Hoe het verder ging (4)
Anders dan na de dood van mijn broertje, hebben wij
vader, hoewel weinig over hem gesproken werd, nooit als volledig afwezig
ervaren. Toen mijn sportief aangelegde broer wielrenner wou worden en van Moe meteen
toestemming kreeg een koersfiets te kopen, herinnerde dit de familie eraan hoe
Va, toen grote broer nog klein was hem, zoals elke hoopvolle vader, trots bij
het middel in de hoogte stak met de woorden: ‘Jij zal het later maken, zeker
weten!’ Van financieel succes of roem was bij Va geen sprake, zoals hij tijdens
de oorlog als metselaar van beroep met weinig werk in de bouwsector, werd
overschaduwd door zijn broer Peer, destijds een bekende bokser.
Toen mijn broer
met succes aan wielerwedstrijden begon deel te nemen, was Peers loopbaan allang
voorbij. Gesterkt door het geloof in zijn capaciteiten, meende onze nonkel hem door
zijn tussenkomsten te helpen om vaders voorspelling waar te maken. Het idee dat
wij een tweede Fausto Coppi in ons midden hadden, werd een belangrijk deel van
ons familiaal leven. Hij en zijn sportieve vrienden kwamen over de vloer en er
werd fel gediscussieerd over trainingsmethoden, dieet, massage, fietsmerken,
banden, oliën.
Eerder al had
Moe, toen mijn broer op zijn veertiende niet langer schoolplichtig was, hem
nodig als dagelijkse hulp bij het opstellen van de kraam en de verkoop van
breigoederen. Even na de middag kwamen zij alweer thuis, zodat broer na de
maaltijd niets anders om handen had dan de sportkrant lezen, aan zijn koersfiets
sleutelen of in het gezelschap van twee beloftevolle kompanen langs ‘s heren
wegen scheuren.
Van zo gauw de
gelegenheid zich voordeed om broer bij het koersen aan te moedigen, hield het
verkennen van de bossen voor me op. Graag ruilde ik de Chiro in voor de tal van
Vlaamse dorpskermissen waar ter bevordering van de feeststemming vaak
velokoersen werden ingericht. Meestal bestonden die circuits uit keer op keer
het blok omrijden zodat, telkens iemand riep dat de renners in aantocht waren, de
supporters in de bomvolle cafés prompt hun biertje lieten staan om zich bij de
deur doorheen het massale gedrang naar buiten te wroeten. Luidkeels en met opvallend
armgezwaai werden de renners aangemoedigd. Maar ondanks de felle kleuren van de voorbijflitsende maillots, werden weinig favorieten opgemerkt. Liever wachtte ik
bij mooi weer in openlucht, waar ik onder vrolijke straatmuziek naar de leuk passerende
dorpsmeisjes keek of bij een frituur of ijscoman aanschoof. Honderden
kermiskoersen heb ik zo bijgewoond. Wat me na al die jaren opviel: om het even
hoeveel renners aan de startlijn verschenen, mijn broer was steeds bij de koplopers.
Maar hoewel hij geweldig snel kon sprinten, overschreed hij zelden als winnaar
de eindstreep, zodat ik me begon af te vragen of vader, afgaand op zijn
buikgevoel, mogelijk de verkeerde zoon als uitverkorene in de hoogte had
gestoken. De aankoop van een betere fiets veranderde daar niets aan. Wel ging die
eerste koersfiets vanzelf naar mij. Zo trots was ik op mijn erfstuk dat ik er tot
vervelens toe aan sleutelde. Geen avond ging voorbij of ik reed ermee naar het
Turnhoutse stadspark waar een piste met tribune voor de vele kijkers was
aangelegd en ik, in de hoop mijn prestaties tegen het uurwerk te verbeteren,
tal van rondjes aflegde. Misschien zou het mij wél lukken een beroemd
wielrenner te worden. Die ambitie heeft niet lang geduurd. Ik was een sterke
fond- en tijdrijder, jawel. Maar als het bij de eindmeet, waar de prijzen
werden uitgereikt, op sprinten aankwam, lukte het me niet een hogere snelheid
te halen dan tijdens de vele kilometers hieraan vooraf. Nooit zou ik een prof
worden.
Na de lagere
school moest er een keuze gemaakt worden over mijn studierichting. Afgaand op
de povere resultaten bleek ik voorbeschikt om de pre-industriële richting te volgen
en later als leerjongen in een stiel te gaan. Misschien werd ik wel mecanicien.
In die jaren vijftig nam de autoverkoop snel uitbreiding. Men kon toen al voorspellen
dat zulks veel werkgelegenheid zou scheppen.
Ik had nooit
over mijn toekomst ingezeten. Dit veranderde toen de wettelijke leerplicht tot
achttien jaar werd uitgebreid. Op een avond brachten twee heren een bezoek aan
mijn moeder. Daar zij gekomen waren om leerlingen te ronselen voor een zopas
opgerichte technische rijksschool, werd ik erbij geroepen. Na een kort
vraaggesprek werd Moe aangeraden mijn naam aan hun lijstje toe te voegen. De
heren beweerden dat uit jongens van mijn slag die zich, zoals ik, tijdens hun
vrije uren graag onledig hielden door aan fietsen te sleutelen,
vanzelfsprekend bekwame mekaniekers zouden groeien. Maar dan moest ik wel een
theoretische vakopleiding krijgen.
Doordat ik dit
keer met de neus op reële feiten werd gedrukt, besloot ik het roer radicaal om
te gooien. Aan mijn kindertijd kwam bruusk een einde. Voor het eerst legde
ik mijn strips opzij om ‘De gebroeders Karamazow’ van Dostojewski te lezen. Ook
zou ik wekelijks naar de openbare bibliotheek gaan, waar ik urenlang verbleef, -
niet enkel om er boeken te lenen die tegemoetkwamen aan mijn belangstelling
voor vreemde landen en culturen, maar ook omdat ik de stille, ingetogen sfeer
rond zoveel opgeslagen kennis prettig vond. Zelfs liep ik het volgende
schooljaar uit eigen beweging naar de avondschool om Frans te leren. Hoewel ik
het een leuke ervaring vond na al die voorafgaande jaren in een jongensschool
in een gemengde klas te zitten, was er door mijn abnormale verlegenheid ook een
gênant kantje aan. Want zie, telkens het gebeurde dat ik met de mond vol tanden
stond, werd mijn kop tussen al die jongedames tot in mijn nekhaartjes vuurrood.
Voelde ik me door een gebrek aan ontwikkeling te min, of minder dan ik wenste
te zijn? Ik had er geen verklaring voor. Nooit heb ik aan iemand één woord losgelaten
over mijn schaamte, de onrust, de kwelling dat ik slechts was wie ik was. Moeder
had, vond ik, op haar levenspad al genoeg tegenslagen te verwerken gekregen. En
een vader om me met raad of daad bij te staan, had ik evenmin.
Ik was niet de
enige met dit probleem. Op een nacht stond broer naast mijn bed. In het
schijnsel van de lamp merkte ik dat er iets vreselijks aan de hand was, iets
waardoor hij me de indruk gaf dat hij tijdelijk zijn verstand verloren had en
daardoor zelfs op het punt stond een noodlottig ongeluk te begaan. Met de daver
op het lijf dacht ik eraan hoe stapelgek hij was op een meisje uit een naburige
gemeente. Door haar gezaghebbende tussenkomst had Moe, met het argument dat het
om een ordinair wicht ging, ondanks de hete tranen van haar zoon een vrijage
kunnen voorkomen. Als troost kreeg hij een gouden cachetring.
Maar nu geen
woord over dit alles. Voor het eerst kreeg ik te horen dat hij onder een
minderwaardigheidscomplex leed. Bij de geringste op hem gerichte aandacht gloeide
zijn gezicht vuurrood. Oei, wie begreep hem beter dan ik? Het enige verschil
leek me dat hij er veel zwaarder aan tilde. Waar ik er nog in slaagde mijn
gebrek te relativeren, had hij het over een handicap waaronder hij levenslang
gebukt zou gaan. Zoals ik al begon te vermoeden, bekende
hij me opeens waarom hij zich tegen het einde van elke koers zodanig inhield
dat hij niet als eerste over de meet zou gaan.
Ja, vaders
afwezigheid maakte hem voor ons beiden des te aanweziger.
Wat mij betreft
lag het voor de hand dat ik mijn studies nog niet zou beëindigen. Doordat ik
een primus was in sterkteleer en er daarnaast opmerkelijk goed in slaagde ingewikkelde
figuren en vlakken op papier te projecteren, koos ik technisch tekenen als
specialiteit.
Over deze
nieuwe school niets dan lof! Naast een degelijke technische opleiding kregen de
leerlingen van de hogere middelbare als bijdrage tot hun algemene kennis ook
Nederlands, Duits, Engels, geschiedenis. Zo herinner ik me nog hoe verzot ik
was op de les Nederlandse literatuur, waar we naast moderne poëzie en proza
wekelijks een verklarende lezing kregen uit tal van middeleeuwse teksten, zoals
Beatrijs. Of op de les Duits en Engels, waarbij ik gretig kennismaakte met
boeiende kortverhalen van Rilke, Kafka, Tucholsky, Maugham, Greene. Eén
leraar raakte zelfs zo begeesterd dat hij een muziekinstallatie meebracht om
ons - allen verzot op het nieuwe van de rock’n roll - na de lesuren te laten
kennismaken met een oratorium van J. S. Bach, terwijl de leraar geschiedenis door
het projecteren van diverse kunstwerken ons dan weer inzicht verschafte over de
afwisselende stijlperioden in de beeldende kunsten.
Hoewel de school
door de ontspannen sfeer die er heerste me ten zeerste beviel, drong het tot
me door dat ik niet op de juiste bank zat. Graag illustreer ik dit met een
voorval waarbij de leraar mechanica ons mee naar buiten nam om in helder
daglicht de werking van een diktemeter te laten zien, waarbij de verschuivende
nonius ons toeliet om de laatste millimeter tot een of twee cijfers na de komma
te kunnen aflezen. Hoe ik ook mijn best deed, het lukte me zelfs niet om
rechtstaand wakker te blijven.
Aan hun reactie
te horen, ervaarden de andere jongens die saaie lesuren gans anders. Allen waren
ze laaiend enthousiast bij het vooruitzicht dat ze weldra in een of andere
werkplaats grof geld konden verdienen. Maar ik was niet blind voor de walmen
uit de fabrieksschouwen. Tijdens een schoolreis naar het Luikse
Cockerill-Sambre bezochten we de hoogovens. De witte gloed van gesmolten
staal, de denderende plaatwalsen, de rook, het lawaai, het stof, ervoer ik als
de hel. En met de arme duivels die daar met een pook in de hand voor hun kost
rondliepen, voelde ik oprecht medelijden.
Helaas bestond
er voor mij geen weg terug. Gelukkig had ik één houvast: ik kon aan zelfstudie
te doen door me uit eigen beweging in de letteren te verdiepen. Daarom kwam
het krijgen van een aparte kamer in ons nieuwe huis voor mij goed uit. Eigenlijk
betekende het meer een toevluchtsoord waar ik me met mijn literaire boeken en
mijn pas gewekte belangstelling voor klassieke muziek en jazz in een eigen
wereldje kon terugtrekken. En aan zakgeld voor leesvoer geen gebrek! Moe had
een gulle hand. Op mijn achttiende liet ze me voor een maand in mijn eentje met
de trein naar Cannes vertrekken voor een cursus Frans, ingericht door de universiteit
van Aix-en-Provence voor buitenlandse studenten. Weg van huis leerde het
groentje zijn plan trekken. In Parijs de metro nemen naar Gare de Lyon waar de
nachttrein vertrok. Zonder reservatie noodgedwongen plaatsnemen op de eigen
valies tussen de nozems in de gang. Tot ik een passerende conducteur aansprak
en tegen betaling er alsnog in slaagde een couchette te bekomen.
Geen opmerkingen:
Een reactie posten