Essay:
LEVEN IN DE BROUWERIJ DER LETTEREN
‘In de roman kan men een levensintuïtie ontwikkelen, in plaats van een
theorie over juist en verkeerd… De roman is het hoogste voorbeeld van subtiele
onderlinge verwantschap, dat de mens ontdekt heeft. Ieder ding is waar op zijn
eigen plaats, tijd en omstandigheid en niet waar buiten die eigen plaats, tijd
en omstandigheid… Indien de roman levendige betrekkingen onthult, is het een
zedelijk werk, waar die betrekkingen ook uit mogen bestaan.’ (D.H. Lawrence)
De vorm
Men kan
ervan uitgaan dat de werkelijkheid, doordat zij vlietend is, weinig voldoet
aan de menselijke verwachtingen; dat zij geen betekenis heeft, oppervlakkig
lijkt, leeg, chaotisch, triviaal, vormeloos en altijd afhangt van een stom toeval.
Men kan hier zelfs aan toevoegen dat de werkelijkheid, juist doordat zij niet
echt gedefinieerd kan worden, feitelijk niet heus bestaat. Op dit gegeven
waaraan niemand een touw kan vastknopen, ontspringt volgens mij de artistieke
behoefte om een vorm te scheppen die niet aan causale veranderingen onderhevig
is. Deze veranderingen zouden dan moeten worden ingedamd tot een vorm die in
een ongewijzigde staat bewaard kan blijven, ofschoon zij meestal toch naar
die vlietende werkelijkheid refereert. Zo wordt met behulp van de verbeelding
een in letteren gestolde droom aan de dagelijkse werkelijkheid toegevoegd.
De artiest
brengt een in hem sluimerende wereld naar buiten. Zijn gevoel zegt hem: 'Ik
ben een kind van de onzichtbare innerlijkheid. Ik wil een realiteit scheppen
die helemaal van mij is, die aan mijn verwachtingen en ideeën over het leven
beantwoordt: kleurrijk en mythisch, - niet saai, leeg, triviaal, - of
wellicht juist ter wille van persoonlijke redenen juist wel! Een werkelijkheid
met een blijvende betekenis die men als een geheel ter hand kan nemen. Want zo
steek ik in mekaar. Zo is mijn ware ik. Door die behoefte om mezelf via een
inhoudelijke vorm te definiëren, word ik gedreven.'
Zolang er
nog geen woord op papier staat, behoort deze innerlijkheid niet tot de
actualiteit, is ze bij de aspirant-schrijver ongeschapen aanwezig; dus ook
voor de buitenwereld onbestaande. Zij moet door overdrachtelijke beelden
waargemaakt worden. Dit kan evengoed in andere vormen dan het
schrift. Tot de oudste behoren de prehistorische wandschilderingen in
grotten. Waarschijnlijk bestond er toen ook al zang, en werden er 's avonds
rond het vuur verhalen verteld.
Zelf word
ik pas door een tekst getroffen als ik daarin iets van mezelf terugvindt: een
vorm van verwantschap. Dergelijke vorm van communicatie kan een brug slaan overheen
alle mogelijke grenzen en tijdperken.
Geen bellettrie
Schrijvers gaan aan de slag om
gestalte te geven aan een werkstuk dat het meest aan hun verwachtingen van een
waardevolle tekst beantwoordt. Het is evident dat de meesten in hun
beginperiode vaak onder de invloed staan van auteurs die zij als een voorbeeld
beschouwen.
Toen ik een
jongeman was, heeft de verhalenbundel ’Black Spring’ van
Henry Miller zowat een jaar lang als een dagelijks ter hand genomen zwarte
bijbel onder mijn hoofdkussen gelegen. Voor mij was hij de eerste auteur die
van seks, van het leven op straat en van zijn anarchistische kijk op de samenleving
een gevoelige, levensblije waarheid maakte zonder in boekentaal te vervallen. ’Black
Spring’ werd geschreven in 1934. Vandaag leven wij in een gans andere
tijdgeest. Tal van die toen nog maatschappelijke taboes zijn ondertussen
gemeengoed. Vandaar gaat het allang niet meer om literatuur. Zelf was Miller
een bewonderaar van Dostojewski trouwens. Als beginnend auteur ontwierp
hij tragedies als 'De gebroeders Karamazow’. Tot hij op een dag zonder een
cent op zak van zijn geboortestad New York naar Parijs trok en, wellicht ten
gevolge van zijn ontheemding, uiteindelijk inzag dat dit literaire beeld niet
met de werkelijkheid strookte: de menselijke ziel bleek hem ineens te klein
voor dergelijke grootse tragedies, zodat dit voor hem de enige tragedie
werd. 'In Parijs kwam ik tot mezelf,' schreef Miller.
De
autodidact in mij vroeg zich af wat er nodig was om tot mezelf te komen. Moest
ik eveneens de autobiografische toer opgaan en, in navolging van mijn idool,
de gore kanten van het leven onder de loep nemen? Aanvankelijk heb ik zoiets
geprobeerd. In drie jaar schreef ik onder de titel 'Het Aanschijn'
vijfhonderd dichte vellen proza, waarbij me het er vooral om te
doen was via zelfonderzoek een verhalend verslag te bekomen rond de eerste
jaren van mijn huwelijk. Bellettrie mocht wel, maar ik zocht eerst de waarheid
en zou die onverbloemd weergeven, mooi of lelijk. Ik had me ingesteld op een
genadeloos realisme, zoals bij Miller. Maar helaas was hiermee geen vergelijk
mogelijk. Toen ik het resultaat jaren later terugzag, stoorde me de haast ondoordringbare
structuur, voortvloeiend uit de opvatting dat alles wat zich als een waarheid
aan me had voorgedaan, zelfs het onbeduidendste detail, ook de moeite was om
te worden opgeschreven. Als de Almachtige zich in de hemel bevindt, dan is
Zijn werk vast ook zichtbaar in de beerput, redeneerde ik. Door geen onderscheid
te maken in wat voor mij reëel was, had ik wel de verkeerde keuze gemaakt. Want
hier zit volgens mij de knoop: de waarheid van de ander is slechts ten dele
waar. Zo kon Millers anarchistische kijk inderdaad bijdragen tot gefundeerde
maatschappijkritiek, maar evengoed kan deze visie iemand op het verkeerde been
zetten. Henry Miller was een kind van de metropool, een marginaal, een rebel,
een avonturier, een clown, een man van twaalf ambachten en dertien ongelukken.
Hij deugde wel, maar hij liep liever met zijn gebreken te koop. In mijn ogen
maakte dit van hem juist een heilige. Naar iemand opkijken kan echter tot
dweepzucht leiden, of alvast maken dat van die persoon of zijn werk te weinig
afstand genomen wordt. Want welbeschouwd was ik als jongen uit een provincienest,
als bewonderaar van Felix Timmersmans’ vertelkunst, als oppassende zoon van een
hardwerkende weduwe, als student die zijn leraren respecteerde en daarbij
zelfs heel wat idealen in het vaandel droeg, precies Millers antipode. Zo
konden mijn dagelijkse ervaringen naast die van mijn lichtend voorbeeld niet
anders dan zoutloos voorkomen. Geleidelijk aan begon ik me ook te realiseren
dat Miller gretig gebruikgemaakt had van allerlei groteske verdraaiingen
van de werkelijkheid en dat de schuttingstaal waarmee hij het vaak over seks
had, eerder diende als een krachtige stijlfiguur om zijn eigen waarheid aan
op te hangen, daarmee de overtuiging uitschreeuwend dat de ordinaire waarheid
op straat de enige waarheid is.
Bij Miller
kwam de erotiek, door de dingen grofweg bij hun naam te noemen, me achteraf
bezien ook eerder verschralend dan spannend voor; als werd seks daardoor louter
herleid tot een technische aangelegenheid, zoals in de loodgieterij,
wanneer een buis in een mof wordt geschoven. Hierover kon boeiender verteld
worden; temeer daar de inkleuring van het leven grotendeels in het eigen hoofd
plaatsvindt en uiterst persoonlijk is. Dit leidde vanzelf tot de drang om
een tegengestelde koers te varen door me eerder toe te leggen op mythevorming,
of de zuivere verbeelding: het begin van jarenlang hard labeur, zonder dat het
enig ander resultaat opleverde dan maakwerk.
Tot zichzelf komen
Wel
confronteerden deze miskleunen me met vragen als ‘Wie is hier aan het woord?
Wie ben ik? Hoe kom ik tot mezelf?’ Vragen die enkel kunnen worden beantwoord
door aan alle valse schijn voorbij te gaan. Want de essentie van het leven kan
enkel gevonden worden in levendige gewaarwordingen die, juist doordat ze vluchtig
zijn, aan niemand toebehoren. Daarmee wordt de particuliere grens tussen hij,
jij of ik, vanzelf opgeheven. Door volledig op die anonieme gewaarwordingen in
te gaan, kwam ik tot een raamwerk dat me hielp me in de ander te verplaatsen. Daarmee
viel de noodzaak om tot mezelf te komen, ineens als een loodzware last van me
af. Wat een zegen! Eens ik had ingezien dat ik tegelijk niemand als iedereen
kon zijn, voelde ik me vrij om te laten komen wat vanzelf komt. Slagen of niet,
voor gedane inspanningen bestaan geen garanties. Door geen meesterwerk te
pretenderen, durft men de nodige risico’s nemen. Mijn volgende romans zou ik
niet langer verstandelijk uitbroeden.
Groei
Wellicht
doordat ik me al enkele jaren in een imaginaire wereld had ingeleefd, voelde ik
hierna de behoefte om een roman te schrijven die zich in meer bekende,
hedendaagse milieus afspeelt. Maar belangrijker dan het thema, werd voor mij
het inzicht dat literatuur enkel van belang is tijdens de creatie, waarbij je
als uitvoerder naar psychische toestanden wordt verplaatst, die het leven zelf
niet altijd te bieden heeft. De schrijfdaad wordt dan ervaren als
een levend gebeuren. Het is lachen, huilen, lijden, prakkiseren, mee- en
inleven. Precies als in het leven van alledag, diende ik op het juiste ogenblik
de gepaste keuzes te maken. Voortaan zou ik met elk idee wachten tot de appel
vanzelf uit de boom valt, of minstens tot het ogenblik is aangebroken om hem
rijp te plukken. Dit kwam erop neer dat ik de wendingen en de keuzes met vertrouwen
aan het verhaal zelf zou overlaten. Niet enkel diende ik mijn wil en
persoonlijke ambities opzij te schuiven; vooral moest ik mijn neiging
bedwingen om als een goddelijke macht tussenbeide te komen door de plot
cerebraal uit te dokteren en de personages te manipuleren. Voortaan zou ik
deze juist op de voet volgen. Vanzelfsprekend vraagt dit alertheid en een aandachtig
oog voor wat het verhaal precies nodig heeft. Waarschijnlijk om die reden
ondervind ik tijdens de beginfase steeds de grootste moeilijkheden: er bestaan
dan nog te veel keuzemogelijkheden. Hoe meer kansen er worden
benut, des te meer de schrijver het uitvoerende knechtje wordt van zijn
personages en van de intrige die hun lot heeft opgezet. Zo werd ik gaandeweg
het werktuig in handen van een mysterieuze macht. Doordat oppervlakkige,
kortzichtige gedachten geen kans krijgen om zich met het lot van zijn
personages te bemoeien, wordt het niet-verpersoonlijkte bewustzijn dat mensen
over alle tijden met elkaar gemeen hebben, aan het woord gelaten. De roman
groeit dan spontaan, zoals een boom naar het licht.
De waarheid
van een verhaal ligt niet zozeer in het feit of de historie echt gebeurd is,
maar psychologisch waar op het moment dat de roman vorm krijgt; zodat blijkt dat
de schrijver de juiste keuzes heeft gemaakt, dat hij trouw gebleven is aan
zichzelf, aan de wereld zoals hij die ervaart, aan de subjectieve kijk van zijn
personages. In dit opzicht kan fantasie evenveel waarheid bevatten als feiten
zwart op wit. De lezer heeft er trouwens geen controle over of de beschreven
gebeurtenissen al dan niet zijn voorgevallen. Voor hem is het van belang of hij
zich dermate kan inleven dat de lectuur hem verplaatst naar de psychische
toestanden van de personages, waardoor de inhoud hem levensecht voorkomt.
Fictie bekritiseerd
Tegenwoordig
zijn velen van mening dat de roman als genre om een verhaal te vertellen dood
is. Terecht vinden zij dat taal, zelfs indien deze in hoge mate vernieuwend,
efficiënt en door het dagelijkse gebruik messcherp geslepen is, tekortschiet
naast de onuitsprekelijke, woordloze werkelijkheid.
Ook ik
wilde in mijn romans meer vertellen dan enkel een verhaal. Vooreerst wou ik de
lezer op elke pagina doen vergeten dat hij een boek in handen heeft. Men moet
niet oog in oog staan met woorden, vind ik, maar met het leven zelf. Men kijkt
toch ook niet naar een schilderij, enkel ter wille van de verf? Om die reden
heb ik me nooit enige moeite bespaard om de lezer het gevoel te bezorgen dat
hij op de hoek van een straat een spontane babbel met me heeft. Maar hoe krijg
je het echte leven op papier?
Laat me dit
duidelijk maken door de werkelijkheid te vergelijken met een kleurrijke
vlinder. Zo was het mijn eerste impuls om dat beestje te vangen. Immers, zijn
schoonheid trof me, waardoor ik me gedrongen voelde zijn vlucht door de tuin
via de literatuur te bestendigen. Bij uitzonderlijke schrijvers had ik ervaren
dat dit mogelijk was. Zij stelden me echter voor een onmogelijk opdracht; want de
beschreven vlinder is niet dezelfde als toen hij vrij rondfladderde. Zijn
schoonheid maakt deel uit van een geheel dat in zoverre onbegrijpelijk is dat
je er nooit achter komt hoe het verschijnsel te verklaren. Maar waarom
verklaren? En waarom zou mijn vlinder zo nodig moeten lijken op de echte? Zolang
de lectuur de lezer het gevoel aanreikt dat hij zich daarin thuis voelt, is die
kwestie van geen tel. Ik ging nog een stap verder. Nu het onmogelijk was
gebleken een vlinder op papier te krijgen, waarom, op dit kantelpunt van de
schepping, niet opkomen voor mijn eigen nog ongeschapen leven door me volledig
op de verbeelding te richten en alles daaromheen te verzinnen: kleuren,
wiekende vleugels, tuin, toevallige passanten, ja het complete universum?
Schrijvend droomde ik, improviseerde ik, gehoorzaamde ik aan een innerlijk
ritme, verzorgde ik ‘mijn tere plantje’ om de diepere lagen in mij aan te boren.
Een spiegel voorhouden
Ik ben geen
maatschappelijk geëngageerde schrijver. Evenmin ben ik een voorstander
van l’art pour l’art. Door het echte leven via boeiende
vertellingen bij de lezer naar binnen te loodsen, probeer ik hem langs de
ontspannende omweg deelachtig te maken aan het leven zelf. En waarom zou ‘n
dergelijke confrontatie hem niet aanzetten om dat leven in zichzelf te
vermeerderen? Hiervoor zou hij zich wel moeten bevrijden van alle conditionering.
Om die reden betracht ik een realiteit die de werking heeft van een spiegel.
Maar welke
realiteit? Hier doet zich een filosofisch probleem voor dat ik oploste door me
op zaken te fixeren die herkenbaar zijn. Volgens de gegeven feiten is de
werkelijkheid immers volledig te herleiden tot het concrete verschijnsel hier
en nu. Dit verschijnsel behelst evengoed de persoonlijke emoties als de tal van
maatschappelijke beoordelingen. Daardoor werd de realiteit in mijn romans die
van mijn personages: de optelsom van hun dromen, gevoelens, gedachten,
herinneringen, verlangens, zintuiglijke indrukken. Het feit dat er voor hen
buiten deze individuele gewaarwordingen geen andere werkelijkheid bestaat,
verleent hen trouwens hun bestaansrecht en hun waardigheid ook. Zo is elk
individu drager van het leven en beschikt hij naast zijn instinct over een mate
van intelligentie: dit is het bewustzijn dat van nature weet wat wijs is en wat
dwaas; een intuïtief besef van de waarheid.
Verdienste van het kind
‘De
verdiensten van een boek wordt niet bepaald door de kwaliteiten of gebreken
ervan,’ schreef de beruchte Franse criticus Paul Léautaud. ‘Die schuilt alleen
hierin dat een ander dan de schrijver het boek niet had kunnen schrijven. Elk
boek dat een ander dan de schrijver zelf had kunnen schrijven, is goed voor de
prullenmand.’
Als
auteur roept dit bij mij de volgende vragen op: ‘Hoor ik mijn eigen, unieke
stem? Leef ik me uit zonder me te vergalopperen, het evenwicht te verliezen en
tegen de vlakte te gaan? Kan ik zijn als een kind, net zo spontaan? Maar ben ik
evenzo een gehoorzame knecht, slaaf van de vorm? Sta ik als de holbewoner voor
zijn rotstekeningen, zonder om te kijken naar de illustere voorbeelden van
anderen, links, rechts, voor of achter me? Ben ik een werktuig, volledig
vertrouwend op mezelf om mijn werkstuk behoorlijk klaar te spelen door ‘alles’
te geven wat ik in me heb? Breng ik met mijn verhalen leven in de brouwerij der
letteren? Omtrent mijn voltooide romans gaat de vraag al niet meer op. Want het
is mijn eerste bekommernis om wat ik heden doe: dat is de naakte mens
beschrijven; de mens achter zijn façade, de mens met zijn geloof en twijfels,
de universele mens achter mezelf, maar ook wel achter die van Jan, Piet en
Klaas. Ook voor hen kan het van belang zijn.
‘Succes en mislukking zijn
bedriegers.’ (J.L.
Borges)
Ik
verstuurde mijn roman naar een aantal literaire uitgeverijen. Een jaar later
lag hij te pronken in de boekhandel. Van de ene dag op de andere scheen ik
aardig op weg om me als auteur te bevestigen. Nadat als het ware één eerste
dominosteentje omgevallen was, zag ik hoe het in werking schieten van een
voor mij tot dan toe verborgen mechanisme werd als het omvallen van een
lange rij andere dominosteentjes. Radio en tv werden er bijgehaald en in de
pers verschenen interviews en een boel uitermate gunstige besprekingen. De
hoofdredacteur van mijn Nederlandse uitgeverij had me al verzekerd dat mijn
volgende roman ook bij hen zou uitgegeven worden. Maar een jaar later, vlak
voor mijn reputatie met nieuw werk kon gevestigd worden, ging deze firma
bankroet. De uitgeverij werd wel overgenomen, maar de ganse redactie werd
ontslagen en veranderde, op het naambordje na, in een ander bedrijf. Later ben
ik nog eens uitgenodigd bij een grote uitgeverij in Antwerpen die
belangstelling had voor mijn twee volgende romans. Maar een week later vernam
ik dat ook deze firma door een andere werd opgeslokt. Samen met de malaise die
zich toen al in de boekenbranche aankondigde, verviel mijn hoop om van mijn pen
te kunnen leven.
Ondertussen
is er een half leven van schrijven in een sukkelstraatje voorbijgegaan. Wat
rest is mijn door een laag stof bedekt oeuvre. Nochtans heb ik bij elk werk
‘alles’ gegeven wat ik in me had. Mijn beide handen maken intuïtief het gebaar
van iemand die zijn borstkas opent om zijn innerlijk aan de wereld bloot te
geven, terwijl ik met ’alles’ eenvoudig zeg dat ik weigerde om in mijn werk
vooruit te hollen, dat ik bij elke scène net zolang stilstond tot deze geen
andere mogelijkheid meer te bieden had, waardoor dit werk zo evolueerde dat
het me op een natuurlijke wijze voortstuwde. In feite zijn al mijn teksten
me vanzelf ontvallen, mij gedicteerd.
Want in
mijn ogen verschilt schrijfkunst niet wezenlijk van levenskunst. In dat geval
is taal juist een middel om te ontsnappen aan de conventie van taal. Maar hoe
ik deze visie in mijn romans ook getrouw bleef, op de literaire markt ving ik
bot.
Iedereen
heeft recht op zijn eigen smaak. Om die reden kan een schrijver niet anders dan
dit recht van de lezer of lector eerbiedigen. Desondanks blijf ik ervan
overtuigd dat veel van deze overwegend psychologische romans niet inferieur
zijn aan mijn bejubeld romandebuut. Zo heb ik met eigen ogen vastgesteld wat er
gebeurt als het onzichtbare mechanisme dat bekendheid meebrengt in gang
schiet, precies zoals het later voor mij duidelijk werd wat er niet gebeurt
als datzelfde mechanisme blokkeert. Daardoor werd het voor mij ook makkelijker
om de gunsten van dat mechanisme te relativeren; iets wat ik ondanks het in
de mist gaan van mijn schrijversloopbaan alleszins als een voorrecht blijf
beschouwen. Het heeft me tegen mislukkingen gewapend.
Deze
herhaaldelijke verwijzing naar de prullenmand had ook zijn voordelen. Ze
hebben ervoor gezorgd dat ik nooit een schrijversimago heb bekomen dat mij via
het medialandschap op een voetstuk zou plaatsen: een canon waarbij mensen
elkaar nogal eens op ongelijke denkbeeldige niveaus bejegenen, waardoor de dagelijkse,
inspirerende omgang met mijn naasten allicht niet op gelijke voet en dus minder
spontaan zou zijn verlopen. Anonimiteit staat daar borg voor. Het is een
natuurlijke staat. Verder hebben de weigeringen me verhinderd op mijn lauweren te
gaan rusten. Bij elke roman werd ik weer gedwongen bij nul te vertrekken.
Zoals een goochelaar: niets in de handen, niets in de zakken!
Schrijven
is hard labeur. Dat houd je enkel vol als er liefde is voor het vak, als je bij
het schrijven intense vreugde voelt, meegesleept wordt door je inspiratie, als
je er psychologisch tegen opgewassen bent om in het literaire wereldje als een
passieve toeschouwer achter de zijlijn te staan. Vanzelfsprekend
komt het eventjes hard aan als je laatste geesteskind zoals Assepoester niet
interessant genoeg bevonden wordt om toegang te krijgen tot het galabal. Maar
van zodra ik een manuscript had voltooid, kreeg ik alweer andere, boeiende
ideeën die mijn aandacht opeisten. Steeds weer bleef ik dromen van een roman
die de vorige zou overtreffen. Daardoor werd het makkelijker om een afwimpeling
te incasseren. Maar zelfs deze levenslange miskenning heeft mij de artistieke
voldoening, het geloof in mezelf, en dat ik het recht heb te zijn zoals ik
ben, of te schrijven zoals ik schrijf, nooit kunnen afpakken. Wellicht ligt de
oorzaak van deze aanvaarding wel in de kracht voortkomend uit het besef dat
tegenslagen niemand beletten om, zoals Arthur Rimbaud het in zijn Une
saison en enfer zo raak uitdrukte, zich boven alles te engageren met
het goddelijke licht. Een mens mag trouwens niet alles verwachten. Zo had het lot
me gezegend met allerlei inzichten, een goede gezondheid, een gelukkig huwelijk
en een resem schatten van nakomelingen - rijkdommen die minstens zo belangrijk
zijn en waarvoor ik dagelijks mijn stille dank uit.
Eigenlijk
verkeerde ik als schrijver in de begenadigde toestand van een kind dat op een
vochtige strandstrook tussen het mulle zand en de oprukkende zeegolven met
plezier zandkastelen bouwt.
Niets verhindert een artiest te
volharden in zijn eigen smaak, trouw te blijven aan zichzelf (veruiterlijkt
door een persoonlijke stijl) en daarin scheppende krachten te vinden. Want al
bestaat er van een literair werk, zoals deze uit de periode van vóór de boekdrukkunst,
slechts één exemplaar, dit neemt niet weg dat het bestaat, dat men ernaar
teruggrijpen. Trouwens, bij de lezer bestaat een verhaal pas als hij
er door geraakt wordt. De kwaliteit ervan wordt heus niet beter als hij door
critici wordt geprezen en door hoge oplages vermenigvuldigd! Maar boeken moeten
nu eenmaal aan de man worden gebracht. Zij ontsnappen niet aan de mallemolen
van de commercie, aan de massale beïnvloeding opgezet door financiële
belangengroepen, die hun best doen om kunstenaars via canonisatie in de media
te verheffen boven zichzelf, in hun roem of intellectuele status; ook al zijn
dergelijke praktijken oneerlijk ten opzichte van de onbevangen lezer, kijker of
luisteraar, en blijken ze het onbevangen lezen, kijken of luisteren dan vaak
ook in de weg te staan. Wellicht kan het
besef dat enkel het persoonlijke en eenzame gevecht essentieel is, troost
bieden. Want tegen de erosie van de onmeetbare tijd blijkt niets opgewassen.
Succes, roem, eer, rijkdom, dit alles is relatief en vluchtig: niets anders dan
ijdelheid.
Iedereen
kan inspiratie hebben, fantastische beelden zien, visioenen krijgen, op
bijzondere gedachten komen. Maar iemand is pas schrijver door de schrijfactie.
Dus minder door middel van een publiek uithangbord aan de voet van een
pedestal, dan door de gedrevenheid waarmee hij elke dag weer in zijn eentje verhalen
in een vorm giet. Door veel te schrijven worden de hersenen meer geactiveerd
en blijven ze onbewust, zelfs tijdens de slaap, onvermoeid aan de slag. Zonder
de discipline van de dagelijkse schrijfactie, wat uiteraard een sober leven
vereist, had ik nooit al die in de loop der jaren ontvangen beelden, ingevingen
en gedachteassociaties gehad. Niet dat ik ooit de behoefte voel om al dit materiaal
weer op te diepen. Maar door te schrijven heb ik alvast meer dan één keer
geleefd en heb ik die anders onmogelijke, voorbije levens enigszins bewaard en
geïnventariseerd. Daardoor voel ik me rijk en kan ik bevredigd op de hieraan
gewijde jaren terugkijken. Alles had ik over om
mijn mogelijkheden tot het uiterste te ontwikkelen. Hoewel mijn werk vandaag
wat heeft van een in zee drijvende ijsberg, waarvan enkel het topje voor het
publiek zichtbaar is, ben ik toch tevreden dit te hebben gerealiseerd. Wellicht
blijkt hieruit dat ik zo gek was om mijn gave te overschatten. Daarover kunnen
enkel anderen oordelen.
Geen opmerkingen:
Een reactie posten