Jongensavonturen (2)
Tussen mij en mijn één jaar oudere neef Johan is nooit zo‘n groot woord als ‘vriend’ gevallen. Wij verstonden elkaar. Deelden als jongens dezelfde avonturen, dezelfde dromen. Zijn vader was conciërge in een lagere school, wat betekende dat wij op vrije dagen gebruik maakten van de verlaten, met reusachtige notenbomen overdekte speelplaats. Evenwijdig daarmee bevond zich een hangar waar we onze opwindende spelen bij regen of sneeuw gewoon konden voortzetten. Nog zie ik Johan met grote snelheid achter mij aan fietsen, zwaaiend met zijn krom zwaard dat hij tevoren handig uit een dunne plank had gekerfd. Na zichzelf schreef hij me in als het tweede lid van zijn padvindersclub. Zo maakte hij mijn hoofd dol met het idee dat wij op een dag samen in de bossen zouden kamperen. Hiervoor stelde hij een inventaris op van alle benodigdheden, zoals een bijl, twintig meter touw, veiligheidsspelden, een hamer. De veiligheidsspelden en meters touw hadden we al. Dankzij de regelmatige bijdragen van het lidgeld zouden we mettertijd, naast een tent, alle benodigdheden in een grote kartonnen doos stoppen.
Op een keer daagde nog een neefje op. Ook
hij werd prompt ingeschreven en van zijn zakgeld beroofd. Maar hoe bereidwillig
hij aanvankelijk ook overkwam, het liep slecht af. Ofwel had hij te zwaar met zijn
pistool op Johans hoofd getikt, ofwel had ik hem, zoals al eerder was gebeurd,
onvrijwillig verwond door het gooien van een gehalveerde baksteen tegen zijn
jukbeen. Het incident eindigde met tranen, woeste kreten, heen en weer gestamp
en de onmiddellijke ontbinding van de club. Woedend werd het zakgeld teruggegooid,
het touw in drie stukken gehakt. Wij vonden het dadelijk jammer, maar onze
koppigheid maakte het op dat ogenblik onmogelijk aan de ander toe te geven.
Dat ik me de volgende zondag aansloot bij een
plaatselijke jeugdbeweging heette allicht geen toeval. Gekleed in korte broek, groen
hemd en gele das trokken we wekelijks door de bossen: avonturiers, op
strooptocht door een ontoegankelijk woud, met indianen op de loer om ons
onverhoeds aan te vallen. Stonden we voor een beek, dan werd die hindernis
overwonnen door een manhaftige sprong of, zoals het helden past, er doorheen te
waden zonder eerst onze schoenen uit te trekken.
Minder opwindend waren de dagen dat het zo
fel regende dat we in onze lokalen bij het oude speelgoed bleven, strips lazen,
of naar de enige rolprent keken die de Chiro rijk was: een druk joelende cowboy-
en indianenfilm met de toen bekende acteur Roy Rogers. Wij hadden de film al zo
vaak gezien dat de leider de spoelen omdraaide, zodat we alle bewegingen, zoals
paardrijden en met revolvers schieten, tot eenieders jolijt achterstevoren konden
bekijken. Alles liever dan tijdens het lof een uur in de kerk doorbrengen, waartoe
de geestelijke Chiroleider, een bruine pater, zijn jongens af en toe verplichtte.
Elke zomer gingen we gedurende tien dagen in bosrijke Limburgse gebieden kamperen. Wij sliepen op strozakken in groepstenten. Vroeg in de ochtend werden we door hoorngeschal gewekt. Hoewel de lucht koud was, deden wij gymnastiek in bloot bovenlijf. Daarna begaven we ons naar een als kapel ingerichte tent om er de mis bij te wonen. Tijdens een heftige preek had de pater de hele tijd zijn mond vol over onze roemrijke Vlaamse bodem. Daarna ging het over Christuskoning - een krachtige, erg Vlaams klinkende benaming voor Jezus die minder zoet overkwam. Terwijl hij ‘zijn jongens’ van diens grootheid probeerde te overtuigen, wachtten wij op alles wat na zijn toespraak zou gebeuren. Ontbijten aan een primitieve tafel. De tent ordenen. Zich aandienen voor karweitjes, zoals hout hakken voor het kampvuur, of water putten bij de dichtstbijzijnde hoeve. Elke dag trokken wij eropuit. Beklommen heuvels, doorkruisten weilanden, akkers, dichte bossen, marcheerden vele uren langs eenzame wegeltjes. ’s Middags hielden we halt, liefst aan de oever van een rivier. Eenieder pakte zijn eigen aan de broeksriem bungelende dolk of zakmes om het brood in plakken te snijden.
Ondertussen wierp het werk van Moe zijn eerste vruchten af. Het begon met de aankoop van een groot automatisch toestel dienend als hulp voor het huishouden. Verbaasd keek ik in de geopende bovenkant en zag hoe vuil linnen, zonder dat er een hand aan te pas kwam door een schijf met rechtopstaande vleugels draaiend in een metalen trommel, krachtig heen een weer door het sop werd geslingerd. De volgende stap was een chique personenwagen. Een Amerikaanse Dodge nog wel. Weliswaar tweedehands gekocht, veranderde dit ons armmoedig bestaan in snel tempo. In plaats van thuis te naaien, greep Moe de kans wekelijks breigoederen aan te kopen in grote confectiemagazijnen te Sint-Niklaas. Als gevolg van het vroegtijdig overlijden van haar man trok zij op een dag van de overheid een flinke som achterstallige gelden. Hiermee kon het nieuwe huis dat ze al zinnens was te laten bouwen, gedeeltelijk worden gefinancierd. Toen ik een paar maanden in het vierde leerjaar zat, was het zover. Wij verhuisden naar de rand van Oud-Turnhout, een naburige gemeente, vanwaar we naar andere filialen van dezelfde rijksschool werden gestuurd.
Ik nam achteraan in de klas plaats. De
jongen naast me had als bijnaam ‘de Snoek’. Hij blonk uit in krachttoeren die
niets met de lessen te maken hadden. Alle jongens liepen een eindje om, als hij
eraan kwam. Liever dan deze vernederende situatie te ondergaan, kreeg ik een
pak slaag. Eens nadat ik hem een beentje had gelicht, bleef ik pal staan om zijn
aanval af te slaan. In dat ene moment waarop hij met dreigend armgezwaai op me af kwam, ontdekte
ik het trucje om hem van schrik te doen verlammen. Door een gelukkig toeval
keilde ik hem direct over de vloer. Noodgedwongen, doordat wij op de speelkoer
elkaar dagelijks op leven en dood in de haren vlogen, om daarbij steeds afwisselend
het meesterschap van de ander te ondervinden, eindigde dit door tegen wil en
dank elkanders maatje te worden.
Ons nieuwe huis was een doolhof van gangen en ruime, stille kamers. Hoewel Moe haar luidruchtige stadskinderen had gevraagd minder lawaai te maken, had ik de indruk dat wij door die stille omgeving daar vanzelf toe neigden. Wij liepen in de met hoog gras en onkruid begroeide tuin en keken naar de noeste werkzaamheden van onze buurman, bezig vettige grond om te spitten. Zonder iets te zeggen, blikte hij even opzij om onze gezichtjes te bekijken. Ik kan me best voorstellen dat wij, het rijtje achter de lage heg, evenmin iets zeiden. De natuurlijke glimlach van een groepje kinderen werd hem als een gratis ruiker toegesmeten, zonder dat het zwoegen ophield. De buurman had een dochter van mijn leeftijd. Laurette heette het kind, een droomprinses. Zij had immers nooit vuile handen of knieën, zoals wij. Zij leefde hoog in haar ivoren toren waar ze na schooltijd roerloos zat te studeren of onze wilde spelen met een stil, verdrietig oog gadesloeg.
Achter onze tuin strekte zich een immens landbouwgebied uit. Veel van mijn nieuwe vriendjes waren zodanig met de natuur verweven dat zij als hobby zelf een groentebed onderhielden, konijnen fokten, de koe molken, in hoge bomen klommen om eksterjongen uit het nest te roven of zeldzame vogeleieren aan hun diverse verzameling toe te voegen. Het duurde niet lang of ik timmerde onder ons afdakje op mijn beurt een hok voor twee konijnen. Een witje en een bruintje. Hoewel ze van mij dagelijks meer dan genoeg vers gras te eten kregen, wisten ze om de haverklap naar de tuin van onze buurman te ontsnappen. Lastig. Want voor mij was hij een nette burger die behalve dat hij kanarievogels kweekte, jaarlijks aardappelen voor eigen gebruik rooide. Zijn knappe vrouw stond de hele dag met een emmer, dweil en borstel in de hand. Door hun nette manieren voelde ik de plicht me even afstandelijk te gedragen. Zo had deze houding minder te maken met hun rijke aardappeloogst dan met het groene lover dat in hun tuin in netjes afgemeten rijen boven de grond uitgroeide en waar mijn konijnen het zo op gemunt hadden. Ik zie nog hoe hij en ik, sluipend zonder een blaadje te verroeren, op één stap van bruintje genaderd waren. Uit eerbied voor het aardappelloof, wat zowat hetzelfde betekende als mijn eerbied voor zijn persoon, durfde ik, afwachtend wat hij zou doen, geen eerste sprong wagen. En bruintje maar vreten ondertussen. Dan gebeurde iets wat ik niet had verwacht: buurman stortte zich met gestrekte armen over het gave lover neer. Desondanks kon het diertje nog op het nippertje van tussen zijn grijpende vingers ontsnappen. Verslagen of diep vernederd, zo leek me, bleef hij op het verpletterde groen liggen. Het speet me enorm; vooral omdat het mijn konijn was.
Geleidelijk aan kwam ik op de leeftijd dat ik het verschil tussen jongens en meisjes ontdekte, wat maakte dat mijn omgang met het andere geslacht veranderde in een boeiend spel van ontmoetingen op een verlaten karspoor, waar het rook naar koemest en avonddauw. In het donker drukten wij onze lippen hoofs tegen elkaar, wisselden liefdesbriefjes uit, bootsten het gedrag van volwassenen na, zoals we dat gezien hadden op het witte doek of in het dagelijks leven, waarbij de mannen zich in de liefde meestal zachtaardig, ridderlijk en onbaatzuchtig gedroegen. In schril contrast hiermee vertel ik een bijzonder voorval dat plaats vond in de Liereman, een moerassig gebied waar ik in het gezelschap van enkele dorpsjongens en een buurmeisje als een ontdekkingsreiziger vergeefs op zoek gegaan was naar de bronnen van de Aa, - een riviertje dat door het dorp stroomt om verder in de Nete uit te monden. Tegen het donker trokken wij in de richting van de kerktoren naar huis. Zonder dat ik ervan op de hoogte was, hadden de jongens het plan opgevat om het meisje ‘keizerin’ te maken, wat erop neerkwam haar tussen de verlaten struiken vast te grijpen en haar broekje uit te trekken om te zien wat daar precies onder zat. Hoe graag ik ook had meegekeken, toen het kind luid spartelend alarm sloeg, wierp ik me van mijn kant op als een koene ridder, precies zoals Don Quichotte in mijn gelijknamig stripverhaal ook deed om zijn geliefde Dulcinea tegen bandieten te beschermen. Na een flinke dreun op mijn neus liet ik me als bewusteloos op het mos vallen. Afgaand op de geluiden richtte ik mijn hoofd pas na een veilige pauze weer op om tot mijn plaatsvervangende schaamte vast te stellen hoe mijn belager, omringd door zijn nieuwsgierige bende, zijn elfde vinger voor het buurmeisje ontblootte. Zij zat op een boomstronk en keek met gretige, medeplichtige blik naar zijn ‘vuile manieren’ die, hoewel ik me met dodelijke schrik voor het hellevuur aan dezelfde schandelijke maar onweerstaanbare lusten overgaf, achteraf ook mij steeds weer met schuldgevoelens vervulden.
Geen opmerkingen:
Een reactie posten