zaterdag 22 augustus 2026

STRIJD (Essay)

 

STRIJD

Het zelfbeeld

Om hoogte te krijgen van zich­zelf en te begrij­pen hoe dat beeld eruitziet, is het logischerwijze nodig de blik naar bin­nen te richten, - wat onmo­ge­lijk zou zijn als de inner­lijk­heid zich niet zou manifesteren als een verhulde bui­ten­kant. Zo speelt alle leven zich af binnen een entourage, samengesteld uit een ons vertrouwde buitenwereld en een innerlijk sentiment dat die buitenwereld wekt. Buiten en binnen zijn onafscheidelijk. Samen vormen zij het geheel van onze gewaarwordingen. Enerzijds zijn er de zichtbare dingen, anderzijds de individueel gekleurde invalshoek van waaruit wordt geobserveerd.

   Het eerste wat de naar binnen gerichte blik opvalt, is de wisselende gedaante van die verbor­genheid. De ene dag is er volop kleur en vrolijkheid, de volgende dag droefenis alom. Het heeft wat van kijken naar foto’s uit een oude doos. Herinneringen en constanten in het eigen gedrag glippen mee naar binnen, - aangenaam of niet. Afgezien daarvan blijft de vraag: ‘Wie ben ik, wars van alle karaktereigenschappen?’

   Maar voor een vereenzelviging die de actualiteit overstijgt, zou men uit het causale verband van de kersverse gebeurtenissen moeten treden: een onmogelijke zaak, daar de zintuigen uitsluitend zicht hebben op het heden.

   Vandaar lijkt ononderbroken aandacht mij de enige manier om tot zelfkennis te komen. Maar de moeite die men zich bij een dergelijke opdracht voorstelt, is vast teveel gevraagd. Vergelijk het probleem met dat van een metselaar die al doodmoe wordt bij de gedachte aan de nakende bouw van een huis. Nochtans voltrekt de constructie zich ook hier enkel steen na steen.

   In plaats in te zetten op waakzaamheid vindt men het handiger de oude fotodoos weer boven te halen. Deze schijnt genoeg elemen­ten te bevatten om een statisch beeld mogelijk te maken. Zelfs bij therapieën wordt hiervan gebruikgemaakt. Daarbij wordt uitgegaan van de veronder­stel­ling dat voorbije levensprocessen, persoonlijke en familiale ervaringen, spe­cifieke lichamelijke condities of maatschappelijke invloeden, elk individu maken tot wat hij is. Dit zelfbeeld wordt nog versterkt doordat oude gewoonten vroeg of laat on­ver­mij­de­lijk weer op­dui­ken. In de psychoanaly­se ontleedt een bevoegde ie­mands le­vensver­haal om op grond daarvan diens wezenlijke aard te beschrijven.

   Een zelfbeeld dat is samengesteld uit oude beelden wordt, daar er steeds weer nieuwe beelden bijkomen, altijd wel gecor­ri­geerd maar is, in ver­gelij­king met het veranderlijke van de blote fei­ten, toch overwegend statisch: een eigenschap die velen een psychologisch houvast verleent. Mensen richten zich op het fysieke bestaan dat in grove lijnen voorkomt als een voorspelbare continuïteit waarin orde heerst en regelmaat, zelfs al klop­pen deze uitgetekende levenslijnen lang niet altijd met de werkelijkheid.

   Eenieder die zich­zelf met fijngevoelige aan­dacht bekijkt, moet toegeven dat het in­der­daad onmogelijk is zich los te zien van het veranderlijke milieu en de gebeurtenissen. Zo sluipt er al­tijd wel iets binnen het totale blikveld waardoor men anders voorkomt. Rekening houdend met de omstandigheden verschilt elk actueel levensge­voel van alle vorige gewaarwordingen.

   Wel is het mogelijk om gedachten, ervaringen en gevoelens onder gene­ralise­rende noe­mers te brengen, waardoor zij na­der kunnen worden om­schre­ven, maar ook wel versterkt of zelfs uit hun verband gerukt. De gewaarwordingen heb­ben zelf evenwel geen be­hoefte aan taal. Zij doen zich voor en daar­mee houdt het op.

   Dit alleen is al een goede reden om wantrouwend te staan tegen­over termen. Beter dan het woord ‘zelfkennis’ in de mond te nemen, zou men spreken over ‘zelfwaarneming’. Nog beter zou het zijn hele­maal niets te zeg­gen. Het inner­lijke blik­veld biedt immers de enige ware kennis over zich­zelf; ook al is die ondeelbaar verweven met het heden en de hui­dige wereld. Bovendien kan aan die ken­nis, de aard en de reikwijdte van dat blik­veld, onmoge­lijk uitdruk­king worden gegeven. Hiervoor sch­iet taal te­kort, pre­cies zoals het psychoanalytische beeld als uit­komst van al­lerlei samengestelde beel­den uit iemands ver­le­den, tekort­schiet.

 

Eigenheid versus modellen

Om hoogte te krijgen van de unieke structuur die het zelf met de uiterlij­ke wereld ver­bindt, zou men zich beter niet op enige conventie richten. Zo zit mijn eigenheid niet in een naam, noch in een be­schrij­ving van mijn karak­ter, noch in het beeld dat ik van mezelf heb of anderen van mij hebben. Mijn eigenheid is voortdurend in beweging; daardoor zit zij die­per - of juist min­der diep - dan elke vorm van reflectie.

   Als mijn identiteit ­niet vrij is van kennis of vaardigheden, als zij niet vrij is van ­voorstellingen, als ik haar niet kan losmaken van alle materieel- of geestelijk erf­goed, zoals bezittingen, baan, dage­lijk­se gebrui­ken en dat gemeenschappelijk bolwerk waar­mee mijn persoonlijke levensvorm is vervlochten, dan ben ik het afgietsel van een in zwang zijnde model.

   Zich als een heremiet in een grot terugtrekken helpt niet om aan dit hele gedoe te ontsnappen. Het lijkt me juist erg belangrijk zich bewust te zijn van alle individuele banden met de buitenwereld: zelfs als het zou gaan om valse schijn. Immers, van zodra de komedie doorzien wordt, houdt alle komedie op. Gekleed lopen wil niet altijd zeggen dat het daardoor vergeten wordt wezenlijk naakt te zijn.

   Door zich glad­jes naar de ande­ren te voegen, komt een individu al gauw voor als een brave bur­ger. Maar ook dit heeft niets van doen met eigenheid.

   Eigenheid zit in het directe contact met de ogenblikkelijke gewaarwordingen. Dit contact manifes­teert zich niet noodzakelijk naar buiten. Het is juist een zeer interne aange­legenheid die voortkomt uit het besef dat jij als persoon ieder ogenblik in een andere staat verkeert ten opzich­te van het vorige moment, waardoor je niet enkel ten opzichte van jezelf, maar ook ten opzichte van de anderen telkens weer anders voorkomt. Die anderen passeren wel langs jou, en daarbij voel je je volkomen vrij om al dan niet in die stroom mee te gaan. Dit betekent evenwel niet dat je je daaraan conformeert. Terwijl je meedrijft, belet immers niets je van wat jou overkomt indirect als een unie­ke waar­heid naar de ande­ren uit te dra­gen.

   Het is begrijpelijk dat als het al enorme moeite kost behoorlijk met zichzelf te leven, het nog moeilijker wordt om in harmonie met anderen om te gaan. Een genuanceerde blik is nodig. Dat alle mensen onderling van elkaar verschillen, maar ook dat zij steeds weer een tikkeltje an­ders voorkomen, houdt de spontane be­lang­stel­ling voor de ander gaande. In dat geval kijkt men zonder nor­men te hanteren, zonder dat stati­sche beelden de blik ver­troe­belen, zonder te ver­ge­lij­ken, zonder te oor­de­len. Wellicht ontstaat er uit deze belangstelling naast verwondering ook empathie, begrip, mede­dogen, gene­gen­heid.

   Het vermogen tot abstraheren is een menselijke eigenschap. Het rationele brein legt onop­houde­lijk ver­banden. Het treedt buiten het heden. Het houdt reke­ning met het verle­den en probeert de toekomst te plannen. Hieruit zijn aller­lei psychologische constructies ontstaan die ertoe bijdragen om het dagelijkse leven praktisch in te richten en een geordende samenle­ving moge­lijk te maken. Maar juist doordat dergelijke abs­trac­ties niet altijd netjes zijn afgelijnd en daardoor vaak fout gehan­teerd worden, is het belangrijk te blij­ven inzien dat het slechts gaat om technische hulpmid­delen bezij­den de waar­heid. Want niets schijnt mensen te verhinderen om zich via malafide gewoonten ongelimiteerd te buiten gaan.

   Zo zadelt een individu zich algauw op met een kant-en-klaar beeld van zichzelf en de ander. Niet langer kijkt hij met een onbevangen blik. Nee, hij zit met statische modellen waarvan hij overtuigd is dat de werke­lijk­heid hieraan beantwoordt. Die beelden kunnen zowel ideaal zijn als negatief, zowel hoog verhe­ven als platvloers. Door­gaans zijn het modellen die beantwoorden aan hoopvolle verwachtingen, afgeleid van oudere waarnemingen en vandaar tweedehands. Hoe minder correct met dit gegeven wordt omgegaan des te gro­ter de kans dat deze verwachtingen mensen van zichzelf en de ander vervreemden.

      Pas gevaarlijk wordt het als hele bevolkingsgroepen zich verenigen rond ideeën, geponeerd als absolute waar­heden die het verdienen om col­lectief te wor­den nagestreefd. Er ontstaat dan zoiets als indoctrinatie. Meestal gaat het om populistische model­len die in staat zijn grote massa’s te beïnvloeden. Zij zaaien verdeeldheid en geven aanleiding tot bloedige twis­ten of ‘heilige’ oorlo­gen, waarbij de legers aan beide kanten van het slagveld gezegend worden.

  

Strijd

Nochtans gaan heel wat individuen er prat op dat zij zich niet door omstandigheden laten dwin­gen. Als hen ver­boden wordt van een appel te eten, groeit de aandacht voor die appel plotseling mijlenver boven het ni­veau van de aandacht die deze vrucht in gewone omstandigheden zou verdienen. Hoe strenger het taboe, hoe onweerstaanbaarder hij er gaat uit­zien. De appel wordt het voorwerp van een ware ver­zoeking; het gezonde beoordelingsvermo­gen dat het sap reeds in de mond voelt opstijgen, vraagt zich terecht af wat er mis aan zou zijn om de tanden te zetten in iets wat symbool staat voor alles wat de geest verworpen heeft zonder dat het van het lijf toestemming heeft gekre­gen.

   Men kan niet zichzelf op een vergulde sokkel plaatsen­ en tegelijk beide handen aan het dage­lijkse leven bevuilen. Daarom gaan weer anderen liefst stiekem, met een bocht voorbij het ideale, maar hinder­lijke beeld dat de goegemeente voor eenieders neus in zijn majestei­telijke glorie heeft opgericht. Ook zij gehoorzamen aan een natuurlij­ke drang, want het leven laat zich niet in een hoek­je drummen.

   Het re­sultaat is dat allen, door niet te beantwoorden aan het voorgeschreven model, zich uiteindelijk mislukt voelen. Hun specifieke mense­lijk tekort krijgt een naam, wat een soort van diagnose is, een lelijk brandmerk, een ziektebeeld, een vonnis. Na de goede voornemens kan de strijd om een ‘beter’ mens te worden overnieuw beginnen. Deze strijd duurt al zol­ang als de mensheid zelf. Zo blijkt de wereld nog steeds bevolkt door grote en kleine mislukkelingen die de ver­halen leveren waarmee de kranten vol sta­an.

   Zolang het menselijke gedrag gericht is op woorden, beelden, modellen, wordt er geoordeeld. Dit weeft een web van tegenstellingen waar niemand ooit uit­ geraakt. Want zoals meestal wordt voorge­steld, bestaat het goede als een tegenvoeter van het kwade. Zoals licht en duisternis: het ene dankt zijn bestaan aan het andere, terwijl ook het omgekeerde waar is.

   Om die reden zou ieder voor zichzelf beter de handdoek in de ring gooien door elke schuldvraag van de hand wijzen: het goede en het kwade als verzamelnamen voor alle ethische, religieuze of maatschappelijke beginselen. Ten­ min­ste zou het goed zijn in­ te zien dat het onmogelijk is deugdzaamheid te verwer­ven zonder het ego op te hemelen.

   Leven met de nodige aan­dacht, waar­bij naar toe­stan­den in zichzelf wordt gekeken zon­der ze te formuleren, te verge­lij­ken, te beoordelen en zonder zich daarbij door andermans kijk te laten beïnvloeden, kweekt naast een vrije keuze ook persoon­lijke gevoeligheid aan. Immers, het toe­zien op het eigen ge­drag met al zijn wisselende nuances, tekent dit gedrag ook. Het neemt de ziener zodanig in beslag dat som­mige overblijfselen uit het verleden, zoals schadelijke gewoonten, door in te zien dat ze niet meer zijn dan het opduiken van herhalingspatronen waarmee genot wordt opgezocht of innerlijke verveling wordt bestreden, moeiteloos aan de kant kunnen worden geschoven.

   Heel wat modellen komen voort uit histo­risch-cultu­reel erfgoed. Ik ben in België geboren. Daar­door draag ik een pantalon en hemd, al dan niet met stropdas­ - geen lenden­doek of tulband. Een mens blijkt er zich te weinig van bewust hoe sterk hij zich daarmee vereenzelvigt. Zich baserend op het bedrieglijke van de continuïteit, verslapt zijn aan­dacht en stompt hij af. Ik merk bij mezelf hoe het hoofd bij het geringste op hol slaat. De geest kwettert als een mus. De noodzaak dringt zich op die dwingende stemmen tot zwijgen te brengen.

   Het helpt niet om een door de wil gestuurde act op zichzelf uit te oefenen. Men wordt niet stil na goede voornemens of overwegingen die zeggen dat het denken moet ophouden. Het gekwetter zwijgt pas als het wordt opgemerkt, dus terwijl het zich laat horen en, doordat gedachten alles over jezelf vertellen, daarbij tot het einde toe worden gevolgd.

 

Genieten

Maar - fluistert een stem in, - waartoe al die inspanningen? Ben je gek? Genie­ten is de boodschap! Een mens leeft maar één keer. Kan jou de waar­heid wat schelen. Wat waar is zorgt wel voor zich­zelf!

   Al hoor ik hier de echo van de commercie, deze aanmoedigende stem lijkt een redelijke taal te spreken. Maar over welke vorm van genieten gaat het? Integer zijn zonder hoop op beloning, straks of in een hiernamaals, ziet er weinig aanlokkelijk uit. Desondanks blijft elk individu aan zichzelf verplicht waarheid van begoocheling te onderscheiden. Niet enkel om het inzicht te verscherpen, maar omdat het anders onmogelijk is ten volle te leven.

   Bovendien is genieten eerder een kwestie van ontvankelijkheid en eenvoudige sma­ak, dan van de door de commercie aangeprezen consumptie. Wie dit inziet hoeft het genot niet eens op te zoeken, want het is er al. Moet je nagaan, de groo­tste genoegens liggen voor het rapen. Lichamelijke gewaarwordingen zijn gratis. Om die reden zou een mens beter gelukzaligheid vinden in gezondheid en eenvoudige lichamelijke functies, zoals diep ademhalen en het genieten van zijn omgeving. Eenvoud helpt om een grotere gevoeligheid hiervoor aan de dag te leg­gen.

   Een mens kan zich volledig ontspannen. Hij kan uitbreken uit zijn ei. Hij kan vertrouwde denkpistes in vraag stel­len. Indien nodig kan hij de conformiteit verlaten en  de grootheid van zijn eigen aanwezigheid onderkennen, gewoon door zichzelf te zien in contrast met de grote leegte, het volslagen niets.

   Ook al slaag je er niet in je gedachtestroom in één handomdraai stil te leggen, noch hinderlijke gewoonten met wortel en al uit te roeien, het blijft steeds mogelijk om zonder tussenkomst van het opgestoken moraliserende vingertje te zien wat er bij jezelf aan de oppervlakte drijft. Wellicht bestaat het belangrijkste uiterlijke hulpmiddel er wel uit je leven te vereenvoudigen, vooral als zich daarin heel wat ingewikkelde bijzaken voordoen die afleiden van het nauwe contact met wat om je heen gebeurt.

   Het is waar: aan­dacht kost inspan­ning en doorgaans wordt die liever besteed aan het verlangen om te beant­woorden aan de hoopvolle verwachtingen die mensen zich stellen aan de hand van traditionele denkpatronen over hoe een geslaagd leven er hoort uit te zien. Dit leven bezit echter een duur die uitsluitend in de verbeelding bestaat, uitge­drukt in jaartellingen, verhalen, romans, speelfilms of andere droomconcepten; een spanwijd­te die tastbaar lijkt bij het ophalen van herin­ne­ringen.

   Waarachtig leven bezit echter geen duur, en vandaar ook geen duurzaamheid. Het kan niet eens écht aangeduid worden. Maar tege­lijk is dit gegeven zoveel meer. Leven beantwoordt nergens aan. Leven is ogenblikkelijke gewaarwording, telkens anders dan wat men zich hierover voor­stelt.

 

©Robert Baeken – Augustus 2026

Geen opmerkingen:

Een reactie posten