zaterdag 4 oktober 2025
De Afwezigheid, hoofdstuk 2: De Kreet
zaterdag 27 september 2025
DE AFWEZIGHEID © Robert Baeken 2024 FEUILLETON - Hoofdstuk 1: De zending
Ik verwachtte grote paniek. Ik stelde me voor dat de moeder na her en der rondkijken met de handen in het haar voorbij de kassa zou rennen, recht naar de politie. Dan zou ik mooi de kans krijgen mijn cola en broodje te betalen om vervolgens heel gewoontjes achter de kinderwagen aan naar buiten te sjokken. Ik strekte mijn hals. Gelijktijdig met naderende voetstappen achter me, kreeg mijn schouder een flinke dreun.
Het was de moederhaai. Haar wit gezicht schreeuwde vlak tegen het mijne, beet mijn neus af: ‘Wat moet jij met mijn kind! Hou je smerige poten thuis!’ Om niet nog meer aandacht te trekken, antwoordde ik met milde stem dat iemand van ons zich van wagentje moet hebben vergist. Ik gaf toe vaak zeer verstrooid te zijn. In elk geval was ik in deze gang op zoek om haar het wagentje terug te brengen.
De moeder rook mijn stinkende eenzaamheid. Zij rukte de kinderwagen brutaal uit mijn handen, stootte me met haar hoekige ellenboog opzij. ‘Ik haal de politie!’ gilde ze. En na een scherpe blik, zeker bedoeld om mijn gezicht in haar geheugen te prenten, ging ze ‘r ijlings vandoor.
Natuurlijk was dat bluf! Zij wist ook wel dat ik hier niet op de politie zou zitten wachten. Bovendien beschikte ze niet over één bewijs. De mensen toch!
Dat het hier dik fout liep, was achteraf beschouwd grotendeels mijn eigen schuld. Ik was te impulsief te werk gegaan. Had te veel op mezelf vertrouwd. - Niet gewacht op een teken uit de hemel! Daarom besloot ik het anders aan te pakken. Ik zou de dingen zonder mijn tussenkomst laten gebeuren. En de mensen moesten naar mij komen, - niet ik naar de mensen!
Met die ingesteldheid begaf ik me naar een bank in het parkje. Ik keek naar een metershoog anker, naar een bronzen gedenkplaat, naar de keurig onderhouden rozenperkjes en kauwde mijn brood.
Er kwam een wat oudere vrouw aangeslenterd met aan elke hand een peuter: een jongen en een meisje van een jaar of drie, vier. Zij keek naar de eerste bank, stelde vast dat de meeuwen er wat op hadden laten vallen, en liep door naar de tweede, precies zoals ik ook gedaan had. Mijn bank was proper en er was nog plaats genoeg. Die vrouw wist niet dat ik stonk. Daarom kwam ze niets vermoedend naast mij zitten.
Ik genoot van haar gezelschap, temeer omdat er peuters bij waren. Zij speelden met hun autootje in het mulle zand aan mijn voeten. Ik keek naar hen zoals ik naar twee tsjilpende mussen zou kijken, - ik bedoel: zonder de wens ze te pakken en in een kooi te stoppen.
Toen ik mijn broodje ophad, voelde ik me verplicht toch wat te zeggen. Wellicht omdat ik dit keer geen voordeel op het oog had, scheen het me best te lukken. ‘U heeft schattige kindertjes, mevrouw. Of zijn het uw kleinkinderen?’
‘Mijn kleinkinderen. Goddank! Ik zou er niet meer aan willen beginnen op mijn leeftijd. - U wel, zie ik!’
Daar de vrouw niet reageerde en ik de kans wilde voorkomen dat het gesprek volledig ophield, vervolgde ik: ‘Ik ben niet van hier. Ik had me Oostende gans anders voorgesteld. Meer toeristen. Kermis. Muziek. Families op het strand. Attracties.’
‘U bent op een verkeerde dag gekomen. Bij rotweer blijven de mensen binnen. Trouwens, Oostende is er voor de visserij, de restaurants en het nachtleven. Pak de tram en rijd naar het strand van Westende-bad. Het is hooguit tien kilometer. Daar zult u meer gezelligheid aantreffen, tenminste als het weer omslaat!’
‘O ja? En hoe zijn de voorspellingen?’
‘Gunstig! Morgen wordt het hier even fijn als in het binnenland.’
Ik zei: ‘Dank u!’ Een stommiteit. Want voor mooi weer heeft niemand een vinger in de pap. Maar ik geloofde de vrouw. Meer nog: voor mij was ze een levend orakel. En met wat zij zojuist had verklaard, kon ik het best stellen. Maar nu stond ik wel voor een dwingende keuze; of ik keerde morgen terug, of ik nam een hotel.
‘U bent hier bekend, hoor ik. Weet u, ik zocht eigenlijk een goedkoop hotel.’
‘Wat noemt u goedkoop? Mijn oudste dochter is getrouwd met een hotelbaas! Vandaag pas ik haar kinderen op.’
‘Tja, het treinverkeer kruipt in mijn portemonnee. Hm... Ik zou zeggen... Vijfendertig euro?’
Begon die vrouw me daar in het gezicht uit te lachen! Te lachen! Jeetje, zulks had ik nog nooit meegemaakt! Om mijn figuur te redden, zei ik dat ik ook wel meer wilde uitgeven.
Dit hielp haar om tot bedaren te komen. ‘Dat geloof ik,’ zei ze. ‘Haha... Want voor minder dan vijftig zal ‘t u nergens lukken, haha... Of u neemt gewoon een kamer bij een familie. Zimmer frei, noemen ze dat!’
Alweer had het orakel gesproken! Om die reden had ik uit dank voor die vrouw op de knieën moeten vallen. En in zekere zin was ik haar ook dankbaar. Maar tegelijk haatte ik haar. Ik haatte haar omdat ze niet direct gezegd had: ‘Maar schaapje, neem toch een Zimmer frei!’ Ik haatte haar om het misprijzen dat ze duidelijk voor Zimmer frei had laten horen, om de vernedering die ze mij had laten ondergaan, gewoon omdat ik niet graag nodeloos geld uitgeef aan een dure tent als die van haar schoonzoon. Ik haatte haar nu even erg als dit stinkende Oostende waar ik de hele dag als een schurftige hond vergeefs had rondgedwaald.
Ik had genoeg in mijn binnenste laten kijken. Ofschoon ik haar nog had kunnen vragen waar de tram naar Westende juist passeerde, vertikte ik het mijn mond open te trekken. Diep beledigd stond ik op, propte de lege broodjeszak en het flesje cola naar behoren in een vuilnisbak en verliet het park.
Ik wist nu al min of meer hoe Oostende gebouwd is. De eerste boulevard met tramsporen leidde me recht naar de terminus in de buurt van het treinstation. Hier stond juist een tram voor de westkust te wachten. Ik betaalde en ging zitten. Mijn rechterhand schoof in mijn zak en bevoelde de paternoster. Ik zei tegen de Heer dat hij me niet langer in het ootje mocht nemen. ‘Als ik met lege handen naar huis moet, blijf ik straks in de verdorven straat hangen. Dan gooi ik mijn kussentje in de hoek, schiet daar een gore kroeg binnen en ga met felrode lippen en opgeschorte rok op een barkruk zitten. Ik ben geen schoonheid. Maar mijn knieën mogen gezien worden. Wie weet trek ik op de dansvloer wel een Antwerpse zoetwatermatroos tegen het lijf! Van mij mag hij alles met me doen wat hij wil, behalve me doodknijpen. En van messen ben ik ook zeer bang!’ Maar zover was het nog niet. De Heer maakte nog kans. In Westende-Bad ontdekte ik recht tegenover de eerste tramhalte al een vrije Zimmer frei. De uitbaatster, een dikke, volkse vrouw brabbelde een onverstaanbaar West-Vlaams en toonde me een volledig bemeubelde kamer op de eerste verdieping. Ik zei dat ik slechts één bed met dekens nodig had: niet dat tweede bed, en ook geen tafel of stoelen. ‘Dat doet niets af van de prijs,’ beweerde ze. ‘Vijftig euro per nacht.’ Zij zag me hevig schrikken. Misschien meende ze dat ik haar niet had verstaan. Of anders vreesde zij dat ik op zoek zou gaan naar een goedkopere kamer. ‘Vijftig,’ articuleerde ze. ‘Al het kan ook iets goedkoper! Ik bedoel: zonder btw.’ Ik begreep direct haar poging tot belastingontduiking. ‘Zonder btw graag! Die ministers pluimen ons al genoeg!’ En daarmee was de deal rond. Ik moest wel eerst betalen en mijn identiteitskaart laten zien. De madame schreef alles op een kladje, - niet in het officiële register dat ernaast lag. Ik ontving een sleutel. Daarna liet ze me alleen. Ik knoopte mijn kussentje los, gooide mijn schoenen uit, ging languit op het bed liggen en schudde mijn portemonnee leeg. Er zat nog genoeg in voor twee overnachtingen en twee tickets retour. Ik overwoog aan het kraampje op de hoek van de straat een hamburger te gaan halen, of een zakje frieten. Mijn lege maag rammelde van jewelste. Maar toen gingen mijn gedachten naar de ontberingen van Jezus in de woestijn: veertig dagen lang. Ook dacht ik aan deze bijkomende kost en dat het voor de liefde van een zoetwatermatroos alleen maar bevorderlijk kan zijn als ik wat van mijn zesentachtig kilo kwijt zou raken. Uiteindelijk gaven deze extra uitgaven de doorslag. Ik stapte naar de lavabokraan, dronk een karaf water en ging naar bed. In het donker bonkte iemand op de deur. Ik deed open en tot mijn verrassing bleek het Nelson, vermomd als de reus Bekker op zijn terugkeer van een kale reis. ‘Waar is het kind?’ loeide hij. Fier toonde ik hem mijn baby. Er vonkte een boosaardige glans in zijn varkensogen. Zijn knoestige vingers drukten tegen het kinnetje, zodat de tere lipjes als half ontloken bloemblaadjes van elkaar gescheurd werden. ‘Het heeft geen tanden! Waarom heeft het geen tanden?’ Daarop werd Bekker zo woest dat hij mijn baby uit de wieg pakte. Tussen zijn vingers leek het op een witte voetbal. ‘Wat een lelijk mormel!’ gromde de reus en schopte de bal tegen de muur. Daarna greep hij me bij de polsen. ‘En nu gaan we rampetampen!’ Ik verzette me, krijste om hulp, maar zijn machtige hand drukte op mijn mond. Terwijl hij aan zijn vuile maneuvers begon, greep ik mijn paternoster, bad tot de Heer dat ik geen schuld had aan mijn genot. Bekkers zwarte adem verstikte mijn roep. Ik opende mijn ogen en hoorde het stampen van een boot en de verre scheepshoorn, midden in de nacht. Morgen schrijf ik hem een brief, dacht ik niet zonder enige spijt. Ik schrijf hem dat hij niet meer moet komen, of ik schiet ‘m van het erf. Die nacht werd ik nog enkele keren geplaagd door de misthoorn. Verder had ik uitstekend geslapen.
Vooral de firma’s op de dijk, waar ze fietsen, gocarts en duwwagentjes verhuren, genieten mijn belangstelling. Daar de wagentjes vermomd zijn als autootjes, treintjes, eendjes, rijdende bananen, krioelt het er van de kinderen. Er wordt ook wat afgehuild. Maar dat hoort erbij. In de Distellaan, de belangrijkste binnenstraat, staat zelfs een draaimolen. Het is hier dat ik een mooie kans zie gebruik te maken van de verstrooidheid van een ouderpaar om met hun kleine aan de haal te gaan. Maar juist voor ik het erop waag, herinner ik me de mislukking in de supermarkt. Heeft de Heer me een teken gegeven? Nee! Eerder dan naar kinderen moet ik uitkijken naar Zijn teken. Ik wandel van het ene eind van de dijk naar het andere, vervolgens naar de draaimolen en zo weer terug.
Middag. Ik koop een ferme hamburger met veel ui.
Twee uur. Ik begeef me naar de openbare toiletten en maak daar van de gelegenheid gebruik om mijn mond onder het kraantje te houden.
Drie uur. Nog steeds geen teken! Aan een fruitkraam koop ik een harde appel en zet er flink mijn tanden in. De lucht betrekt. Tien minuten later begint het te regenen! In een mum van tijd is de hele dijk ontruimd.
Vier uur. Ik sta in een tochtige hal naar de gietende regen te kijken.
Vijf uur. De zee is grauw. De hemel loodgrijs. En het regent nog steeds. Ik begin te wanhopen. De zoetwatermatroos heeft zijn slag thuis!
Zes uur. Boven de zee klaart het op. Ik ben verkleumd.
Zeven uur. De regen is opgehouden. De toeristen verschijnen in kleinen getale weer op de dijk. Maar mijn tijd dringt. De zon zit achter een ondoordringbare wolkenmassa. Het lijkt wel een hooggebergte, geschraagd door twee dikke zuilen, wit oprijzend uit de zee die eruitziet als de licht afgevende buik van een reusachtige walvis. En als je goed kijkt, zie je tussen de zilveren schubjes ook het bewegen van kleine, watergroene streepjes. Ik keer me om en sta bij een verhuurfirma waar een gezin voor de jongste telg een wagentje huurt. Het is een jongetje van een jaar of twee, hoogstens drie, met asblond haar. Ik kan mijn ogen niet van hem afhouden. Hij luistert naar de naam Matthias. Terwijl zijn grote zus hem voortduwt, zodat hij me rakelings passeert, kan ik me ‘r niet van weerhouden heel eventjes een hand op zijn hoofdje te leggen. Ik glimlach naar hem. Langs mijn hand word ik doorstroomd van een overweldigend geluksgevoel. Heel mijn gemoed zingt.
Ik volg het gezin van op een afstand. De oudste zoon zit in een rolstoel. De moeder duwt hem, heeft het druk met opletten om niemand aan te rijden. De vader, een wat kalende, deftige heer, bestudeert bij elk eethuis de prijslijst. Tussen hen laveert een knaapje van een jaar of acht. Hij heeft een pluizig hondje aan de leiband. Moeilijk te zeggen of het een witte hond is met zwarte vlekken, dan wel een zwarte hond met witte vlekken.
Het gezin draait de Distellaan in. Het oog van de vader valt op een restaurant met overdekt terras. Hij vraagt de anderen eventjes te wachten. Dan breekt de zon door. Ik voel de gloeiende hand van God in mijn nek. De vader komt met een goedkeurend knikje naar buiten en het gezin maakt aanstalten te gaan zitten. Ik stap naar de overkant en blijf in de weerspiegeling van een etalage toekijken. De rolstoel veroorzaakt wat moeilijkheden, maar tegen dat de patroon met de menukaarten op het terras verschijnt, zit iedereen lekker, behalve Matthias. Voorlopig moet hij niet uit zijn wagentje.
Nu zie ik iets wonderlijks gebeuren: terwijl de gezinsleden over het menu van gedachten wisselen, stapt Matthias onopgemerkt uit zijn karretje en spoedt zich met zijn vinnige beentjes dapper naar de hoek van de straat. Eerst dacht ik dat hij op weg was naar de draaimolen. Maar nee, hij loopt met de wind mee en volgt de dijk! Bij de verhuurfirma blijft hij staan en wijst beteuterd naar de voorovergebogen rug van Popeye, een zeeman op wieltjes. Ik sta al met mijn portemonnee klaar en betaal voor een uur. Het verhuurmeisje vraagt mijn identiteitskaart, maar dat vind ik riskant.
‘Veronique!’ Zo heb ik altijd willen heten. ‘Schrijf maar op: Veronique Verstappen. Statiestraat twee, Antwerpen.’
Vervolgens duw ik mijn kleine Matthias. En terwijl ik hem zoete woordjes toefluister, kiezen wij een straatje tussen hoge appartementsgebouwen; een stil straatje dat ons leidt naar het eerste tramhok langs de schier verlaten kustweg.
maandag 9 juni 2025
KOEBIK (Roman)
SYNOPSIS:
De titel
zinspeelt op ‘ikboek’. De protagonist ‘ik’ wordt nergens bij naam genoemd,
terwijl zijn onzichtbaar aanwezige antagonist zich ter vereenvoudiging van zijn
identiteit als ‘Koeb’ voorstelt.
De roman parodieert een futuristisch universum
dat de menselijke gedragingen, gelijklopend met die van heden, gedurfd te kijk
stelt. Groteske fantasieën, gekoppeld aan een onwrikbaar volgehouden logica,
leggen een uitvergrotende vinger op de menselijke conditionering. Als duider
fungeert de alom aanwezige humor: enkel wat met een lach gezegd wordt, is
waarheid.
Het leesavontuur begint als ‘ik’ gaat
solliciteren bij een machtig bedrijfsimperium, waarvan hij door zijn fanatiek
idealisme de leider, voluit ‘Koebik’ genaamd, tot een bovenmenselijke status
heeft verheven. Tot zijn teleurstelling stelt hij vast dat het bestuur en de
hiërarchie in Koebikstad, waar hij hoopt aan de bak te komen, niet aan zijn
voorstelling beantwoordt. Reeds de eerste dag komt hij in contact met twee
elkaar bestrijdende rebellengroepen. Als blijkt dat hun doel om het gezag en de
corruptie te herstellen slechts een mom is om zelf de macht te grijpen, gaat
‘ik’ naar zijn door hem verafgode leider op zoek. Vermits deze afstand genomen
heeft van zijn familienaam, gewoon aan loodgieterij doet en niet langer in het
paleis verblijft, kan hij onmogelijk als leider erkend worden. De schier verborgen
strijd tussen twee onverzoenbare vormen van identificatie, waar het in de roman
om draait, wordt tot de laatste regel op de spits gedreven.
maandag 30 december 2024
BRIEF AAN FELIX TIMMERMANS Gedicht voorgedragen op 29-12-2024 in de kelder van boekhandel De groene Waterman - Antwerpen
Foto: Valérie Van Dijk
BRIEF AAN FELIX TIMMERMANS
nooit ben ik aan je verslaafd geweest.
Wel dank ik jou,
met mijn eerste vrienden
Pieter, Cecilia en Adriaan.
Tussen twee generaties
sinds de antieke Wortel.
Jezus en Maria staan op stal.
In memoriam Felix Timmermans, na 27 jaar.
als een eerste liefdesbrief.
Robert Baeken
woensdag 24 april 2024
maandag 29 januari 2024
JONGEMAN STAPT WIJDE WERELD IN
In dit hedendaagse sprookje voor volwassenen, worden de lachwekkende belevenissen verteld van een ambitieuze jonge uitvinder, die zich tijdens zijn vrije uren bezighoudt met tapdansen, het bestuderen van hemellichamen en het volgen van de levensloop van beroemde filmsterren. Tijdens een receptie bij de inhuldiging van nieuwe kantoren, behorend tot een industrieel concern, wordt hij smoor op een operadiva, het lief van de grote baas. In de loop van de avond komt hij erachter dat de uitgestalde rijkdom slechts glitter is, daar het concern, als gevolg van haar intriges, aan de rand van het bankroet staat. Voor hem een gelegenheid om zijn plaats in het middelpunt van de financiële wereld binnen te rijven. Dit humoristisch verhaal van 120 pagina’s doorlopende tekst, speelt zich af op één locatie gedurende één avond.
Parrallel met een vloed van alle literaire grenzen overschrijdende gebeurtenissen, wordt op gelijke tred een verrassende kijk geboden op de sociale gelaagdheden rond het menselijk bestaan: de werkelijkheid voorgesteld als een allegorie waarin elk detail bekend voorkomt. Met een groteske lach worden naast alledaagse waanzinnen, herkenbare karaktertrekken als ijdelheid, hebzucht en geldingsdrang doorgelicht.
Eerste pagina's:
Venus bestaat. Ik heb haar met
mijn eigen ogen gezien. Iets bestaat pas voor zover het ook gezien wordt. En zo
gaat het met menschen als met planeten: het is niet genoeg voor een
rondzwervend object om in de kijker te lopen. Nee, er moet iets opvallends mee
gemoeid zijn, waardoor de observator de aandrang voelt het beeld scherp te
stellen om na te gaan of wat hij in de vlucht heeft opgemerkt, terecht of niet
zijn aandacht verdient.
Ik was op een receptie bij De Blauw ter
gelegenheid van de inhuldiging van zijn nieuwe kantoren. En terwijl ik me
tussen de dichte drommen van aanwezigen naar het buffet begaf, viel me tegen
een achtergrond van afgezaagde wijsjes op een piano en geroezemoes van velerlei
stemmen, plotseling een rij gehakte klanken op. Omvallende dominostenen: ongewoon
muzikaal, helder, en - ofschoon van een donker, welhaast mannelijk timbre, - duidelijk
afkomstig van een operadiva. Zo klinkt alleen Hoogduits. Delicaat brons. Hoogst
zeldzaam in onze mosachtige contreien.
Daar zag ik De Blauw, bijgenaamd de Beul van
Katanga, langs de rugzijde. Een grauw, blauw pak over zijn corpulente, misdadige
schouders. Ik zou haast zeggen: de achterzijde van de maan, die mij, in de
richting van de vallende dominosteentjes, het zicht belemmerde. Hij was omgeven
door een blauwe kring van hem gunstig gezinde satellieten, - trawanten of
slippendragers die, zeker doordat ze voor hun mateloze ambities van hem
afhankelijk zijn, hetzelfde beulsgezicht reflecteerden als hij. Aan hun mond
kon ik zien dat De Blauw glimlachte. Aan hun ogen en hun eenstemmige knikjes
mat ik de graad van geveinsde belangstelling waarmee De Blauwe beul naar een
spreker luisterde. Ofschoon ik me ook al een tijdje binnen zijn invloedsfeer
bevond, - wat trouwens mijn aanwezigheid hier verklaarde, - behoorde ik nog
niet tot deze elitaire satellietengroep. Het zou dan ook van een onvergeeflijke
aanmatiging getuigen als ik me, hoewel ik ter wille van De Blauw niet minder
bereid was een glimlach te veinzen of met blinkende ogen ja te knikken, zonder
een uitnodigende wenk bij het kringetje zou aansluiten. Dus liep ik door. Alsof
ik niets beters te doen had dan me, zoals de eerste de beste knul alhier, een tweede
glas Royale Touch met sappig fruitje van verse kumquats te laten inschenken.
Terwijl de barkeeper hiermee bezig was, draaide ik me om en posteerde er met de
zelfverzekerde koelheid van de harde bink, die volop bezig is het te maken in dit leven. Van jongs af eraan
gewend hele melkwegstelsels aan je oog te zien voorbijtrekken, raak je niet
dadelijk van slag als er toevallig een Duitse Venus in het vizier komt. Mijn
oog was beslist wetenschappelijk neutraal en onbevangen. Dit wil zeggen dat ik
niet toegaf aan mijn eerste indruk door, zonder op tekortkomingen te letten, te
gaan steigeren voor een weinig geziene vorm van schoonheid, zoals zij die naar
mijn gevoel uitstraalde.
Dat ik mijn glas voor slechts driekwart
gevuld kreeg, belette me niet mijn tijd te nemen voor enkele minpunten.
Objectief gezien kon men de Duitse struis noemen. Voor mij persoonlijk betekent
dat geen strop. Uitgemergelde skeletten horen in een kist, diep onder de zoden.
Een bolle boezem belooft overvloed. Mijn blik daalde naar de volgende welving,
- haar buik. Ook die zag er volgens de gangbare normen te mals of weelderig
uit.
Gangbare normen! Laat die grijze klootjes
van onbenullige meteorieten uit hun nek kletsen! Laat ze bij de eerste
aanraking met de dampkring opbranden en tot stof verpulveren! Liever ontblootte
mijn koortsachtige verbeelding een intiem moment van haar toestemming, zodat ik
mijn hand er ongehinderd overheen kon leggen en de vlezige veerkracht voelen:
een mateloos Vergnügen, aangenaam begeleid door haar mij
aanmoedigende, speelse gilletjes.
Haar gezicht wil ik niet beoordelen. Dat
gaat zoals bij het voorkomen van planeten: elk gelaat, of dat nu blauw, rood,
of wit is, kan er de ene nacht mooi dan weer lelijk uitzien. Praat me nog
minder over make-up of haarkleuren! Het zijn eerder de innerlijke stemmingen die
men moet beoordelen. Aangezien deze Venus Hoogduits sprak en eerder bleek van
huid was, zou men een blonde vamp verwachten. Vandaar mijn vermoeden dat de ravenzwarte
tressen, loshangend achter haar forse schouders, geverfd moesten zijn, precies zoals
bij de Koningin van de nacht uit Mozarts Die
Zauberflöte.
Bedenkend dat ik het voorlopig met minder
schoonheid moest stellen, begaf ik me, omzichtig vanwege het gevulde glas in
mijn hand, weer naar Justine, mijn vertrouwde gesprekspartner. Afgaand op de
Hoogduits vallende klankenrij nam ik dezelfde weg terug. Net voor die Venus
opnieuw achter De Blauws beulse heuvelrug wegdeemsterde, ving ik nog een
wonderlijke glimp op van het fijne beha-lintje, dat haar volle schouders
smaakvol in twee congruente parten deelde. Ik proefde een laatste druppel
schoonheid en onderging in één oogwenk de vluchtige bloei van het leven zelf.
‘’t Is toch niet doordat jij je stom
verveelt dat je weer verliefd moet worden!’ hoorde ik de eeuwige scepticus in
mij. Mijn voorhamer sloeg dat lastige kereltje in één klap de schedel in.
Vanaf
hier wist ik wat ik met mijn leven moest aanvangen.
zondag 18 juni 2023
TWEE HOOFDEN (Roman)
Als privédetective Joseph Reinhout wordt uitgenodigd op de lijkschouwing van een onthoofde vrouw, van wie hij in opdracht van haar echtgenoot al enkele dagen bewijzen verzamelt dat zij hem ontrouw was, komt hijzelf in nauwe schoentjes te staan. Niet enkel circuleert er bij de politie een compromitterende foto van hem met die dame. Onder zijn bed wordt ook een bebloede machete gevonden met daarop zijn vingerafdrukken. De plot wordt nog ingewikkelder als zijn oude vriend en diens vrouw tijdens hun vakantie in Oostenrijk met hun wagen in een ravijn storten. Dat het hoofd van die vrouw niet wordt teruggevonden, stelt Joseph voor een tweede raadsel. Om de zaken in zijn eentje op te lossen, probeert hij uit de handen van de politie te blijven.
Nieuw in het genre is de introductie van een levensecht personage wiens eigenzinnig karakter evengoed via zijn speurwerk als privéleven aan het licht komt. Het uitgebalanceerde evenwicht tussen diens uiterlijke waarnemingen en rijk innerlijk leven, houdt het verhaal over de ganse lijn fris en voor de lezer herkenbaar, alsof hij het zelf beleeft. Verhelderend is Josephs vereenvoudigde kijk op de wereld; al maken ook zijn zwakheden, angsten, obsessies en twijfels hem door en door menselijk.
Fragment:
Vreemd hoe Joseph ondanks de spanning van het wachten nog oog had voor de verkeerslichten en voor alles wat er langs de weg gebeurde. Als hij een eenzame wolf was, dan heette dit zijn jachtgebied. Daar achter het stuur van een passerende wagen een jakhals, ginds een troep buffels. Op het einde van de rit stonden meedogenloze jagers hem met hun geweren op te wachten. Hij kende dit levensgevaarlijke, onherbergzame terrein door en door. Hij kende de mens, heerser over tankstations, over industrieterreinen, over villa's langs de openbare weg, over scholen, bankgebouwen, supermarkten, vijvers, sloten en kanalen. Hij, de man die al jaren bezig is het geweld waarmee dit alles wordt opgebouwd met de koelheid van een onpartijdige te registreren, hij heeft zich nu voor het eerst schuldig gemaakt door zelfzuchtig in te gaan op zijn eigen menselijke gevoelens. Dus zal recht geschieden! De horde zal zich op zijn kadaver storten.
vrijdag 24 maart 2023
Parijs, de beesten (Roman voltooid in juni 2023)
In Parijs de Beesten wordt privédetective Joseph Reinhout losgelaten op een zaak die aanvankelijk te klein lijkt voor zijn talent: het terughalen van een weggelopen rijkeluisdochter. Behalve een opdrachtgever die liever niet te veel kwijt wil, beschikt hij over brieven van haar correspondent, student aan de Parijse Sorbonne. Al snel blijkt de eenvoudige zaak een valkuil. In de schaduwen van de lichtstad wordt hij de hele tijd door een zonderling heerschap op de hielen gezeten. Met een lichtvoetigheid, gecombineerd aan duistere elementen, - een evenwicht dat niet makkelijk te bereiken is - ontvouwt zich naast de dreigende plot rond een criminele bende van vier, een verrassende mélange van série noire: spanning, komedie, melancholie en scherpe observaties van het stadsleven. Actie en introspectie wisselen elkaar met een modern gevoel van ritme in snel tempo af. De personages zijn levendig, altijd herkenbaar in hun verlangens en zwaktes. Parijs is een inspirerende medespeler: verraderlijk en onbetrouwbaar. Wie houdt van literair vormgegeven met een vleug romantiek die evenveel charme ontleent aan zijn plot als aan de sfeer van achterkamers, rokerige studentencafés, emotionele resonanties en misdaadlogica, zonder zijn gevoel te verliezen voor het absurde van het dagelijks bestaan, zal hier enorm plezier aan beleven.
dinsdag 6 december 2022
De Trap
https://www.bravenewbooks.nl/site/userwebsite/index/id/robertusbaeken


.jpg%20kaft.jpg)


