skip to main |
skip to sidebar
De heilige koe
Prikkeldraad begrenst haar leven
tot een mager vierkant:
de aanzet om haar tong
naar de groene rand te steken.
Ik spring over en voel
na de slag op de grond
haar last van de jukdrager,
log, aan beide kanten zog.
Elk uur kauwend,
winter en zomer,
graast de koe eentonig
morgen als vandaag.
Zonder ooit in haar ogen
het schichtig verlangen
in de lente te steigeren
als een briesend paard.
Van voorste wervel tot staart,
rijk ingeblikt voor volgend jaar,
herkauwt zij zonder deren
de rust van aarde en het groen.
Vandaag al, morsdood, kijkt
zijne heiligheid me aan;
keert niet eens het hoofd
naar mijn voorbijgaan.