zaterdag 1 november 2025

De Afwezigheid, hoofdstuk 5: Het lachende lijden

 Dat mijn broer om als leerling aan de academie te worden toegelaten, tegelijk met een aantal medekandidaten eerst nog zijn vaardigheden moest tonen, wisten we, en daar hadden we trouwens het volste begrip voor.
   Na wekenlang intens tekenen en schilderen, brak voor hem de dag aan waarop hij eindelijk wat van zijn ongelooflijk talent kon laten zien. Maar wellicht had Umberto, in plaats van het aan de leerlingen voorgezette stilleven vakkundig na te schilderen, er beter wat op los gekliederd, zoals het de laatste jaren bij veel knutselaars in de mode is. Of anders had Papa toch gelijk telkens hij beweerde dat de samenleving niet zo in elkaar steekt als we graag geloven. Dat ervaarde hij op zijn bedrijf ook dagelijks zo. Tegenwoordig wordt er te vaak geluisterd naar leugenaars en mooipraters. Hij herhaalde dat Umberto bij het neerpennen van zijn motivatie om voor een kunstenaarsloopbaan te kiezen, vast te weinig had overtuigd. Het oordeel van de jury luidde negatief.
   Ondanks dit teleurstellende nieuws keek ik met bewondering naar het stilleven dat hij thuiskomend van de academie onder de arm droeg en dat Mama nog voor we aan tafel gingen, boven de dressoir had opgehangen. Het is een klein loflied op de schoonheid van een schuin opstaand, geglazuurd bord, een glazen waterkruik waaraan nog enkele druppels hangen en wat uien, achteloos neergegooid over een schoon uit de linnenkast gehaald tafelkleed: het pas ontvouwen doek besprenkeld met een fris, blauwachtig licht.
   Wij waren er ‘t hart van in, maar jammer genoeg hielp zulks niet Umberto alsnog in de academie te doen belanden.
   ‘Je had geschreven dat je dolgraag tekent en schildert,’ vroeg Richard hem tijdens de soep. ‘En verder dus helemaal niets?’
   ‘Verder n… niets!’
   ‘Je had toch wel iets kunnen zeggen over het belang van de kunstenaar in onze maatschappij, of over zijn toekomst. Over hoe jij de vernieuwing ziet in de hedendaagse kunst. Over hoe jij denkt later als kunstenaar aan de bak te komen! Er zijn nog zoveel andere motieven!’
   Hoewel Richard het beslist goed met hem voorhad, klonk het als bij het begin van een ruzieachtig dispuut. Mijn zachtaardige broer die er steeds alles voor overheeft om de huiselijke vrede te bewaren, ging het met een passief schouderophalen uit de weg.
   ‘Je moet je doen gelden, Umberto! Je moet leren van je af te bijten! Anders word je niet gehoord. En wie niet gehoord wordt, bestaat ook niet! In dat geval vrees ik het ergste voor je.’
   Er viel een afwachtende stilte.
   ‘Goed, dat hebben we dan achter de rug! Wat nu?’
   Als ik Richard dus goed begreep, had Umberto zijn kans tot een kunstenaarsloopbaan door het besluit van de jury definitief verspeeld, zodat hem eigenlijk niets anders overbleef dan zijn studies aan de universiteit voort te zetten.
   Hoewel ik ook niet meteen een andere oplossing zag, vond ik toch wel wat in Umberto’s argument dat de liefde voor zijn kunst hem in de gelegenheid stelt alle andere verlangens te doen vergeten. Zelf wilde ik trouwens ook niets liever dan later een beroep uitoefenen waarbij ik iets met de handen kon doen, zoals kapster of naaister, in plaats van secretaresse waarvoor ik tegen mijn zin verder zou studeren, eenvoudigweg omdat me na Umberto’s koppige keuze meer dan ooit het lef ontbrak om op mijn beurt tegen de wil van onze ouders in te gaan.
   Toen ik het plotseling voor mijn broer opnam, sprak ik dus ook een beetje ten gunste van mezelf.
   ‘Het enige dat Umberto belangrijk vindt, is de liefde waarmee hij iets doet. En daarom is hij kunstenaar. En daarom hebben die professoren ongelijk!’
   'Dat is waar!’ trad Mama me onmiddellijk bij. ‘Honderd jaar geleden heeft diezelfde Antwerpse Academie die arme Vincent er eveneens uitgebonjourd! En waarom zou Umberto het niet elders proberen? In Berchem is, geloof ik, nog een belangrijke hogeschool voor kunst gevestigd. Wij zullen het adres dadelijk in de telefoongids opzoeken!’
   ‘Oké! Jullie doen maar!’ gaf Richard zich meteen gewonnen. Naast blijde hoop voor Umberto, beleefde ik een ogenblik van triomf. Het was alsof ik achter Papa’s diepe zucht gehoord had: ‘Van één vrouw winnen is moeilijk, van twee onmogelijk!’
   Na het avondeten vond Mama inderdaad het adres en telefoonnummer. Zonder dralen greep zij de hoorn.
   Ik spoedde me met het goede nieuws dat zij tijdens haar gesprek van de dienstdoende secretaris had vernomen, naar Umberto’s atelier, een optrekje dat Papa na lang aandringen van Mama bij het begin van de vakantie had ontruimd.
   Hij zat in zijn ontbloot bovenlijf voor de spiegel, bezig met het tekenen van een somber zelfportret op doek.
   ‘Hier! Je krijgt een tweede kans. Maandagmorgen begint het toelatingsexamen!’ Ik legde het adres van de hogeschool naast het bakje voor zijn houtskool en keek in de spiegel.
   ‘Ben je niet tevreden?’
   ‘Jazeker... Bedankt! Je bent een lieve zus!’
   ‘Toch maakt het je niet blij!’ hield ik vol, daar het gezicht in de spiegel even somber bleef als het zelfportret. Terwijl Umberto onafgebroken en diep geconcentreerd doorging, voelde ik me wat opzij geduwd: een element uit de dagelijkse werkelijkheid dat naast het product van zijn scheppende verbeelding helemaal in het niet zonk. Dit zwijgend verglijden terwijl ik de vorderende staat van zijn werk aanschouwde, begon op me te wegen.
   Hij gooide de houtskool in zijn bakje. Mogelijk boden de zuinige lijnen hem al genoeg houvast om het schilderen aan te vangen.
   ‘Sinds... het verdwijnen... van M... Matthias... Kk... kann... ik niet meer te...leurgesteld worden! De bodem...’
   Ik bleef geduldig wachten.
   ‘De bodem... is bereikt! Geen... ongeluk meer! Mij kan niets... meer overkomen! Desnoods... gaat Mama... van Richard weg! Desnoods ga ik later in een caravan wonen... Het kan me niet schelen! Maar ik wil wel... blijven schilderen!’
   Umberto’s doordringende blik zocht mijn aanwezigheid in de spiegel. ‘Schild... sch... ch... dren... is het laatste dat ik opgeef!’ gorgelde hij al die moeilijke woorden met een laatste inspanning over de rand van zijn lippen. Daarna liet hij het voorhoofd met een zucht op de toppen van zijn gestrekte vingers zakken.
   Ik begreep dat mijn opmerking bij mijn broer gedachten had losgeweekt die hem al een tijd sterk beroerden.
   ‘Het spijt me,’ zei ik, hoewel ik niet inzag waarom ik spijt zou hebben. Want als Umberto de waarheid sprak, zou hij zich niet gekweld voelen. Tegen mij mocht hij trouwens alles zeggen.
   Maar nu zat ik met het weinige dat ik had gehoord: de kans dat Mama van Richard zou weggaan. Daarmee werd, wat er eerst enkel had uitgezien als een vaag voorgevoel, in één handomdraai verheven tot een beangstigend feit. Als ik ergens spijt van had, dan enkel omdat ik Umberto al zo erg had uitgeput dat ik hem niet onmiddellijk meer duidelijkheid omtrent Mama en Richard durfde vragen.
   Ik wees naar een wazige gestalte achter zijn schouder op het doek. ‘Hé, wat is dat?’
   Umberto haalde zijn schouders op, draaide zijn rolstoel en begon tussen de verftubes te rommelen. ‘Een raadsel... Raadsels moeten... raadsels blijven!’
   Daar het zolang duurde eer hij een paar vette stralen over zijn palet had uitgeknepen, kreeg ik niks te zien. Het gevoel bekroop me dat ik te veel vragen stelde, waardoor mijn aanwezigheid hem stoorde.
   ‘Ik laat je beter alleen met je vaagheden en raadsels. Roep me als het klaar is! Ik ben nieuwsgierig.’
   Ik wandelde naar buiten. De wijzers van mijn horloge stonden op halfzeven. Om zeven uur had ik mijn afspraakje met Daan. Tijd en ruimte omringden me buiten alle proportie: een vervelende, smakeloze koek die ik tegen mijn zin moest opvreten. Ik liep mezelf voor de voeten. Dit was niet de vrijheid van een circusacrobate in het zweefrek, voor wie elke spierbeweging, elke afstand in tijd en ruimte sluitend berekend is. Wat moest ik met het beeld van de heesters in onze tuin, met al die geluiden van vogels, met de kudde schaapjes in de hemel boven me, terwijl de weg naar Daan zich over een eeuwigheid van dertig minuten uitstrekte?
   Misschien kreeg ik, zoals gezegd wordt, op een onverklaarbare wijze ‘last van mijn puberale zenuwen’, en zouden, tenminste als de diagnose juist gesteld is, bepaalde soorten thee of onschadelijke kruiden hiertegen kunnen helpen; precies zoals het vermoedelijk ook zal helpen als ik volgende week weer naar school ga, mijn vriendinnen weerzie, opnieuw dagelijks mijn huiswerk moet maken.
   Tijdens mijn vlucht voor de buitenmatige wereld en de woelige zee van mijn eigen wijde overtolligheid, greep ik terug naar de dichtstbijzijnde reddingsboei: de evenwichtige Umberto. Zijn innerlijke rust. Zijn uiterlijke zelfverzekerdheid. Ik verweet mezelf dat ik te vroeg was weggegaan, dat ik niet de moed had opgebracht met hem vrijuit over mijn problemen te praten. Ik holde terug langs het grindpad.
   Ondertussen zat hij met gestrekte arm verf op het doek uit te smeren. Het paletmes hield stil bij de onbewerkte, grauwe kleuren rond de onduidelijke figuur. ‘Wat is er?’
   ‘Onze Matthias! Ik geraak er nooit overheen!’ Met die verklaring kon ik altijd voor de dag komen. Ik sloeg de handen voor mijn gezicht. Tegelijk vond ik deze houding verdomd hypocriet. Daarom schraapte ik al mijn moed bijeen om te praten, te praten, te praten. Over mijn verveling, ofschoon ik twee onafgewerkte naaidoekjes heb en waarover Mama, die ze betaald heeft omdat ik ze per se wilde hebben, mij elke dag de oren van het hoofd zeurt. Over Heidi met wie ik zonder dat wij ‘t erop aanleggen, eindeloos kan giebelen, om er achteraf in mijn buik altijd een wat onbestemd, triest gevoel aan over te houden. Over Daan, zoon van een timmerman die in de Nadorst woont en later ook timmerman wordt, en op wie ik stapelgek ben, omdat hij de gebeeldhouwde kop heeft van een Griekse god en prachtige, beweeglijke timmermanshanden. Over het rare gevoel dat ik mezelf aldoor in de weg loop!
   ‘En dan is er nog iets! Lach niet: het is mijn droom om kapster te worden! Maar ik weet dat Richard het afkeurt.’
   Op dit punt gekomen, had ik van Umberto een helpende hand verwacht, of op zijn minst verwondering, gevolgd door een vraag naar meer uitleg. Hij kon ook gezegd hebben: ‘Praat er met Mama over.’ Of: ‘Wacht er nog een jaartje mee. Dan zijn je middelbare studies rond. Dan zijn al die moeilijkheden en acties rond onze Matthias misschien voorgoed van de baan.’ Nadat ik aan tafel voor hem zo in de bres gesprongen was, kon hij ook wel met iets hoopvols voor de dag komen. Het minste dat ik verwachtte, was een signaal waaruit ik kon opmaken dat hij aan mijn kant stond. Maar mijn broer zei helemaal niks! Zijn naar het doek gerichte arm leek verstijfd, als een stuk hout waaruit alle leven was weggevloeid. Zijn blik bleef bikkelhard en onafgebroken op de vage, met verf besmeurde figuur gevestigd. Door zijn vertrokken mondhoeken werd zijn lip overheen de bovenste rij tanden strak gespannen, alsof hij heftig op iets wilde reageren, maar met stomheid geslagen bleef. Gewaarschuwd door dit schrikwekkende beeld keerde ik me naar het doek. Bekeek de figuur aandachtig. Tussen het grauw ontdekte ik twee scherpe oogjes.
   ‘Weet je heus niet wat het gaat worden?’ reageerde ik, bevreesd dat het voor zijn teergevoelig zieltje wat te veel geworden was.
   ‘Eerst dacht ik...’
   Eender wat hij dacht, opgelucht hoorde ik zijn stem. Ik kon weer ademen!
   ‘…Dacht ik... aan de kop... van... een haai! Of aan die van een vleermm... muis! Ja, misschien... wordt het dat wel!’
   Ik zag het verband tussen dit nachtdier en de donkere kelder waarin ons broertje volgens mijnheer Hermans, de helderziende, zat opgesloten, en greep onmiddellijk de kans Umberto hierover gerust te stellen.
   ‘Terwijl jij op de academie was, hadden Mama en ik een bezoek gebracht aan mijnheer Hermans. Hij had goed nieuws. Matthias verblijft niet langer in de kelder. Een grote, sterke kerel zou hem naar boven hebben gebracht. En nu rent hij als een jong hondje over het boerenerf, stoeiend achter de kippen en achter zijn eigen kwispelstaart.’
   Meteen nadat ik dit gezegd had, werd ik diep getroffen. Op het moment dat Umberto zijn hoofd wegdraaide, meende ik over zijn wang een natte glans te zien. Of was het verbeelding?
   ‘Zou... Zou het... waar zijn?’
   ‘Ja, ‘t is waar! Echt waar!’
   Niet enkel had ik Umberto allang vergeven; graag had ik hem nog meer gerustgesteld. Zo dacht ik aan ons tweede bezoek, toen we langs onze terugweg met de auto de woning van de privédetective passeerden en Mama van de gelegenheid profiteerde om kennis met hem te maken. Nu moest ik wel met een paar overdrijvingen op de proppen komen.
   ‘Privédetectives, Umberto jongen, dat zijn gewiekste kerels! En van alle markten thuis!’ Dit leek me ferm gelogen. Mogelijk vormde die Reinhout een uitzondering; ik had me de mannen van dit beroep gans anders voorgesteld. Voor het eerst had ik zelfs meer begrip voor Richards wantrouwen dan voor de hoop die Mama in hem stelde. Deze man zag er helemaal niet sterk of gehaaid uit. Integendeel, terwijl ik zijn lachende kop zag en zijn dikke hand schudde, dacht ik eerder aan een onterfde boerenzoon dan aan een speurder. Maar misschien ging het bakvisje te zeer op uiterlijke indrukken af. En daarom durfde ik aan Umberto nog meer kwijt: hoopvolle woorden waarvoor door Mama betaald werd, maar waaraan ik zelf weinig geloof kon hechten.
   ‘De gerechtelijke politie, - zo begon die kerel, - die pakt het te bureaucratisch en formeel aan! Geef me twee weken. Als ik dan nog niets heb, zal ik het je in je gezicht komen vertellen. Ik hou niemand aan het lijntje! Hé Umberto, was dat klare taal!’
   Umberto kreeg geen kans hierop te reageren; want ik zat met iets dat me allang genoeg had opgevreten. ‘Zeg eens: en wat vind jij van Daan?’ De vraag sprong eruit, onverwachts, als een te sterk opgespannen veer. De vraag had me de pas en de adem afgesneden, had me langs het grindpad teruggestuurd. Het kon me niet schelen dat ik van de hak op de tak sprong. De vraag moest Umberto overvallen, moest op hem inhakken, als een bijl na een krachtige, doelgerichte zwaai. De bijl moest splinters maken van bijkomstigheden. Geen flauwe kul! Een eerlijk antwoord! ‘Je weet toch wie hij is, - ja? Heb je ooit al eens iets over hem gehoord? Laster? Lelijke dingen?’
   ‘Ja... he... nee!’ zei Umberto, duidelijk in verwarring. ‘Heus, ik... k... weinig over hem zeggen! Hij voetbalt, - nietwaar? Hij zou ‘n opkomende ster...!’
   ‘Dat zegt Heidi ook. Maar voetbal heeft niks om ‘t lijf. Voetbal is spel en blijft spel. Kinderspel! Het gaat ‘m in het leven over heel iets anders. Dat weet een kunstenaar als jij natuurlijk beter dan wie ook. De droom is belangrijk! De liefde is belangrijk! Umberto, ik droom van een liefde zoals er nog nooit een geweest is. Ja, ik weet wel wat de mensen zeggen: zij denken dat het de stomme praat is van een onervaren meisje... Dat ik niet in staat ben te relativeren... Dat ik wegzweef voor een knap gezicht, voor een paar lieve ogen...’
   Ik richtte me tot de spiegel waarin Umberto luisterde, met zijn kin roerloos tegen de borst, wat eventjes de schijn gaf of hij met de rug tegen de leuning van de rolstoel zat vastgeknoopt. Ik zag het als een poging om zijn innerlijke strijd voor mij te verbergen, wat me vreselijk kwetste. Maar dan rees het besef dat zijn lijf weinig meer voorstelde dan een moeilijk handelbare, voor de liefde ongeschikte klomp vlees. Juist doordat ik zo vurig over mijn bijzondere gevoelens had uitgeweid, drong het met eenzelfde punt door mijn binnenste hoe pijnlijk het voor hem moest zijn: te luisteren naar al dat wonderbaarlijke dat hem, door de schuld van zijn handicap, voor levenslang ontzegd werd.
   De domme bakvisje beet op haar lippen; alsof de hoop op het geluk van de een onvermijdelijk de verdoemenis van de ander moest betekenen. De bakvis keek op haar horloge. ‘Ik moet er vandoor! Zie je straks!’


Vannacht stond ik onverwachts voor het verbolgen gezicht van Richard. Hij tikte me op de schouder. Ik draaide me om en kwam uit een andere wereld: een sprookje waarin ik een liefde beleefde zoals er nog nooit een geweest is. Maar hij, de fatsoenlijke burgervader, zag het helemaal van de vunzige kant. Hij zag enkel dat café, een donker hol, en mij op het midden van de beslijkte dansvloer: bedwelmd, opgezweept, in trance ten gevolge van de oorverdovende muziek en doordat ik mijn arm had geslagen rond de nek van een knappe jongeman.
   Dus, ik draaide me nietsvermoedend om, en voor ik besefte wat er plaatsvond, kletste hij in mijn gezicht, snauwde me toe dat ik een del was. Daarna greep hij mijn arm en trok me mee naar buiten, waar onze ronkende auto stond met Mama achter het stuur. Zo te horen is een del de verzamelnaam voor alles wat niet aan mij deugt en dat ik, achteraan in de auto, afwisselend van Richard en Mama in een stortvloed van verwijten over me heen kreeg.
   Terwijl we naar huis reden, wilde Mama per se weten wat me had bewogen om mijn voorbeeldige ouders om de tuin te leiden door, in plaats van braafjes te gaan slapen, zoals ik had voorgegeven, om elf uur opnieuw mijn jurk aan te trekken en stiekem uit het venster van mijn kamer op het gelijkvloers te stappen.
   Door de lawaaierige dorpskermis in de buurt leek het antwoord me evident. Bovendien wilde ik niet dat zij erachter kwamen dat ik een vriendje had. Dus besloot ik mijn mond te houden. Dan konden ze aan hun grieven zolang de vrije loop laten tot zij vanzelf weer bedaarden.
   Zoals verwacht, bond Mama het eerst in. ‘Nu ja, je moet het allemaal ook niet te hoog opkloppen, Richard,’ kwam het sussend van haar kant. ‘Wij zijn ook jong geweest!’
   ‘Dat is waar! Maar ik wil niet dat onze dochter met schorem omgaat!’
   Mama draaide zich om, keek me onderzoekend aan. ‘Over wie heeft hij het Felicia?’
   Graag had ik haar alles verteld over Daan: zoon van een timmerman en rijzende ster in de voetbalsport; al wou ik het daar niet speciaal over hebben. Wel dat hij oprecht is en een harde werker. Kan alle meisjes van ‘t dorp krijgen. Maar heeft het enkel op mij staan. En ik op hem. Misschien vinden jullie onze liefde dwaas, vinden jullie dat zij geen schijn van kans maakt. Dan verklaar ik bij deze dat jullie het bij ‘t verkeerde eind hebben. Ik zal Daan nooit opgeven. Nooit!
   Al deze woorden flitsten helder door mijn gedachten. Maar na deze escapade durfde ik Richard niet verder te provoceren. Mijn huilend gezicht naar Mama moest me redden. Ik trok mijn schouders op. Een gebaar van onwetendheid.
   ‘Zal ik het zeggen?’ stoof Papa andermaal op. ‘Hij is de oudste zoon van Pattyn, de timmerman die zijn werkplaats heeft op de Nadorst. Naar ‘t schijnt speelt de knaap behoorlijk voetbal, maar naast zijn strafblad wil dat niets zeggen.’
   ‘Strafblad? Wat heeft hij dan uitgespookt?’ hoorde ik Mama toneelspelen. Mij leek het opeens een van tevoren uitgedacht scenario om Daan te bekladden, hem in mijn ogen voor altijd onmogelijk te maken.
   ‘Hij heeft een meisje aangerand!’
   Voor Richard lag onze liefde in de pan gehakt. Maar omdat Daan me ‘n tijdje geleden alles eerlijk en spontaan over die rechtszaak had opgebiecht, wist ik te veel over de leugens van dat meisje. Zo gleed dat twee jaar oude nieuws van me af zonder dat het mijn koude kleren raakte. Ik had al besloten om Daan nooit te verraden.
   ‘Daan is onschuldig!’ schreeuwde ik bewust mijn verschrikkelijke onmacht uit.
   ‘Daan is een maniak en een profiteur!’ ging Papa met onvermoeide ernst door. De woorden bonkten als vuistslagen tegen mijn gezicht, tegen mijn ribbenkast, mijn maag. ‘Toe, huil maar! Daan is het vreselijkste dat je kon overkomen!’
   En ja, ik huilde. Ik huilde tot we thuis waren. En in bed huilde ik nog. Maar tussen de lakens kreeg ik heldere momenten. Voor het eerst kwam ‘t in me op dat mijn ouders te goed over Daan ingelicht waren. Ik vroeg me af hoe dat kwam. Zo belandde ik bij Umberto en ons laatste gesprek, waarbij ik hem als zijn zus en vurigste verdedigster van zijn kunst in vertrouwen had genomen. Ik belandde bij zijn verwarring. En nu begreep ik zijn moeilijk praten. Hij had me niet durven zeggen wat hij over Daan wist. Wel was hij er recht mee naar Mama gelopen!
   Mijn gedachten dwaalden af, tot ver in de toekomst. In Antwerpen zou ik mijn studies voltooien en daar twee avonden per week heimelijk een op de praktijk gerichte cursus voor kapster volgen. Eens gediplomeerd zou ik afstand doen van mijn familie en met Daan trouwen. Samen zouden wij kinderen krijgen en een liefde beleven zoals er nog nooit een geweest is.
   Maar wat als mijn ouders koppig bleven weigeren zich te verzoenen? Deze valsheid zou als een ziekte door mijn hoofd blijven spoken. Want zie, na een feestvierende dag als Kerstmis, waarbij ik me er tevergeefs op had verheugd dat zij tijdens ons verscheurend weerzien hun levensgrote vergissing zouden toegeven, had ik me eenzaam gevoeld als een dode.
   ‘Zij had tot na het feestmaal gewacht,’ zo zou de ganse familie en alle kennissen het noodlottige bericht later te horen krijgen. ‘Daan en de kinderen keerden terug van een ommetje. In plaats van de kersttafel af te ruimen, heeft zij zich verhangen.’

Vanmorgen zie ik de wereld met gans andere ogen. Vanmorgen zie ik dat de kleur van mijn verdriet inktzwart was, terwijl ik een hekel heb aan zwart. In mijn ogen is zwart de kleur van de overdrijving, een eigenschap die geen daglicht verdraagt. Voor dag en dauw sta ik op, open het venster en jaag al mijn dwaze wraakgedachten met de opgebruikte lucht naar buiten!
   Sinds de ontvoering van onze Matthias wordt aan tafel enkel nog in mineur gepraat. Gelukkig komt het gebeuren van vannacht niet meer ter sprake. Het voorval wordt ook door mij angstvallig gemeden. Dit betekent evenwel niet dat ik heb bijgedraaid. De tijd zal aantonen wie ongelijk had.
   Na het ontbijt grijp ik het kistje met mijn handwerk. Het eerste naaidoek dat het hoofd voorstelt van de lijdende Christus met doornenkroon en een opwaartse blik, waarmee Hij, gebukt onder onuitsprekelijke pijnen, zich kreunend tot zijn hemelse Vader richt, leg ik opzij voor mijn tweede doek: een naïeve voorstelling van een huisje met tuintje, met zonnetje, met oudje dat de kippen voert, met weitje, koetje, treintje, kindertjes, boompjes; kortom, een hoopvol tafereel. Vandaag vind ik het wat onnozel, maar in elk geval is het beter te naaien dan mijn broer op te zoeken in zijn atelier. Ik laat Umberto’s kop van een vleermuis links liggen, precies zoals het Christushoofd. Ik wacht tot mijn broer uit eigen beweging naar mij komt met de vraag wat ik van zijn zelfportret vind. Wel, ik vind het nu al een miskleun.
   Terwijl ik een draadje door mijn naaldje rijg, kan ik aan de geluiden van potten en pannen horen dat Mama in de keuken is. Ik kijk door het venster en zie Papa bij de brievenbus. Op zondag is er geen post; daarom is het curieus dat hij een geopende briefomslag in de hand houdt en iets leest. Te oordelen aan zijn diepe frons is het geen reclame. Hij loopt naar binnen en praat opgewonden met Mama. Het wordt even stil, wat betekent dat Mama de brief op haar beurt doorneemt. Ik hoop dat het bericht niet van Daan komt.
   Het feit dat Richard regelrecht op de telefoon afstevent en naar Reinhout vraagt, stelt me gerust. Mama volgt hem op de hielen, komt bij het toestel staan. Het gaat over Matthias.
   Ik wil niet luistervinken. Maar ik heb wel oren. Zo verneem ik dat er een losprijs van vijfentwintigduizend euro geëist wordt. Ik hoor – Papa citeert de brief – dat de transactie onder de grootste geheimhouding moet plaatsvinden. ‘Geen politie! Of u zult uw kind nooit meer weerzien.’
   Wat de detective hierop te zeggen heeft, kan ik niet verstaan. Ik vermoed dat zij afspreken, want Papa zegt ja en hangt op. Mama zit in een fauteuil, met schokkende schouders en haar aangezicht verborgen achter beide handen.
   Richard komt naar mij en zegt op onvriendelijke toon dat ik alles wat ik heb gehoord voor mezelf moet houden. ‘In het belang van onze Matthias! Begrepen?’
   Ik knik onderdanig en terwijl mijn betraande ogen op het klinkje van het deurtje van het huisje gefixeerd blijven, gaat mijn naaldje met het gekleurde draadje ijverig op en neer. Morgen, denk ik, morgen wil ik met dezelfde tranen in de ogen mijn grote liefde alles in vertrouwen vertellen: over het losgeld, over de privédetective, over alles wat er in de brief staat, precies zoals hij me ook heeft durven vertrouwen, door alles eerlijk aan me op te biechten, al was het nog zo schokkend.
   Ik haat dit op- en neergaande naaldje. Ik verafschuw dat doekje. Ik walg van dit huisje, tuintje, zonnetje. Het heeft alles om een landerig, braaf schoolmeisje aan het lijntje te houden. En ik wil niet aan het lijntje gehouden worden! Liefst wil ik op mijn fiets springen en de wijde wereld intrekken. Maar ik heb uitgaansverbod. En doelloos in de tuin rondlopen vind ik nog walgelijker. Dan stort de hemel op mij neer. Dan fluisteren de bloemen en de vogels me satanische gedachten in het oor. Dan krijg ik weer last van mijn puberale zenuwen en vreselijke ademnood.


Ik heb het venstertje met bloempotje bijna voltooid als er wordt aangebeld. Mijnheer Reinhout. Het is zondag en de onterfde boer heeft een bad genomen. Hij heeft een blinkende neus. Vriendelijk is hij wel. Terwijl hij achter Papa met zijn hoed in de hand langs mij passeert, heeft hij nog tijd voor een guitig knikje.
   Zij nemen plaats in de woonkamer aan de hoek van de tafel. Als Mama uit de keuken komt en zich bij hen voegt, is die ietwat corpulente bezoeker zo ouderwets galant dat hij opstaat om haar met een handzoen te begroeten.
   Reinhout ontvangt de brief. Na aandachtige lezing geeft hij commentaar en begint opnieuw te lezen. Zijn hoofdschudden zegt dat hij geen woord gelooft van wat erin staat. Hoewel hij luid genoeg praat, ontsnappen me zijn argumenten. Ik stel vast dat Mama het niet met hem eens is. Kijk, daar gaat mijn naald naar het volgende venstertje met bloempotje! Mama is het ook niet met Richard eens! Dit wil zeggen dat de heren dezelfde kant gekozen hebben, wat betekent dat zij, al zijn ze het beiden met haar oneens, zich toch naar de wil van moeder de vrouw horen te schikken. De euro’s zullen rollen!
   Het gesprek evolueert naar de praktische aanpak. Precies zoals in het andere venstertje, kies ik groen voor de gordijntjes. ‘Haal het dan van de bank’, meen ik dat Mama zegt. Doordat mijn oog op het venstertje gericht is, blijft er een heleboel onduidelijk. Eén ding heb ik wel goed verstaan; dat was toen Reinhout met nadruk beklemtoonde: ‘Alstublieft, vraag daar alle nummers te noteren! En doet u dit zelf ook!’
   Als Mama ervan overtuigd is dat de heren zich bij haar beslissing hebben neergelegd, verdwijnt zij weer naar de keuken. De brief wordt in de omslag geschoven, maar Richard is nog niet klaar. Want Reinhout blijft zitten.
   Richard praat, praat langdurig en stilletjes: het lijkt bijna op fluisteren.
   En Reinhout knikt, knikt zoals een pastoor de biecht afneemt en zich inspant om genoeg begrip voor de zondaar op te brengen.
   Het gesprek duurt even lang als mijn twee groene gordijntjes. Ik zie dat Reinhout schriftelijk nota neemt. Weg van het linkse groene gordijntje zwerft mijn blik door de kamer naar het notitieboekje dat hij in zijn binnenzak laat verdwijnen.
   Daar komt Mama weer. ‘Koffie, mijnheer Reinhout?’
   Er wordt weer luider gesproken, minder geheimzinnig gedaan. Helaas, Reinhout heeft geen dorst! Hij staat op, zoent nogmaals Mama’s hand en volgt Richard naar de voordeur. De onterfde boer kan moeilijk zijn richting houden. Zijn bovenlijf zwaait rakelings langs de schoorsteenmantel en een wat te ver achteruitgeschoven stoel. Ondanks deze moeilijkheid ontvang ik alweer een guitig knikje.
   Tegen dat de onterfde boer de voordeur achter zich heeft, in zijn auto is gestapt en op het punt staat weg te rijden, heeft zich in mijn buik een gelijkaardig gevoel genesteld telkens als ik met Heidi een fietstochtje maak. Wij kijken om ons heen, naar die ernstige, malle wereld en naar haar malle, ernstige mensen. Wij schieten in de lach. En het lachen houdt niet meer op! Wij lachen zo hard tot onze buik zich vult met lucht en met duizend fladderende vlindertjes. Wij lachen tot we geheel zijn opgeblazen en onder onze fiets op de grond vallen. Mijn pedaal heeft een flinke slag gekregen en Heidi’s voorste wiel staat scheluw. En zo komen wij dan thuis: met een hoop schroot in onze handen. Op dezelfde wijze laat ik het naaidoekje voor wat het is: een kleurrijk, maar waardeloos lor, bedoeld om aankomende meisjes zoet te houden; een vod dat van mijn schoot op de vloer terechtkomt, daar ik ben opgestaan uit de fauteuil om mijn wuivend handje naar de onterfde boer wat hoger in de lucht te steken.
   Mama komt uit de keuken en Richard sluit de deur van de hal. Zij ontmoeten elkaar in het midden van de woonkamer. Ik zie hun schoenen op een meter van het naaidoekje dat ik op hetzelfde ogenblik van de grond opraap.
   ‘Had Reinhout nog wat bijzonders te vertellen?’
   ‘O ja, hij heeft gevraagd om kleine coupures af te halen: bij voorkeur van honderd euro!’

vrijdag 24 oktober 2025

De Afwezigheid, hoofdstuk 4: Nelson & Bekker

Ik kijk naar de twee ogen van mijn kajuit. Ik noem de patrijspoorten ogen, doordat ze rond zijn en ze, als ze konden praten, meer dan menig mens zouden vertellen over de buitengewone dingen die in de vele havens op de wereld plaatsvinden. Richten zij hun blik naar binnen, dan zien zij een verlaten zeeman, rustend op een schamele kooi. De zeeman heeft alles aan de twee ogen te danken. Zonder deze ogen zou hij niemand zijn.

Van luitenant Jack ontving ik post en twee Vlaamse kranten van vorige week. Zij liggen hier met hun schreeuwende koppen sensationeel voor me open.

Ik ben zeeman geworden omdat ik indruk wilde maken op de meisjes uit ons dorp. Maar toen ik terugkeerde van mijn eerste reis liepen al die meiden zwanger rond en hadden ze wel andere dingen aan hun kop dan mijn verslag over een stevige knokpartij in Buenos Aires, waar ik mijn scheve trompetneus heb gehaald. Overdag was onze stamkroeg leeg. Ik liet Mie Vet een krat bier onder mijn tafeltje schuiven en bewaarde mijn verhalen voor Corneel, mijn broer die na mijn derde krat en nadat het café was volgelopen, rond middernacht binnenkwam om mijn dronken botten in een taxi te hijsen.

‘Morgen ga je solliciteren,’ zei hij. Misschien zag hij een arme drommel in mij. Want de volgende dag nam hij me mee naar een fabriekje waar ze drank op flessen spuiten. Ik moest op een stoeltje gaan zitten en nagaan of de in ‘t gelid voorbijlopende flessen hun volle hals mooi omhoog hielden. Als dat niet zo was, moest ik een handje toesteken. En als er een hele rij omver lag, moest ik op een rood knopje drukken. Na een halve dag werd ik er wat tureluurs van, maar verder ging alles prima.

De tweede week liep het radicaal uit de hand. De opzichter kon mij niet luchten. Op een morgen kwamen mijn broer en ik een kwartier te laat. Wij werden aan zijn bureau geroepen. ‘Jullie krijgen een uur minder uitbetaald,’ deelde die verwaande nul ons mee, terwijl hij zijn ogen neergeslagen hield op onze tikkaarten. Ik wilde uitleggen dat mijn broer geen schuld trof, aangezien ik me had verslapen en hem als passagier meenam in mijn gehuurde auto, maar hij blafte me toe dat de flessen al een halfuur stonden te wachten. Ik gaf hem nog een tweede kans.

‘Weet je, mijn broer...’

‘Je broer, daar heb ik geen fluit mee te maken!’

Zie, omdat ik geen hond ben, en omdat ik geen onrecht kan verdragen, danste er plotseling een rode vlek voor mijn ogen. In een flits zag ik mijn gebalde vuist wegschieten. Hoewel ik me op het laatste ogenblik nog inhield, zodat ik zijn kin eerder had geaaid dan geslagen, liet hij zich met stoel en al achterovervallen, wat een vreselijke tumult veroorzaakte; temeer daar die vent als een volleerde komediant bleef liggen.

Mijn broer nam me ijlings mee naar de kleedkamer waar ik mijn overall aan een haak hing om daarna door het venster naar buiten te stappen. Ik heb die opzichter nooit meer teruggezien. Een half jaar later werd ik bij verstek veroordeeld tot het betalen van een tandprothese. Het geld zou afgehouden worden van mijn loon, maar was vermoedelijk ontoereikend, want van die fabriek heb ik nooit één cent gezien.

De zee dan maar. De eerste jaren had ik er moeite mee, maar na de dood van mijn moeder en de echtscheiding van mijn broer, is er nog weinig dat me naar de Kempen doet verlangen. Elke keer als ik er kom, vind ik de groene weiden van mijn geboortestreek meer verkaveld en de mensen die er wonen verder gespecialiseerd. Zij bouwen een lawaaierige, geïndustrialiseerde, lelijke wereld, met bekrompen, gevoelloze mensen: kleine zakenluitjes, kruideniers, technocraten, puistkoppen, die de hele dag op elkaars schoot zitten, die autorijden, bomen hakken en zwoegen voor geld, die bezeten zijn van hebzucht en ‘s avonds na de bekendmaking van de winnende lottonummers, verder indommelen voor het tv-kastje, daar het toch weer niets was.

Nu weet ik niet meer waar ik heen moet. Wel moet ik kunnen gaan vissen als ik daar ineens zin in zou krijgen, en ik moet ook zonder schriftelijke toelating over het gras kunnen lopen. Misschien, als ik te oud word voor de zee, ga ik wel tussen de zwartjes wonen. Misschien hebben ze daar, zoals in die goeie oude Tarzanfilms, nog iemand nodig om in een draagstoel rond te sjouwen: een of andere blanke rechter die genoeg spieren heeft om een arme kiekendief op zijn kop te geven.



Tot zolang de ruwe zee dan maar, en de twee ogen van mijn kajuit, en mijn kale brits. De kranten interesseren me meer dan Machtelds brief die daar nog ligt. Ik hoef hem eigenlijk niet te openen: ik heb de klaagliederen over haar kleurloze leventje al zo vaak aangehoord dat ik ze uit het hoofd kan opdreunen. Laatst was er ‘n kleine variante. Toen schreef ze me dat ze zo erg onder haar verveling leed dat zij zichzelf in de stal met touwen had vastgeknoopt, maar ook dat het haar niet dezelfde bevrediging had geschonken als die keren toen het door mij onder dwang gebeurde. Dit laatste verbaast me niets. Wellicht miste ze nog meer mijn rake klappen voor haar blote kont.

Bij het openslaan van de tweede krant, word ik even verrast. Net wanneer ik die gedachten heb over Machteld word ik getroffen door een schets van haar gezicht. Het gaat om een robotfoto van een vrouw die aan de kust een peuter zou hebben ontvoerd. Zij zou niet gewoon dik zijn, maar volgens een ooggetuige uit Oostende, die haar eerdere poging tot kidnapping in een supermarkt had voorkomen, vermoedelijk hoogzwanger. Door dat gezicht, of door de gedachte aan Machteld herinner ik me vaag een droom. Vannacht voelde ik iets onder het deken. Mijn eerste gedachte ging naar Machtelds houten crucifix dat van de muur gevallen was, recht in mijn bed tussen de lakens, maar het bleek een penseel. Of was het een potlood? Verbaasd over hoe dat ding daar gekomen was, trok ik het eronderuit. Tegelijk hoorde ik Machteld krijsend als een heks wegvluchten. Haar stem, zwart en vloeibaar als hete pek, klokte in een open riooldeksel, pruttelde in de ondergrondse leidingen, verdronk in een aalput en eindigde tenslotte. Ik werd wakker en ik vond het allemaal zo raar maar waar. Ik vroeg me af waar dat penseel was en of ik in ‘t donker een noodroep had gehoord.

Met mijn ogen naar het licht in de patrijspoorten dacht ik aan mijn onmogelijke relaties met Machteld, met Yoki, met Céleste, met alle vrouwen op de wereld, en dat misschien hier de reden moet gezocht worden waarom ik, zoals Jack herhaaldelijk beweert, zoveel in mezelf praat, waarom het lot me in het pak van een zeeman heeft geprangd om me uiteindelijk op dit schip en in deze kajuit te doen belanden.

Ik laat luitenant Jack zijn zegje hebben. Hij weet niet wanneer Nelson aan het woord is, of wanneer Bekker. Hij hoort geen onderscheid.

Maar ik weet natuurlijk beter, en daarom houd ik vol dat het altijd Bekkers schuld is wanneer het misloopt met vrouwen. Want terwijl Nelson geduldig de in zijden kousen gehulde benen van de meisjes streelt, met oprechte belangstelling naar hen luistert en zelf ook al eens iets zegt, bijvoorbeeld over wat hij later, als hij met pensioen is, met zijn berg geld gaat uitvreten, onderbreekt de ondertussen geil geworden, goudeerlijke Bekker al die flauwe komedie door: ‘Hou je kop nu maar! Spreid je benen. En vlug wat!’

Geen wonder dat de vrouwtjes gauw van hem af willen. Voor Nelson betekent zulks telkens een pijnlijk ontwaken. Want hij is eigenlijk een fijnbesnaarde jongen in slecht gezelschap. En hij had graag nog even door gezwamd over wat hij dan later met zijn fortuin zou aanschaffen: een zwarte ‘Steinway and Sons’, de beste vleugelpiano die er op heel het continent te vinden is. Ook op de vraag waarom precies een piano, daar hij toch geen do van een re kan onderscheiden, had Nelson, nadat hem eerst zou zijn beloofd om vooral niet te lachen, een antwoord: ‘Opdat zijn spiegelgladde bovenblad me voor altijd zou herinneren aan iets waarvoor luitenant Jack me eens in het holst van de nacht heeft wakker geschud, iets wat ik daarna nooit meer heb gezien: een zwarte, roerloze plaat, zover ik kon kijken, glanzend onder een duizelingwekkende Melkweg.’

Maar afgezien van sommige mislukkingen kan ik met tevredenheid terugblikken. ‘Nelson,’ hoor ik Bekker me wel eens aanporren, ‘jij met je opgespaarde zaad van de laatste weken in je zware ballen, als we de volgende haven binnenlopen, doe je wat een echte zeebonk betaamt. Je laat een bloot wijf op je kont tatoeëren. Daarna ga je weer eens flink aan de rol! Desnoods deel je wat rake klappen uit! Kies een paar moordgrieten. Een krachtpatser als jij neme er wel drie! Wat het ook mag kosten, hou je vlag hoog aan de stok!’

Maar als Bekker later in zijn eigen kots ligt en tegen het ochtendkrieken blut wakker wordt in een vreemde haven, terwijl de nachtelijke mist tussen de grijze gevels van een achterbuurt langzaam optrekt, kreunt hij: ‘Nelson, neem me mee, ver weg van deze puistige wereld en haar puistige lieden. Breng me terug naar ons schip! Op naar de eenvoud! Op naar het alleen-zijn! Ik heb genoeg van de goot! Alsjeblief, toon me nog eens de eindeloze oceaan in onze patrijspoorten. Laat me nog eens de waarheid zien! De essentie!’



En dat doet ie! Bij elke gelegenheid, gehaast of niet, altijd getroost Nelson zich de moeite zijn arm over het woelige water uit te strekken om de plekjes te tonen waar ik moet kijken. Want hij is een groot kenner van kleuren, van hemelse smeltkroezen, van zeemonsters in de schaduw van zwarte wolken, van het grillige samenspel tussen licht, lucht en water, van de oneindigheid ook. En het is zo dat ik daar al een paar keer heb gestaan, met tranen in mijn ogen. Want op welk uur van de dag en bij welke weersgesteldheid ook, wat hij toont heeft niemand eerder ooit gezien. Meestal heeft hij het enkel over de oppervlakte van het water. Over de geluiden en over de diepte zal hij zelden uitweiden. ‘Er moet ook wat ongezegd blijven,’ beweert hij dan. ‘Aan het zichtbare heb je al meer dan genoeg!’

Ik, Bekker, begrijp dit raadselachtige gedoe niet altijd zo best. Maar soms waren zijn woorden nog niet koud, of daar keerde de oceaan zich even op zijn rug voor een ongelooflijke tyfoon zoals ik in de Zuid-Chinese Zee al twee keer heb meegemaakt. Of daar kwam een school van wel meer dan duizend witte dolfijnen ons blij gedag zeggen, om ter hoogst opspringend tussen de blauwe luchten en het stromende water langs de zwarte scheepsromp. Jongen, ik verzeker je, als je zoiets ziet, dan lach je! Dan lach je tot de tranen je over de wangen rollen! Wat mij betreft, ik hoor dan een innerlijke stem die zegt: ‘Dank je Nelson! Dank je!’ Maar de plichtbewuste Nelson is er alweer vandoor. Hij zit op de knieën het dek te schrobben. Ik voeg me bij hem zoals ik me, opstandig of niet, al heel mijn leven bij hem moet voegen.

‘Denk nu niet dat ik gek ben,’ zeg ik. ‘Denk niet dat ik voor een paar stomme vissen tot het einde van mijn leven op dit vervloekte schip blijf rondzwalpen. Er is in dit leven nog wat anders te doen dan boegen schilderen, koper poetsen, plankieren teren. Vroeg of laat trouw ik een rijke troela!’

Ik vouw de kranten dicht, rek me uit en kijk door een patrijspoort. Het motregent. De oceaan ligt plat op de lage bodem van een oude kelder met donkergrijze, gebogen welfstenen waartussen het vocht langs alle kanten naar beneden sijpelt. Er is boven de deining altijd wel wat schoonheid te ontwaren. Maar omdat Bekker dus ooit nog een rijke troel tegen het lijf wil lopen, begin ik aan mijn dagelijkse conditietraining. Eerst werp ik me met mijn buik plat op de vloer. Door mijn armen ter hoogte van de schouders te strekken, hijs ik achtennegentig kilo: mijn eigen lichaamsgewicht. Dit herhaal ik honderd keer. Om mijn buikspieren te oefenen, til ik mijn gestrekte benen achterwaarts omhoog, daarna liggend op de rug voorwaarts. De laatste tien minuten worden meestal gewijd aan touwtjespringen. Maar vandaag haal ik ook mijn halters uit de kast.

Als ik onder de douche uitkom en lekker aangekleed ben, ruim ik mijn kajuit op. Ik wil Machtelds brief bij de oude kranten gooien, maar opeens besluit ik dat het slechts een geringe moeite zou zijn de omslag open te scheuren. Als Bekker de hanenpoten herkent, gooit hij de brief direct bij de kranten, maar Nelson draait zich om, haalt de brief tussen zijn duim en wijsvinger naar zich toe, gaat op de kooi zitten en begint hem luidop te ontcijferen.



‘Dag Nelson, lieve schurk, Met mij gaat alles prima. Toen ik vorige week in Leuven was, heb ik van een daar rondwandelende familie een jong hondje gekocht.’

‘Een ***likkertje,’ zegt Bekker. ‘Dat moest ervan komen!’

‘Het eerste uur, toen ik ermee naar huis keerde, ging alles goed. Maar onderweg begon het te janken: eerst heel stilletjes; later toen ik in het donker uit de trein stapte, luidkeels. Het bracht me in de grootste verlegenheid. Ik heb er een halfuur mee door de straten gelopen. Tot hij bedaard was. Daarna, tijdens de rit met de laatste bus naar huis, was hij uitgeput in slaap gevallen op mijn schoot.

Het is, moet ik toegeven, wel een leuk hondje. Maar hij past zich moeilijk aan, en nu zit ik ermee! Niet alleen eet hij niet alles wat ik voorzet, hij maakt er ook telkens een smerige boel van. Om te voorkomen dat het voer tot meters in het rond vliegt, heb ik zijn voorste pootjes moeten vastbinden. Plassen doet hij ook veel. Ik loop de hele dag met een dweil achter hem aan. Maar ik ben uiterst geduldig! Ik hoop alleen dat hij spoedig ophoudt met janken. Mijn zenuwen kunnen het niet aan! Dan sluit ik hem een paar uur op in de kelder, tot hij gekalmeerd is. Maar in negen van de tien gevallen heb ik weer wat anders voor. Laatst daalde ik van de trap, en wat zag ik? Hij lag in zijn eigen stront! Het is toch niet normaal voor een puppy dat hij alsmaar plat schijt?’

‘Geef hem rijstwater!’ roept Bekker. ‘Of meng wat verse, gekookte worteltjes onder zijn vlees!’

‘Ik schrijf haar een brief dat het wel een paar weken kan duren eer zijn darmflora zich aan een andere keuken heeft aangepast,’ zegt Nelson.

‘Darmflora? Wie weet wat voor rotzooi geeft die teef hem te vreten! Bedorven vleesafval! Want zij heeft wel graag een hondje. Maar natuurlijk mag het weer geen cent kosten! Ocharme, het beestje! Ik heb er compassie mee!’

‘En dan is er nog iets, Nelson,’ leest Nelson verder. ‘Het ligt me al lang op de lever, maar het moet je eindelijk eens gezegd worden. Ik ben acht maanden zwanger. Toch al van kunstmatige inseminatie gehoord, hoop ik?’

‘Kutmatige inseminatie! Verdomme!’ schreeuwt Bekker.

‘Waar je ook bent, daar ik al tot hier kan horen dat je je met de opvoeding van mijn pup gaat bemoeien, - wat ik niet wil, - hoor ik je ook nog brullen dat aan jouw sperma niets mankeert. Dat geloof ik best. Maar ik heb genoeg blauwe plekken en brandwonden van je opgelopen. Gister heb ik die foto van je met de twee Japanse geisha’s aan snippers gescheurd en door de plee gespoeld!’

‘Wat een sloerie!’ Bekker balt zijn vuisten.

‘Dit is mijn laatste brief,’ gaat Nelson onverdroten verder. ‘Je moet hier nooit meer aankomen! Al mijn landerijen gaan naar mijn toekomstige zoon. Daarom: als ik je nog eens op het erf zie, grijp ik mijn tweeloop en schiet je knal omver! Ik hoop dat het nooit zover zal komen, want ik wens je van harte een gezegende toekomst. Maar alsjeblief, blijf ginds op je schip! En wees er gelukkig. Adieu!

Moeder Machteld.’

‘Wie denkt die moederteef wel dat zij is!’ In de ogen van Nelson barst Bekker uit zijn zwaar gespierde voegen, wat voor hem juist een reden is om het hoofd koel te houden. ‘Je kan niets doen!’

‘O nee? Ik ga naar haar dorp. Ze trouwt met mij, of ik ga het ginds overal uitbazuinen, dat zij haar eigen vader en moeder naar de andere wereld heeft geholpen! Dat heeft ze toch gedaan?’

‘Jazeker! Maar wil je dan heus met haar trouwen?’

‘Ik wacht het af... In elk geval blijf ik niet tot in de eeuwigheid op dit schip!’ Bekker staat op, loopt naar de deur.

‘Wat ga je doen?’

‘Ik vertel Jack dat mijn moeder op sterven ligt. Als we in Valparaiso aankomen, neem ik nog diezelfde dag het vliegtuig!’



Twee weken later landde ik op Schiphol. Vandaar ging de reis per trein naar Antwerpen. Misschien kwam het door het mooie zomerweer: ondanks mijn stellige belofte aan de luitenant dat ik me na de teraardebestelling van mijn moeder weer in Sidney zou aanmelden, droomde ik onderweg de hele tijd van de wuivende loofbomen rond Machtelds ongerepte weiden, en hoe heerlijk het zou zijn om er tijdens het voorjaar veulens in los te laten. ‘Misschien zou veekoopman nog iets voor jou zijn’ probeerde Bekker het gegeven woord van zijn maat alsnog te ondergraven. Want dat luitenant Jack zoveel vertrouwen in Nelson stelde dat hij na het raadplegen van een oude agenda niet nader op die ‘tweede’ begrafenis van zijn moeder wenste in te gaan, betekende immers veel voor hem.
   Ik verliet het Centraal Station langs de zonnige kant van het Astridplein, waar ik de ingang van de Zoo passeerde. Terwijl ik met genoegen langs alle kanten mijn eigen taaltje hoorde, belemmerde een uit de bus stappende, armoedige groep kindertjes de doorgang op het trottoir. Dit herinnerde me aan mijn eigen schooltijd. Aan een volwassene die de jongens en meisjes in een rij naar de ingang van de Zoo begeleidde, vroeg ik van welke school de kindertjes afkomstig waren.
   ‘Het is vakantie,’ zei de meester. ‘Dit zijn weesjes van een tehuis in Molenbeek!’
   ‘Ha zo, weesjes!’ Ik had het ijskarretje naast de ingang van de Zoo al opgemerkt. En dit keer liet Bekker zich gewillig door Nelson overhalen. Hij greep mijn portefeuille en riep de schoolmeester terug.
   ‘Met hoeveel zijn jullie?’
   ‘Zestig kinderen,’ zei de brave man.
   ‘Hier, voor iedereen een ijs!’ Bekker pikte gretig twee grote biljetten weg, overhandigde ze aan de man en gaf me een duw, wat me hielp van het bedankje af te zijn.
   Aan de overkant van het plein wachtte de bus. Mijn gedachten verkeerden nog bij de arme wezen. Matroos Nelson draaide zich om, keek over het drukke verkeer in de richting van de Zoo en voelde Bekkers vertederende glimlach bij het zien van de kindertjes, allen aan hun ijsje likkend; terwijl ook de ijscoman, - zijn schuine pet intussen wat naar achter verschoven, - een goeie dag had, daar hij met opgerolde hemdsmouwen en een arm diep in de schepbak, nog steeds druk in de weer was.
   Ik stapte in de bus en loerde door het zijvenster naar de gebouwen waar burgers in- en uitliepen om zich in rijen langs de gevels voort te bewegen. Al die bedrijvigheid achter de vensters, in de straten en op markten en pleinen kwam me wel begrijpelijk voor; want de mensen moeten zich kleden, moeten brood op de plank krijgen, moeten zich tijdig naar het werk begeven. Het is daarom dat zij met auto’s en bussen rondrijden, met boodschappentassen naar binnen en buiten zeulen in winkels en supermarkten. Maar tegelijk kon ik me niet van de gedachte ontdoen dat ik per ongeluk een steen had weggeschopt en op diezelfde plaats naar het wriemelen keek van een nest mieren in het netwerk van plots blootgemaakte, in de aarde uitgegraven gangen. Ik vroeg me af waar zich het onzichtbare raderwerk bevond dat al deze wezentjes in beweging zette. Terwijl een auto vlak voor een druk knooppunt de bus razendsnel voorbijschoot, zei ik tegen Bekker: ‘Kijk hoe gehaast! Het lijkt wel of alle landrotten geboren worden met een doel voor ogen; alsof ze, zoals iemand met een boodschap op zak, zich er precies van bewust zijn welke rol zij in dit leven te vervullen hebben. Je zou je nog een lanterfanter gaan wanen!’
   Bekker gaf geen antwoord, waaruit ik besloot dat hij me gelijk gaf. Daarna vroeg ik mijn maat welk nut dit alles had, waarvoor deze mensen eigenlijk leven. Maar Bekker, die zeker ook al te lang op zee verbleven had, zei enkel dat we in de eenentwintigste eeuw leven.
   Dit ontwijkende antwoord, gevolgd door een langdurig zwijgen, wekte in mijn gemoed een stille droefenis, legde op mij het gewicht van een grote ontmoediging en een onuitspreekbaar verdriet. Hoewel we met zijn tweeën toch zeer vertrouwelijk waren, wilde ik mijn maat dit keer niet lastigvallen, probeerde ik mijn leed persoonlijk te verwerken.
   Maar al was Bekker dan niet slim genoeg om een bevredigend antwoord te geven, hij had een sterk gevoel voor alles wat me bezighield. ‘Denk nu maar aan de veulens,’ begon hij tenslotte. ‘Na al die jaren op zee geloof ik dat je een beetje landziek wordt!’ Wel, en deze woorden van een ware vriend hielpen, heus waar! Ik gaf Bekker een stomp en hij lachte. Zijn sterk gebit schitterde in het vensterglas.


Rond de middag kwam ik in het dorp aan. In een buurtwinkel kocht ik brood en een fles water. Terwijl de kruidenier op vraag van Nelson ook nog een plak kaas afsneed, zette de dorstige Bekker de fles reeds aan zijn lippen en klokte ze halfleeg.
   ‘Ken ik jou ergens van?’ wilde de kruidenier weten.
   ‘Nee,’ hoorde ik Bekker eerder bars. Ik legde het juiste bedrag op de toonbank. En om bij de kruidenier na het verlaten van zijn winkel niet de indruk te wekken dat ik me op weg begaf naar Machtelds hoeve, liet ik het karspoor dat er een boogscheut verder direct heen leidde, links liggen voor een ommetje langs de beemden, waar ik ooit eens op een zondagnamiddag met haar had rondgewandeld.
   Zo bereikte ik de hoeve langs de kant van de oude graanschuur. Ik gooide de sluitbalk die de poort vergrendelde tegen de grond en trok één vleugel wijd open, wat het gehuil van roestige scharnieren veroorzaakte. Ik vroeg me af waarom Nelson weer zo nieuwsgierig was, waarom Bekker zo de krachtpatser wilde uithangen en weet het aan onze eeuwige verstrooidheid, waardoor we al een half leven dingen hadden gedaan die kant noch wal raakten. Ik tuurde in een donkere ruimte en ontdekte in het midden op de oude dorsvloer de vage omtrekken van een tractor waarvan één dikke band tot de velg was doorgezakt. Naar mijn eerste indruk leek het rijtuig de uitgedroogde karkas van een reusachtige sprinkhaan die op het punt stond zijdelings omver te vallen.
   De nieuwsgierige Nelson klauterde in de cabine. Terwijl Bekker volop bezig was uit alle macht aan het stuur te draaien, probeerde hij, om de motor te doen starten, wijs te raken uit het instrumentenbord.
   Plotseling knarste de tweede vleugel eveneens open. Ik schrok. Tegen een verte van witte weiden en de schuine lichtinval van verblindende zonnestralen op de vloer, zag ik de gedaante van Machteld stapvoets naar voren schrijden. De lange, zwarte lijn tegen het midden van haar gekantelde voorhoofd, verraadde de loop van een geweer in aanslag.
   ‘Kom eruit!’ Het schreeuwen klonk ver boven haar gewone kracht, schor en verwrongen.
   Ik dacht aan een beest in ‘t nauw en begreep dat ik me gedeisd moest houden. Met een vuurwapen weet je nooit! Ik sprong uit de cabine. En in de hoop dat het heldere buitenlicht me het bedrieglijke van mijn gevoel dat ik gevaar liep, zou doen inzien, richtte ik mijn schreden braafjes naar de open poort.
   ‘Wat ben je van plan?’ riep ik, eenmaal ik ver genoeg buiten was. Ik bleef staan en draaide me om. Door mijn handen losjes aan het lijf te laten bungelen, probeerde ik een ontspannen indruk te wekken. Er was niets veranderd. Ik was nog altijd Nelson, haar lieve schurk, haar vrijer.
   Daarentegen leek het wel of Machteld een gedaantewisseling had ondergaan. Zij had blauwe kringen onder haar ogen en was sterk vermagerd. Haar kapsel waarvan een paar verwaaide sprietjes boven het voorhoofd wipten, zag eruit als een uitgedund plukje vlas. Zij had de laatste maanden zeker veel geleden. Zij zag er afgetobd uit, overspannen. In haar ogen ving ik een glimp van waanzin op. En toen zij sprak, bewogen haar dunne lippen en werd ik verrast door de scherpe tandjes van een gevaarlijk knaagdier. Hier bestond slechts één remedie tegen: als zij één ogenblik te weinig aandacht schonk, zou Bekker haar recht naar de keel vliegen en haar strot dichtknijpen tot zij rood, blauw, purper, geel zag.
   ‘Ik had je toch geschreven: Bekker blijf op je boot!’
   Nu begreep ik dat ze niet langer in staat was met Bekker om te gaan. Bekker zou onverbiddelijk neergeknald worden. Hij was inderdaad beter op zijn schip gebleven.
   ‘Ik ben Nelson! De zachte, lieve Nelson.’
   Zij spande de haan. Richtte de tweeloop op mijn borst.
   ‘Nelson komt je ten huwelijk vragen!’ Ik zei het met gespreide armen die de aandacht op mijn weerloosheid moesten vestigen.
   ‘Klik!’ zei het geweer, meer niet. ‘Klik!’ en weer eens ‘klik!’ Ze gooide het wapen op de grond en liep weg, recht naar de stal.
   Ik had haar in een wip ingehaald. Toen mijn handen haar beide polsen in een ijzeren greep omklemden, voelde ik diep medelijden met haar. Ik had spijt van al die keren dat ik Bekker brutaal zijn gang had laten gaan, ook al had zij er in haar opwinding altijd zelf om gesmeekt.


‘Je hebt me belogen,’ hijgde ik. ‘Je schreef dat je zwanger was!’ In het warme zonlicht voelde ik haar polsen slap worden, de weerstand van haar schokkende bovenlijf breken. Ik trok haar op de grond. Eerst zaten we op onze knieën. ‘Was het een miskraam?’ Ik trok de brede halsopening van haar bloesje over de schouders naar beneden. Ter hoogte van haar borsten spande de elastische rand tot het uiterste. Want al was Machteld dan vermagerd, zij had nog altijd zware, deinende borsten. Toen ik er zicht op kreeg, drukte ik mijn geopende mond over een van haar tepels. ‘Of heb je... Was het... een abortus?’ Ik kreeg haar languit op het warme zand. Mijn woorden leken haar te kalmeren. Wij werden weer de twee kinderen die ‘de zeeman en het dwaze boerinnetje’ speelden. Daarnaast noemde ik haar Marthe, zoals de eerste keer toen we elkaar hadden ontmoet bij de speelgoedkraampjes in de schaduw van de basiliek van Scherpenheuvel. Doordat ze haar paternoster bovenhaalde, gingen mijn gedachten weer op bedevaart. Maar ik had geen zin om mee te werken met die flauwekul. ‘Marthe,’ herhaalde ik.
   ‘Waarom zeg je Marthe?’
   ‘Omdat ik Nelson ben,’ zei ik, terwijl ik in haar drong. ‘En omdat ik je probeer te zien zoals je bent... als een gaaf mens, als een vrouw met nood aan de liefde van een man, - niet als een geil beest met al zijn buitensporigheden.’
   Mijn lijf werd krachtiger. Maar ik wilde haar niet aan Bekker herinneren. Ik schaamde me voor zijn tatoeages. En daarom hield ik mijn overhemd aan, al kreeg ik het nog zo heet door dat stoten van mijn lichaam in die brandende zon. Ondanks mijn geoefende spieren, begon ik zwaar te hijgen. Marthe wou zich los wroeten. Alleen haar stem kwam vrij. ‘Kom naar de stal,’ klonk het rauw. ‘De touwen hangen er nog! Je moet me slaan! Me slaan tot... bloedens toe!’
   Ik schudde mijn hoofd dat droop van het zweet, probeerde langs de spleetjes van mijn dichtgeknepen ogen haar gezicht te herkennen. ‘Ik kan je niet meer slaan!’ Onder mijn hese snikken lag Marthe opgesloten in een reusachtige, zwarte zaal. Ik rukte aan duizend hengsels tegelijk. ‘Nooit meer! Nooit m...!’ Ik had die waarheid nog in het sleutelgat van haar oor willen uitbazuinen. Maar mijn zwaar lijf schokte me voorbij. Bij elke stoot leken er resten van afgeschraapte stemgeluiden langs mijn breed opgezette keel over haar gezicht te worden uitgestort. Het zonlicht werd zwart. Ik verloor vaste grond. Mijn hardheid brak, deed mijn splijtstof diep in haar wegvloeien.
   Later richtte ik me op en begonnen we weer te praten. Marthe bleef nog wat in het zand liggen, en ik vertelde haar over onze eerste ontmoeting in Scherpenheuvel, waarheen ik uit dank na de wonderbaarlijke genezing van het oudste zoontje van mijn broer op bedevaart was gegaan, gewoon omdat ik het geld niet bezat om naar Lourdes te vliegen. Van haar kant herinnerde zij me ‘r nog eens aan dat de heilige Maagd ons had samengebracht, aangezien de bewoners van de Kerkstraat met wie ze diezelfde dag op stap was, Scherpenheuvel als het doel van hun uitstapje hadden gekozen.
   Nog later wandelde ik met haar over het erf. Ik vroeg haar waarom zij geen veulens of kalveren in de weiden zette, waarom zij het kippenhok niet verder naar de schuur had uitgebreid, en of zij er al eens aan had gedacht om maïs te planten. Ik vroeg haar of de tractor nog kon rijden. Maar Marthe antwoordde op alles negatief. Zij kon niet met paarden overweg. Dat het te veel en te zwaar werk was voor een vrouw. ‘En wie gaat die lekke band dichtplakken, denk je?’


Nog later stonden wij op het erf bij de achterdeur. Belangstellend vroeg ik haar waar het hondje rondliep. Na haar brief vond ik het al vreemd dat ze ‘r nog geen woord over gerept had.
   ‘Ik heb ‘m gisteren afgemaakt en begraven. Ik had geen keuze! Hij had vier kippen doodgebeten.’
   Ik keek naar het hoge, versterkte kippengaas en kon het moeilijk geloven. Maar ik wou haar niet in verlegenheid brengen door te zeggen dat de puppy wegens verkeerde voeding was doodgegaan. Ik stond op het punt te vragen waar ze de pup had begraven, maar op hetzelfde ogenblik werd mijn aandacht getrokken door een zacht gehuil dat van beneden of uit de grond leek te komen. Ik keek met ingehouden adem naar Marthe, maar zij deed of er niks aan de hand was. Ik vond het rot van haar dat zij die valse komedie tot het uiterste bleef doordrijven; of anders, zo realiseerde ik me plotseling, was hier iets niet pluis.
   ‘Neem me niet kwalijk!’ Met die woorden trok ik de deur open, stapte naar binnen en keek rond in de mij bekende woonkamer. Er tikte een klokje. Aan de muren hingen nog de ovaal ingelijste, vergeelde foto’s van de boer en de boerin. Terwijl ik zo zwijgend rondstaarde, herhaalde het rare geluid zich opnieuw. Het leek van de kant van de kelder te komen. Ik opende de massieve deur, knipte het licht aan en luisterde aandachtig. Nadat me een muffe geur was opgevallen, daalde ik voorzichtig het smalle trapje af. Halverwege hoorde ik het geluid voor de derde keer. Plotseling besefte ik dat er een peuter huilde. En ineens zag ik haarscherp het verband met alles wat ik onder de robotfoto in de krant over de verdwijning van een kind had gelezen. Ik sprong op de vloer en baande me een weg tussen de spinnendraden. Achter de eerste deur stuitte ik op een witte diepvrieskast. Bij het openen van de tweede deur keek ik recht in het klaaglijk huilende gezicht van een blond jongetje. Zijn wangen hingen vol snot en tranen. Aan zijn blik merkte ik dat hij niets zag; niets dan het uitgeputte verlangen om eindelijk in de liefhebbende armen van zijn mama te worden gewiegd.
   Ik tilde het ventje op, hield hem tegen mijn borst, suste hem met lieve woordjes, streelde zijn blonde haren, en nam hem naar boven.
   Bijna stond ik op de bovenste trede, of daar deed een oorverdovende knal alle vensters in mijn hoofd versplinteren, het hele huis instorten! Na de wegdrijvende rook zag ik enkel de diepe inslag van hagel tegen de kelderdeur en vervolgens de tweeloop waarmee Marthe zich achter de hoek naar mij toe draaide. Ik wist nu met zekerheid dat de waanzin haar onherstelbaar had beschadigd. Nelson of Bekker, hier hielp geen lievemoederen meer aan. Zij was ‘n in het nauw gedreven rat.
   ‘Zet neer, de kleine! Hier voor mijn voeten!’
   Terwijl ik gehoorzaamde, drukte de geweerloop tegen mijn voorhoofd. Daarna draaide de kelderdeur dicht. Ik werd in het donker gezet en moest toestaan dat een ijzeren pal mijn leven vergrendelde.
   Na een uur in het donker, na een halve dag in het donker, veranderden Bekkers ogen in stekende priemen. Op zijn romp groeide de monsterachtige kop van een vleermuis op jacht naar voedsel.
   ‘Kalm blijven! Je laat je door je verbeelding op sleeptouw nemen!’ probeerde Nelson zijn maat al die tijd vergeefs te overtuigen. ‘Er komt nog wel een andere rijke troela.’ Onder het getraliede keldergat wierp hij zich plat op de buik. Daarna begon hij zijn eigen lichaamsgewicht met gestrekte rug dapper omhoog te hijsen. Honderd keer.

woensdag 15 oktober 2025

De Afwezigheid, hoofdstuk 3: De Aanwezigheid

Waarom ben ik manager? Waarom schiet ik, zoals ik in mijn wilde jaren zo vaak over mijn toekomst heb gedroomd, vandaag niet met een prauw door het oerwoud van de Orinoco? Men leeft niet. Men wordt geleefd!
   Ik ben er, mag ik wel zeggen, op een zachte, liefdevolle wijze ingetuind. Eerst door mijn arme ouders die zich zoveel opofferingen hebben getroost om me te laten studeren, dat ik hen niet kon teleurstellen. Al op mijn drieëntwintigste was ik burgerlijk ingenieur. En wat gebeurt er eenmaal je zover bent? Je maakt dat je behoorlijk aan de kost komt. Je leert een vrouw kennen, sticht een gezin, maakt schulden bij de bank en laat een huis bouwen in een aangename woonbuurt even buiten de stad. Zo gaat dat.
   Ik verdien geld om ons leven makkelijk te maken en de kinderen op hun beurt te laten studeren. Het zou op een kringloop kunnen lijken, maar door een samenloop van omstandigheden draaide het bij mij anders uit. Want na een paar jaar van rokkenjagen deed mijn avonturiersbloed me verliefd worden op een prachtige buitenlandse. Niet enkel was Mona ouder dan ik, zij was ook weduwe en reeds moeder van twee kinderen. Mijn vader had me nog gewaarschuwd. Maar ik had hem al genoeg gehoorzaamd! Niet dat het me nu spijt. Het is waar: ons huwelijk kon beter. Maar dat is niet uitsluitend Mona’s schuld. Wij hebben het moeilijk, althans veel moeilijker dan ik het had voorzien. Bijvoorbeeld, dat haar oudste zoon in een rolstoel zit, nam ik er van meet af aan bij, en daar maak ik me nog steeds het minst druk om. Erger vind ik dat hij er via zijn moeder moeiteloos in slaagt zich aan mijn gezag onttrekken. Umberto is uiterst begaafd; daar moest ik niemand van overtuigen. Zijn cijfers op wiskunde en fysica zeiden genoeg. Volgens mij zat het er dik in dat hij als wetenschappelijk vorser aan de kost zou kunnen komen, zelfs al liet zijn kennis op het terrein van de praktische toepassingen nog wat te wensen over. Jammer genoeg heeft Mona te veel medegevoel, staart zij er zich blind op dat haar zoon behalve gedeeltelijk verlamd ook stom is. Zo liet zij zich, ondanks Umberto’s onderscheiding na het eerste jaar aan de universiteit, geheel onverwachts leiden door zijn grillige wens om kunstonderwijs te gaan volgen. Toegegeven, Umberto kan prachtig tekenen! Maar hoe kom je met kunst aan de kost? ‘Vertel me dat eens!’
   ‘Je moet vertrouwen hebben,’ verdedigde Mona haar zoon hardnekkig.
   ‘Dat argument houdt geen steek!’ begon ik hard. ‘Zo - van: Waarom? Daarom! - gaat de vlieger niet op. Denk rationeel!’
   ‘Vertrouwen is iets wat jou volkomen ontbreekt. Jij hebt alleen vertrouwen in een hoge bankrekening! Jij denkt dat een comfortabel huis in een residentiële wijk, een goed betaalde baan, een prestigieuze auto, waardigheid… jij denkt dat het alles is waarvoor wij leven!’
   ‘En jij droomt hardop!’ riep ik, ofschoon ik haar in stilte gelijk moest geven. Gelukkig had ik haar nog nooit over mijn eigen dromen langs de wilde oevers van de Orinoco verteld. Want eerlijk gezegd: een leven als kunstenaar is nog minder gek.
   Zie je, ik moet het niet allemaal op de rug van mijn ouders schuiven dat het met mij zo is gegaan. Ik liet me mooi strikken. Ik ging graag met een vrouw naar bed. En daar was mijn huwelijk met Mona goed voor. Dan kon ik elke dag met haar omgaan, haar prachtige lijf elke nacht bezitten. De Orinoco was een onnozele jongensdroom. Ik hoef daar niet over te piekeren. Ik capituleerde.


En nu zit ik in een tredmolen. Ik weet niet of mijn collega’s dit ook zo aanvoelen. Voor zover ik weet, heb ik er nog nooit met iemand over gesproken. Als we bij elkaar zitten, houden wij ons op de vlakte, hebben wij het over fabricagemethoden, verpakkingen, leveranties, logistieke kwesties, noem maar op. Welbeschouwd zou ik het niet anders willen. Jazeker, in de marge wordt wel eens een grap verteld. Soms wordt er zelfs iets aangehaald over het nieuws in de krant, iets waarvan men stellig weet dat de ander er ook belang in stelt. Misschien uit vrees dat heel wat van de collega’s over sommige zaken, zoals politiek, op een andere lijn zitten, blijft het tussen ons vrij afstandelijk.
   Wellicht vormt mijn omgang met Niessen een uitzondering. Zijn recente echtscheiding scheen nogal een en ander in hem te hebben losgewoeld. Toen ik onlangs met hem alleen was, werd hij zelfs zo vertrouwelijk dat ik me ‘r een beetje ongemakkelijk bij voelde. Hij had het over het overspel van zijn echtgenote, over alimentatiegelden, over de verkoop van zijn villa; wel een halfuur lang. Misschien omdat ik zo gretig had geluisterd, voelde ik me bijna genoopt op mijn beurt iets los te laten. In mijn gezin liep het ook niet altijd op wieltjes. Ik vertelde hem over Umberto’s keuze en hij was het volkomen met me eens dat Mona er later nog spijt van zou krijgen.
   ‘Maar inmiddels zit ik wel met de gebakken peren! Ik wou in oktober een nieuwe Mercedes kopen; wat me niet zal lukken. Want ik moet een atelier huren, het inschrijvingsgeld is hoger en het studiemateriaal duurder! Jammer, want ik had het bedrag bijna volledig rond.’ En niet zonder trots voegde ik eraan toe: ‘Weet je, ik koop mijn auto’s nooit op afbetaling!’
   De tweede week van juli had ik vakantie, en daardoor ben ik een week van het bedrijf weg geweest. De andere werknemers hebben ondertussen meer nieuws over mij dan ik over hen. Hoe dat komt? Heel eenvoudig: mijn zoontje werd ontvoerd!
   Het gebeurde tijdens de eerste avond, terwijl we op het terras zaten aan de kust. ‘s Anderendaags stond zijn foto met naam en voornaam in alle kranten geblokletterd. Het vreselijke nieuws dat het om onze driejarig Matthias ging, had zich als een lopend vuurtje onder alle bekenden verspreid. Op de vierde dag, toen ik weer thuis was, kreeg ik een telefoon van Hamersmidt, de directeur-generaal. Voor de zoveelste keer moest ik uitleggen wat er voorgevallen was. Daarna kreeg ik de vraag of hij iets voor mij kon doen. Zo gaf hij me te verstaan dat ik bijvoorbeeld extra verlofdagen mocht nemen, indien ik dat noodzakelijk achtte. Maar ik hield me kranig. Ik zei hem dat mijn drie overige verlofdagen wel zouden volstaan om de zaak zoals die er nu voorstond, verder af te handelen. Voorlopig konden wij niets meer doen. Al onze hoop lag bij de opsporingsdienst van de gerechtelijke politie.
   Kun je geloven? De volgende maandag ging ik uit werken, alsof er niks aan de hand was. Mijn collega’s ontzagen me, dat wel. Zo werd mij bespaard dat ik de korte berichten in de krant, met als enige bijzonderheid dat de peuter vermoedelijk door een labiele vrouw zou meegenomen zijn, voor hen weer eens zou moeten herhalen. Hoogstens kwamen zij zich er met een stem in mineur en neergeslagen blik voor verontschuldigen dat zij om hun werk te laten doorgaan, een inlichting van me nodig hadden.
   Ik hoorde weer het zoemende geluid van de meest nabije productieafdeling, en voor het eerst stelde ik me het bedrijf voor als een lichaam met een kloppend hart en levend ademgeruis. Na enig overpeinzen kwam ik tot een kwebbelend, amorf organisme met honderden in onverkocht golfkarton verdwijnende tentakels. Ik zag het monster als een reusachtige parasiet dat het leven van zijn werknemers uur na uur, jaar na jaar, tot aan hun pensioengerechtigde leeftijd uitzuigt; terwijl het als een vorm van wederdienst elk van hen wel het gevoel geeft ergens bij te horen, jazeker. Ook over dat ‘ergens bij horen’ probeerde ik me een voorstelling te maken. Zo zag ik een artificieel bolwerk dat het hoofd moest bieden aan onze angst geen richting te hebben, geen doel, geen structuur, aan onze onzekerheid voor de dag van morgen, aan het ongerijmde dat de op zichzelf geworpen enkeling langs alle kanten in de ogen staart. Ik moet eraan toevoegen dat het gevoel ergens bij te horen en gewaardeerd te worden voor mijn inbreng, me meer dan ooit voldoening schonk.
   Heus, ik was tevreden weer aan de slag te kunnen! Thuis zou ik gek worden met die volkomen ingestorte vrouw van me en mijn stiefzoon die, om zich voor te bereiden op zijn toelatingsexamen aan de Antwerpse Academie, de godganse dag als een bezetene zit te tekenen. Met mij ging het ook niet zo best, trouwens. Nog nooit heb ik zo erg aan mezelf getwijfeld als toen ik weer thuis kwam en in de ledigheid naar mijn hysterische vrouw keek, terwijl ze door de huisdokter met antidepressiva werd ingespoten. Je zou van minder wegdromen naar de Orinoco!
   Terwijl ik voor de inplanting van een nieuwe productiehal een brief opstelde, gericht tot de bewaarder van het kadaster, kwam het me duidelijker dan ooit voor dat ik geroepen ben om te doen wat ik deed. Hiermee wil ik zeggen dat ik het opluchtende gevoel had dat ik mijn ‘waardigheid’ uitsluitend ontleende aan mijn gespecialiseerde arbeid, - niet aan onze mooie villa, niet aan mijn maatschappelijke status en al die materialistische zaken waarvan Mona mij wel eens ten onrechte beschuldigt.


Ik kreeg een telefoon van Donkers over de betaling van een schadeclaim. Tijdens het lange gesprek keek ik door het venster. Een deel van mijn aandacht werd opgeëist door Niessen die ik ondanks zijn echtscheidingsperikelen in een nieuwe Mercedes zag wegrijden. Dat er na hem nog andere collega’s vertrokken, maakte me erop attent dat het tijd was om naar huis te gaan. Dit belette me evenwel niet na het gesprek eerst nog de brief verder af te maken.
   Zo kwam het dat mijn auto naast die van Hamersmidt als laatste op de parking stond. Dit keer moest ik eraan denken hoe makkelijk andere medewerkers, die minder betrokkenheid voelen ten aanzien van het bedrijf, overwerk interpreteren. Bij het woord ‘kontlikker’ moest ik glimlachen.
   Om zes uur kwam ik thuis. Tussen de garagebox en de rij populieren langs de oprijlaan liep ik Felicia tegen het lijf. Zij had haar knalrood zomerjurkje aan en stapte juist van haar fiets. Ondanks de warmte van de late namiddag zag zij er even fris, gezond en vlezig uit als een bedauwde kers ‘s morgens aan de boom. In haar hand droeg zij een mandje met kruidenierswaren. Ik toonde haar Umberto’s schetsboek dat ik zojuist op het bankje in de voortuin had zien liggen, onbeheerd achtergelaten, ten prooi aan wind, vogelpoep en God weet wat nog allemaal. ‘Stel je voor dat het plotseling zou gaan regenen,’ zei ik wrevelig, ofschoon de hemel blauw was. ‘Waar is hij?’
   ‘Hij is vanmiddag naar de logopedist vertrokken. Mama had iemand opgebeld en gevraagd Umberto te komen ophalen!’
   Felicia volgde me langs de inkomhal. Ik zwaaide met het schetsboek. ‘Umberto heeft het zomaar in de tuin laten liggen,’ begon ik, vlak voor de zoen waarmee Mona en ik elkaar als gebruikelijk zouden verwelkomen.
   Precies op dat moment deinsde mijn vrouw terug. En toen zei ze een woord dat ik eerst niet kon geloven van haar; ze zei het pruttelend, bijna onhoorbaar, alsof ze het met tegenzin uit haar binnenste had losgewrikt. Ik had nog aan het woord kunnen twijfelen, maar door deze lichte aarzeling had ik het des te beter verstaan, zodat het op mij neerkwam als de beledigende plets van een vlakke hand op mijn gezicht. ‘Kontlikker!’ En dit keer moest ik niet glimlachen. Dit keer leek het of zij resoluut de kant gekozen had van de werknemers die alleen voor geld hun dienst kloppen: door een vakbond beschermde nietsnutten, zoals er heel wat zijn onder poetsvrouwen, handlangers, arbeiders aan de lopende band, maar er misschien niet geringer in aantal ook onder hogere gelederen als vijfde wiel aan de bedrijfswagen hangen. Ik vertikte het me te verdedigen, mijn hand liefkozend naar haar uit te strekken om haar weer aan mijn kant te krijgen.
   ‘Vandaag hadden wij je nodig, - moest jij hier zijn!’ legde ze wellicht ter verontschuldiging uit. ‘Uitgerekend vandaag verwachtte ik dat je tijdig naar huis zou komen! Heb je onderzoeksrechter Marchand al opgebeld?’
   ‘Nee! Er zal nog geen nieuws zijn, anders hadden wij het wel vernomen. Waar is Umberto?’
   ‘Alsjeblief! Leg dat schetsboek op tafel! Vraag liever hoe het met zijn woordjes gaat! Ik heb de hele morgen met Umberto op de bank in de voortuin geoefend. Terwijl hij schetste, liet ik hem woordjes herhalen. Verbazend hoeveel vorderingen hij maakt! Daarom heb ik zijn leraar opgebeld! Ik zei hem dat wij bereid zijn nog meer privélessen voor onze zoon te betalen!’
   ‘Meer privélessen? En heb je ook gevraagd wat ons dat gaat kosten?’
   ‘Veertig euro per lesuur!’
   Ik zei niets. Ik wilde zeker niet nu en met een zaak die zo gevoelig ligt als die van Umberto, de indruk wekken dat ik op mijn portemonnee zat.


Ik greep de hoorn en belde Marchand op. Vermoedelijk zat de man aan zijn avondeten. Het duurde lang voor hij opnam. Daarna was hij erg kort. Het is ook moeilijk uitvoerig te zijn zonder enig nieuws. Ik herhaalde dit ‘niets’ na het inleggen aan Mona, ofschoon ze met één oor had meegeluisterd.
   ‘Het onderzoek ligt volledig lam!’ reageerde ze driftig. ‘En weet je hoe dat komt? Omdat er geen kapitaal mee gemoeid is! Onze Matthias is niet het zoontje van een industrieel of bankier. Gewone mensen als wij moeten hun boontjes zelf doppen.’
   Hier kon ik weinig tegen inbrengen. Het kwebbelend organisme dat ons moet beschermen, bevindt zich niet in het centrum van de wereld, zoals ik vaak verkeerdelijk stel. Zijn tentakels reiken niet verder dan het plaatselijk golfkarton.
   Ik rook aangebrande ui. Voor Mona een signaal om haastig naar de keuken te verdwijnen. Terwijl ik me nog zat te verdiepen over de ontoereikendheid van de maatschappij, het overkoepelende bolwerk voor leden van kwebbelende, met te korte tentakels uitgeruste lichamen, viel mijn oog weer op Umberto’s schetsboek. Ik opende het op een willekeurige bladzij. De studie van een trekpaard. Ik moest toegeven dat het paard me ongelooflijk levendig voorkwam: geen uitgestulpte zak op vier palen, wat ik ervan zou maken. Ik meende er zelfs het paard van boer Nolle in te herkennen.
   Bij de volgende pagina ontdekte ik de gevels en daken van Nolles hoeve achter enkele hoge eiken. Verder ontdekte ik het bruggetje over de Nete. Nog verder zag ik de dorpskerk, gezien vanaf de lagere school. Al bladerend kon ik nagaan langs welke wegels Umberto, profiterend van het mooie weer, zich vanmorgen had laten leiden om tot slot weer aan te komen waar hij was vertrokken: bij de houten bank in de voortuin. Hier had hij met vetkrijtjes een koninginnenpage getekend, een bundel lange grassprieten, veldbloemen, een mus, en ten laatste ook zijn moeder. In haar kleurrijke jurk rustend op de zitbank, liet ze bij me dezelfde weelderige indruk na als de eerder getekende veldbloemen. Dezelfde vette krijtlijnen suggereerden de volheid van de bloei. Het overdadige, vochtige vlees deed aan een kwetsbare kelk denken en hoe vluchtig schoonheid is. In het geval Mona stak de bloem in een vaas waarin door een ongelukkig toeval een barst was ontstaan waarlangs het water ontsnapte, zodat de stengel voortijdig bezig was te verslappen en de kelk dieper neerhing dan bij de veldbloemen. Haar schoonheid bedroefde me. Ik voelde een koude hand. Sloeg een blad terug.
   De straatmus.
   Wat is het verschil tussen een mus en een paard, afgezien van hun verschillende vorm en het wezenlijke feit dat alle wezens zich anders door de wereld bewegen? Die vraag stelde ik me. Ik zag vorm. Ik zag leven. Daarnaast verbeeldde ik me de lucht en de zaadjes op de grond, of de aarde en het gras die hun bestaan mogelijk maken, en verbeeldde ik me een kracht of intelligentie dat elk levend organisme wellicht onbewust de vraag doet stellen of de omstandigheden er nog naar zijn om een volgende, hun zo geëigende levensvorm mogelijk te maken.
   Daar kwam Umberto! Ik overhandigde hem zijn schetsboek. Zei dat hij goed zijn best gedaan had, maar er beter zorg voor moest dragen dat zijn werk niet op een stomme manier tenietgedaan werd door het buiten te laten slingeren. Verder wou ik een behoorlijke conversatie. ‘Hoe zie jij de rol van een kunstenaar in de samenleving?’ begon ik als leek. ‘Het gaat over jou, Umberto. En over je werk vooral!’ Gewoontegetrouw verwachtte ik een briefje met uitleg; zoiets als een schriftelijk examen dat de motivatie van de leerling onderzoekt.
   Umberto opende zijn mond. ‘Gggg...’ Er vloeide overdadig speeksel over de rand van zijn lippen. ‘Ggggeen rol!’
   ‘Geen rol? Bedoel je dat het juist zijn rol is om geen enkele rol te spelen?’
   Mona stak het hoofd achter de deur. ‘Het eten is klaar!’


Elke avond als ik naar bed ga, tel ik hoelang Matthias al vermist is. Vandaag kom ik op veertien dagen. Ik zou het Mona kunnen zeggen; niet om haar aan onze nachtmerrie te herinneren, maar om haar te laten horen dat ik evenveel over zijn verdwijning inzit. Ondanks de kalmeringsmiddelen is Mona nog slechts een wrak: de bloem zonder water. Iedereen weet wat er dan gebeurt. De bloem droogt uit. De kleuren lijken nog aanwezig, maar het is een valse indruk, want ze zijn langzaamaan aan ‘t verbleken: het leven is afwezig. In het geval Mona heb ik ‘t gevoel dat het een proces wordt van snelle verrotting. Ik leg mijn hand op haar schouder en voel het innerlijk schokken van haar bovenlijf: een angstaanjagend, spastisch trillen dat zich helemaal aan haar wil onttrekt, zoals een vanuit het middenrif daverend, onbedwingbaar huilen. Ik vraag me af hoeveel dit lichaam kan doorstaan, hoeveel dagen of weken het nog scheiden van het ogenblik dat haar hart bezwijkt. En daarom herinner ik haar eraan, zoals ik haar er gister ook aan heb herinnerd, en eergisteren, en alle dagen, dat zij het hoofd koel moet houden, dat zij de spil is van ons gezin, dat het onderzoek er niet mee opschiet als zij ernstig ziek wordt, dat de andere kinderen en ik haar eveneens broodnodig hebben, dat Matthias misschien wel geadopteerd is door een rijke, kinderloze weduwe die onweerstaanbaar gedreven wordt door haar verlangen een zwak, weerloos leven al haar genegenheid te schenken. ‘Wie weet, krijgen wij hem binnen enkele weken terug! Als een rotverwend joch,’ zeg ik zo.
   Mona richt het hoofd op, en tot mijn verbijstering brult ze met al haar adem in mijn gezicht: ‘Ons kind zit opgesloten in een kille, vochtige kelder!’
   ‘Ben je gek!’
   ‘Gister ben ik bij een helderziende geweest! De man heeft hem gezien! Matthias zit onder het gewelf van een grote boerderij.’
   Nu is het mijn beurt om te brullen. ‘Waar? Welke boerderij?’ Ik ben altijd sterk tegen waarzeggers, helderzienden, wichelaars, gebedsgenezers, occultisten, gekant geweest. Ik scheer ze over één kam: allemaal charlatans die munt willen slaan uit het ongeluk van goedgelovigen. Zeker daarom had Mona er niet eerder iets van tegen me durven zeggen.
   ‘Daar komt hij nog wel achter!’ verdedigt zij de man vurig. ‘Volgens hem is het niet zo ver van onze contreien, - ergens in de Noorderkempen!’
   Ik houd rekening met haar toestand en probeer me te beheersen, maar mijn achterdocht sijpelt langs alle kanten door. ‘En hoeveel bedraagt zijn honorarium?’ vraag ik ijzig.
   ‘Niets! Zolang Matthias niet gevonden wordt, geen rooie duit!’
   Nu wil ik nog weten over welke helderziende het precies gaat: zijn naam en referenties.
   ‘Als je hem lastigvalt, haal je hem uit zijn concentratie!’
   ‘Ik heb het recht dit te weten!’
   ‘De man heeft al verscheidene keren met het gerecht samengewerkt!’
   ‘Dat staat niet borg voor een positieve, rationele aanpak.’
   ‘Als een rationele aanpak niet helpt, moet je op je intuïtie afgaan!’
   Ik leg me zuchtend neer, vastbesloten over die kwestie geen woord meer te reppen.
   Maar drie dagen later, op hetzelfde uur en met eenzelfde huilende Mona in bed, word ik verlokt op te merken dat de concentratie van de helderziende het onderzoek nog geen stap vooruit heeft geholpen. ‘Misschien zou je er toch een smak geld tegenaan moeten gooien,’ eindig ik cynisch.
   Haar stem wordt gesmoord in het hoofdkussen. ‘Gelijk heb je. En daarom had ik gedacht aan een privédetective!’
   ‘Privédetective! Weer zo ‘n gek idee!’ Ik hoop dat zij het enkel geopperd heeft om me te pesten. Ik draai me op de rug en regel mijn ademhaling zo alsof ik lijk in te slapen.
   In de stilte van de nacht weerklinkt gestommel. Umberto gooit de deur open. Hij heeft een zelfgemaakte boog in de hand. Een pijltje schiet met een klap tegen de muur. Verontwaardigd richt ik me op.
   ‘Wat wou jij nog zeggen, Richard?’ Sinds hij leert praten, weet ik dat hij nooit mijn zoon zal worden. Altijd zegt hij Richard, - nooit Papa.
   ‘Weet je nog: ons abrupt afgebroken gesprek van laatst? Wij hadden het over de rol van de artiest in de maatschappij.’
   ‘Och ja, ik wil het best nog ‘n keer herhalen: het is juist mijn rol om geen rol te willen spelen. Ook al mag dat geploeter met verf in vele ogen mislukt lijken; mij gaat het erom tijdens het bezigzijn de hemel op aarde te beleven.’


Toen ik dit hoorde, keerden mijn gedachten opnieuw naar Umberto’s prachtige schetsen, waardoor ik tot het besef kwam dat ik van een stomme als hij inderdaad niks anders dan de hemel op aarde moest verwachten. Al dagenlang had ik dit antwoord voorvoeld en erover gezwegen. Ook nu weer kropte ik mijn reactie op. Machteloos en ietwat beschaamd gooide ik het over een andere boeg.
   ‘Daarnaast is ‘t me opgevallen dat jij de laatste tijd zo makkelijk woordjes vormt. Die vreemde samenloop, het verdwijnen van onze Matthias en dat jij zomaar begint te praten, is toch geen toeval?’
   Umberto trekt een tweede pijltje uit zijn koker en reikt het me aan. Ik bevoel iets dat bij hem hoort; een dun penseel of tekenpotlood. ‘Allemaal stom toeval...’ fluistert hij. ‘Toeval... is ons lot; iets dat we onszelf eigen horen te maken.’
   Ik laat me niet door een stomme jongen de les lezen. ‘Mijn lot, dat is wie ik ben, zowel in de ogen van mezelf als in die van de anderen,’ voer ik grimmig het hoge woord. Doordat ik er niet in slaag me van de echtheid van het voorwerp in mijn hand te verzekeren, groeit het vermoeden dat ik droom.
   ‘De hemel op aarde is iets wat je wel of niet in de hand hebt,’ gaat Umberto door. ‘Jij kan het kwebbelende, met tentakels toegeruste monster dat heel jouw leven beheerst, onmogelijk vasthouden. Zoals die dwingende macht van Hamersmidt: hoe leg je dat uit?’
   Vanaf nu weet ik zeker dat ik droom; al raak ik niet direct van mijn waanbeelden af. Terwijl ik Umberto tot hier hoor snurken, blijft de vermogende weduwe als een krijsende heks een onmenselijk lijden over ons gezin uitstrooien.
   Wat Umberto ook beweert, als ik met Hamersmidt over de nieuwe productiehal praat, sta ik niet met mijn mond vol tanden. Ook niet als ik het, van zodra het pas geeft, heb over mijn moeilijkheden thuis. Wel stel ik vast dat de macht van een directeur-generaal voortvloeit uit mijn onmacht hem te zien zoals ieder gewoon mens: met eveneens een boel vieze uitwerpselen in zijn onderbuik. Dit zou me er moeten aan herinneren dat ik me nergens voor hoef te schamen, bijvoorbeeld dat mijn onderste ledematen wat naar de korte kant zouden zijn, zodat ik tijdens onze gesprekken altijd hoog naar hem moet opkijken. Wat een directeur-generaal ook voorstelt, als het door hem bestuurde kwebbelende, met kartonnen tentakels toegeruste lichaam ooit na een bankroet wordt ontmanteld, zal het zowel voor mij als iedereen duidelijk blijken dat het niet meer was dan een door de collectieve verbeelding uitgebroed bolwerk dat zijn tijd heeft gehad. Een kartonnen lichaam bezit geen hart, geen spieren, kan onmogelijk ademen. Zonder zijn werknemers is het een uitgedroogd karkas, een bouwwerk waar je doorheen kan wandelen, zoals door de gang naar mijn kantoor waarin ik andere mensen tegenkom. Gewone bedienden die wel ademen. Werklieden die zich voor hun aanwezigheid niet hoeven te legitimeren. Mensen wier lot het is bloot te staan aan de grillen van het toeval. Ik bevoel het penseel. Of gaat het om een potlood? Wat het ook mag zijn, ik ben aanwezig, ik besta. En dit bestaan wil zich kost wat kost handhaven, ondanks alle noodlot, alle toeval samen. Luisterend naar Mona’s ademgeruis zakt mijn hoofd vredig op het kussen.


De eenentwintigste dag had Mona nieuws over de keuze van haar privédetective. Haar verdriet waarop ik uit schroom slechts omzichtig durf reageren, en ook haar ondermijnde gezondheid die vast geen harde woordenslag meer kan verdragen, beletten me haar te onderbreken. Des te meer luisterde ik met afgrijzen.
   Dit keer mocht ik wel alles horen. ‘Zijn naam is Joseph Reinhout. Ik zie zijn echtgenote al eens op het koffiekransje van de vrouwengilde. Laatst zat ze tegenover me aan tafel. Zij is een lieverd, een beetje aan de mollige kant zou ik zeggen, en een paar jaar ouder dan ik. Eén van de dames had haar man aanbevolen. Vorig jaar heeft hij een van huis weggelopen rijkeluisdochter in Parijs opgespoord.’
   Hoe veelbelovend Mona haar verhaal ook liet voorkomen, ik kon niet in haar enthousiasme delen.
   ‘Wat heeft die Houten Joseph meer in zijn mars dan een heel korps van de gerechtelijke politie?’ stelde ik nuchter.
   ‘Gewoon dat hij zich volledig inzet!’ Terwijl Mona dit zei, ontkleedde ze zich om naar bed te gaan. Zij gooide haar slip bij het hoopje kleren. Hieruit concludeerde ik dat haar maandstonden voorbij waren.
   Misschien moest ik die Joseph Reinhout op mijn blote knieën danken. Niet zozeer omdat ik geloofde dat hij ons jongetje zou terugvinden, maar doordat hij mijn vrouw weer een sprankel hoop gaf. En hoop doet leven, ook al is die hoop vals.
   Het duurde wat eer Mona haar nachtjapon gevonden had. Intussen liep zij naakt rond, wat ik durfde duiden als een signaal om me aan het verstand te brengen dat onze onthouding nu lang genoeg had geduurd. Terwijl ze haar mond nog vol had over de bekwaamheden van die Reinhout, gaf ik mijn ogen de kost, - of ik een achterstand van maanden had in te halen. Door mijn honger naar haar lekkere rondingen viel de overgang van de privédetective naar de heftige kussen op haar mond misschien wat kort of ongevoelig uit. Niet alleen werd de naam Reinhout verstikt. Mijn vingers rukten de zoom van haar nachtkleed koortsachtig omhoog, bevoelden haar geforceerd! Maar dat realiseerde ik me pas toen zij met een nog woestere kracht mijn hand wegrukte van haar geslacht, als kroop er een grote, harige spin overheen.
   ‘Hoe kun jij gewoon verdergaan met ons leven! Alsof er niets aan de hand is! Alsof ons zoontje op dit ogenblik niet huilt en lijdt, ginds in die smerige kelder!’ smoorde ze haar stem.
   ‘En hoe kun jij het jezelf toestaan om in een zwarte afgrond te springen en ons allemaal mee te sleuren in je val, - alsof dat iets zou opleveren!’ sloeg ik haar de woorden die bij mij al lang in gereedheid lagen, niet minder heftig in ‘t gezicht.
   Ik moet bekennen dat ik me diep beledigd voelde; anders was ik niet meteen opgestaan om opnieuw mijn kleren aan te trekken en, in plaats van haar te antwoorden toen zij vroeg wat ik ging uitvoeren, morrend naar beneden te gaan.
   Ik had zo ‘t gevoel dat ik eveneens een sprong in het donker moest wagen; maar dan beslist niet in een bodemloze put. ‘Stom wijf!’ hoorde ik mezelf, terwijl ik een krant beetpakte en mijn ogen het adres zochten waarop ik ze al eens min of meer toevallig had laten rusten. ‘Stom wijf!’
   Het was een adres net over de grens en men verkocht er, als men mocht afgaan op de aanbevelingen van het huis, charmes en seksueel vertier van hoge klasse.


Ik zei het al: een mens leeft niet, hij wordt geleefd. Zie, en hiertegen kwam ik nu met heel mijn wezen in opstand. Toegegeven, een kunstmatig roodgekleurde hoerenkast is nog wat anders dan de groene hel van de Orinoco; al heeft dat bloot vlees en die wilde geluiden van copulerende mannen en vrouwen, ook wel wat van de ginds op beide oevers levende beestenboel, dacht ik. Maar afgezien hiervan bood het me de kans tot een daad van verzet. En om het te bezoeken, daarvoor had een sullige huisvader als ik minstens zoveel moed nodig. ‘Stom wijf!’
   Ik propte mijn portefeuille vol biljetten en reed met mijn auto in het holst van de nacht weg. Bij het kapelletje waar ik afsloeg, richting Nederland, herhaalde ik het nog eens: ‘Stom wijf!’
   Wellicht heb ik het nog een keer of vier uitgevloekt, zo om de drie tot vijf kilometer. Dat geeft me min of meer een idee van mijn woede, en hoelang ik achter het stuur heb gezeten.
   Maar gaandeweg veranderde er toch iets in mij, iets dat ik door mijn verhit gemoed niet zo direct had voorzien: mijn ergernis en boosheid jegens Mona namen af. Meer nog, tegen dat ik de parking van ‘het adres’ opreed, vroeg ik me ernstig af wat een sullige huisvader als ik hier kwam uitspoken. Natuurlijk kon ik meteen het stuur omdraaien en naar huis keren; maar nu ik hier was, leek me dit nog sulliger en bovendien oneerlijk en vernauwend tegenover mijn nieuwsgierigheid telkens ik de aanbevelingen van dit etablissement minder toevallig had opgezocht. Dus besloot ik door te zetten.
   Goedkoop was het adres niet. Daar ik niet in vrouwelijk gezelschap verkeerde, beschouwde de portier mij louter als een consument, wat de reden was waarom ik bij de deur voor twee personen entree moest betalen. Ik voelde me onmiddellijk belazerd, - niet zozeer omdat ik zoveel geld had uitgegeven, maar omdat ik mezelf zag lopen en het tot me doordrong dat de vader van Matthias hier niet thuishoorde en terecht naast kontlikker evengoed klootzak of mafketel mocht genoemd. Tegelijk leek het of een onbuigzaam, scherp voorwerp mijn borst verwondde. Mijn hand maakte twee hemdsknoopjes los en betastte de leegte daaronder. Natuurlijk had ik niks anders verwacht. Nochtans had ik de indruk dat het zoeken mijn geloof in de aanwezigheid van Umberto’s potlood of penseeltje nog versterkte, temeer daar ik meende opnieuw zijn stem te horen.
   Ondanks de hoge prijzen zat de gerenommeerde club stikvol. Terwijl ik me een weg baande naar het buffet, kreeg mijn visioen nog een staartje. Aan een van de drie kruisen op Golgotha hing ik daar als de berouwvolle zondaar. Een misdadiger was ik niet, maar mijn nieuwsgierigheid naar deze kunstmatig gekleurde beestenboel deed me inzien dat ik mijn tekortschietende verbeelding overstag had gejaagd. Ik bekende mijn schuld. Ik was een zwakkeling, een twijfelaar. Mijn lot werd bezegeld. ‘Heden,’ hoorde ik Umberto, ‘zult ge met mij zijn in het paradijs.’
   Aan het buffet bestelde ik goedkoop bier van ‘t vat. Verder hoopte ik met rust gelaten te worden. Dan kon ik even rondkijken en me na dat pintje gauw weer naar huis spoeden. Maar algauw bleek ik niet met alle mogelijke toevalligheden rekening te hebben gehouden. Keurig gekleed in wit hemd, strikje en zwarte spencer, zodat je hem eerder in de voorste gelederen van het Leger des Heils zou verwachten, kwam de barman me vertellen dat ik een drankje kreeg aangeboden van een heer aan het andere einde van het buffet.
   Ik boog me voorover om de rij op barkrukjes zittende mannen en vrouwen naast me te ontwijken. En zie, mijn blik ontmoette twee bekende ogen op het uiteinde van een wurgende tentakel! Ik wist niet hoe mijn ogen, mijn hoofd, mijn lijf reageerde. Heel mijn kartonnen wereld kwebbelde op zijn grondvesten. Met een hand scharrelde productmanager Niessen rond de blote schouder van een exotische schoonheid. De andere hand hees een champagneglas en zette het aan zijn breed grijnzende lippen.