zaterdag 27 september 2025

DE AFWEZIGHEID © Robert Baeken 2024 FEUILLETON - Hoofdstuk 1: De zending

                                                                                                                     1 - DE ZENDING

 Ik ben alleen. Mijn eenzaamheid is een gruwelijke ziekte. En elke ziekte is een straf van God. Vandaag is de Heer mild voor mij. Hij heeft een belofte gedaan. En voor één keer voel ik geen last of pijn. Vanmorgen, toen ik opstond en door het raam keek naar mijn verlaten landerijen, schonk Hij me de heldere gedachte dat ik mijn zwangerschapskussentje om moest knopen en de eerste de beste trein nemen. Vermits er in ons dorp geen treinen rijden, nam ik de bus.
   Daarom ben ik nu vol vertrouwen op weg naar het Antwerps Centraal Station waar de Heer mij verder de weg zal wijzen. Het is een heerlijke dag. Het zonnetje schijnt, wat het makkelijker maakt anderen, zoals Josephine die naast mij kwam zitten, te doen geloven dat ik op weg ben voor een uitstapje.
   Josephine is een gewezen buurvrouw. Jarenlang was zij mijn beste vriendin. Daardoor weet ik alles over haar. Zij heeft een zoontje met een horrelvoet dat Robbie heet. Over haar vent kan ik nog meer kwijt. Hij zit de hele dag in een rijdend machientje greppels te graven voor rioleringswerken. Als hij thuiskomt, verdwijnt hij tot het donker op zijn duivenkot. Zit ‘r stiekem aan de jenever. Zal ik het vertellen? Toen hij zijn hok schoonmaakte, telde ik minstens vijf kruiwagens lege kruiken en evenveel kartonnen dozen met boekjes vol smerige foto’s.
   Dat Josephine niks heeft aan haar vent heb ik als vrouw meer dan me lief was aan de lijve ondervonden. Bij deze hoor ik de mensen al komen met hun vragen, met hun ongezonde nieuwsgierigheid: maar hier durf ik niemand een woord over zeggen; hier schaam ik me als christen mens nog altijd voor.
   Soms zie ik Josephine nog eens in de supermarkt; dan praat zij honderduit over koetjes en kalfjes, alsof er nooit iets verandert, alsof mijn vader en moeder niet gestorven zijn en ik nog steeds in de Kerkstraat woon.
   Nu ik vervuld ben van Gods goedheid, heb ik voor één keer liever geen gezelschap. Maar bij de eerste halte stapte Josephine in en kwam, hoewel er plaats genoeg was, prompt naast mij zitten. Dat zij zoveel praat, zou me niet zo hinderen. Maar soms stelt zij ook lastige vragen.
   Eerst over mijn zwangerschap. Gelukkig had ik mijn voorbereidingen goed getroffen. Ik heb mijn dikste kussen aan, zodat ik haar kan vertellen dat ik op het einde van de achtste maand ben, wat nauwkeurig klopt met eerdere verklaringen aan buurmensen in de supermarkt. Jezus, het lijkt wel of de supermarkt nog de enige plaats is waar ik mensen ontmoet. In de kerk word ik ook wel gezien, maar omdat mij hier altijd het gevoel bekruipt dat ik me als ongehuwde voor mijn toestand aan de andere gelovigen moet verantwoorden, spoed ik me na de dienst als de bliksem naar huis.
   In de supermarkt weten zij er meer van. Bijvoorbeeld dat de vader Nelson heet, en dat hij zelden naar huis komt omdat hij een zeebonk is en onder Panamese vlag op de lijn Tokio zit. Daarom verbaast het me dat ik dit alles nog eens aan Josephine moet uitleggen. Ik heb de indruk dat ze mijn verhaal niet gelooft. Jammer, voor het bestaan van Nelson heb ik geen ander bewijs dan mijn zwangerschap. Zijn foto in mijn handtas is onbruikbaar, omdat hij erop staat met twee geisha’s: een sjiek woord van ginds voor bloedmooie danseressen. Dat doet ie om me te pesten. Bovendien is de foto niet ondertekend met zijn welluidende voornaam. ‘With love from Bekker,’ schreef hij. Ik gruw van die naam. Bekker staat voor ruwheid, voor vloeken en godslasteringen, voor zijn kale kop, voor de vreselijke tatoeages op zijn kolossale, gespierde bovenlijf, voor de dichtgeschroeide vlekjes afkomstig van sigarettenpeuken die hij op mijn handrug uitdooft.
   Door mijn hand te bedekken, trek ik juist Josephines aandacht. Zij vraagt of ik misschien een ongelukje heb gehad, wat ik zonder enige verklaring beaam. Er valt een hinderlijke stilte. Ik voorspel dat de volgende vraag zal te maken heeft met het doel van mijn reis en besluit haar met geveinsde nieuwsgierigheid een stapje voor te zijn.
   ‘Albertine ligt in de Eeuwfeestkliniek,’ antwoordt ze. ‘Je kent haar toch?’
   ‘Die ongetrouwde tante? Wat is er met haar?’ Ik ben helemaal opgelucht, want die kliniek is gevestigd in Berchem, ver van het Centraal Station.
   ‘Zij heeft hooguit nog drie dagen!’
   Hierna moet ik weer aan Gerda denken, een andere gewezen buurvrouw, en hoe zij me kort na de terminale ziekte van mijn ouders, twee jaar geleden, een sneer gaf. Ik stond met mijn boodschappenwagen op de parking van de supermarkt en nadat wij wat nieuwtjes hadden uitgewisseld, maakte zij een ongepaste opmerking over de enorme nalatenschap die mij als enig kind te beurt zou vallen. Ik voelde me in een vies hoekje gedrongen. Verweerde me met de opmerking dat mijn ouders inderdaad veel land bezaten, maar verder niet zo rijk waren als in het dorp werd aangenomen.
   Er kwam iets in haar ogen alsof ik voor geld mijn eigen vader en moeder naar de andere wereld had geholpen. ‘Ik hoop dat je in je geld stikt!’ riep ze, met haar boodschappen weghollend.
   Nu weet ik wel dat Josephine daar geen schuld aan heeft. Maar zij behoort tot dezelfde kliek, en daarom kan ik niet aan de drang weerstaan om haar op mijn beurt de volle laag te geven. Met een gevoel van triomf mep ik haar mijn venijnigste woorden in ‘t gezicht: ‘Spoed je gauw naar je tante! Misschien moet zij haar testament nog maken! Smeer een pot honing uit over haar sterfbed! Voor mijn part kietel je haar dood!’
   En nu zit Josephine op de voorste rij tegen dat oud mens van een Truus Verstappen haar beklag te doen, met gebogen hoofd en schokkende schouders, alsof ze over een hobbelige kasseiweg rijdt. Ik moet er hard om lachen. En als die onnozele Truus haar kop draait om me beschuldigend aan te kijken, steek ik flink mijn tong uit. Nee, ik wil niks meer met die van het dorp te maken hebben! Mijn inkopen doe ik voortaan bij Waegemans, het buurtwinkeltje.
   Behalve aan Gods goedheid denk ik ook aan Nelson - de brave Nelson - als hij ontwaakt is uit zijn dutje na het vrijen en op het bankje gaat zitten, uitkijkend op het achtererf. Of hij begint weer een halfuur lang tegen zichzelf te praten, of hij staart de hele tijd levenloos voor zich uit. Als hij zijn laatste sigaret met een draaiende hiel heeft uitgedoofd, staat hij zwijgend op, pakt een bijl en begint de hele houtvoorraad met venijnige slagen in klompen te hakken. Een andere keer blijft hij zitten en vraagt me met zijn blik naar een eindeloze verte ten huwelijk. Als hij niet zo ‘n woeste duivel was, zou ik hem graag willen. Maar ik zou wel gek wezen! Eenmaal getrouwd klieft Bekker zo mijn kop. Want natuurlijk heeft hij het op mijn landerijen staan.
   Bij het uitstappen op de Rooseveltplaats gebeurt weer wat. Ik loop over het trottoir onder de bomen en ineens tikt daar iemand op mijn schouder: Josephine, met een rode neus en natte ogen.
   ‘Marthe,’ zegt ze, in plaats van Machteld. ‘Marthe, het spijt me!’ Ik hoor een beekje vol afvloeiend zelfverwijt.
   Mijn gedachten dwalen af naar de onbegrijpelijke woorden van God de Zoon die na een klets op zijn linkerwang ook de rechter aanbiedt. Ik vind haar ronduit lachwekkend. ‘Och, laat maar zitten,’ zeg ik. Maar dat mens weet van geen ophouden.
   In één adem gaat ze door. ‘Ik had rekening moeten houden met je toestand! En als ik in september weer eens vrij heb, kom ik jou en je kind wel bezoeken op de boerderij. Stuur me een kaartje en ik breng een leuk geschenk mee!’
   Deze spontane opwelling van medeleven laat me niet onverschillig. Als bij wonder voel ik me echt zwanger. Ik bedank haar en zeg met een van ontroering bevende stem dat ik altijd koekjes in huis heb en lekkere koffie voor haar zou zetten. Wij staan elkaar wat in de weg met onze heftige gevoelens. Dus houd ik het kort. Na een kneepje van verstandhouding, eerst bedoeld als een stevige handdruk, waarbij we slechts elkanders vingertoppen raken, haast ik me om het plein over te steken.
   De gedachte dat het de eerste keer is dat ik in al die eenzame jaren iemand op visite zou krijgen, verblijdt me nog een poosje. Maar gaandeweg besef ik de draagwijdte van mijn uitnodiging en krijg ik spijt. Diep in gedachten verscheur ik alle toekomstige geboorteaankondigingen voor jongen of meisje, stamp ze op het erf diep in de kippenstront, maar vind het tenslotte meer afdoende om die vuiligheid weer op te rapen en in de wc door te spoelen. Als die zottin toch een bezoek zou wagen, kan ik altijd nog mijn vaders jachtgeweer van de schoorsteenmantel afhaken, de loop door het venster steken, en knal, boem, pats!
   Ondertussen loop ik door een onveilige straat met niets dan kroegen, schreeuwende lichtreclames, goktenten, frivole foto’s van danseressen in vitrinekastjes aan de muur. Ik stel me voor dat het nog veel te vroeg is, maar dat straks in het donker tal van roze lichtjes de aandacht zullen trekken op wat hier schaamteloos te koop wordt aangeboden. Bekker heeft me alles over zulke huizen verteld. Van hem heb ik vernomen dat alles wat achter deze gesloten deuren gebeurt, juist doordat God het heeft verboden, voor alle zondaars ter wereld de hemel op aarde is. Nee, je houdt het niet voor mogelijk! Ik moet me vergist hebben. Langs hier heeft de Heer mij vast niet de weg gewezen; tenzij om me duidelijk te maken dat ik straks, als ik niet langer door Josephine gehinderd naar huis keer, de Keyserlei of een andere deftige boulevard moet nemen.
   Ik moet nu aan mijn zending denken en me niet door zulke blingbling laten afleiden! Ik moet als een paard met ooglappen steeds rechtdoor lopen. Ik moet ook bidden, onophoudelijk bidden en aan de Heer vragen dat Hij me vooral vandaag niet in de steek laat. Als tegenprestatie beloof ik Hem me nooit meer door Bekker in verleiding te laten brengen.
   Na tien Onze Vaders bereik ik het station. Terwijl ik nog biddend tussen talrijke reizigers onder de indrukwekkend hoge koepel loop, treft mij op de lijst boven de bewegende roltrap naar de perrons de naam van een stad waar ik nog nooit geweest ben: Oostende! De letters branden op mijn netvlies.
   Daar de Heer me had ingegeven de eerste trein te nemen en, in de chronologische volgorde van vertrekkende treinen, dit herkenningspunt pas op de derde plaats komt, begin ik aan Zijn geheugen te twijfelen.
   Ik loop door. Wat vreemd! Als ik op het hoofdperron voor de verschillende sporen sta, zie ik daar slechts één trein: die voor Oostende. Verbaasd spoed ik me naar een meneertje met een officieel hoofddeksel op zijn eerbiedwaardige, grijze hoofd en vraag hem waar de treinen naar Leuven en Namen blijven.
   ‘Zij hebben vertraging!’
   Of het mannetje had net nu een puit in zijn keel. Of ik hoorde een zware basstem uit de hemel neerdalen. De ronde oogjes onder ’s mans hoog opgetrokken wenkbrauwen vullen zich niet minder dan de mijne met ongeloof en verbijstering. Als hij vervolgens zijn fluitje voor het vertreksein bovenhaalt, voegt Gods heerlijke, alweer van boven neerdalende bas eraan toe dat ik me als de bliksem moet haasten.
   Mijn verlamde hart springt tomeloos op, bonkt als een razend beest tegen mijn te nauwe ribbenkast. Ik slaag erin los te komen van het plaveisel. En ik ren weg: met een verhitte kop zonder hersens. Mijn onderlijf een zware zak boordevol heen en weer schokkende organen, dichtgehouden door mijn opeengeklemde lippen. De ogen veranderd in twee witte bollen, bungelend aan een loos zenuweindje, dreigen bij het neerkomen van elk geschoeid voetje op het perron uit hun kassen te worden geslingerd.
   Gefixeerd op de enige rij wagons die er staat, spring in het eerste geopende portier, neem de eerste bank en zit in trance over gans het lijf te beven. Tot het rijtuig zich glijdend in beweging zet. Mijn hand schuift in mijn zak, bevoelt de paternoster, en omdat ik alleen in de coupé zit, begin ik halfluid te bidden. De geheiligde woorden glijden weg, één na één, verdwijnen rustgevend in de stilte, zoals de kralen in mijn hand en de grijze daken van de Antwerpse huizen zijdelings van me.
   Tot Gent waar de trein voor een afgeladen perron met reizigers tot stilstand komt, loopt alles gesmeerd. Maar nu voorzie ik moeilijkheden. Ik laat mijn paternoster op de bodem van mijn zak vallen en houd mijn mond. Drie jonge snaken, gewapend met een draagbaar radiootje, hun brutale bek vol kauwgom en rauwe kreten, zoeken een plek en komen na veel misbaar en onnodig heen en weer rennen tegenover mij zitten. Zitten is te mooi gezegd. Het lijkt meer op schnibbelen of schnubbelen, als ik hun ongedurigheid zo mag omschrijven. En praten doen zij evenmin. Ik noem het gnoffelen, of gnaffelen. Als dikke strontvliegen schieten zij door de ruimte, bepotelen de zitbanken, bevuilen het vensterraam. Ook draaien zij zonder mijn toestemming hun toestel maximaal open. Ik had het al verwacht: hun voorkeur gaat naar dat hedendaagse geschreeuw en gestamp. Mijn trommelvliezen krijgen het hard te verduren. Maar zij doen of ik niemand ben. Hun ogen tasten mijn lichaam af, houden mijn buik voor een loodzware bokszak waarop zij hun gebalde vuisten al te graag zouden willen loslaten. Zoals vele andere passagiers dragen zij eenzelfde driekleurige sjerp, wat me doet vermoeden dat ze op weg zijn naar een voetbalwedstrijd.
   Ik vraag de Heer waarom Hij deze hooligans mijn pad heeft doen kruisen, maar krijg geen antwoord. Ik leg me erbij neer dat Zijn wegen ondoorgrondelijk zijn, en probeer in mijn eentje te ontdekken of dit alles voor mij enige betekenis zou hebben. Ik ben vertwijfeld. Als Nelson hier zou zijn en mijn teleurstelling bemerken, en mijn moedeloosheid, zou hij het radiootje van deze kwajongens zonder poeha afpakken en door het venster keilen.
   Mogelijk denken die vlegels dat ik fanatiek ben, dat het hun goed recht is om banaal te zijn en hun toestel te misbruiken. Tenslotte zou ik de moeite kunnen doen om, zoals zij door hun wangedrag misschien wel beogen, op te staan en een andere plaats te zoeken. Maar dat wil ik juist niet; onder geen beding! De Heer heeft mij hier als eerste neergezet.
   De gedachte dat zij, ook al zijn ze dan met z’n drieën, op dit punt geen macht op mij kunnen uitoefenen, schenkt me weer zelfvertrouwen, geeft mij moed! Want zie, ineens dringt het ten volle tot me door: God had wel geantwoord, maar ik had me voor Hem geschaamd, en dus had ik niets gehoord!
   Vervuld van dankbaarheid diep ik mijn paternoster op en begin weer te bidden: luidop als de radio jengelt; in stilte als hij wordt uitgeschakeld.
   De eerste wildebras wijst me met de vinger. ‘Hé, dat stom rund praat met Jezus!’
   De tweede, een echte bullebak: ‘Zo te zien, eet zij van twee walletjes. Zij laat zich ook graag dekken!’
   De derde, een met brilletje, een toekomstige bommenlegger, kijkt honend naar boven: ‘In dat geval draagt zij zeker een kussentje: symbool voor hun heilig verbond!’
   En tot besluit ik: ‘...En vergeef ons onze onnozelheden als we met z’n tweeën zijn, of erger nog: met z’n drieën; zoals ook wij vergeven de eenzamen, belaagd om hun waarachtigheid.’
 
Ik heb Oostende gezien! Oostende bij de zee. Ik heb het verlaten strand gezien, de jachthavens en het vertrek van een reusachtige boot naar Engeland. Ik heb deze stad in al mijn botten gewaargeworden, tot mijn onderste longkwabben ingeademd!
   Oostende stinkt! Stinkt naar de zee en rotte vis! Heus, ik had me die stad gans anders voorgesteld. Bij de eerste aanblik zei ik het al: ‘Heer, wat ben je met mij van plan?’ Mijn ogen rustten op een rij huizen, nietig onder de duizelingwekkende, ijle leegte van lucht en water waaruit flarden mist kwamen aanzetten. Soms werd de mist dunner en dan stond de zon terug aan de hemel, zij het als een ijskoude, bleke schijf. Bij tussenpozen stootte de misthoorn een droefgeestige, monotone roep uit die tegen het land en de huizengevels te pletter sloeg, maar schier eindeloos in mijn binnenste uitdoofde, als had ik geen vaste bodem, als was ik een tweede zee waarboven de zwarte, sombere roep alles deed opmerken wat ook in mij stuurloos ronddobberde: zoals mijn ongeneeslijke heimwee naar een blij land. Zoals het bestaan van Nelson die ik, al doet hij zich vaak voor als Bekker, toch erg mis. Zoals mijn uitzichtloos leven op de verlaten boerderij. Of mijn smart omdat ik alleen ben. Eeuwig alleen.
   Met mijn mond bitter en gesloten en beschaamd om elke eenzame tred, ging ik van deur naar deur, van straat tot straat, probeerde ik mijn etterende wonde van het alleen-zijn te bedekken. Honger dreef me tenslotte naar een supermarkt waar ik, met de bedoeling straks goedkoop op een bank in het parkje te eten, een flesje cola en een belegd broodje in mijn wagentje legde. Met de juffrouw bij de broodjes, probeerde ik contact te krijgen.
   ‘Weinig volk vandaag!’ begon ik, in de hoop een reactie uit te lokken. Had ik maar niks gezegd! Want achter mij wachtte een dame haar beurt af, zodat ik geconfronteerd werd met een verstoorde blik die ongeduldig te verstaan gaf de volgende klant haar bestelling te laten doen.
   Zie je nu dat ik niet overdrijf als ik spreek over mijn stinkende wonde? Dit was trouwens niet het enige dat ik in de supermarkt voorhad.
  Bij de zuivelproducten werd mijn aandacht getrokken door een jonge moeder met kinderwagen. Het viel me op dat ze gehaast was en haar kleintje op de gang liet staan om wat verder in een zijgang iets uit het rek te halen. Ik hoefde niet langer te prakkiseren. Ik volgde haar tot zij deze handeling herhaalde. Achter haar rug liet ik mijn boodschappen staan in ruil voor de kinderwagen. Dan maakte ik me als de bliksem uit de voeten.

Aan de kassa had ik pech. Omdat er een lange rij klanten stond aan te schuiven, besloot ik een betere gelegenheid af te wachten en me met de kinderwagen achter een hoge piramide van opgestapelde conserven in de laatste zijgang op te stellen.
   Ik verwachtte grote paniek. Ik stelde me voor dat de moeder na her en der rondkijken met de handen in het haar voorbij de kassa zou rennen, recht naar de politie. Dan zou ik mooi de kans krijgen mijn cola en broodje te betalen om vervolgens heel gewoontjes achter de kinderwagen aan naar buiten te sjokken. Ik strekte mijn hals. Gelijktijdig met naderende voetstappen achter me, kreeg mijn schouder een flinke dreun.
   Het was de moederhaai. Haar wit gezicht schreeuwde vlak tegen het mijne, beet mijn neus af: ‘Wat moet jij met mijn kind! Hou je smerige poten thuis!’ Om niet nog meer aandacht te trekken, antwoordde ik met milde stem dat iemand van ons zich van wagentje moet hebben vergist. Ik gaf toe vaak zeer verstrooid te zijn. In elk geval was ik in deze gang op zoek om haar het wagentje terug te brengen.
   De moeder rook mijn stinkende eenzaamheid. Zij rukte de kinderwagen brutaal uit mijn handen, stootte me met haar hoekige ellenboog opzij. ‘Ik haal de politie!’ gilde ze. En na een scherpe blik, zeker bedoeld om mijn gezicht in haar geheugen te prenten, ging ze ‘r ijlings vandoor.
   Natuurlijk was dat bluf! Zij wist ook wel dat ik hier niet op de politie zou zitten wachten. Bovendien beschikte ze niet over één bewijs. De mensen toch!
   Dat het hier dik fout liep, was achteraf beschouwd grotendeels mijn eigen schuld. Ik was te impulsief te werk gegaan. Had te veel op mezelf vertrouwd. - Niet gewacht op een teken uit de hemel! Daarom besloot ik het anders aan te pakken. Ik zou de dingen zonder mijn tussenkomst laten gebeuren. En de mensen moesten naar mij komen, - niet ik naar de mensen!
   Met die ingesteldheid begaf ik me naar een bank in het parkje. Ik keek naar een metershoog anker, naar een bronzen gedenkplaat, naar de keurig onderhouden rozenperkjes en kauwde mijn brood.
   Er kwam een wat oudere vrouw aangeslenterd met aan elke hand een peuter: een jongen en een meisje van een jaar of drie, vier. Zij keek naar de eerste bank, stelde vast dat de meeuwen er wat op hadden laten vallen, en liep door naar de tweede, precies zoals ik ook gedaan had. Mijn bank was proper en er was nog plaats genoeg. Die vrouw wist niet dat ik stonk. Daarom kwam ze niets vermoedend naast mij zitten.
   Ik genoot van haar gezelschap, temeer omdat er peuters bij waren. Zij speelden met hun autootje in het mulle zand aan mijn voeten. Ik keek naar hen zoals ik naar twee tsjilpende mussen zou kijken, - ik bedoel: zonder de wens ze te pakken en in een kooi te stoppen.
   Toen ik mijn broodje ophad, voelde ik me verplicht toch wat te zeggen. Wellicht omdat ik dit keer geen voordeel op het oog had, scheen het me best te lukken. ‘U heeft schattige kindertjes, mevrouw. Of zijn het uw kleinkinderen?’
   ‘Mijn kleinkinderen. Goddank! Ik zou er niet meer aan willen beginnen op mijn leeftijd. - U wel, zie ik!’

‘Ik ben nog maar achtendertig!’
   Daar de vrouw niet reageerde en ik de kans wilde voorkomen dat het gesprek volledig ophield, vervolgde ik: ‘Ik ben niet van hier. Ik had me Oostende gans anders voorgesteld. Meer toeristen. Kermis. Muziek. Families op het strand. Attracties.’
   ‘U bent op een verkeerde dag gekomen. Bij rotweer blijven de mensen binnen. Trouwens, Oostende is er voor de visserij, de restaurants en het nachtleven. Pak de tram en rijd naar het strand van Westende-bad. Het is hooguit tien kilometer. Daar zult u meer gezelligheid aantreffen, tenminste als het weer omslaat!’
   ‘O ja? En hoe zijn de voorspellingen?’
   ‘Gunstig! Morgen wordt het hier even fijn als in het binnenland.’
   Ik zei: ‘Dank u!’ Een stommiteit. Want voor mooi weer heeft niemand een vinger in de pap. Maar ik geloofde de vrouw. Meer nog: voor mij was ze een levend orakel. En met wat zij zojuist had verklaard, kon ik het best stellen. Maar nu stond ik wel voor een dwingende keuze; of ik keerde morgen terug, of ik nam een hotel.
   ‘U bent hier bekend, hoor ik. Weet u, ik zocht eigenlijk een goedkoop hotel.’
   ‘Wat noemt u goedkoop? Mijn oudste dochter is getrouwd met een hotelbaas! Vandaag pas ik haar kinderen op.’
   ‘Tja, het treinverkeer kruipt in mijn portemonnee. Hm... Ik zou zeggen... Vijfendertig euro?’
   Begon die vrouw me daar in het gezicht uit te lachen! Te lachen! Jeetje, zulks had ik nog nooit meegemaakt! Om mijn figuur te redden, zei ik dat ik ook wel meer wilde uitgeven.
   Dit hielp haar om tot bedaren te komen. ‘Dat geloof ik,’ zei ze. ‘Haha... Want voor minder dan vijftig zal ‘t u nergens lukken, haha... Of u neemt gewoon een kamer bij een familie. Zimmer frei, noemen ze dat!’
   Alweer had het orakel gesproken! Om die reden had ik uit dank voor die vrouw op de knieën moeten vallen. En in zekere zin was ik haar ook dankbaar. Maar tegelijk haatte ik haar. Ik haatte haar omdat ze niet direct gezegd had: ‘Maar schaapje, neem toch een Zimmer frei!’ Ik haatte haar om het misprijzen dat ze duidelijk voor Zimmer frei had laten horen, om de vernedering die ze mij had laten ondergaan, gewoon omdat ik niet graag nodeloos geld uitgeef aan een dure tent als die van haar schoonzoon. Ik haatte haar nu even erg als dit stinkende Oostende waar ik de hele dag als een schurftige hond vergeefs had rondgedwaald.
   Ik had genoeg in mijn binnenste laten kijken. Ofschoon ik haar nog had kunnen vragen waar de tram naar Westende juist passeerde, vertikte ik het mijn mond open te trekken. Diep beledigd stond ik op, propte de lege broodjeszak en het flesje cola naar behoren in een vuilnisbak en verliet het park.

Ik wist nu al min of meer hoe Oostende gebouwd is. De eerste boulevard met tramsporen leidde me recht naar de terminus in de buurt van het treinstation. Hier stond juist een tram voor de westkust te wachten. Ik betaalde en ging zitten. Mijn rechterhand schoof in mijn zak en bevoelde de paternoster. Ik zei tegen de Heer dat hij me niet langer in het ootje mocht nemen. ‘Als ik met lege handen naar huis moet, blijf ik straks in de verdorven straat hangen. Dan gooi ik mijn kussentje in de hoek, schiet daar een gore kroeg binnen en ga met felrode lippen en opgeschorte rok op een barkruk zitten. Ik ben geen schoonheid. Maar mijn knieën mogen gezien worden. Wie weet trek ik op de dansvloer wel een Antwerpse zoetwatermatroos tegen het lijf! Van mij mag hij alles met me doen wat hij wil, behalve me doodknijpen. En van messen ben ik ook zeer bang!’ Maar zover was het nog niet. De Heer maakte nog kans. In Westende-Bad ontdekte ik recht tegenover de eerste tramhalte al een vrije Zimmer frei. De uitbaatster, een dikke, volkse vrouw brabbelde een onverstaanbaar West-Vlaams en toonde me een volledig bemeubelde kamer op de eerste verdieping. Ik zei dat ik slechts één bed met dekens nodig had: niet dat tweede bed, en ook geen tafel of stoelen. ‘Dat doet niets af van de prijs,’ beweerde ze. ‘Vijftig euro per nacht.’ Zij zag me hevig schrikken. Misschien meende ze dat ik haar niet had verstaan. Of anders vreesde zij dat ik op zoek zou gaan naar een goedkopere kamer. ‘Vijftig,’ articuleerde ze. ‘Al het kan ook iets goedkoper! Ik bedoel: zonder btw.’ Ik begreep direct haar poging tot belastingontduiking. ‘Zonder btw graag! Die ministers pluimen ons al genoeg!’ En daarmee was de deal rond. Ik moest wel eerst betalen en mijn identiteitskaart laten zien. De madame schreef alles op een kladje, - niet in het officiële register dat ernaast lag. Ik ontving een sleutel. Daarna liet ze me alleen. Ik knoopte mijn kussentje los, gooide mijn schoenen uit, ging languit op het bed liggen en schudde mijn portemonnee leeg. Er zat nog genoeg in voor twee overnachtingen en twee tickets retour. Ik overwoog aan het kraampje op de hoek van de straat een hamburger te gaan halen, of een zakje frieten. Mijn lege maag rammelde van jewelste. Maar toen gingen mijn gedachten naar de ontberingen van Jezus in de woestijn: veertig dagen lang. Ook dacht ik aan deze bijkomende kost en dat het voor de liefde van een zoetwatermatroos alleen maar bevorderlijk kan zijn als ik wat van mijn zesentachtig kilo kwijt zou raken. Uiteindelijk gaven deze extra uitgaven de doorslag. Ik stapte naar de lavabokraan, dronk een karaf water en ging naar bed. In het donker bonkte iemand op de deur. Ik deed open en tot mijn verrassing bleek het Nelson, vermomd als de reus Bekker op zijn terugkeer van een kale reis. ‘Waar is het kind?’ loeide hij. Fier toonde ik hem mijn baby. Er vonkte een boosaardige glans in zijn varkensogen. Zijn knoestige vingers drukten tegen het kinnetje, zodat de tere lipjes als half ontloken bloemblaadjes van elkaar gescheurd werden. ‘Het heeft geen tanden! Waarom heeft het geen tanden?’ Daarop werd Bekker zo woest dat hij mijn baby uit de wieg pakte. Tussen zijn vingers leek het op een witte voetbal. ‘Wat een lelijk mormel!’ gromde de reus en schopte de bal tegen de muur. Daarna greep hij me bij de polsen. ‘En nu gaan we rampetampen!’ Ik verzette me, krijste om hulp, maar zijn machtige hand drukte op mijn mond. Terwijl hij aan zijn vuile maneuvers begon, greep ik mijn paternoster, bad tot de Heer dat ik geen schuld had aan mijn genot. Bekkers zwarte adem verstikte mijn roep. Ik opende mijn ogen en hoorde het stampen van een boot en de verre scheepshoorn, midden in de nacht. Morgen schrijf ik hem een brief, dacht ik niet zonder enige spijt. Ik schrijf hem dat hij niet meer moet komen, of ik schiet ‘m van het erf. Die nacht werd ik nog enkele keren geplaagd door de misthoorn. Verder had ik uitstekend geslapen.

Ik schuif de gordijnen open en wat zie ik? Zon! Zon en een zwerm toeristen. Mijn hart jodelt! En een halfuur later sta ik op de dijk, in volle zon en in volle glorie, tussen de wandelende toeristen. In mijn overmoed ga ik zelfs op een terras zitten, bestel een kop koffie en broodje met kaas. Na het broodje eet ik nog de twee andere broodjes die ik vooraf bij een warme bakker gekocht had. En nu maar uitkijken!
   Vooral de firma’s op de dijk, waar ze fietsen, gocarts en duwwagentjes verhuren, genieten mijn belangstelling. Daar de wagentjes vermomd zijn als autootjes, treintjes, eendjes, rijdende bananen, krioelt het er van de kinderen. Er wordt ook wat afgehuild. Maar dat hoort erbij. In de Distellaan, de belangrijkste binnenstraat, staat zelfs een draaimolen. Het is hier dat ik een mooie kans zie gebruik te maken van de verstrooidheid van een ouderpaar om met hun kleine aan de haal te gaan. Maar juist voor ik het erop waag, herinner ik me de mislukking in de supermarkt. Heeft de Heer me een teken gegeven? Nee! Eerder dan naar kinderen moet ik uitkijken naar Zijn teken. Ik wandel van het ene eind van de dijk naar het andere, vervolgens naar de draaimolen en zo weer terug.
   Middag. Ik koop een ferme hamburger met veel ui.
   Twee uur. Ik begeef me naar de openbare toiletten en maak daar van de gelegenheid gebruik om mijn mond onder het kraantje te houden.
   Drie uur. Nog steeds geen teken! Aan een fruitkraam koop ik een harde appel en zet er flink mijn tanden in. De lucht betrekt. Tien minuten later begint het te regenen! In een mum van tijd is de hele dijk ontruimd.
   Vier uur. Ik sta in een tochtige hal naar de gietende regen te kijken.
   Vijf uur. De zee is grauw. De hemel loodgrijs. En het regent nog steeds. Ik begin te wanhopen. De zoetwatermatroos heeft zijn slag thuis!
   Zes uur. Boven de zee klaart het op. Ik ben verkleumd.
   Zeven uur. De regen is opgehouden. De toeristen verschijnen in kleinen getale weer op de dijk. Maar mijn tijd dringt. De zon zit achter een ondoordringbare wolkenmassa. Het lijkt wel een hooggebergte, geschraagd door twee dikke zuilen, wit oprijzend uit de zee die eruitziet als de licht afgevende buik van een reusachtige walvis. En als je goed kijkt, zie je tussen de zilveren schubjes ook het bewegen van kleine, watergroene streepjes. Ik keer me om en sta bij een verhuurfirma waar een gezin voor de jongste telg een wagentje huurt. Het is een jongetje van een jaar of twee, hoogstens drie, met asblond haar. Ik kan mijn ogen niet van hem afhouden. Hij luistert naar de naam Matthias. Terwijl zijn grote zus hem voortduwt, zodat hij me rakelings passeert, kan ik me ‘r niet van weerhouden heel eventjes een hand op zijn hoofdje te leggen. Ik glimlach naar hem. Langs mijn hand word ik doorstroomd van een overweldigend geluksgevoel. Heel mijn gemoed zingt.

Als het kind voorbij is, smeek ik God mij een teken te geven. En zie! Plotseling vindt de zon een klein gaatje tussen de opgestapelde brokken en wordt dat asblonde haar beschenen alsof het in vuur en vlam staat! De tranen springen me in de ogen. Maar ik mag me niet laten gaan! Moet nu uiterst kalm blijven!
   Ik volg het gezin van op een afstand. De oudste zoon zit in een rolstoel. De moeder duwt hem, heeft het druk met opletten om niemand aan te rijden. De vader, een wat kalende, deftige heer, bestudeert bij elk eethuis de prijslijst. Tussen hen laveert een knaapje van een jaar of acht. Hij heeft een pluizig hondje aan de leiband. Moeilijk te zeggen of het een witte hond is met zwarte vlekken, dan wel een zwarte hond met witte vlekken.
   Het gezin draait de Distellaan in. Het oog van de vader valt op een restaurant met overdekt terras. Hij vraagt de anderen eventjes te wachten. Dan breekt de zon door. Ik voel de gloeiende hand van God in mijn nek. De vader komt met een goedkeurend knikje naar buiten en het gezin maakt aanstalten te gaan zitten. Ik stap naar de overkant en blijf in de weerspiegeling van een etalage toekijken. De rolstoel veroorzaakt wat moeilijkheden, maar tegen dat de patroon met de menukaarten op het terras verschijnt, zit iedereen lekker, behalve Matthias. Voorlopig moet hij niet uit zijn wagentje.
   Nu zie ik iets wonderlijks gebeuren: terwijl de gezinsleden over het menu van gedachten wisselen, stapt Matthias onopgemerkt uit zijn karretje en spoedt zich met zijn vinnige beentjes dapper naar de hoek van de straat. Eerst dacht ik dat hij op weg was naar de draaimolen. Maar nee, hij loopt met de wind mee en volgt de dijk! Bij de verhuurfirma blijft hij staan en wijst beteuterd naar de voorovergebogen rug van Popeye, een zeeman op wieltjes. Ik sta al met mijn portemonnee klaar en betaal voor een uur. Het verhuurmeisje vraagt mijn identiteitskaart, maar dat vind ik riskant.
   ‘Veronique!’ Zo heb ik altijd willen heten. ‘Schrijf maar op: Veronique Verstappen. Statiestraat twee, Antwerpen.’
   Vervolgens duw ik mijn kleine Matthias. En terwijl ik hem zoete woordjes toefluister, kiezen wij een straatje tussen hoge appartementsgebouwen; een stil straatje dat ons leidt naar het eerste tramhok langs de schier verlaten kustweg.

maandag 9 juni 2025

KOEBIK (Roman)

SYNOPSIS:

 De titel zinspeelt op ‘ikboek’. De protagonist ‘ik’ wordt nergens bij naam genoemd, terwijl zijn onzichtbaar aanwezige antagonist zich ter vereenvoudiging van zijn identiteit als ‘Koeb’ voorstelt.
   De roman parodieert een futuristisch universum dat de menselijke gedragingen, gelijklopend met die van heden, gedurfd te kijk stelt. Groteske fantasieën, gekoppeld aan een onwrikbaar volgehouden logica, leggen een uitvergrotende vinger op de menselijke conditionering. Als duider fungeert de alom aanwezige humor: enkel wat met een lach gezegd wordt, is waarheid.
   Het leesavontuur begint als ‘ik’ gaat solliciteren bij een machtig bedrijfsimperium, waarvan hij door zijn fanatiek idealisme de leider, voluit ‘Koebik’ genaamd, tot een bovenmenselijke status heeft verheven. Tot zijn teleurstelling stelt hij vast dat het bestuur en de hiërarchie in Koebikstad, waar hij hoopt aan de bak te komen, niet aan zijn voorstelling beantwoordt. Reeds de eerste dag komt hij in contact met twee elkaar bestrijdende rebellengroepen. Als blijkt dat hun doel om het gezag en de corruptie te herstellen slechts een mom is om zelf de macht te grijpen, gaat ‘ik’ naar zijn door hem verafgode leider op zoek. Vermits deze afstand genomen heeft van zijn familienaam, gewoon aan loodgieterij doet en niet langer in het paleis verblijft, kan hij onmogelijk als leider erkend worden. De schier verborgen strijd tussen twee onverzoenbare vormen van identificatie, waar het in de roman om draait, wordt tot de laatste regel op de spits gedreven.


maandag 30 december 2024

BRIEF AAN FELIX TIMMERMANS Gedicht voorgedragen op 29-12-2024 in de kelder van boekhandel De groene Waterman - Antwerpen

Foto: Valérie Van Dijk

BRIEF AAN FELIX TIMMERMANS

Beste Felix,

nooit ben ik aan je verslaafd geweest.
Wel dank ik jou,
kennis te hebben gemaakt
met mijn eerste vrienden
Pieter, Cecilia en Adriaan.

Tussen twee generaties
komt veel te staan.

Wij eten elke dag rijstpap nu.
De boeren dragen nieuwe kleren
sinds de antieke Wortel.
Jezus en Maria staan op stal.

Gister stond in de krant:
In memoriam Felix Timmermans, na 27 jaar.

Ik schrok. Alsof jouw gelaat
dat van mijn vader was
drukte ik het tegen me aan
als een eerste liefdesbrief.

Felix ik weet niet meer
wat te zeggen.

De groeten aan je kinderen.
Dag Felix.
                                                         

Robert Baeken 

maandag 29 januari 2024

JONGEMAN STAPT WIJDE WERELD IN

 


 

In dit hedendaagse sprookje voor volwassenen, worden de lachwekkende belevenissen verteld van een ambitieuze jonge uitvinder, die zich tijdens zijn vrije uren bezighoudt met tapdansen, het bestuderen van hemellichamen en het volgen van de levensloop van beroemde filmsterren. Tijdens een receptie bij de inhuldiging van nieuwe kantoren, behorend tot een industrieel concern, wordt hij smoor op een operadiva, het lief van de grote baas. In de loop van de avond komt hij erachter dat de uitgestalde rijkdom slechts glitter is, daar het concern, als gevolg van haar intriges, aan de rand van het bankroet staat. Voor hem een gelegenheid om zijn plaats in het middelpunt van de financiële wereld binnen te rijven. Dit humoristisch verhaal van 120 pagina’s doorlopende tekst, speelt zich af op één locatie gedurende één avond.

   Parrallel met een vloed van alle literaire grenzen overschrijdende gebeurtenissen, wordt op gelijke tred een verrassende kijk geboden op de sociale gelaagdheden rond het menselijk bestaan: de werkelijkheid voorgesteld als een allegorie waarin elk detail bekend voorkomt. Met een groteske lach worden naast alledaagse waanzinnen, herkenbare karaktertrekken als ijdelheid, hebzucht en geldingsdrang doorgelicht.

Eerste pagina's:

Venus bestaat. Ik heb haar met mijn eigen ogen gezien. Iets bestaat pas voor zover het ook gezien wordt. En zo gaat het met menschen als met planeten: het is niet genoeg voor een rondzwervend object om in de kijker te lopen. Nee, er moet iets opvallends mee gemoeid zijn, waardoor de observator de aandrang voelt het beeld scherp te stellen om na te gaan of wat hij in de vlucht heeft opgemerkt, terecht of niet zijn aandacht verdient.

   Ik was op een receptie bij De Blauw ter gelegenheid van de inhuldiging van zijn nieuwe kantoren. En terwijl ik me tussen de dichte drommen van aanwezigen naar het buffet begaf, viel me tegen een achtergrond van afgezaagde wijsjes op een piano en geroezemoes van velerlei stemmen, plotseling een rij gehakte klanken op. Omvallende dominostenen: ongewoon muzikaal, helder, en - ofschoon van een donker, welhaast mannelijk timbre, - duidelijk afkomstig van een operadiva. Zo klinkt alleen Hoogduits. Delicaat brons. Hoogst zeldzaam in onze mosachtige contreien.

   Daar zag ik De Blauw, bijgenaamd de Beul van Katanga, langs de rugzijde. Een grauw, blauw pak over zijn corpulente, misdadige schouders. Ik zou haast zeggen: de achterzijde van de maan, die mij, in de richting van de vallende dominosteentjes, het zicht belemmerde. Hij was omgeven door een blauwe kring van hem gunstig gezinde satellieten, - trawanten of slippendragers die, zeker doordat ze voor hun mateloze ambities van hem afhankelijk zijn, hetzelfde beulsgezicht reflecteerden als hij. Aan hun mond kon ik zien dat De Blauw glimlachte. Aan hun ogen en hun eenstemmige knikjes mat ik de graad van geveinsde belangstelling waarmee De Blauwe beul naar een spreker luisterde. Ofschoon ik me ook al een tijdje binnen zijn invloedsfeer bevond, - wat trouwens mijn aanwezigheid hier verklaarde, - behoorde ik nog niet tot deze elitaire satellietengroep. Het zou dan ook van een onvergeeflijke aanmatiging getuigen als ik me, hoewel ik ter wille van De Blauw niet minder bereid was een glimlach te veinzen of met blinkende ogen ja te knikken, zonder een uitnodigende wenk bij het kringetje zou aansluiten. Dus liep ik door. Alsof ik niets beters te doen had dan me, zoals de eerste de beste knul alhier, een tweede glas Royale Touch met sappig fruitje van verse kumquats te laten inschenken. Terwijl de barkeeper hiermee bezig was, draaide ik me om en posteerde er met de zelfverzekerde koelheid van de harde bink, die volop bezig is het  te maken in dit leven. Van jongs af eraan gewend hele melkwegstelsels aan je oog te zien voorbijtrekken, raak je niet dadelijk van slag als er toevallig een Duitse Venus in het vizier komt. Mijn oog was beslist wetenschappelijk neutraal en onbevangen. Dit wil zeggen dat ik niet toegaf aan mijn eerste indruk door, zonder op tekortkomingen te letten, te gaan steigeren voor een weinig geziene vorm van schoonheid, zoals zij die naar mijn gevoel uitstraalde.

   Dat ik mijn glas voor slechts driekwart gevuld kreeg, belette me niet mijn tijd te nemen voor enkele minpunten. Objectief gezien kon men de Duitse struis noemen. Voor mij persoonlijk betekent dat geen strop. Uitgemergelde skeletten horen in een kist, diep onder de zoden. Een bolle boezem belooft overvloed. Mijn blik daalde naar de volgende welving, - haar buik. Ook die zag er volgens de gangbare normen te mals of weelderig uit.

   Gangbare normen! Laat die grijze klootjes van onbenullige meteorieten uit hun nek kletsen! Laat ze bij de eerste aanraking met de dampkring opbranden en tot stof verpulveren! Liever ontblootte mijn koortsachtige verbeelding een intiem moment van haar toestemming, zodat ik mijn hand er ongehinderd overheen kon leggen en de vlezige veerkracht voelen: een mateloos Vergnügen, aangenaam begeleid door haar mij aanmoedigende, speelse gilletjes.

   Haar gezicht wil ik niet beoordelen. Dat gaat zoals bij het voorkomen van planeten: elk gelaat, of dat nu blauw, rood, of wit is, kan er de ene nacht mooi dan weer lelijk uitzien. Praat me nog minder over make-up of haarkleuren! Het zijn eerder de innerlijke stemmingen die men moet beoordelen. Aangezien deze Venus Hoogduits sprak en eerder bleek van huid was, zou men een blonde vamp verwachten. Vandaar mijn vermoeden dat de ravenzwarte tressen, loshangend achter haar forse schouders, geverfd moesten zijn, precies zoals bij de Koningin van de nacht uit Mozarts Die Zauberflöte.

   Bedenkend dat ik het voorlopig met minder schoonheid moest stellen, begaf ik me, omzichtig vanwege het gevulde glas in mijn hand, weer naar Justine, mijn vertrouwde gesprekspartner. Afgaand op de Hoogduits vallende klankenrij nam ik dezelfde weg terug. Net voor die Venus opnieuw achter De Blauws beulse heuvelrug wegdeemsterde, ving ik nog een wonderlijke glimp op van het fijne beha-lintje, dat haar volle schouders smaakvol in twee congruente parten deelde. Ik proefde een laatste druppel schoonheid en onderging in één oogwenk de vluchtige bloei van het leven zelf.

   ‘’t Is toch niet doordat jij je stom verveelt dat je weer verliefd moet worden!’ hoorde ik de eeuwige scepticus in mij. Mijn voorhamer sloeg dat lastige kereltje in één klap de schedel in.

   Vanaf hier wist ik wat ik met mijn leven moest aanvangen.

  




zondag 18 juni 2023

TWEE HOOFDEN (Roman)

 Als privédetective Joseph Reinhout wordt uitgenodigd op de lijkschouwing van een onthoofde vrouw, van wie hij in opdracht van haar echtgenoot al enkele dagen bewijzen verzamelt dat zij hem ontrouw was, komt hijzelf in nauwe schoentjes te staan. Niet enkel circuleert er bij de politie een compromitterende foto van hem met die dame. Onder zijn bed wordt ook een bebloede machete gevonden met daarop zijn vingerafdrukken. De plot wordt nog ingewikkelder als zijn oude vriend en diens vrouw tijdens hun vakantie in Oostenrijk met hun wagen in een ravijn storten. Dat het hoofd van die vrouw niet wordt teruggevonden, stelt Joseph voor een tweede raadsel. Om de zaken in zijn eentje op te lossen, probeert hij uit de handen van de politie te blijven.

Nieuw in het genre is de introductie van een levensecht personage wiens eigenzinnig karakter evengoed via zijn speurwerk als privéleven aan het licht komt. Het uitgebalanceerde evenwicht tussen diens uiterlijke waarnemingen en rijk innerlijk leven, houdt het verhaal over de ganse lijn fris en voor de lezer herkenbaar, alsof hij het zelf beleeft. Verhelderend is Josephs vereenvoudigde kijk op de wereld; al maken ook zijn zwakheden, angsten, obsessies en twijfels hem door en door menselijk.

Fragment:

Vreemd hoe Joseph ondanks de spanning van het wachten nog oog had voor de verkeerslichten en voor alles wat er langs de weg gebeurde. Als hij een eenzame wolf was, dan heette dit zijn jachtgebied. Daar achter het stuur van een passerende wagen een jakhals, ginds een troep buffels. Op het einde van de rit stonden meedo­genloze jagers hem met hun geweren op te wachten. Hij kende dit levensgevaar­lijke, onherbergzame terrein door en door. Hij kende de mens, heer­ser over tankstations, over industrie­terreinen, over villa's langs de open­bare weg, over scholen, bankge­bouwen, supermarkten, vijvers, sloten en kanalen. Hij, de man die al jaren bezig is het geweld waarmee dit alles wordt opgebouwd met de koelheid van een onpartijdige te registreren, hij heeft zich nu voor het eerst schul­dig gemaakt door zelfzuchtig in te gaan op zijn eigen menselijke ge­voelens. Dus zal recht geschie­den! De horde zal zich op zijn kadaver stor­ten.

vrijdag 24 maart 2023

Parijs, de beesten (Roman voltooid in juni 2023)

In Parijs de Beesten wordt privédetective Joseph Reinhout losgelaten op een zaak die aanvankelijk te klein lijkt voor zijn talent: het terughalen van een weggelopen rijkeluisdochter. Behalve een opdrachtgever die liever niet te veel kwijt wil, beschikt hij over brieven van haar correspondent, student aan de Parijse  Sorbonne. Al snel blijkt de eenvoudige zaak een valkuil. In de schaduwen van de lichtstad wordt hij de hele tijd door een zonderling heerschap op de hielen gezeten. Met een lichtvoetigheid, gecombineerd aan duistere elementen, - een evenwicht dat niet makkelijk te bereiken is - ontvouwt zich naast de dreigende plot rond een criminele bende van vier, een verrassende mélange van série noire: spanning, komedie, melancholie en scherpe observaties van het stadsleven. Actie en introspectie wisselen elkaar met een modern gevoel van ritme in snel tempo af. De personages zijn levendig, altijd herkenbaar in hun verlangens en zwaktes. Parijs is een inspirerende medespeler: verraderlijk en onbetrouwbaar. Wie houdt van literair vormgegeven met een vleug romantiek die evenveel charme ontleent aan zijn plot als aan de sfeer van achterkamers, rokerige studentencafés, emotionele resonanties en misdaadlogica, zonder zijn gevoel te verliezen voor het absurde van het dagelijks bestaan, zal hier enorm plezier aan beleven.


 

dinsdag 6 december 2022

De Trap

 https://www.bravenewbooks.nl/site/userwebsite/index/id/robertusbaeken

De Trap

€17,95PAPERBACK
ISBN: 9789464657401



Twee timmerlieden bellen aan om in een stadswoning een trap te renoveren. Hun opdrachtgever is een alleenstaande, excentrieke oude heer. Als beide mannen door diens erg aanhalige en bloedmooie dienstmeid in de ban raken, wordt wat op het eerste gezicht begint als een ordinair slippertje, algauw de aanzet tot een spannende, tragikomische vertelling, die de lezer uitnodigt naast alle scha en schande van de personages ook het lachwekkende te zien in de diepgaand beschreven menselijke perikelen rond begeerte, seks, liefde, huwelijk.

De visie van de auteur bestaat eruit om een verhaal nooit de eigen wil op te dringen. De schrijver is het knechtje van zijn personages. Hij durft de nodige risico’s te nemen door erop te vertrouwen dat het zuivere gevoel en de irrationele, onbewuste krachten in hem, zijn roman naar een juiste vormgeving zullen leiden.



zaterdag 5 november 2022

Drie gedichten van Robert Baeken

Zakelijk gesprek

Met aktentas op schoot
spreekt een man tot mij over nut en voordeel
aangaande verzekering omtrent
brand, storm en schade allerlei.

Zijn gezicht: ogen van nat glas
en huid, ruw getrokken uit blauw karton.
Misschien door de kou gelopen?
Hij vraagt: zijn onderkaak gaat op en neer.

Van een glas voor zijn neus slokt hij water.
Zo loopt het bewegen oliegesmeerd. Tussendoor
bezit hij thuis ook nog vrouw en kind naast
veertig kanariepieten. Leuke hobby, - toch?

Zie mijn eigen kippenvel en hand van geel karton,
duidt wellicht op ernstige ziekte. Hart of lever?
In antwoord: ook deze kaak op en neer, jawel!
Alles loopt gesmeerd. Want enzovoort.

                                      *
Buurmeisje

Wij zaten beschut door een muurtje naast 't riool.
Rondom ons: het dierbare afval, opgeschoten onkruid.
Lage wolken en kaal plein onder avondlijke druil.
Baksteen en halve kapstok dienden een laatste goal.

Jij was een volbloed, een koningsdochter
van Atilla de Hun, barbaars: met hoge jukbeenderen.
Een wijde lach vol tanden, blinkende ogen,
mager van de honger naar het Leven dat komen zou.

In mij gleed een wolk van onzegbare droefheid.
Ik zag en hoorde, tussen ons zouden zich hoog stapelen:
nutteloze jaren van roest en dikke lagen mos.
Dus vergeef ons dat wij verder niets te zeggen hadden.

Welja, het plein sindsdien onbegrijpelijk
volgebouwd met kale huizen, propere gezinnen.
Daar lopen nieuwe mensen in en uit kantoor,
welbespraakt en redelijk. Modern zoals 't hoort.

Deze vale herfst heb ik, jou weer eens teruggezien:
tussen een geruisloze lawine van blauwe kerkhofsteen
en bedolven onder de schaduw van een kruis
kletste jouw vlakke beeltenis een hand in mijn gezicht.

De onbegrijpelijke glimlach van een toegenegen Oma.
Rond brilletje, ronde kin. Einde verhaal.
Voor zoveel schoons was ik evenwel klaar.
Behalve de dag had ik weinig te vieren.

                                   *
Einde van een vriendschap

Bedankt voor je slag op mijn neus!
Eindelijk leerde ik jouw vuist kennen
en rook ik, doorheen de bloedspatten op het netvlies:
De stank van het dragend verdrag, het verduren.

Waar jij een scheve neus had
zaten mijn rottende tanden.
Wij konden het niet verhelpen.
Want erger is het schone maakwerk.

Waar jij een konijn kon tekenen, levensecht,
truukte ik de zang van vogels op papier.
Daarna is een mager applaus gestorven
en dreven wij weg, wrakhout elk zijn kant.

Zonder opsmuk ben ik vandaag gestrand:
Een saaie baai, mijn armoede, de bittere leegte,
de pure druil op maandagmorgen, - goddank!
Mensen die de bus nemen, hun dagelijkse stemmen.

woensdag 5 oktober 2022

Fragment uit de biografie 'Leonard en ik': Over Dostojewski

Op mijn zestiende had ik 'De gebroeders Karamazow' van Fedor Dostojewski gelezen. Treffend vond ik het hoofdstuk 'De Grootinquisiteur' waarin de auteur stelt dat als Jezus zich weer onder de mensen zou begeven om hen opnieuw de ware liefde te prediken, dit de Kerk in dergelijke moeilijkheden zou brengen dat de beste oplossing zou zijn Hem opnieuw aan het kruis te slaan. Voor de Kerk zijn de evangeliën immers afgesloten hoofdstukken. Jezus heeft zijn macht onomkeerbaar aan het pausdom overgedragen. De gelovigen zijn niet langer vrij in de beleving van hun liefde, maar onvrij door hun gehoorzaamheid aan de opgelegde kerkelijke regels. Een mensenleven dat met het oog op de rijke belofte van het hiernamaals louter ten dienste staat van blinde gehoorzaamheid, biedt echter geen perspectieven. Het leger van gelovigen ziet de noodzaak niet om dieper op de levensvraagstukken in te gaan, noch om enige zelfkennis op te doen. Dat leger is immers enkel op zijn eigen heil uit. Dus zou vanuit een geheel andere levensbeschouwing opnieuw de vraag kunnen gesteld worden waarvoor wij dan wel op aarde rondlopen; ook al duidt deze vraag daarmee juist aan dat we volkomen onwetend zijn. Tenminste, zo verging het mij. Want men weet. Of men weet niet. Hoewel ik zelf nog lang niet op een juist spoor zat, had ik deze tegenstrijdigheden in de Kerk al vroeg door. Hier moet ik aan toevoegen dat ik door het op mijn eigen manier nastreven van het goede - een onmogelijk ideaal - een soort van eindeloze Dostojewskiaanse weg bewandelde; wat feitelijk als gevolg van een gebrek aan aandacht, een weg is van vallen en weer opstaan, van schuld en boete, van onwetendheid. De Dostojewskiaanse mens komt nooit tot uiteindelijke vervulling; want hij mag dan wel menen een goddelijke ziel te bezitten, het lijf staat zijn recht op dit aardse leven niet af. Door de discrepantie tussen hoe hij is en hoe hij zou moeten zijn, raakt hij onophoudelijk met zichzelf in conflict, en al naargelang de omstandigheden is nu de een, dan de ander weer aan de winnende hand. De Dostojewskiaanse mens wil de dode letter overstijgen. Hij ziet zichzelf als een ongeëvenaarde Einzelgänger, maar hij blijft eeuwig onderweg. Bovendien is hij er vreselijk aan toe, want hij is ongelukkig, alleen, onbegrepen. Dostojewski heeft dit terdege beseft. Daarom schreef hij ‘De idioot’. 

 Foto: Zelfportret Leonard Baeken als verbolgen Christus - circa 1,50m - Eik

donderdag 16 juni 2022

dinsdag 7 juni 2022

Persbericht naar aanleiding van recente publicatie "Portret van de aardbeienplukster als jonge vrouw"

Uitgeverij Aspekt Amersfoortsestraat 27 | 3769 ad | Soesterberg www.uitgeverijaspekt.nl | 0346-353895 info@uitgeverijaspekt.nl www.facebook.com/uitgeverijaspekt www.instagram.com/uitgeverijaspekt Portret van de aardbeienplukster als jonge vrouw Auteur: Robertus Baeken isbn 9789464624205 254 pagina’s 13 x 21 cm prijs € 19,95 nur 300
Korte beschrijving van dit boek: 
    Mieke, een weinig geschoold, maar schrander buitenmeisje, meent haar roeping te missen doordat ze in een bedrijf aan een computer tewerkgesteld wordt. Door de controversiële opvattingen van haar vriend, de briljante student Francis, komt zij ertoe de traditionele waarheden waarmee ze is opgegroeid, minder vanzelfsprekend te vinden en keuzes te maken die haar in conflict brengen met haar behoudsgezinde ouders. Als Francis naar de universiteit vertrekt en zij ongewenst van hem zwanger geraakt, loopt ze van huis weg, - het begin van een waanzinnig avontuur. Wat na de liefde? Dit thema wordt de aanleiding tot een erg levendig en gevoelig getekend meisjesportret dat naadloos naar de volwassenheid evolueert; dit tegen de achtergrond van een onvergetelijk liefdesverhaal uit de jaren zeventig, - het begin van het digitale tijdperk.
   Robertus Baeken debuteerde in 1981 met de roman ‘Van Liefde en Ondeugd’. Als technisch tekenaar in de metallurgie actief, bleef hij elke dag trouw aan zijn roeping als auteur. Zo schreef hij gestadig een gigantisch en divers oeuvre bijeen. Volgens hem moet een schrijver erop vertrouwen dat het zuivere gevoel en de irrationele, onbewuste krachten in hem zijn verhaal naar de juiste vormgeving zullen leiden.

woensdag 15 december 2021

Portret van de aardbeienplukster als jonge vrouw - NABESCHOUWINGEN


 

‘Portret van de aardbeienplukster als jonge vrouw’ heb ik in twintig maanden uitgeschreven met potlood op papier. Dit gebeurde tussen 4 augustus 1980 en 27 maart 1982 tijdens de middagpauze van 12 tot 13 uur aan mijn bureau op het metallurgische bedrijf in Beerse, waar ik dagelijks de kans greep om na het nuttigen van de middaglunch, in mijn eentje voort te schrijven. Op dat bedrijf, gespecialiseerd in het smelten van lood en antimonium en het omzetten in andere derivaten, was ik op dat moment al 15 jaar werkzaam als technisch tekenaar. Door deze functie maakte ik tevens deel uit van een uitgebreide onderhoudsploeg van constructeurs, lassers, ovenmetsers, houtbewerkers, enz. Door mijn voltijds werk hier, had ik weinig tijd om te schrijven. Wel was ik door mijn nauw contact met al die collega’s op de werkvloer in de gelegenheid uitgebreide levenservaring op te doen. Genoeg voor een romanschrijver om in het bezit te komen van een staalkaart die geldt voor de hele wereld en alles wat des mensen is. Uiteraard bezat ik toen nog geen pc. Eenmaal thuis vulde ik mijn dagelijkse potloodversie tot 339 volgeschreven vellen aan om het geheel later met een schrijfmachine uit te typen.


    Deze roman werd geschreven in opdracht van Bruna & Zoon, in die tijd mijn uitgever Hoewel het weinig scheelde, is de roman nooit uitgegeven. Jammer voor mijn geesteskinderen, de hoofdpersonages. Zij droegen bij tot een boeiend verhaal, goed voor breed lezerspubliek. Maar niet getreurd, mijn kindertjes, vrouwtje en ik blaakten van gezondheid  en we leden geen gebrek. Dus had ik niet te klagen. Bovendien bleef ik in mezelf geloven, en zoals steeds begon ik onmiddellijk aan nieuw werk, wat opnieuw zoveel aandacht van me vergde, dat ik mijn vorige romans snel uit het oog verloor. Door mijn belangstelling voor het nieuwe, kwam het er trouwens nooit van om mijn eigen, ouder werk opnieuw te lezen. De voorbije zomer heb ik dat, voor het eerst in mijn leven, toch wél eens gedaan.

   Omdat het verhaal zich in de jaren zeventig afspeelt, leek het decor ondertussen wat gedateerd. Verbluffend hoeveel er de voorbije veertig jaar veranderd is in de wereld... Maar misschien vormde dat juist een meerwaarde. Het geheel scheen nu iets van een tamelijk recent-historische roman te hebben gekregen. Mijzelf boeide het verhaal in ieder geval nog steeds. Alleen trof ik, toen ik erop terugkeek, heel wat storende elementen aan. Zo prees ik me gelukkig, dat de roman indertijd op de valreep toch niet werd uitgegeven. In die eerste versie leidde een overvloed aan details en bloemrijke beschrijvingen de aandacht al te zeer af. Door minder verbositeit en meer soberheid, zou het verhaal veel beter uit de verf komen. Daar een roman bestaat voor zover hij goed geschreven is, begon ik de tekst te redigeren. Met soms zeer grove middelen: een snoeimes maar af en toe ook een hakbijl. Dat was nodig. Toen ik er na een half jaar opnieuw klaar mee was, bleek het oorspronkelijke verhaal van 300 pagina’s tot 200 te zijn teruggebracht.

   Elke vogel zingt zoals hij gebekt is. Wat het lied juist zo interessant maakt. Maar of je nu zingt of schrijft of andere kunsten beoefent: de uitvoerder blijft het knechtje van wat hij verwezenlijkt. Voor mijn part mag het nooit zijn bedoeling zijn om de aandacht op zichzelf te vestigen, om zijn ‘kunnen’ te laten zien. Wel moet hij de verborgen wereld tonen die in ieder van ons is. Bij een schilderij gaat het niet om de verf, bij een roman niet om de woorden.

   Voor het boek over de Aardbeienplukster was mijn uitgangspunt filosofisch van aard. Het verhaal speelt zich af in een periode waarin de kerken leeglopen, waarin het dogma van het traditionele geloof, meer dan ooit, verstandelijk aan de tand wordt gevoeld; dat thema is van alle tijden, maar op dat moment meer dan ooit actueel. Zoals het spreekwoord echter zegt: als twee honden vechten voor een been, loopt de derde ermee heen. Dit liet ik in mijn roman zo gebeuren. Die derde is namelijk het hoofdpersonage Mieke, die, juist omdat zij geen enkel ander argument heeft dan haar waarachtige honger naar het leven zelf, de anderen slimmer af is. Eenmaal een dergelijke zaadje is geplant, behoort het nooit tot mijn werkwijze om door een 'planmatige', verstandelijke tussenkomst daarrond een verhaal te 'verzinnen’. Het verhaal dringt zich onweerstaanbaar aan me op. Daarnaast laat ik de tijd zijn werk doen, door het zaadje elke dag verder te laten evolueren, en er ook al eens een nachtje over te slapen, op natuurlijke wijze, zoals een boomscheut uitgroeit naar het licht. Een riskante onderneming: je hebt geen enkele garantie om niet, op zeker ogenblik, op een dood spoor te belanden. Daarom ben ik het lot of de hemel dan ook bijzonder dankbaar voor ‘de genade’, als het ware, omdat het me vergund was mijn relaas tot een goed einde te mogen brengen. 

   Bij uitgeverij De Galge publiceerde ik tevoren al een dichtbundel, maar als romancier debuteerde ik in het jaar 1981, met het boek ‘Van liefde en ondeugd.’ Een liefdesroman, met als hoofdpersonage een suppoost in een museum. Hoewel de meeste van mijn romans over man-vrouw relaties gaan, verschillen ze onderling heel erg van elkaar. Behalve in mijn twee vroegste manuscripten uit mijn beginperiode, heb ik nooit op directe wijze over mijn eigen leven verteld. Waarschijnlijk inspireerden mijn persoonlijke belevenissen me te weinig om steeds maar in die ene, zelfde richting te blijven doorgaan, in het teken van mijn eigen, rimpelloze huwelijk (hoewel dit toch ook wel passioneel was), en mijn gezin van vijf kinderen, mijn dagelijkse schrijven, mijn werkzaamheden op de fabriek... Ik zou dan wellicht het gevaar hebben gelopen, steeds aan één en hetzelfde boek te hebben zitten schrijven. Al valt zelfs daar wel iets voor te zeggen. Het opwekken van spanning en emotie is een kwestie van individuele, seismografische gevoeligheden, en meer niet. De schrijver hoeft echt niet deel te nemen aan, bij wijze van spreken, een safari, om opmerkelijke gewaarwordingen aan anderen over te brengen.

   Elk leven heeft maar één uitkomst. Toch spelen toevalligheden daarin een ongeziene rol. Onverwachts een straat oversteken, kan al voor gevolg hebben dat het leven een heel andere wending neemt dan je voor ogen had. Elke dag opnieuw staat iedereen voor verrassingen. En waarom zou je bij het schrijven niet de vrijheid mogen nemen om sommige van die niet onwaarschijnlijke toevalligheden een handje toe te steken en daarin mee te gaan? Door zelf op het toneel afwezig te blijven, kan de schrijver gevolg geven aan andere keuzemogelijkheden dan die voor de hand liggen. Niet enkel kan hij plotseling de straat oversteken en onverwachts een onbekende tegenkomen. Door van zichzelf afstand te nemen kan hij erin slagen een ander te worden. Door schrijvend in een andere werkelijkheid dan de zijne te stappen, leeft hij twee keer. Zonder dit gegeven had ik me voor mijn roman over de Aardbeienplukster, onmogelijk kunnen verplaatsen in de werkelijkheid van een jonge vrouw, of, zoals in mijn daaropvolgende roman, in die van een schrijnwerker, wiens huwelijk door ontrouw op de klippen dreigt te lopen.

   Merkwaardig hoe ik op mijn zestiende, op een technische school, tijdens de les Nederlands, ‘verklarend lezen’, kennismaakte met Beatrijs en andere middeleeuwse teksten. Er ontvlamde iets in mij, een onstilbare dorst naar het mooie, het waarachtige, het troostende dat van literatuur kan uitgaan. Van de ene op de andere dag  wisselde ik mijn strips in voor romans. Het begon met Dostojewski’s ‘De gebroeders Karamazow’ en het hield niet meer op. In de plaatselijke boekhandel werd ik een graag geziene klant. Ik las een heleboel klassieken, zoals ‘Rood en zwart’ van Stendhal, de romans van Tolstoi, Saroyan, Steinbeck. En van eigen bodem Felix Timmermans, Willem Elschot, Cyriel Buysse.

    Een tweede openbaring greep plaats toen ik op mijn achttiende, in een vertaling uit 1961, ‘Black Spring’ van Henry Miller ontdekte; een bundel deels surrealistische teksten, geschreven in 1934. Vooral het verhaal ‘De kleermakerij’ schudde mij heftig door elkaar. Dat iets zo verschrikkelijk rauw en schaamteloos eerlijk, tegelijk diep menselijk en ontroerend kon zijn, had ik nooit voor mogelijk gehouden. Een bekentenissenliteratuur die zich ogenschijnlijk totaal niks van vorm aantrok.

   Je hoefde om romans te schrijven dus toch niet hoogopgeleid te zijn. Miller was een gewone straatjongen uit Brooklyn. Als hij het kon, waarom dan niet ik? Het was of ik ontwaakte uit een droom. Maar Miller was een zeer sterke persoonlijkheid, zodat het me vele jaren gekost heeft om van zijn invloed af te komen.

    In zijn jeugd was Miller trouwens zelf ook een fervent bewonderaar van Dostojewski’s tragedies. Tot hij op een dag inzag dat dit literaire beeld niet met de werkelijkheid strookte; de menselijke ziel leek hem ineens te klein voor het grootse van dergelijke tragedies, zodat dit inzicht voor hem de énige tragedie werd. Een dergelijke aardverschuiving overkwam ook mij. Hoewel ik Millers wereld herkende en zijn proza fel bewonderde, opereerde ik als plattelandsjongen en brave zoon van een hardwerkende weduwe met groot gezin, vanuit een heel andere achtergrond. Dus moest ik, zonder me van iets of iemand aan te trekken, op zoek naar mijn eigen stem.

    Een verhaal moet er naar de vorm, als geheel, naar mijn betrachting, even rond uitzien als een biljartbal. Dit kom je niet zo vaak tegen. Maar je vind het wel, bijvoorbeeld, in Mishima’s roman ‘Een zeeman door de zee verstoten’ (1963), of Tanizaki’s ‘Dagboek van een oude dwaas’ (1961). Ook in de korte roman  ‘Agostino’ van Moravia (1945), of ‘Brandende liefde’ Jan Wolkers (1981). 

maandag 2 augustus 2021

Recensie: Het gevaar loert in Mombasa in KNACK

 

Het gevaar loert in Mombasa

Recensie in Knack -  Focus  - 9 juni 2021 - Marnix Verplancke.

In de jaren 1920 trekt de Antwerpse boekhouder Oscar Van Kleut naar Afrika om er Clara Jansen te zoeken. Die is uit Mombasa vertrokken om de Kilimanjaro te beklimmen, waarna er nooit meer iets van haar vernomen is. Oscar reist in haar voetsporen, vergezeld door de Amsterdamse landmeter Duval – of is het Duvel, zoals sommigen beweren? Vaststaat dat hij met de glimlach handen van de inwoners afhakt, onder begeleiding van Waldteufels Estudiantina of Schuberts Der Lindenbaum (Oscar heeft een grammofoon en een stel reservenaalden mee). 

Het gevaar loert in Mombasa is een heerlijke persiflage, geschreven door de eigenzinnige Robertus Baeken, die onwillekeurig doet denken aan Conrads Heart of Darkness , Tarzan en het verhaal van Stanley en Livingstone, () Er zit ook ernst verborgen achter de humor, want plots eindigt de bekende geschiedenis. Wie heeft wie vermoord, of is er helemaal niemand dood? Hoe ontstaan mythes en wat vermag de wetenschap ertegen? Ook dat intrigeert Baeken.