duidelijk onderscheid tussen de onomstotelijke waarheid van het heden en zijn door persoonlijke of collectieve verbeelding ingegeven projecties en verlangens, waaraan de valbijl voorgoed een einde stelt. Dit inzicht heeft niets van doen met enig groei- of wordingsproces. Men ziet of men is blind. Er bestaat geen tussenweg. Of ik erin slaag ooit de taal van Rimbaud en Baudelaire onder de knie te krijgen, hangt af van factoren buiten mijn wil. Uiteindelijk zal het ook van bijkomstig belang blijken. Met het hoofd onder een valbijl kan men immers niets bekomen. Geen persoonlijkheidsuitbreiding, niks om een hoge borst voor op te zetten. In het verlengde hiervan kan men beweren dat de waarheid ons veroordeelt tot een erg fatalistische wereldbeeld dat dodelijk verlamt, daar zij geen enkel toekomstperspectief biedt. Dit belet echter niemand om tegen beter weten in met een lach of een traan, zijn zelf gekozen weg te vervolgen. Wij leven, ademen, bouwen huizen, studeren, gaan uit werken, schrijven boeken omdat ons zolang gratie wordt verleend. Uiteindelijk is dit geen verdienste van ons; wel een reden om in alle bescheidenheid uit te voeren wat voor ieder van ons is weggelegd: een gevolg van gehoor geven aan de roep van je diepste aard, ondanks het onbekende lot en je beperkte tijd op aarde. Van zijn beelden zei Michelangelo dat ze al in het marmer vervat zaten. Hij diende enkel de overtollige steen weg te hakken. Schrijfster Chris Van Camp heeft met grote aandacht en gevoeligheid geluisterd naar wat in onze contreien leeft en beweegt, naar wat er tussen de mensen gaande is. Onverschrokken heeft zij op haar taal ingehakt. Zo diep en kundig dat de betrokkenheid bij het afscheid van haar moeder wordt uitgetild tot een universeel gegeven.

Robert Baeken - Antwerpen, 17 mei 2020

Fragment uit OORLOGSLANDSCHAPPEN Een kroniek

Persbericht: Op 19 december 1915 werd een oude vrouw onwel nadat ze voor het magazijn van het HVC (hulp-voedsel-comité) in de Renier Sniedersstraat uren in de rij had staan wachten in de bittere kou. Binnengedragen in een herberg overleed ze enkele uren later.
Het vervolg ervan werd in deze historische roman aldus verwerkt:

Hoor, ik sla alweer een deeltje van ’t verhaal over. Luisterende mensen hebben er immers geen boodschap aan te vernemen dat ik drie keer tegen het loketvenster diende te tokken aleer die non mij, door haar kap op te richten, enige aandacht schonk. Want in dit leven gaat het toch om de essentie, - de bedoeling achter alles, - nietwaar? Mij persoonlijk ging het om die éne, ondertussen hoe langer hoe belangrijker geworden vraag. Onder stijgende spanning kwam ik ermee op de proppen. Gewoon omdat ik met die oude vrouw te doen had. Uit medeleven. Eerlijk waar. ‘Hoe gaat het met de weduwe Marie Ceulemans?’
   ‘Wie, zeg je?’
   ‘De vrouw is hier twee uur geleden binnengebracht. Ceulemans Marie!’
   ‘Het spijt me, mijnheer. Een kwartier geleden is zij aan uitputting bezweken. Ben jij haar zoon?’
   Aan uitputting bezweken. Het klonk niet eens een octaaf hoger. Door de vraag of ik haar zoon was, won het moment ietwat aan tragiek, dat zeker. Niettemin had dit kurkdroge vernemen van het abrupte levenseinde van deze vrouw me gechoqueerd. Mijn gevoel zei me dat het anders moest. Plechtiger. Als je zo ‘n uitspraak in een filmzaal hoorde, zou van de pianist die de gebeurtenissen op het witte doek begeleidt, bij deze uitzonderlijke gelegenheid geëist worden ferm uit de hoek te komen door datzelfde moment de toetsen loodzwaar aan te slaan. Maar in het dagelijkse leven zit er natuurlijk nooit een man achter zijn piano op het gebeuren toe te kijken. Deze non ziet de dood dagelijks in de ogen. De grootste ramp wordt je door haar eenvoudigweg medegedeeld: haar toon vergelijkbaar met die van een treinconducteur in een station. Ook deze man beperkt zijn uitleg tot het perronnummer en tegen welk uur de reiziger zich daarheen moet begeven. Wat een mens ook overkomt, er is zelden - ik gebruik eventjes een term die voor de oorlog in zwang begon te raken - ‘psychologische’ begeleiding. Bij het gewone volk wordt alles recht voor de raap gezegd, ook al kan het, zoals met het weergalmende wapengekletter om ons heen wel vaker te horen is, soms wel eens om een iets dramatischere toonaard gaan; bijvoorbeeld als aan een lange rij van uitgehongerden wordt medegedeeld dat de voedselvoorraad niet eerder dan volgende week zal worden aangevuld.
   Toevallig was daar de komst van de dochter. En die bracht mijn verhaal, waarop ik zoals die teleurgestelde bioscoopbezoeker tot dan geduldig had zitten wachten, onverwachts nog tot een bevredigend einde. Achter mijn rug hoorde ik haar onbeheerst huilend de trappen afstormen. Verbaasd keerde ik me om. Jammer, er waren geen omstaanders. Als zij hiervan getuige waren geweest, hadden zij met een bevrijdend gebaar eindelijk hun zakdoek kunnen bovenhalen!
   Volgens haar reactie had de dochter me herkend als één van de barmhartige Samaritanen. Zich geen raad wetend met haar verdriet, stortte zij zich met haar van huilen verkrampte gezicht tegen me aan, zodat ik geen keuze had dan tegemoetkomen aan wat een normaal mens als zij onder dergelijke omstandigheden van een ander normaal mens als ik mocht verwachten: zachtjes mijn armen omheen haar schouders slaan om dat lijdende lijf een tijdlang troostvol te wiegen.
   Vele kijkers zouden hierna voldaan zijn, hun snotzakdoek opbergen en tevreden naar huis keren bij de gedachte dat dit leven ondanks alle tragiek waarin zij zich tijdelijk hebben ingeleefd, - ja, eigenlijk juist daardoor, - toch wel de moeite waard is. Tot een volgende keer zouden zij weer gewapend zijn om de dagelijkse banaliteiten van zichzelf en hun naasten erbij te nemen, te verduren, te overleven. Meestal blijven er ook altijd enkele toeschouwers zolang zitten tot het doek voor hun neus dichtschuift. Zo konden zij nog juist zien wat er gebeurde toen ik een einde maakte aan de omhelzing door de jonge vrouw met beide handen bij de schouders te pakken. Tot de laatste snik konden zij horen wat ik in haar gezicht zei. Hoewel mijn woorden ver van dramatisch klonken, lag hun betekenis uiterst gevoelig. Ik vroeg haar naam.
   ‘Ria!’ Het klonk als een uitnodiging, als het begin van een nieuw verhaal waarvoor heel wat belangstellenden volgend jaar, of misschien zelfs volgende week al, in het vooruitzicht een heerlijke avond met dezelfde personages weg te dromen, tegen betaling zouden terugkomen. Helaas is alles op het witte doek fantasie! Er bestond nog lang geen vervolg. Ria en ik waren hier alleen. Niemand kon ons horen. Niet de non achter mijn rug. Niet soldaat Johann die een eindje verder met gestrekte armen geeuwend uit zijn dutje ontwaakte.
Synopsis

Oktober 1914. Op een klein stukje na is België volledig door het Duitse leger onder de voet gelopen. Turnhout, een provinciestad grenzend aan het neutrale Nederland, wordt een verzamelplaats van vluchtelingen. Met behulp van plaatselijke gidsen proberen zij de door Duitse wachtposten streng bewaakte grens over te steken. Onder hen duizenden kandidaat-soldaten om zich bij het geallieerde leger te voegen. Voor hen organiseerde de Franse verpleegster Fanny Aubergé, voorzitster van de plaatselijke Rode Kruisafdeling, menige wijkplaats. Tot ze werd verraden door de op haar medewerkster verliefde conciërge. Bezijden dergelijke in de roman verwerkte historische gegevens, hecht de auteur evenveel belang aan meer alledaagse gebeurtenissen; zoals de inkwartiering van Duitse soldaten bij burgers of de collaboratie van een aantal activisten, met Vlaams zelfbestuur als doel. Tegen de achtergrond van Duitse overheersing wordt een waarheidsgetrouw, gedetailleerd, levensecht beeld geschetst rond het moreel en de mentaliteit van de uitgehongerde bevolking, het sociale weefsel en de politieke mechanismen die de historische context vastleggen. De bede van een zwanger meisje aan een frontsoldaat om zijn vaderschap te legitimeren, met de aan zichzelf opgelegde opdracht van de protagonist Janus Duprez om haar brief persoonlijk over de grens te smokkelen, vormt één van de vele bijna kafkaiaanse rode draden in de dichte samenhang.

   Een oorlogsroman zonder de gebruikelijke heldendaden. Slechts te horen zijn vier noodlottige schoten. Het historisch decor van de Grote oorlog bevat zoveel meer dan de beschrijving van haar gruwelen.

woensdag 25 april 2018

Lezing uit SCHOPPENVROUW in de bibliotheek van de Warande in Turnhout op donderdag 3 mei 2018 van 14h00 tot 15h30 Kasteeldreef


Uitnodiging voor lezing

De toegang is gratis en men hoeft zich niet op voorhand in te schrijven, maar het zou voor de organisatoren van KOFFIEVERHALEN  wel makkelijk zijn te weten hoeveel koffie zij moeten opschenken.


Inschrijven kan via de website (zie reserveren dan kom je op de inschrijfpagina): https://bibliotheekturnhout.turnhout.be/koffieverhalen-schoppenvrouw--robert-baeken-2

zondag 11 maart 2018

Beknopte bio


Bibliografie  Robert Baeken  (Turnhout 1943) - Sinds 2016 woonachtig te Antwerpen

Het jaartal vermeldt de definitieve vorm:
1969     De avond dwaalt tussen de bomen                           Poëzie
1972     De gedichten van vervulling                                     Poëzie          De Galge
1975      Het verzoek                                                               Novelle (1)    De Galge
1976      Baälbek                                                                      Poëzie
1976      De heilige koe & andere natuurlijke historiën       Poëzie
1978      De geschiedenis van Ty                                             Roman (2)
1980      Van liefde en ondeugd                                               Roman  (3)   Bruna &Zoon
2022      Portret van de aardbeienplukster als jonge vrouw  Roman (4) Aspekt                

1982       Regenwouden                                                           Poëzie

1986      Verzuchtingen                                                               Roman (5)    Nioba
1989      Namiddag van een faun                                               Roman (6)  Kingkong books
1992      Robinson zonder eiland                                               Roman (7)
2022      De trap                                                                           Roman (8)      Brave New Books
              De trap                                                                           Filmscript
2023      Parijs, de beesten                                                          Roman (9)
1995      Leonard en ik                                                                Biografie      Boekscout
1023     Twee hoofden                                                                 Roman (10)
1996      Hemelvaart, hellevaart                                                 Toneel
1997      De afwezigheid                                                               Roman (11)  Kingkong books
1998      Koebik                                                                             Roman  (12)
2002      Het aanschijn                                                                  Roman (13)   
2008      Het zwijgen spreekt                                                        Roman (14)  Boekscout
2008       Jongeman stapt wijde wereld in                                   Roman (15)
2009      Het verdriet van Turnhout                                             Roman (16)  Hist. Druk Turnh        
2009       Schoppen vrouw                                                             Roman (17)  Brave new books
2012       De kunst van tango                                                         Essay            Boekscout
2017      Wijkende verten                                                               Essays         Brave new books
2019       De zwarte weduwe                                                          Hist. roman (18)

2020      Oorlogslandschappen, een kroniek                                Hist. roman (19)

2021    Het gevaar loert in Mombasa                            Roman (20) Uitgeverij Aspekt

20 21      De heksenjacht                                                                  Roman (21)         

Persreacties:
‘Sociologisch erg belangrijk. Er wordt een diepere schets gegeven van het hedendaagse karakter: mensen oriënteren zich duidelijker dan ooit op de attitudes van de anderen.’
LEO GEERTS

‘Met Robert Baeken zijn wij een uitstekend romanschrijver rijker geworden. Van zijn werk gaat een zachte maar onweerstaanbare bekoring uit. Er stijgt een toon uit op van rijke menselijkheid, kenmerkend voor verhalen waarin het gaat om mensen die met innerlijke problemen bezig zijn, die hun emoties proberen te ontleden, die op een soort van anti-intellectuele manier intellectueel zijn. De auteur peilt trefzeker naar het innerlijke leven van zijn personages.’
PIET VAN AKEN

‘Van de eerste bladzijde af wordt men getroffen door de opmerkelijke vormbeheersing. De auteur is bovendien een fijne psycholoog die zijn hoofdfiguur van zeer nabij benadert en ook enkele andere personages sterk portretteert. Baeken gebruikt een literaire taal die volledig beantwoord aan haar functie. Wat er in hem omgaat, weet hij met grote en subtiele preciesheid te verwoorden.’
REMI VAN DE MOORTEL

‘Robert Baekens roman levert hem een plaats op het eerste plan van de Vlaamse literatuur op.’
JOS BORRE

‘De schrijver getuigt van een grote, realistische mensenkennis en weet te boeien. Knappe roman!’
R. VAN DUN

‘Baeken is er in geslaagd vier totaal verschillende figuren neer te zetten en die heel behoorlijk uit te tekenen. Ze gaan de lezer interesseren. De roman is knap opgezet, in een vloeiende literaire taal geschreven. Het is veel méér geworden dan louter ontspanningsliteratuur, waarvan het op het eerste gezicht de schijn heeft. De vraag rees bij ons waar de Vlaamse uitgeverijen gebleven zijn, want de roman mag er zijn.’
CHRIS DEWITTE  Radio 3 -woord

In combinatie met zijn scherp psychologisch inzicht en diepe kijk op menselijke verhoudingen levert dit ontroerende en levensechte verhalen op.'
ESTHER GASSELING
                                                                                                        

R. Baeken beschrijft de wisselende relaties van verwantschap, vriendschap en liefde tussen die personages gedurende de periode van één jaar. En hij zorgt ervoor dat de gebeurtenissen die elkaar opvolgen hem in staat stellen de verschillende aspecten van de complexe man-vrouw verhouding te belichten. Zonder te vervallen in diepzinnig gefilosofeer, romantisch geleuter of moraliserend bordjes plaatsen met ‘verboden te...’ op, heeft B. een verhaal van liefde en ondeugd geschreven met veel verrassende wendingen en met een zeer grote structuur-beheersing. De verschillende draden die de personages onderling verbinden raken nergens verward in een ondoorzichtig psychologisch kluwen. En dat is voor een debuut een niet geringe verdienste. 

Prof. JORIS GERITS in STREVEN - Vlaamse editie jaargang 49 DBNL



Robert Baeken  is een man met vele passies, waaronder het leven, de liefde, het schrijverschap en de Argentijnse tango. ( https://simonayrobertotango.blogspot.com )
Hij kreeg een technisch wetenschappelijke opleiding. In 1964, na lezing van Henry Millers Black spring  besloot hij om schrijver te worden. Terwijl hij voor de kost als technisch tekenaar in de metallurgie actief was, ging er geen dag voorbij zonder dat hij trouw bleef aan zijn roeping. Pas in 1980 debuteerde hij met Van Liefde en ondeugd, een psychologische roman die zeer gunstig werd onthaald, zowel in de pers als op radio en tv. Onder meer wijlen Leo Geerts en Piet Van Aken wijdden er een uitvoerig artikel aan.
Daarna schreef Baeken nog 22 romans waarvan er 9 werden gepubliceerd. Om zich nog meer aan de literatuur te wijden werkte hij vanaf 1996 deeltijds. Het gebrek aan succes heeft hem nooit belet eigenzinnig aan zijn weg te timmeren.  Zo schreef hij gestadig een divers oeuvre bijeen.
Als autodidact bekommert hij zich vooral om een oorspronkelijke stijl, met een zeer directe en eenvoudige zegging. Zijn visie bestaat eruit om een verhaal nooit de eigen wil op te dringen. Vandaar durft hij de nodige risico’s te nemen door erop te vertrouwen dat het zuivere, spontane gevoel en de irrationele, onbewuste krachten in hem, zijn roman naar een juiste vormgeving zullen leiden.