Litteken (3)
Op een doordeweekse dag in het voorjaar gaf Moe na lang
gezeur van haar twee oudste jongens toestemming om naar de namiddagvertoning
van Quo Vadis te gaan: de beroemde historische film, met Peter Ustinov in
de rol van keizer Nero. Daar ons jongste broertje last kreeg van beginnend
sinusitis kon hij niet met ons mee. Moe had een afspraak geregeld met een gespecialiseerde
dokter.
Wij zaten in de
donkere zaal. De Romeinse legioenen keerden terug van een veldtocht tegen
Gallië. Onheilspellend gaven de slagen op een trom het ritme aan waarmee de
soldaten trots marcheerden, terwijl achter hen knallende zweepslagen neerkwamen
op de bebloede ruggen van overwonnen slaven, bezwijkend onder het trekken van
zware karren met oorlogsbuit. Klappertandend liet ik me tussen de rijen stoelen
wegzinken. Eenmaal weer boven water duurde het niet lang of broer werd door een
onbekende fluisterstem weggeroepen. Opeens betraden wij het daglicht. Ik moest
weer achteraan op de fiets plaatsnemen zonder dat broer me uitlegde waarom hij daarna
huilend als gek in ongelooflijk vliegende vaart de terugweg aanvatte.
Thuis zat Moe in
haar fauteuil te midden van de ontdane gezichten van mijn zussen, familieleden
en buren als gebroken te snikken. Pas toen ik boven op het kamertje kwam waar ik
ons broertje aantrof met gesloten ogen en zijn handjes gevouwen als in gebed,
ben ik op mijn beurt in een onbedaarlijke huilbui uitgebarsten.
Terwijl ik als
in een paniekaanval tussen de rijen stoelen zat ondergedoken, zag een
voorbijganger rond datzelfde tijdstip hoe broertje op zijn nieuwe stelten met
reuzeschreden over de brede strook tussen de voortuintjes en de rijbaan stapte,
plotseling van de hoge stokken sprong, naar de keel greep alsof hij geen adem
meer kon krijgen en schreeuwend om zijn moeder naar huis holde. Aan de voordeur
viel het ventje stuiptrekkend neer. De voorbijganger veegde zijn lippenschuim
af, droeg het levenloze lijfje naar binnen en legde het in de armen van zijn
moeder. Zolang het gewicht levenswarmte bleef uitstralen, zolang hield zij haar
zoontje smartelijk tegen zich aangedrukt. Tot een buurvrouw zich op de duur genoodzaakt
zag hem voor de nodige toebereidselen zachtjes van haar los te weken.
De
daaropvolgende nacht keerde ik in mijn gedachten herhaaldelijk terug naar het
zolderkamertje op ons vorig adres waar wij, de drie broertjes, te slapen werden
gelegd en waar Moe op een nacht het licht aanstak. Niet zo vreemd dat haar gil
mij opnieuw van dichtbij raakte. Twee ratten besnuffelden zijn hoofdkussen en gezichtje
wat, gezien wij naast een boerenerf woonden, allicht niet zo ongewoon was. Moe
greep haar kleintje om het, zogezegd uit veiligheidsoverwegingen zolang wij
ginds woonden, voortaan elke nacht aan haar zijde tussen haar warme dekens te
koesteren. Wellicht daardoor kreeg dit opgeroepen beeld voor mij iets van een
nare voorspelling.
De volgende
morgen trof ik ons broertje gans alleen in die andere kamer aan. Telkens het
door zijn verstijfde houding tot me doordrong dat ik hem spoedig nooit meer zou
zien, nooit meer met hem samen te voet langs de in onbruik geraakte tramsporen
naar school zou gaan, begon ik langdurig te wenen. Wat ik vooral voelde was
spijt voor al die keren ik op zijn vraag geweigerd had met hem te spelen. Door
hem ondanks zijn afwezigheid te laten deelnemen aan een race met onze autootjes
slaagde ik erin mezelf te troosten. Hij de gele, ik de rode. En anders dan
vorige keren keer bleek geel die dag het snelst.
Achter mij werd
de radio opengedraaid. Onthutst omdat het leven ondanks alle rampen gewoon
doorging, hoorde ik het nieuws.
Geen opmerkingen:
Een reactie posten