zaterdag 3 oktober 2026

LOTGEVALLEN (deel 4)

 

Hoe het verder ging (4)

Anders dan na de dood van mijn broertje, hebben wij vader, hoewel weinig over hem gesproken werd, nooit als volledig afwezig ervaren. Toen mijn sportief aangelegde broer wielrenner wou worden en van Moe meteen toestemming kreeg een koersfiets te kopen, herinnerde dit de familie eraan hoe Va, toen grote broer nog klein was hem, zoals elke hoopvolle vader, trots bij het middel in de hoogte stak met de woorden: ‘Jij zal het later maken, zeker weten!’ Van financieel succes of roem was bij Va geen sprake, zoals hij tijdens de oorlog als metselaar van beroep met weinig werk in de bouwsector, werd overschaduwd door zijn broer Peer, destijds een bekende bokser.

   Toen mijn broer met succes aan wielerwedstrijden begon deel te nemen, was Peers loopbaan allang voorbij. Gesterkt door het geloof in zijn capaciteiten, meende onze nonkel hem door zijn tussenkomsten te helpen om vaders voorspelling waar te maken. Het idee dat wij een tweede Fausto Coppi in ons midden hadden, werd een belangrijk deel van ons familiaal leven. Hij en zijn sportieve vrienden kwamen over de vloer en er werd fel gediscussieerd over trainingsmethoden, dieet, massage, fietsmerken, banden, oliën.

   Eerder al had Moe, toen mijn broer op zijn veertiende niet langer schoolplichtig was, hem nodig als dagelijkse hulp bij het opstellen van de kraam en de verkoop van breigoederen. Even na de middag kwamen zij alweer thuis, zodat broer na de maaltijd niets anders om handen had dan de sportkrant lezen, aan zijn koersfiets sleutelen of in het gezelschap van twee beloftevolle kompanen langs ‘s heren wegen scheuren.

   Van zo gauw de gelegenheid zich voordeed om broer bij het koersen aan te moedigen, hield het verkennen van de bossen voor me op. Graag ruilde ik de Chiro in voor de tal van Vlaamse dorpskermissen waar ter bevordering van de feeststemming vaak velokoersen werden ingericht. Meestal bestonden die circuits uit keer op keer het blok omrijden zodat, telkens iemand riep dat de renners in aantocht waren, de supporters in de bomvolle cafés prompt hun biertje lieten staan om zich bij de deur doorheen het massale gedrang naar buiten te wroeten. Luidkeels en met opvallend armgezwaai werden de renners aangemoedigd. Maar ondanks de felle kleuren van de voorbijflitsende maillots, werden weinig favorieten opgemerkt. Liever wachtte ik bij mooi weer in openlucht, waar ik onder vrolijke straatmuziek naar de leuk passerende dorpsmeisjes keek of bij een frituur of ijscoman aanschoof. Honderden kermiskoersen heb ik zo bijgewoond. Wat me na al die jaren opviel: om het even hoeveel renners aan de startlijn verschenen, mijn broer was steeds bij de koplopers. Maar hoewel hij geweldig snel kon sprinten, overschreed hij zelden als winnaar de eindstreep, zodat ik me begon af te vragen of vader, afgaand op zijn buikgevoel, mogelijk de verkeerde zoon als uitverkorene in de hoogte had gestoken. De aankoop van een betere fiets veranderde daar niets aan. Wel ging die eerste koersfiets vanzelf naar mij. Zo trots was ik op mijn erfstuk dat ik er tot vervelens toe aan sleutelde. Geen avond ging voorbij of ik reed ermee naar het Turnhoutse stadspark waar een piste met tribune voor de vele kijkers was aangelegd en ik, in de hoop mijn prestaties tegen het uurwerk te verbeteren, tal van rondjes aflegde. Misschien zou het mij wél lukken een beroemd wielrenner te worden. Die ambitie heeft niet lang geduurd. Ik was een sterke fond- en tijdrijder, jawel. Maar als het bij de eindmeet, waar de prijzen werden uitgereikt, op sprinten aankwam, lukte het me niet een hogere snelheid te halen dan tijdens de vele kilometers hieraan vooraf. Nooit zou ik een prof worden.

   Na de lagere school moest er een keuze gemaakt worden over mijn studierichting. Afgaand op de povere re­sul­taten bleek ik voorbeschikt om de pre-industriële richting te volgen en later als leerjongen in een stiel te gaan. Misschien werd ik wel mecanicien. In die jaren vijftig nam de autoverkoop snel uitbreiding. Men kon toen al voor­spellen dat zulks veel werk­gele­genheid zou schep­pen.

   Ik had nooit over mijn toekomst ingezeten. Dit veranderde toen de wettelijke leerplicht tot achttien jaar werd uitgebreid. Op een avond brachten twee heren een bezoek aan mijn moeder. Daar zij gekomen waren om leerlingen te ronselen voor een zopas opgerichte technische rijksschool, werd ik erbij geroepen. Na een kort vraaggesprek werd Moe aangeraden mijn naam aan hun lijstje toe te voegen. De heren beweerden dat uit jon­gens van mijn slag die zich, zoals ik, tijdens hun vrije uren graag onledig hielden door aan fiet­sen te sleutelen, vanzelfsprekend bekwame mekaniekers zouden­ groei­en. Maar dan moest ik wel een theoretische vakoplei­ding krijgen.

   Doordat ik dit keer met de neus op reële feiten werd gedrukt, besloot ik het roer radicaal om te gooien. Aan mijn kin­der­tijd kwam bruusk een ein­de. Voor het eerst legde ik mijn strips opzij om ‘De gebroeders Karamazow’ van Dostojewski te lezen. Ook zou ik wekelijks naar de openbare bibliotheek gaan, waar ik urenlang verbleef, - niet enkel om er boe­ken te lenen die tege­moet­kwamen aan mijn be­langstelling voor vreemde lan­den en culturen, maar ook omdat ik de stille, inge­togen sfeer rond zo­veel opgeslagen kennis pret­tig vond. Zelfs liep ik het volgende schooljaar uit eigen bewe­ging naar de avondschool om Frans te leren. Hoewel ik het een leuke ervaring vond na al die voorafgaande jaren in een jongensschool in een gemengde klas te zitten, was er door mijn abnormale verlegenheid ook een gênant kantje aan. Want zie, telkens het gebeurde dat ik met de mond vol tanden stond, werd mijn kop tussen al die jongedames tot in mijn nekhaartjes vuurrood. Voelde ik me door een gebrek aan ontwikkeling te min, of minder dan ik wenste te zijn? Ik had er geen verklaring voor. Nooit heb ik aan iemand één woord losgelaten over mijn schaamte, de onrust, de kwelling dat ik slechts was wie ik was. Moeder had, vond ik, op haar levenspad al genoeg tegenslagen te verwerken gekregen. En een vader om me met raad of daad bij te staan, had ik evenmin.

   Ik was niet de enige met dit probleem. Op een nacht stond broer naast mijn bed. In het schijnsel van de lamp merkte ik dat er iets vreselijks aan de hand was, iets waardoor hij me de indruk gaf dat hij tijdelijk zijn verstand verloren had en daardoor zelfs op het punt stond een noodlottig ongeluk te begaan. Met de daver op het lijf dacht ik eraan hoe stapelgek hij was op een meisje uit een naburige gemeente. Door haar gezaghebbende tussenkomst had Moe, met het argument dat het om een ordinair wicht ging, ondanks de hete tranen van haar zoon een vrijage kunnen voorkomen. Als troost kreeg hij een gouden cachetring.

   Maar nu geen woord over dit alles. Voor het eerst kreeg ik te horen dat hij onder een minderwaardigheidscomplex leed. Bij de geringste op hem gerichte aandacht gloeide zijn gezicht vuurrood. Oei, wie begreep hem beter dan ik? Het enige verschil leek me dat hij er veel zwaarder aan tilde. Waar ik er nog in slaagde mijn gebrek te relativeren, had hij het over een handicap waaronder hij levenslang gebukt zou gaan. Zoals ik al begon te vermoeden, bekende hij me opeens waarom hij zich tegen het einde van elke koers zodanig inhield dat hij niet als eerste over de meet zou gaan.

   Ja, vaders afwezigheid maakte hem voor ons beiden des te aanweziger.

   Wat mij betreft lag het voor de hand dat ik mijn studies nog niet zou beëindigen. Doordat ik een primus was in sterkteleer en er daarnaast opmerkelijk goed in slaagde ingewik­kelde figuren en vlak­ken op papier te projec­teren, koos ik ­tech­nisch tekenen als specialiteit.

   Over deze nieuwe school niets dan lof! Naast een degelijke technische opleiding kregen de leerlingen van de hogere middelbare als bijdrage tot hun algemene kennis ook Nederland­s, Duits, Engels, geschiede­nis. Zo herinner ik me nog hoe verzot ik was op de les Nederlandse litera­tuur, waar we naast moderne poëzie en proza wekelijks een verklarende lezing kregen uit tal van middeleeuwse teksten, zoals Beatrijs. Of op de les Duits en Engels, waarbij ik gretig kennismaak­te met boeiende kortverha­len van Rilke, Kafka, Tucholsky, Maug­ham, Greene. Eén leraar raak­te zelfs zo begeesterd dat hij een muziekinstallatie meebracht om ons - allen verzot op het nieuwe van de rock’n roll - na de lesuren te laten kennismaken met een orato­rium van J. S. Bach, terwijl de leraar geschiedenis door het projecteren van diverse kunstwerken ons dan weer inzicht verschafte over de af­wisse­lende stijlperioden in de beeldende kunsten.

   Hoewel de sch­ool door de ontspannen sfeer die er heerste me ten zeerste be­viel, drong het tot me door dat ik niet op de juiste bank zat. Graag illustreer ik dit met een voorval waarbij de leraar mechanica ons mee naar buiten nam om in helder daglicht de werking van een diktemeter te laten zien, waarbij de verschuivende nonius ons toeliet om de laatste millimeter tot een of twee cijfers na de komma te kunnen aflezen. Hoe ik ook mijn best deed, het lukte me zelfs niet om rechtstaand wakker te blijven.

   Aan hun reactie te horen, ervaarden de andere jongens die saaie lesuren gans anders. Allen waren ze laai­end en­thousiast bij het vooruitzicht dat ze weldra in een of ande­re werkplaats grof geld konden verdie­nen. Maar ik was niet blind voor de walmen uit de fa­brieksschouwen. Tijdens een schoolreis naar het Luikse Cockerill-Sambre be­zochten we de hoogovens. De witte gloed van gesmol­ten staal, de denderende plaatwalsen, de rook, het lawaai, het stof, ervoer ik als de hel. En met de arme duivels die daar met een pook in de hand voor hun kost rondliepen, voelde ik oprecht medelij­den.

   Helaas bestond er voor mij geen weg terug. Gelukkig had ik één houvast: ik kon aan zelf­studie te doen door me uit eigen bewe­ging in de letteren te ver­diepen. Daarom kwam het krijgen van een aparte kamer in ons nieuwe huis voor mij goed uit. Eigen­lijk betekende het meer een toevluchts­oord waar ik me met mijn literaire boeken en mijn pas gewekte belangstelling voor klassieke muziek en jazz in een eigen wereld­je kon terugtrekken. En aan zakgeld voor leesvoer geen gebrek! Moe­ had een gulle hand. Op mijn achttiende liet ze me voor een maand in mijn eentje met de trein naar Cannes vertrekken voor een cursus Frans, ingericht door de universiteit van Aix-en-Provence voor buitenlandse studenten. Weg van huis leerde het groentje zijn plan trekken. In Parijs de metro nemen naar Gare de Lyon waar de nachttrein vertrok. Zonder reservatie noodgedwongen plaatsnemen op de eigen valies tussen de nozems in de gang. Tot ik een passerende conducteur aansprak en tegen betaling er alsnog in slaagde een couchette te bekomen.

Geen opmerkingen:

Een reactie posten