zaterdag 13 september 2014

Wijkende verten 11 essays - 183 pagina's

 

 

Binnen de categorie van teksten over levensbeschouwing, bekleden deze gebundelde essays beslist een aparte plaats. Gelinkt aan reeds bestaand gedachtegoed, zoals te vinden bij het boeddhisme, taoïsme, empirisme en existentialisme, wijzen ze op de noodzaak om nog een laatste grens te overschrijden waar elk ‘isme’, elke begrip, elke peiling naar onze menselijke aard ophoudt. Alle in taal gevatte, existentiële vragen, zoals wie wij zijn, of wat leven is, eisen immers dat er verder gekeken wordt dan de uiterlijke vormen van maatschappelijke aankleding. Daarbij komt onvermijdelijk ook het probleem op de proppen dat het wezenlijke zich niet laat formuleren. Zo is het aangewezen de conventie van het woord te doorzien en als enkeling onbetreden paden op te gaan, weg van al het bekende.
   Om die reden vertrekken deze teksten van nul, zonder enige voorkennis. De auteur houdt zich bij wat de feiten hem vertellen. Hij ontmaskert de begrippen, verbonden aan de groepsgeest, aan de continuïteit en duurzaamheid van het maatschappelijke leven, want deze leiden vanzelf tot een valse identiteit, tot dwalingen, destructieve krachten, kwalijke gewoonten, leven op automatische piloot, verslavingen.
   Zijn stellingen nemen echter nooit een autoritair standpunt in. Wel doen ze een beroep op de intelligentie van de lezer, simpelweg door hem te confronteren met feiten waar hij niet omheen kan zonder te kwader trouw te zijn. Daardoor zijn deze teksten nergens tendentieus, nergens voor of tegen.
   Wat nu bij al deze proeven opvalt, is het scherpe onderscheid dat gemaakt wordt tussen enerzijds de ogenblikkelijke individuele gewaarwordingen en anderzijds de verbeelding die dergelijke vluchtigheden tot een levenslang geheel aaneenrijgt en daarmee het praktisch samenleven van individuen binnen een bekend historisch kader mogelijk maakt.
   Eenvoudig gezegd gaat het over alles wat onder het werkwoord ‘leven’ wordt verstaan, wat grondig verschilt van ‘het leven’ dat als zelfstandig naamwoord hiervan is afgeleid.
   Ter afwisseling, ook wel tot meer verduidelijking, wordt dit uiterst belangrijke, meestal over het hoofd geziene onderscheid in elk essay telkens in een andere literaire vorm gegoten, gaande van de zuiver filosofische beschouwing tot allerlei persoonlijke ervaringen en reflecties omtrent religie, ethiek, maatschappelijke toestanden, menselijke gedragspatronen, begrippen rond taal en kunst.

Het eerste hoofdstuk heet ELEMENTAIRE STRUCTUREN en wordt hier ter lezing aangeboden.





Bij het schrijven van een essay kan het van primordiaal belang zijn om zich uitsluitend aan onweerlegbare feiten te houden. Hoe meer de inhoud ervan tegen de haren van de publieke opinie in strijkt, hoe groter de nood aan eenduidigheid. Want de zegging mag nimmer een twistappel worden. Tenslotte gaat het eerder om de waarheid, dan om wie er gelijk heeft.
   Met dit als uitgangspunt leidt de auteur zijn lezer naar een venster om hem eenvoudigweg te tonen wat hij ziet: een bos. Met groeiende verbazing over dit kleine universum gaat hij verder, mijmerend over twee vormen van waarheid, over het verschil tussen appels en citroenen en waarom Shakespeares ‘Othello’ wel moest eindigen in een bloederig drama.
   Oefeningen in klaarheid en logica dienend tot het blootleggen van belangrijke elementaire structuren.


Achter de lens

Kijken door het venster. De hoge stammen zien van een strook uitgedund naaldbos, omgeven door de huizen en tuintjes van een rustige buitenwijk. Daarboven een stukje hemel opmerken en het omfloerste licht van de voorjaarszon, hangend tussen de kruin van een schimmige berk om hier en daar een bundel schuine lijnen te werpen over een plekje graspollen dat het soort bleekheid en verwaarloosde onregelmatigheden vertoont eigen aan alles wat moeizaam tiert op braakliggende terreinen. Bij dit beeld voegt zich de onrust van heen en weer zwiepende twijgjes, wat duidt op felle wind. Naarmate ik aandachtiger word, bereikt me de rauwe kras van een ekster en vanuit de verte zelfs het blaffen van een hond.
   Dit is geen belvedère, geen plaatje voor een postkaart waarvoor zich bussen met toeristen zouden verzamelen. Toch blijft het beeld ondanks de dagelijkse vertrouwdheid mij genoeg verwonderen om de ogen de kost te geven. Het voortdurend veranderende spel van licht, schaduw en ontelbare kleurschakeringen, het eenvoudige feit dat het bos steeds is zoals het ogenblikkelijk voorkomt, drukt me met de neus op een essentiële waarheid: namelijk, dat het bos bestaat als een waargenomen fenomeen waardoor het mij een absoluut houvast biedt. Ik zie immers geen redenen om aan deze waarneming te twijfelen. Het gegeven doet zich voor als een onweerlegbaar echt en zuiver feit, geheel los van de voorafgaande oorzaken waarom het er thans zo uitziet, los ook van de kwestie of het wordt beoordeeld of in mijn geheugen opgeslagen. Zelfs al zou het bos later een fata morgana blijken, dan verandert dit nog niets aan het waarachtige karakter van de verzameling diverse bouwstenen waarmee deze observatie tijdelijk is samengesteld.
   Hoe klein ook, feitelijk is dit bos evengoed een universum op zich. Want eender, waarheen ik de blik ook richt, - naar de overkant van de straat met de bomen of naar de verste uithoek van het heelal, - terecht kan ik me afvragen of een wereld wel bestaat als zij niet wordt waargenomen. Van een universum waarin elke levensvorm afwezig is, een heelal dat dus enkel uit dode materie zou zijn opgebouwd, kan niets of niemand getuigen dat het ook werkelijk bestaat.
   Door deze noodzakelijke voorwaarde, dat iets pas aanwezig is als het ervaren wordt, zou men kunnen stellen dat geen enkele wereld louter op zichzelf bestaat, als een zelfstandige entiteit los van enige observator. Een verschijnsel of feit komt niet enkel voor zoals het gezien wordt, maar ook doordat het gezien wordt, bij gratie van een ziener. Het zien evenwel in de breedste zin opgevat. Zien veronderstelt immers dat er een waarnemer is, een wezen dat de wereld, zichzelf en zijn eigen fysieke verschijning daarin gewaarwordt, of een zijn dat zich door zijn gerichte aandacht van sommige verschijnselen bewust is en dan ook naar waarheid van die feiten kan handelen en getuigen.
   Meteen roept dit de vraag op wat men dan dient te verstaan onder een dergelijk bewustzijn dat zich als een autonome zelfstandigheid achter een soort van lens, trommelvlies, sonar, of hoe het waarnemingssysteem technisch ook mag zijn gebouwd, van elk actueel fenomeen lijkt op te werpen. Om deze vraag te beantwoorden, zou dat bewustzijn in omgekeerde richting naar zichzelf moeten kijken en nagaan wat het opmerkt. Redelijkerwijze zou elke ziener hiertoe in staat kunnen zijn. Hierbij hoort hij wel aan weltrbij hoorteantwoorden zou hede eigen lichamelijkheid voorbij te gaan. Door zijn uiterlijke voorkomen maakt het lijf immers eerder deel uit van de som van alle ogenblikkelijk op de waarnemer afkomende fenomenen, dan van het te onderzoeken, in een lichaam zetelend bewustzijn.
   En juist daar blijkt het schoentje te wringen! Want hierdoor valt de noodzaak op dat het bewustzijn, voor de beschrijving van zijn innerlijkheid, geacht wordt verbonden te zijn met heel andere feiten dan die van de uiterlijke waarnemingen. Hiervoor schijnt echter geen enkele aanwijzing te bestaan.
   Om over de ziener tot een eensluidende uitspraak te komen die zijn essentie nergens tekortdoet, zou deze ten minste over een identificeerbare vorm, karakteristiek of hoedanigheid moeten beschikken, wat blijkbaar dus onmogelijk is. Het zou er immers op neerkomen dat de innerlijkheid, die per definitie niets met enige ruimtelijkheid van doen zou hebben, zo ten onrechte naar buiten wordt gebracht en in de schijnwerpers van de feitelijke gegevens geplaatst, met de bedoeling het onuitsprekelijke uit te spreken, het onzichtbare te zien, het onmeetbare af te meten en als zodanig te determineren.
   Wat die innerlijkheid betreft, lijkt de mogelijkheid van een parallel universum waar de ons bekende fysische wetten niet van toepassing zijn, misschien niet zo veraf. Het zou mooi zijn, maar verder dan hierop speculeren geraakt men niet; want tot nog toe is hierover niets met wetenschappelijke zekerheid te vertellen. Dan lijkt het me natuurlijker om het verinnerlijkte bewustzijn eerder te zien als de complementaire helft van elk feitelijk gebeuren, - zoals een elastische handschoen zich passend rond de hand sluit, - waarbij de innerlijkheid neerkomt op een meegaande, onpersoonlijke leegte die wordt ingevuld door de geleidelijke voortgang van even naamloze als onmeetbare fenomenen. In dat geval bestaan zowel het bewustzijn als het fenomeen bij gratie van elkaar.
   Zo lijkt het bewustzijn wel indirect als feit aanwezig te zijn. Maar dit wakende zijn blijkt verder helemaal niet in staat om zichzelf af te zonderen en als zodanig te definiëren. Of het nu gaat over een kruipend leven op de oceaanbodem, een vleermuis, een viervoeter of een mens, van zodra een wezen zijn wezenlijkheid wil verstaan of uitleggen, blijkt het, ondanks zijn eigen bestaanskennis, gedoemd tot volkomen stilte.
   Als getuige van de veranderlijke fenomenen is het wakende zijn daar nochtans zo intens en compleet mee verbonden dat men zou kunnen stellen dat elk fenomeen in het bewustzijn wordt vervuld, waardoor het zijn tegelijkertijd de binnen- en buitenwereld is. Kijkend naar zichzelf wordt het bewustzijn zich daarbij voortdurend van iets anders bewust, evenwel zonder in staat te zijn om er zodanig een vaste greep op te krijgen dat het zich ook maar één van die voorbijgaande fenomenen zou kunnen toe eigenen. Conclusie: Het zijn waaruit het persoonlijke ego wordt afgeleid, is onnoembaar en vandaar nooit een bundel te definiëren eigenschappen van toepassing op iemand in het bijzonder. In wezen is het onpersoonlijk.



Ontspoorde verbeelding

Om die reden zou het gebruikelijke ego dat dus in gedachten aan een uniek zijn wordt gekoppeld, beter ook beschouwd worden als een product van de verbeelding, - weliswaar ontstaan vanuit een praktische noodzaak, want verstandelijk gericht op de dagelijkse omgang van mensen onder elkaar en als zodanig ook diep in de taal verweven. Eerder een hulpbron dus om zichzelf te midden van de natuurlijke verscheidenheid als ‘ik’ te kunnen aanduiden of aanspreken en de ander als ‘hij’, of meer direct als ‘jij’.
   De diepere oorzaak waarom we dat denkbeeldige ego zo makkelijk naar egoïsme zien afglijden, dient dan ook enkel bij die verbeelding gezocht. Nergens anders. Feitelijk komt dit neer op een gebrek aan waakzaamheid, doordat het gezonde beoordelingsvermogen er niet langer op toeziet als de verbeelding ongebreideld gaat woekeren.
   In verband met de vele krankzinnige toestanden in de wereld legt deze eenvoudige, rationele kijk, dunkt me, duidelijk de vinger op de pijnlijke wonde. Daarmee wijkt zij volledig af van de aloude dogmatische opvatting, zoals de meeste georganiseerde religies hun gelovigen voorhouden, dat een individu tegen zijn egoïsme, als de belangrijkste oorzaak van het kwaad, moet strijden. Deze visie blijkt haar aanhangers echter geen greintje humaner te hebben gemaakt. Tenminste, hun nederlaag is duidelijk voor al wie ogen heeft. Bovendien blijken religieuze motieven om zijn zelfzucht door strijd te overwinnen meestal niet geheel vrij van een andere, meer bedekte vorm van egoïsme. Want zij duiden op een streven waarbij het ego evengoed iets voor zijn eigen heil wil bekomen: op de aanwezigheid van een begeerte tot het bereiken van een weliswaar hoger doel, maar dat door zijn diepere, verborgen belang niet minder op zelfzucht wijst, en vandaar evengoed bijdraagt tot de hovaardij, het geweld of de gekte van deze wereld.
   Egoïsme is niets anders dan het gevolg van ontspoorde verbeelding. Een psychologische preoccupatie die geen rekening houdt met de ogenblikkelijke feiten. De oorzaak ligt bij een gebrek aan het permanente inzicht dat het ego louter om praktische redenen in het leven geroepen wordt. Onwetendheid dus. Niemand heeft ooit zijn ego in een afgezonderde, concrete vorm tegengekomen. En daarom kan de zuivere rede het werkelijke bestaan ervan niet bevestigen, hoogstens betwijfelen.



Zowel niemand als iedereen

Ondanks de veranderlijke levensaspecten en vandaar de onmogelijkheid tot identificatie van zijn eigenheid tijdens het nog ongerichte, want ogenblikkelijke ervaren van een fenomeen, daagt natuurlijk wel de fysieke verschijning op van de waarnemende enkeling en zijn onmiskenbare gelijkenis met alles wat evengoed gewaarwordt. Zo kan van elk levend wezen gezegd worden dat het louter uit ogenblikkelijke gewaarwordingen bestaat. Zolang de enkeling louter te maken heeft met dergelijke nog ongebundelde, feitelijke ervaringen, zolang er aanwijzingen uitblijven die duiden op een gepersonifieerde identiteit, zolang is de enkeling zowel niemand als iedereen.
   Deze vaststelling dat elke levensvorm in dat éne zelfde schuitje zit zou,  juist in de mate er langs fysieke gelijkenissen wordt aangevoeld dat de ervaringen van anderen soortgelijk zijn, als vanzelfsprekend leiden tot een gevoel van empathie, verbondenheid, mededogen; dus tot een behoorlijk sociaal gedrag, zoals in de dierenwereld duidelijk te zien is, en vandaar ook bij de menselijke soort. Dergelijke zorg uit zich extreem bij moederliefde, meestal ook onder leden van eenzelfde familie of clan.
   De vraag wie of wat de innerlijkheid is, vanwaar zij komt en waarheen zij gaat, stelt ons heus voor een onoplosbaar raadsel, een mysterie. Tegelijk zien we dat het heden of de echtheid van dit leven evenzo doorgang vindt zonder dat er over dergelijke raadsels wordt gesproken. Om die reden kan men de zogenaamde mysteriën evengoed laten voor wat ze zijn, zich helemaal niets afvragen en zich eenvoudigweg neerleggen bij het gegeven dat alles is zoals het ogenblikkelijk aan de lijve wordt ervaren.



Kunstgrepen

Nu mag dit bos aan de overkant van de straat nog zo nauwkeurig beschreven worden, zoals alle waarneembare verschijnselen heeft het een tijdelijk uitzicht, en dus veranderlijk karakter. Onmiddellijk rijst daarmee ook hier het probleem hoe deze verzameling bomen als dit bos moet gedefinieerd worden. De logische bewering dat het bos begint bij zijn wortels en eindigt bij de hoogste toppen houdt evenmin steek. Want moet bij het bos ook niet de lucht tussen de kruinen gerekend worden, en de wind die zijn takken roert, of de kreten van onzichtbare vogels en het blaffen van een hond die gaat van stam tot stam?
   Ik kan naar buiten wandelen, de welriekende geuren van dennen opsnuiven, mijn hand op de ruwe bast van een spar leggen; maar na al deze gewaarwordingen, deze tijdelijke som van zintuiglijke indrukken, houdt het bos voor me op. Nog dieper op de kwestie ingaan, komt me onmogelijk voor. Mijn zintuigen nemen wel een door het bos gekleurde totaliteit waar, maar ik kan nooit het bos zelf, als een op zichzelf bestaand en blijvend geheel, in me opnemen.
   Afgezien van deze steekhoudende feiten bestaat er een vanzelfsprekende continuïteit waardoor ik juist deze bomen dit bos noem. Hoewel de stammen gisteren ten gevolge van een zware voorjaarsregen drijfnat waren en, zoals ik me nog precies herinner, sommige schorsen daardoor donkere vlekken vertoonden, blijft er toch een herkenbare gelijkenis tussen het bos van gisteren en dat van heden. Die gelijkenis kan ook seizoenen, ja zelfs jaren overbruggen. Door die gelijkenis kan ik aan het bos denken, me van het bos zelfs met de ogen dicht een voorstelling maken; ook als het bos reeds lang zou omgehakt zijn. Daarnaast kan ik me van woorden of symbolen bedienen en het bos zodanig beschrijven dat het eveneens voor anderen duidelijk wordt. De betekenis van woorden of symbolen verandert niet zomaar van dag op dag. Mijn beschrijving geldt ook voor de toekomst. Zodoende wordt het bos bij benadering vastgelegd en gedetermineerd door een min of meer onvergankelijk beeld en overdrachtelijk begrip.
   Het bos zoals ik me dat herinner, het door een kunstenaar afgebeelde bos, of het bos van mijn verbeelding, is echter niet het ware bos, maar een afgeleide van de directe waarneming; daarentegen schijnt het via een kunstgreep juist wel de duurzamere vorm van een zelfstandige entiteit te hebben aangenomen.
   Het fenomeen zelf gaat echter steeds vooraf aan de voorstelling of aan het begrip dat er later van gevormd wordt. Daarom is haar waarheid van een primaire orde. Het fenomeen verklaren zou hetzelfde betekenen als het leven of de wereld en haar waarnemer verklaren. Het fenomeen doet zich voor. Niet meer of niet minder. Het dient zich ongevraagd aan, maar verder eist het totaal niets. Het vraagt niet om te worden toegeëigend, begrepen, in taal omgezet, geïnterpreteerd, verklaard, geloofd of aanbeden. De wuivende takken, de hemel, de graspollen, de geluiden achter het venster en ook alle andere bijkomende, lijfelijke gewaarwordingen doen zich voor en schijnen genoeg te hebben aan de echtheid van hun voorkomen. Maar als een dergelijke waarheid waar is, verdient zij om die reden wel als zodanig te worden onderscheiden, erkend en behandeld.






Een moraliteit avant la lettre

Dit zintuiglijke leven is geen waan. Als iemand op de markt een kilo citroenen koopt, zal de groenteboer, tenminste als hij toerekeningsvatbaar is of geen bedrieger, ook citroenen voor hem inpakken en geen appels. Bij zien zoals het is, hoort immers juist handelen. Zo dit eenvoudige voorbeeld van handelen wordt uitgebreid naar andere handelingen die het gevolg zijn van juist zien, voert dit het menselijk gedrag vanzelf naar een correctheid die vrij is van elke beoordeling, elke vorm van status of vergelijking; wat men zou kunnen noemen: een moraliteit avant la lettre.
   Het gaat immers over een ethiek zonder de gebruikelijke tendensen; dus zonder tussenkomst van allerlei principes, leidraden, maatschappelijke aanbevelingen, voortkomend uit dogmatische geschriften van religieuze of burgerlijke aard. Dit wil zeggen dat de notie van waarheid en in welke richting hiervoor moet uitgegaan worden, elk redelijk wezen als een individueel kompas zit ingebakken. Men hoeft er geen theologie of rechten voor te hebben gestudeerd. Het is zelfs niet eens nodig te kunnen lezen of schrijven.
   Wat voor citroenen of voor een verzameling bomen geldt, telt trouwens evengoed voor andere objecten. Op dezelfde directe wijze kan een mens ook zijn lichamelijke buitenkant observeren. Zo zou hij naar zijn armen kunnen kijken en naar zijn knoestige vingers die, als hij ze op een bepaalde wijze in de hoogte zou steken, schijnen te grijpen zoals sommige kale takken in de winterlucht. Hij kan ook naar minder opvallende feiten kijken, zoals naar zijn gedachten, naar zijn lijfelijke gewaarwordingen, of naar zijn mentale staat.
   Met diezelfde notie van waarheid in het midden zou er, mits enige aandacht, zelfs een objectivering kunnen plaatsvinden waardoor dergelijke waarnemingen, zoals eerder al ter sprake kwam, niet worden toegeëigend en de waarnemer tijdelijk buiten zijn persoonlijke belangen treedt. Hij bereikt dan zoiets als een neutrale toestand van waaruit kan vastgesteld worden welke krachten hem zoal drijven en of deze wel correct zijn; precies zoals hij voor zichzelf kan nagaan of de invloed van anderen of die van het samenlevingspatroon op het eigen gedrag niet te ver gaat, waardoor er sprake zou kunnen zijn van vooringenomenheid of zelfs van indoctrinatie.
   Hoe dan ook, het gelijktijdig waarnemen van de binnen- en buitenwereld kan beschouwd worden als een complete activiteit: een som die telkens gebaseerd is op andere feitelijke waarheden. Want bij al de zintuiglijke indrukken, horen niet minder de innerlijke roerselen en gedachten, - om het even of deze verschillende aspecten via taal als innerlijk of uiterlijk worden aangeduid.
   Zowel het lichamelijke gevoel als de innerlijke roerselen en de daardoor beïnvloede mentale staat zijn fenomenen die aan beschrijvingen kunnen gelinkt worden en daardoor min of meer vastgelegd. Dit alles zou evenwel ondenkbaar zijn zonder het menselijke voorstellingsvermogen dat het veranderlijke tot een continuïteit ombuigt en gaat formuleren.
   Als ik de dokter vertel dat ik mijn zitvlak heb verbrand, hoeft hij niet eens de blaren te zien om te weten welke pijnlijke gewaarwording ik onderga en welk zalfje ik voor mijn genezing nodig heb. Het bijzondere of enige van de oorspronkelijke, naamloze gewaarwording werd door mijn verklaring verschoven naar iets algemeens dat in de tijd voortduurt, zoals in dit geval de specifieke voorstelling of het algemene begrip van de kwetsuur.



De kracht van de verbeelding

Mensen onderscheiden zich van alle andere bekende levensvormen op aarde door het bij hen hoog ontwikkelde vermogen om een fenomeen, nadat het zich eenmaal heeft voorgedaan, zodanig in het geheugen vast te houden, dat een heleboel andere feiten hiermee in verband kunnen gebracht worden. Via een tussenstap zoals de kunstgreep van de taal, die vermoedelijk ontstaan is als een onderling afgesproken verzameling rudimentaire klanken binnen een groep jagers, later meer gedifferentieerd en uitgebreid naar schrifttekens, kunnen feiten worden geabstraheerd, vastgelegd en ook als kennismateriaal doorgegeven. Het is wel de kracht van de verbeelding die taal, teken of zelfs vormen van kunst mogelijk maakt en er allerhande betekenissen aan geeft.
   Daardoor blijken mensen in staat verder te kijken dan de huidige wereld. Dit maakt het voor hen zelfs mogelijk in verschillende werelden tegelijk te leven. De verbeelding zet hen aan tot reflectie omtrent de gebeurtenissen uit het heden, het verleden en de mogelijke toekomst. De ogenblikkelijke waarneming die oorspronkelijk één, onverdeeld en tijdloos is, - want zonder verleden en zonder toekomst, - wordt daardoor opgedeeld in twee opponenten. De associatieve wereld van de waarnemer gaat zich in het verlengde van zijn abstracties, of vormen van verinnerlijking, opwerpen als de drager van een apart, individueel zijn dat zich tracht te oriënteren te midden van de zichtbare buitenwereld van het hier en nu.
   Na ettelijke miljoenen jaren van evolutie, werd eindelijk een mens geboren. Zijn ogen gingen als het ware voor de tweede keer open. Daarbij trof het hem dat zijn leef- en ervaringswereld zich onderscheidde van alles wat zich anders voortbewoog op het land, te water en in de lucht. Aan de hand van zijn associatieve vermogens vond hij een innerlijk zelf uit dat complementair tegengesteld zou zijn aan de wisselende aard van alle natuurverschijnselen. Noodgedwongen, doordat er geen vat te krijgen is op de onmetelijkheid van al dit zichtbare, nam hij hiervoor zijn eigen tijdelijke verschijningsvorm als richting en maatstaf.
   Zo lijkt de sluimer van een pasgeborene nog te herinneren aan de periode voor dit grote ontwaken. Tijdens de slaap, - misschien ook wel op momenten waarop het bewustzijn helder en willoos tot volkomen stilstand is gekomen, - wordt nog dat vroegste stadium van onwetendheid beleefd: een vorm van dierlijke onschuld waarbij een mens in de wereld kijkt zonder haar te definiëren en, versmeltend met dat onmetelijke bestaan om zich heen, evengoed niemand is als iedereen.
   Opnieuw in waaktoestand krijgt hij weer te maken met zijn associatieve vermogens. Het is langs dit specifieke, zich verbeeldende bewustzijn dat hij deel uitmaakt van de enge, gestructureerde leefwereld behorend tot de groep: door als een apart individu uit de anonimiteit te treden. Net zoals de dingen wordt het anonieme zijn gekortwiekt, krijgt het een naam toebedeeld, nodig om binnen de groep te worden geïdentificeerd en te kunnen functioneren; ook al moet een dergelijke ordening bij de benadering van een persoon wel onvermijdelijk tot een ongehoorde oppervlakkigheid aanleiding geven.
   Daarnaast komt het individu terecht in een veelal ondoorzichtig en dicht kluwen van bijkomende voorwaarden: artificiële structuren die door de groep zelf zijn opgesteld tot het verkrijgen van een stabiel vormgegeven, zoals elke samenleving dit betracht. In den beginne waren deze structuren allicht nog rudimentair en dus voor alle groepsleden duidelijk, maar dan zijn ze door de historische gewenning, de kolossale uitbreiding van de groep en vandaar de toenemende complexiteit, zeker diep onder gaan liggen.
   Wellicht juist daardoor wordt het allengs moeilijker om de uitzonderlijke echtheid van elk fenomeen nog als waar te erkennen, en alles wat via de verbeelding hiervan is afgeleid, te blijven zien als interpretaties van de oorspronkelijke feiten, - als louter maakwerk dus. Daarenboven schijnt niets de verbeelding te beletten om dit maakwerk ongelimiteerd uit te breiden. Het beperkt zich allang niet meer uitsluitend tot nabije gebeurtenissen.
   Een simpel voorbeeld: sinds de heer Columbus Amerika heeft ontdekt, behoort dit continent tot het materieel en geestelijk erfgoed van al de na hem gekomen generaties. Er zijn zaken mee te doen. Mensen kunnen erover lezen of er zelf heen reizen. Toegevoegd aan mijn algemeen wereldbeeld kan ik het continent met de verschillende landschappen en steden in gedachten omvatten, precies zoals ik dankzij leerboeken over anatomie bijvoorbeeld mijn maag omvat, ofschoon ik mijn eigen maag nog nooit gezien heb.
   In primitieve gemeenschappen waar nog geleefd wordt van de jacht en de visvangst, geldt gewoon het recht van de sterkste, of de behendigste. Maar om in een ingewikkelde, dichtbevolkte samenleving te overleven, heeft het bestaan van Amerika en de kennis erover beslist zijn nut, precies zoals de leerboeken over anatomie. In zulke wereld is alle kennis welkom, zelfs al worden de onderliggende structuren daardoor nog onduidelijker. Want zie, door het verwerven van kennis verhoogt men niet enkel de kans om binnen deze maatschappij beter aan de kost te komen; vooral verruimt men daarmee zijn eigen wereldbeeld, en indirect dus ook dat van anderen. Daarnaast schijnen al deze verworvenheden eveneens het ego uit te breiden. Want zij voegen een ruimere waarde toe aan het zelfbeeld en aan het beeld dat anderen van uw zogenaamde persoonlijkheid bezitten: een subtiele vorm van aankleding waarbij als vanzelf uit het oog verloren wordt dat ieder mens in wezen naakt is en blijft. Deze verwijdering van de waarheid brengt onvermijdelijk onrust teweeg. Want de aandacht wordt gefocust op een schijnwereld. Het oog is eerder gericht op wat het verwacht te zien dan op wat het ziet. En het hoofd zit propvol; gegijzeld als het wordt door een onophoudelijke gedachtestroom die deze schijnwereld vanzelf op gang brengt.
   Misschien kan het Bijbelse scheppingsverhaal over de val van Adam en Eva en hun verdrijving uit het paradijs, wel geïnterpreteerd worden als een knappe metafoor voor alles wat de mensheid in de loop van de evolutie als gevolg van zijn eerder gestage tweede geboorte en de zucht naar meer kennis is kwijtgespeeld! Want zie, de mensheid ruilde het tijdloze in voor het tijdelijke, het onmetelijke voor het meetbare, de chaos voor orde, het raadsel voor kennis. Allemaal geweldige voordelen, jazeker! Maar door al die gestructureerde beeldvorming wordt het echte kijken dat volkomen oorspronkelijk, zuiver en onschuldig is, welhaast onvermijdelijk naar het tweede plan verschoven en verwaarloosd. Het komt er nog zelden aan te pas.
   De herkenbare gelijkenis met het bos van eerdere waarnemingen maakt het bos vlak voor mijn neus immers op een bedrieglijke wijze aan me vertrouwd; daardoor ben ik minder geneigd het bos zoveel onbevangen aandacht te schenken als een naar hier afgereisde woestijnbewoner die nooit eerder een dergelijke verzameling levende bomen zou gezien hebben.



Beeldvorming

Op eendere wijze wordt ervan uitgegaan dat elk individu meer is dan één van de talloze verschijnselen in de natuur, dat zijn beeld door vergelijking kan vastgehouden worden en onderworpen aan een historische continuïteit, aan allerlei gedragspatronen of collectieve gewoonten. Om een vollediger beeld van een persoon te krijgen, meent men dieper te moeten graven dan de oppervlakkige, direct ontvangen indruk. Maar tegelijk veroorzaakt meer kennis door vergelijkend onderzoek ook hier al gauw een vorm van blindheid. Deze optiek geldt immers evengoed voor dingen, voor landschappen als voor mensen.
   Bij onze eerste ontmoeting met een onbekende kijken we vooral met de ogen. Maar van zodra iemands gelaatstrekken of uiterlijke gedragingen aan ons genoegzaam vertrouwd zijn, verslapt onze belangstelling voor dit louter visuele aspect. Wij verzamelen onze indrukken en menen zo op zoek te gaan naar meer diepgang, naar een rijker, verinnerlijkt totaalbeeld. Deze materie kan nog aangevuld, gecorrigeerd of beïnvloed worden door observaties, mededelingen, meningen of beoordelingen, afkomstig van derden. Alle mogelijke bijkomende gegevens kunnen tegemoetkomen aan onze behoefte om de onbekende te identificeren, hem een zekere status, karakteristiek of continuïteit te verlenen die teruggaat tot zijn vroegste verleden. Dit zou ons helpen hem te plaatsen in een ruimer kader dan zijn actuele verschijning. Toegegeven, deze materie is vaak ruw en zelfs niet helemaal betrouwbaar; want sommige gegevens zijn mogelijk al door de tijd vervaagd of moeilijk te achterhalen. Vaak komen zij uit de tweede of zelfs de derde hand en zijn ze juist door hun bekendheid al te categoraal, stereotiep, meestal niet zonder enige vooringenomenheid of zelfs leugenachtig. Maar wij beschikken nu wel over een vorm van identificatie die de onbekende een vertrouwd gezicht of karakterbeeld zou opleveren dat ons, menen we, kan helpen op gepastere wijze met hem om te gaan. Onze directe waarneming van de onbekende verschuift daardoor als vanzelf naar een abstractie, gaande van zijn steeds wisselende, uiterlijke voorkomen tot hoe hij, naar we veronderstellen, innerlijk zou zijn samengesteld. Reken bij deze verborgen essentie zijn antecedenten, zijn geaardheid, zijn dagelijkse gewoonten, zijn ego of zogenaamde eeuwige ziel. Die karakteristieken of innerlijke regionen van de onbekende in kwestie komen, menen we, pas goed uit de verf als zijn gedrag al een tijdlang wordt geobserveerd, zodat besluitvorming mogelijk is.
   Nochtans blijft het zelfs dan onmogelijk om als buitenstaander een volledige blik te werpen op iemands individualiteit. Een persoon, zoals wij geneigd zijn ons die voor te stellen, zou iets blijvends bevatten dat zich over zijn ganse leven uitstrekt. Maar aangezien niemand met zekerheid kan zeggen wat de volgende dag voor dat individu in petto heeft, moeten we ons wel tevreden stellen met de geldige fragmenten uit zijn verleden, om aan de hand hiervan zijn toekomst bij benadering voor te stellen. Het geloof dat elke persoon een verborgen, continu doorlopende essentie zou bevatten, blijft echter op een door de verbeelding ingegeven vermoeden berusten. Anderzijds hebben wij, gezien de omstandigheden, vaak geen andere keuzemogelijkheid dan aan de hand van iemands gewoontegedrag grof te oordelen, het ongrijpbare via taal vast te houden, te ontleden en te determineren, zelfs al is dit onbillijk tegenover de persoon in kwestie.
   Want ongetwijfeld heeft het identificeren van mensen en dingen, waardoor bewegende beelden binnen een eng kadertje worden vastgeprikt en als het ware aan de wand opgehangen, zowel voor de enkeling als voor de samenleving zijn praktisch nut. Zonder dit zou het moeilijk worden om de weg naar huis of een ander adres te vinden. Zonder dit zou er geen georganiseerde maatschappij, waarbij aan burgers zoiets als identiteits- en andere papieren worden uitgereikt, mogelijk zijn. Zonder dit zouden er geen mensen beoordeeld kunnen worden op grond van hun daden uit het verleden, zoals dit gebeurt in rechtszalen met het doel booswichten te ontmaskeren en op te sluiten.
   Nochtans zijn aan dit uitbreiden van de wereld door het opslaan van kennis ook nadelen, vaak zelfs desastreuze verschrikkingen verbonden. Het gaat dan over de ontkenning of het niet-meer-zien van wat is zoals het is.
   Als een gebeuren voorafgaat aan onze voorstelling of beschrijving van dat gebeuren, dan moet de hiervan afgeleide waarheid, vastgelegd als beeld of begrip, wel op de tweede plaats komen, blijvend ondergeschikt aan de oorspronkelijke feiten.
   In de meeste gevallen wordt dit echter grofweg over het hoofd gezien. Mogelijk schuilt er onbewust de volgende redenering achter: 'Een mensenleven beperkt zich niet enkel tot het zintuiglijke. Ook de verbeelding maakt er deel van uit. Het denken of zich inbeelden zijn immers evengoed oorspronkelijke acties. Doordat hun werking uitsluitend in het hoofd plaatsvindt, lijken ze erg minuscuul en voor anderen onzichtbaar, maar dit neemt niet weg dat ze even waarachtig, oorspronkelijk en geldig zijn als elke ander feitelijk gebeuren; want aan deze fenomenen gaat evenmin iets vooraf.'
   Deze redenering klopt inderdaad voor zover het gaat over de actie zelf. Wellicht daardoor wordt er al te achteloos aan voorbijgegaan dat het inhoudelijke van woorden, gedachten of beelden ontleend blijft. Wat achter een woord, gedachte of inbeelding schuilt, zoals het bestaan van Amerika bijvoorbeeld, kan mogelijk wel op zichzelf bestaan: het heeft het woord hiervoor helemaal niet nodig. Maar de inhoud van het woord zelf blijft altijd afgeleid van de directe ervaring, een abstractie, en vandaar speculatief.
   Ondanks dit essentiële onderscheid tussen beide structuren, valt het op dat er door zowat iedereen op gelijke wijze mee wordt omgegaan!
   Het bos voor mijn neus, zoals volgt uit een beschrijving, wordt daarmee wel verwant aan alle andere bossen. Maar het is statisch, niet langer geworteld in het vlietende heden. Het mist een actueel referentiekader. Zo kan eender welke voorstelling met wat fantasie bewerkt, geminimaliseerd of overdreven worden en makkelijk afglijden naar een cliché, of erger nog: naar laster, leugen of bedrog.
   Men kan dus wel de hele tijd aan een bos denken, erover lezen of spreken; niettemin blijft het onmogelijk het bos zoals in gedachten voorgesteld, te verheffen tot het absolute van een zintuiglijke waarheid.
   Toch is dit leven dicht begroeid met wat ik, om bij ons thema te blijven, bij deze gelegenheid zou willen noemen: allerlei irreële bomen, allerlei woekerende denkbeelden, illusies en fixaties die mensen vaak even lief voor een concrete waarheid slikken als het werkelijke bos vlak voor hun neus.
   Zo illustreert Shakespeares toneelwerk ‘Othello’ tot welk een drama beeldvorming kan leiden. Othello brengt zijn geliefde Desdemona met messteken om doordat hij de laster, voortvloeiend uit de onbetrouwbare informatie van Jago, een derde, als een absolute waarheid accepteert. Daarmee geeft hij voorrang aan een toegevoegd, twijfelachtig gegeven boven wat er op datzelfde moment waarlijk door hem heen raast: zijn verschrikkelijke woede waarover hij geen controle kan krijgen, doordat hij enkel oog heeft voor zijn diep gekwetste ego, - een zekere begoocheling.



De denker bedacht!

Ik kan naar mezelf of naar mijn buurman kijken als naar eender welke buitenkant. Door de echtheid ervan kan ik op dergelijke feiten vertrouwen. Daarentegen blijkt het beeld dat ik dankzij mijn verbeelding van de wereld, van mezelf of van anderen heb gevormd, niet altijd noodzakelijk overeen te komen met dat van de zintuigen. Ik kan de ogen sluiten voor wat ik niet graag zie. Mijn verbeelding kan sommige feiten overdrijven of lelijk scheeftrekken.
   Kijken naar mezelf of naar een voorbijganger verschilt niet wezenlijk van kijken naar een bos. Aan dit kijken zit geen denkbeeldig ego, geen onzichtbaar roerloos centrum, noch een interpretatie of beoordeling vast. Ik kom enkel feiten tegen en daarbij ervaar ik de innerlijke en uiterlijke roerselen als één geheel. De ziener zelf krijg ik echter nooit te pakken! Jazeker, er zijn genoeg aanwijzingen om te veronderstellen dat hij verbonden is met de gewaarwording, waardoor hij indirect toch als feit aanwezig lijkt te zijn! Nochtans kan ik me hem enkel inbeelden: zoals het onzichtbare centerpunt binnen de oppervlakte van een cirkel, bijvoorbeeld. Of ik meen hem druk in de weer te zien met denken, ofschoon ik me hierbij uitsluitend van het eigen lijf en de feitelijke gedachten bewust kan zijn. Vandaar de logische gevolgtrekking dat de denker niet op zichzelf bestaat, maar veeleer een product of onderdeel is van de gedachte!
   De denker zelf zal immers niemand ooit als een tastbaar feit bij zichzelf tegenkomen. Hij is en blijft het voortbrengsel van een feitelijke gedachte, een van de verbeelding afgeleide waarheid. Om die reden moet de hypothese dat hij niettemin in het lijf aanwezig is en zo zijn praktisch nut bewijst voor het dagelijkse leven, niet afglijden naar een bedrieglijk voorwendsel. Het reële bestaan van de enkeling, zijn feitelijke voorkomen, draagt hier immers voldoende toe bij. Alleen hij hoort onverbrekelijk bij de actie.
   Via het denken of zich verbeelden, kan men uitsluitend bezig zijn met gedachten of beelden: zoals met het beeld dat iemand van zichzelf, van anderen, van deze éne gemeenschappelijke wereld of zelfs van de Voorzienigheid zou hebben.
  Als iemand sterk genoeg in beelden gelooft, kan in hem zelfs de valse overtuiging groeien dat ze als feitelijke waarheden bestaan. Vandaar de misvatting dat het mogelijk is aan zijn persoonlijkheid te werken, dat er iets aan toegevoegd kan worden, - zelfkennis, bijvoorbeeld, of succes in het beroepsleven.



Het denken als feit

Nu geef ik grif toe dat het mogelijk is aan het eigen imago te sleutelen en ook anderen hiermee op te zadelen. Zo kan dit zelfbeeld verheven worden door middel van een universitair diploma, zodat de gegradueerde zichzelf en anderen hem hoger gaan achten. Roem, een rijk gevulde beurs, macht, atletische prestaties, zelfs morele kwaliteiten kunnen tot een respectabelere status bijdragen. Dergelijke ambities zouden ook helemaal niet af te keuren zijn, mocht daarbij niet uit het oog verloren worden dat de winst van elk wordingsproces uiteindelijk neerkomt op een vervalsende vorm van prestige of aankleding en dat elk individu, hoe hoog het in de maatschappelijke hiërarchie ook mag opgeklommen zijn, precies zoals de mislukkeling achter de volgende deur, zijn leven lang ter plaatse trappelt.
   Voortschrijdend langs zijn levensweg krijgt een mens te maken met tijd, met een opeenstapeling van herinneringen aan gebeurtenissen. Daarmee eigent hij zich een keuze van voorbije feiten toe: een verleden dat enkel via de verbeelding kan aangesproken worden. Vaak blijkt hij zelfs meer nog dan de stof van een omvangrijk literair oeuvre op zijn pad tegen te komen. Dit kan gaan van Jobs rampspoed tot het hoogste geluk.
   Daarentegen kan iemand die tegelijk ook niemand is, daar hij elke stap beleeft als de eerste en tegelijk ook de laatste, niets anders overkomen dan die feitelijke stap! Dit neemt evenwel niet weg dat het hele scala van ongemakken en menselijke kwetsuren hem evengoed zal aandoen. Zo stel ik me het onvermijdelijke leed voor als er een dierbare doodgaat. Des te intenser de relatie tot de dode, des te dieper de smart of de ontreddering bij de achtergeblevene. Want de doden zelf kunnen onmogelijk nog verdriet hebben of gekwetst worden. Daarmee is het duidelijk waarom bij een laatste afscheid alle tranen louter bestemd zijn voor de omstaanders aan het graf. Alleen zij worden bruut op hun smartelijke gevoelens teruggeworpen, op hun compassie met zichzelf, op hun toestand van de eigenste naaktheid die, wars van alle individuele kwaliteiten en tekortkomingen, hun oorspronkelijke staat is en blijft.
   Om tot klaarheid te komen, verdient het dus aanbeveling door alle aankleding heen te kijken. Je kijkt dan met de ogen van een kind: onbevangen, zonder voorkennis, zonder vooronderstellingen, zonder enige psychologische druk, zonder verlangens ook, - een vorm van leegheid die erop neerkomt dat de blik onbezoedeld is, sereen, vrij van woorden en definities, vrij van enige oorzakelijkheid, determinerende gedachten, angsten, persoonlijke keuzes.
   Elk bewustzijn dat zo direct met een fenomeen in contact treedt, heeft de handen vol aan dat klare, uiterlijke gebeuren. Daarnaast is de rusteloze, van de hak op de tak springende beelden- of gedachtestroom in je bovenkamer feitelijk evengoed een soort van buitenkant. Ook die stroom kan scherp geobserveerd worden. En eerder zal deze allicht tot dan onbewuste stroom die nauw samenhangt met de onnodige complexiteit van je eigen leven ook niet ophouden.
   Waarom dat zo is? Wel, om dezelfde eenvoudige reden waarom een blinde zonder wandelstok zomaar tegen een lantaarnpaal aanloopt, of waarom een fles nooit zowel leeg als gevuld kan zijn. Want gedachten komen er meestal aan doordat het bewustzijn niet waakt over de leegheid dat het oorspronkelijke leven kenmerkt; onvermijdelijk volgen zij de banale impulsen die van buitenaf gegeven worden waardoor ze de kans grijpen als dieven naar binnen te glippen.
   Natuurlijk is het zo dat gedachten bij eenieder inhoudelijk sterk van elkaar verschillen; want ze zijn meestal verbonden met en gekleurd door de dagelijkse besognes, de ingebeelde angsten of zorgen van elk individu apart.
   Let op: ik heb het hier even niet over de werking van het brein dat zich op neutrale wijze met allerlei praktische zaken bezighoudt, zoals bijvoorbeeld met plan- reken- of taalopgaven, maar over het onbewust wegglijden van de aandacht voor de oorspronkelijke waarneming naar een abstracte, imaginaire wereld die vertekend wordt door de psychologische lasten waarmee mensen in hun hoofd voortdurend bezig zijn. Vandaar blijken dergelijke gedachten en beslommeringen niet enkel nauw met elkaar verbonden; begaan met het ego versterken zij elkaar ook en worden angsten verpletterend, vooral ’s nachts als de gedachten weinig gehinderd worden en er in vergrotende trap op wordt doorgebroed.
   Daarenboven kan de inhoud van een gedachte nooit als oorspronkelijk worden beschouwd. Want of een bepaalde gedachte weinig voorkomt of veel, zoals taal behoort zij altijd eerder tot de publieke handelswaar op een markt, tot de openbaarheid van het algehele positieve en negatieve menselijk gedrag.
  Met negatief doel ik onder meer op de valse eerbied voor heel wat vormen van maatschappelijke aankleding en prestige, op de gemeenplaatsen, de in omloop zijnde doctrines, de vele collectieve gewoonten waartoe ook de canonisaties in de media sterk bijdragen.
   Trouwens, wat is denken eigenlijk? Mij lijkt de werking van het brein al even onmogelijk nader te omschrijven als alle andere lichamelijke functies en gewaarwordingen. Er gebeurt in het hoofd wat er gebeurt, zeg maar.
   In het geval dat zorgelijke gedachten het hoofd onbewust in beslag nemen, is het makkelijk vast te stellen dat het lijf tijdelijk in de steek gelaten wordt en wat verweesd achterblijft. Het ware levensgevoel ontbreekt dan of is op zijn minst verschoven. Ook staan de zintuigen minder op scherp. Het valt zelfs voor dat gedachten iemand zo in beslag nemen dat hij een straat oversteekt zonder op het drukke verkeer te letten.



Zelfkennis

Ik weet niet wie ik ben. Ik weet niet wat de wereld is. Of ik weet het juist heel precies, maar dit alles is onmogelijk uit te spreken, daar deze uitleg dan aan de hand van kenbare begrippen zou vertaald moeten worden. Bij zuiver waarnemen is er geen begrip in het spel, zoals de waarnemer een begrip is, of de denker, of de ziel, of het bos in de gedachten, of zoals de Schepper van dit universum wel het hoogste begrip mag zijn, maar desondanks nog steeds een begrip. Er is alleen dit feitelijke gebeuren, dit helder en bewust oog in oog staan met een oorspronkelijk fenomeen.
   Voor zelfkennis, zoals dit begrip doorgaans als het resultaat van een langdurige gedragsanalyse wordt opgevat, bestaat hier geen opslagruimte; zij is simpelweg verbonden met het feitelijke observeren van het eigen gedrag. Enkel binnen dit ogenblikkelijke perspectief is het mogelijk dwangmatig repetitieve gedragspatronen te detecteren, trouwens. Want pas als men feiten bij zichzelf ook enkel als feiten tegenkomt, is het mogelijk ze bij hun nekvel te pakken. Niet eerder! Aandachtig kijken betekent immers hetzelfde als inzien. Ook al zijn de ogen dicht, men ziet met zijn gehele wezen. Tot een mens is wat hij ervaart. Het zijn valt dan samen met de gewaarwording van het volledige blikveld, - of deze congruentie nu de demon van de razernij mag heten, of de rust waarmee de ogen op het blauwe uitspansel zijn gericht. Op eendere wijze maakt hij die een bos observeert tijdelijk deel uit van dat bos: één en al leven, naamloos en zonder voorgeschiedenis. Want buiten deze ogenblikkelijke, zuivere waarneming van de eenling bestaat er niets! Althans, ik zou niet weten waar al dat andere te moeten zoeken.
   Hé, maar wat lijkt deze allereenvoudigste zienswijze moeilijk, quasi onmogelijk te aanvaarden! Want al bestaat er zintuiglijk voor mij geen andere plaats of tijd dan deze waarin ik me thans bevindt, daarnaast schijn ik, zoals de overgrote meerderheid, er met rotsvaste zekerheid van overtuigd dat er een gemeenschappelijk universum bestaat met nog andere landschappen, werkelijkheden en mensen, ja ginds achter de immer wijkende horizon of zelfs in een andere tijd: Columbus! Amerika! België! God in de hemel, Satan in de hel!
   Helaas kan ik me dit alles, gezien het hier om historische termen of andere complexe vooronderstellingen gaat, alleen maar voorstellen. Ik beschik dan niet over de absolute zekerheid waarmee ik dit bos aanschouw en tegelijk het eigen lijf gewaarword. En vermoedelijk ligt er aan de basis van deze zekerheid dan ook wel de vreemde en onverklaarbare wet die elk redelijk wezen gebiedt zijn gedrag met deze oorspronkelijke waarheid in overeenstemming te brengen. Zo is een mens integer als hij zijn naasten geen appels voor citroenen verkoopt, zelfs al moet hij daarvoor in zijn eentje tegen de kolkende stroom in roeien.




Wijkende verten

Bijna stond ik op het punt er beeldvormend aan toe te voegen dat bij zuiver waarnemen de fysieke wereld in zijn geheel naar een onstoffelijke, ja geestelijke dimensie verschuift; alsof de beschouwer en de wereld zouden transcenderen naar een hoger plan of bewustzijn. Maar het zou onjuist zijn om binnen deze context zulke woorden en begrippen te hanteren: ze voeren het kijken naar sferen die eerder toebehoren aan de religie, wijsbegeerte of poëzie. En het zuivere kijken is juist zoals het is, ongeacht of deze handeling naar woorden, tekens, of begrippen wordt vertaald. Het is de eenvoud van alles wat met leven te maken heeft.
   Zie, hierbij beperk ik me bewust tot het werkwoord! Dit is de volledige optelsom van alles wat voor elk levend wezen ogenblikkelijk plaatsvindt. Terwijl het leven veeleer te maken heeft met het begrip continuïteit, met mythevorming, met alles wat zich in onze gedachten achter de wijkende verten zou bevinden, met tijd, met talrijke herinneringen, met geboren worden, verouderen, sterven, - en dit terwijl we ons verleden, onze toekomst, onze geboorte, ja zelfs onze eigen dood enkel maar kunnen voorstellen!
   Hiermee wil ik allerminst de indruk wekken alle afgeleide waarheden, zoals deze vervat liggen in taal, cultuur, naamgeving, religie, wetenschap en kunst, zomaar in één slag van tafel te vegen of verdacht te maken. Daarom herhaal ik met klem dat ik me strikt aan feiten wens te houden.
   Feiten zijn niet te ontkennen, of men is te kwader trouw, onwetend, dwaas of ziekelijk betweterig. Als ik aan de hand van feiten het mechanisme van het kijken probeer uit te leggen, zoals hier, dan gaat het mij enkel om de verwoording van een visie op de echtheid van elke gewaarwording, om een besef dat ik voor mezelf uiterst belangrijk vind en mij al levenslang bezig houdt. Dit wil helemaal niet zeggen dat ik daarmee aanspraak zou maken op enige autoriteit. Het zou trouwens al te dwaas zijn om iemand zijn persoonlijke kijk op te dringen. Niet enkel schuilt in dergelijke manipulatie enorm gevaar! Doorgaans steken er ook heel wat zelfzuchtige belangen achter.
  Nee, deze tekst wil vrijblijvend de aandacht vestigen op verborgen structuren. Verder doet mijn uitleg niets ter zake. Kijken moet tenslotte ieder voor zichzelf.
   ‘Het lichaam dat ziet behoort wezenlijk zelf tot de zichtbare werkelijkheid. Het zien en het zichtbare zijn geen onafhankelijke grootheden, maar behoren principieel bij elkaar. (…) Hij die ziet kan niet vreemd zijn aan de wereld die wordt gezien.’ Met deze woorden vatte de Franse fenomenoloog Merleau-Ponty de feitelijke verbondenheid van de enkeling met de wereld helder en nauwkeurig samen. Maar dit betekent tevens dat de heikele kwestie niet met een dergelijke uitspraak ophoudt: die buitengewone eenheid moet immers eveneens door de enkeling zelf worden begrepen en bewerkstelligd. Zo blijft elk individu ook enkel voor zichzelf en zijn eigen daden verantwoordelijk; zelfs al hangt vaak het leven of het welzijn van anderen van iemands (malloot) gedrag af!



Diepgang

Kijken naar het bos. Hoewel deze feitelijke wereld één is en ondeelbaar, wordt zij veelal onmiddellijk geïnterpreteerd en vervangen door abstracties die het fenomeen versplinteren.
   Mensen groeien op in een samenleving waarin deze kloof tussen de persoonlijke innerlijkheid en de uiterlijkheid van die éne gezamenlijke buitenwereld, als vanzelfsprekend wordt geacht. Onbewust leren zij deze gespletenheid aanvaarden en gaat de rede verder: 'Dit lichaam is mijn wieg! Hierin huis ik en daarbuiten is dat vreemde, onpersoonlijke universum van de natuur. Ik wil die ruwe, niet op mensenmaat gemodelleerde, oneindige wereld, behorend tot het toeval, de chaos en de ongelimiteerde fysieke krachten buiten mij, beheersen door haar te verkennen, te meten, te definiëren, in te passen tot ik zoiets krijg als een verzameling van wetmatigheden waarop ik kan bouwen. Ik wil orde scheppen door middel van taal en teken. Ik wil keuzes maken. En vooral wil ik niet zoals een sukkel ter plaatse trappelen! Daarom wil ik diepgang voor mezelf. Want mijn diepste wezen kan deze tijdelijke, armzalige buitenkant moeilijk verdragen. Mijn wezen behoort enkel tot mezelf; al moet ik tegelijk toegeven deels ook te worden beïnvloed en bepaald door het plaatselijke culturele klimaat dat na een historische ontwikkeling van tientallen millennia geëvolueerd is tot de huidige vorm. Het gemeenschappelijke denken, de taal, de kunsten, de wetenschap, de traditie, het rijke culturele klimaat, de sociale omgang, de politiek, de plaatselijk gevestigde religies: dit alles komt als een vertrouwd erfgoed tot mij. En hoewel deze wereld nog ver van volmaakt is, heet ik haar van harte welkom; want zij draagt bij tot de menselijke beschaving, mijn identiteit, persoonlijke achtergrond en geestelijke bagage.'
   Dit onophoudelijke verlangen naar meer diepgang, of de wil om zichzelf en de situaties waarmee men dagelijks te maken krijgt, om te zetten naar hoe het beter zou gaan, slaat echter zoals elke andere diepe wens, een korte of lange brug naar de immer wijkende verte. Deze brug creëert de illusie van tijd en wording, of het concept van een historische werkelijkheid waarbinnen de wereld allengs humaner, mooier en beter leefbaar zou worden, terwijl dergelijke vooruitgang eigenlijk niets anders is dan een creatie van de menselijke verbeelding: een afgeleide waarheid die af en toe bijdraagt tot allerlei gerief en dus zeker nuttig kan zijn, maar verder helemaal niet tot de essentie behoort. Zo blijkt tijd enkel een praktische maatstaf om de duur aan te duiden van allerlei natuurlijke verschijnselen zoals dag en nacht, groei en verval, of van meer complexe bewegingen, die we ons voorstellen en min of meer ook menen te kunnen voorspellen. Dit gaande van geboorte tot dood en nog verder in de abstractie omtrent wat het ego hierna nog zou te wachten staan.
   Want ook afgeleide waarheden zijn wat ze zijn. Ze staan voor iets, voor een vertrouwde vorm. En we gaan er dagelijks mee om. Als burgers hebben wij onze identiteitspapieren nodig, en tijdens onze arbeid de kennis van de wetmatigheden of gewoonten van de natuur en haar onderdelen, wat ertoe bijdraagt om comfortabele huizen te bouwen en dagelijks gezond voedsel op de plank te krijgen. De wiskundige afspraak bijvoorbeeld dat één plus één twee is, of het gegeven dat dinsdag op maandag volgt, blijkt zoals de meeste overeenkomsten van een onmisbaar praktisch nut om een ordentelijke samenleving mogelijk te maken. Bovendien is dit alles onschadelijk, want niets daarvan staat een zuivere kijk in de weg. Maar door de langdurige omgang met al zulke afgeleide waarheden is hiermee een misleidende vertrouwdheid ontstaan waardoor al te gauw uit het oog verloren wordt wanneer deze boven zichzelf uitgroeien en ontaarden. Zonder dat het beseft wordt, is een mens zich daarbij steeds één of meer stappen voor en gaat hij, gehaast op weg naar het volgende, op automatische piloot door het leven.
   Nogmaals, ik ben geen beeldenstormer, anarchist of moraalridder. Ik wil helemaal niet tegen andermans vormen van verinnerlijking of zogenaamde menselijke diepgang tekeergaan. Maar als ik zo om me heen kijk, komt het me voor dat deze veelal uit onwetendheid in een verkeerde richting wordt gezocht: in allerlei vormen van prestige, succes, of volgens een bekend, van tevoren uitgebroed recept, model, gedachtegoed, tendens of plan.
   Er is een andere diepgang mogelijk! Een waarbij alle afgeleide waarheden worden doorzien, zodat ze genomen worden voor wat ze zijn, terwijl het steeds mogelijk blijft weer andere - deze welke duidelijk niet bijdragen tot het praktische nut of de aangename kant van een ordentelijke samenleving, - bewust te verwerpen. Dit om zich beter te kunnen richten op het echte van de onnoembare fenomenen!
   Feitelijk eist dit ledigheid op, of naaktheid die aanduidt dat individuele groei als vorm van vergaren, of in de betekenis van de levenslange strijd om anders, beter of volmaakter te zijn dan men al van bij de geboorte is, onmiddellijk kan beëindigd worden. Hier zijn heus geen tijd, noch ophefmakende gebeurtenissen voor nodig. Dit besef dat het leven elk moment onder de gegeven voorwaarden voor het volle pond kan worden gesmaakt, is echter pas mogelijk als men niet op de werkelijkheid vooruitloopt maar volkomen stilstaat bij wat er gebeurt, als men afstand doet van elke doctrine en zich niet langer door zichzelf, noch door anderen laat voorprogrammeren.
   Nog boeiender wordt het van zodra de weigering om aan de essentie van het bestaan te sleutelen, ervaren wordt als een bron van creatief vertier. De moordende jacht op ongewone, meestal dure materialen om zijn leven spannender te maken, hoeft dan niet langer. Het gaat er immers eerder om volkomen stil te staan bij elk moment, te genieten van elke ademteug, en daarbij een grotere gevoeligheid voor het zogenaamd gewone aan de dag te leggen waardoor het mogelijk wordt het dagelijkse plotseling als buitengewoon te ervaren en vandaar dan ook tevreden te zijn met weinig.
   De waarden van taal, beelden of andere blijvende vormen, zelfs van geld of macht, bestaan enkel op grond van onderlinge afspraken. Zelfs al behoren deze mogelijk allang tot de historie, niets hiervan dient op een gouden sokkel geplaatst! Alles wat tot de verbeelding spreekt, kan telkens opnieuw worden uitgevonden! In de beeldende kunsten, de literatuur, de muziek, op alle andere terreinen.
   Het is mogelijk om zichzelf en de wondere wereld in de grootste eenvoud te benaderen. Maar het is onmogelijk het wonderlijke en genietbare van deze ervaringen via taal aan anderen duidelijk te maken. Dit zou hetzelfde betekenen als een blindgeborene uitleggen hoe kleuren eruitzien. Zien kan ieder enkel voor zichzelf.
   Als de geestelijke bagage een last wordt, verdient het aanbeveling deze ter plekke te dumpen. Zo wordt de verbeelding bewust gesaneerd. Dit betekent niet dat er iets mis zou zijn met de verbeelding, of aan de samenleving die geschraagd wordt door het gebruik van afgeleide waarheden. Het vermogen tot abstraheren en fantaseren blijft een buitengewone en nuttige menselijke gave. Maar deze krachten mogen ook niet uit de hand lopen! Precies daarom verdienen ze de grootste zorg.
   Een citroen is een citroen, - geen appel! Door het anders uit te leggen dwaalt men af, wordt men verward of zelfs niet goed wijs. Toch worden in het dagelijkse leven heel wat afgeleide waarheden niet doorzien, zodat ze in valse of overdreven zin waarden buiten hun proporties meekrijgen. Via de openbare geruchten raakt het hoofd volgepropt en besmet door wat ik hier gemakshalve aanduid als het menselijke straatvuil: de in omloop zijnde slogans, gemeenplaatsen, leugens, ideologieën. Dit komt door het gebrek aan aandacht om de op het eerste gezicht verborgen structuren waarmee iedereen te maken heeft, scherp van elkaar te onderscheiden. Zo krijgt de gemeenschappelijk voorgestelde wereldorde met haar dwingende principes en uitvaardigingen zeer vaak, of zeg maar bijna altijd, ten onrechte voorrang op het leven zelf, gevat in de primaire gewaarwording van de enkeling. Zeker zijn heel wat belanghebbende politici, bureaucraten, industriëlen, religieuzen en ideologen van allerlei slag minder van deze stelling overtuigd. Hen zou ik aanraden een kijkje te gaan nemen op de militaire kerkhoven en slagvelden, overal ter wereld en na te denken over de diepere oorzaken hiervan.
   Als afgeleide waarheden onjuist worden beoordeeld en moedwillig of door gebrek aan aandacht zonder de nodige reserves worden uitgebazuind, alsof het om absolute waarheden zou gaan, veranderen zij daardoor in leugens. Het gevolg is maatschappelijke conventie: een vorm van blindheid, waardoor de enkeling dit buitengewone leven eerder gaat ervaren als een sleur. Het verstikkend gevoel waarvoor hij geneigd is weg te vluchten in alcoholmisbruik of andere verslavingen, komt dan al gauw om de hoek gluren. Samengevoegd met de geestelijke vernauwing van een massa anderen, kunnen daardoor zelfs rampzalige conflictsituaties ontstaan. Zoals in het bekende sprookje ‘De nieuwe kleren van de keizer’ wordt er dan klakkeloos voortgeborduurd op de kletspraat van anderen. Want door de kuddegeest, het gebrek aan een persoonlijke visie, of uit gemakzucht, neigt de enkeling er gauw toe zich achter de meerderheid te scharen.
   Een interpretatie of leugen als absolute waarheid vooropstellen duidt in de meeste gevallen op domheid, soms ook op menselijke hoogmoed, wat feitelijk een vorm is van gekte! Niet enkel leidt een dergelijke dwaling onvermijdelijk tot de val, tot collectieve waanzin, zoals oorlog, terrorisme en andere gewelddaden. Want wie niet leeft, krijgt op een of andere wijze ook voortdurend klop van dat leven! Elke misvatting brengt het individuele leven immers dichter bij wat ik, bij gebrek aan een betere term, de hel op aarde zou noemen. De hel van de illusie, of het lijden onder de vervreemding.
   Dergelijk lijden brengt geen troost, geen verlichting. Want afgesloten van het leven voelt een mens zich blijvend tekortgedaan. Daarentegen leidt het onbevangen zien moeiteloos en zonder omwegen naar het ogenblikkelijke feit dat jij als onnoembare waarnemer, jij als niet te identificeren enkeling, ja, jij als feitelijk gebeuren, de hele wereld bent, - zowel niemand als iedereen! Het gaat dan over echt en intens leven, over deugd zonder deugdzaamheid.
   Maar laten we dergelijke gevleugelde woorden, zoals in het verleden al te vaak is gebeurd, niet weer misbruiken! Laten we evenmin toe dat een of andere idealistische verbeelding met de waarheid aan de haal gaat. Laten wij er de voorkeur aan geven een grote stap terug te zetten om eenvoudigweg bij onszelf stil te staan, - jawel, ieder bij zijn eigen venster!
   Kijken zonder de beelden te interpreteren. Kijken in het heden, zonder van iets anders te dromen. Kijken met een grenzeloze fijngevoeligheid. Dit betekent: de echte wereld omhelzen. Het bos voor onze neus. De luchten binnen het geheel van onze gewaarwordingen. Kijken en vaststellen dat alles is zoals het eruitziet, dat dit onloochenbare waarheidsgegeven in ons is en ons tegelijk volledig omsluit, zoals een vis zwemmend omgeven wordt door eindeloos water: het vervult elke oogopslag van een bevrijdende zekerheid die meer is dan genoeg.

Geen opmerkingen:

Een reactie plaatsen