dinsdag 18 november 2025

De Afwezigheid, hoofdstuk 7: De wereld zonder knikkers

Vanmiddag keek ik naar de neerhangende kruin van de witte berk. Met een drietal dennen siert hij een hoek van onze voortuin. De zon drong door de optrekkende mist, en tussen de roerloze naalden lichtten zijn wuivende blaadjes vrolijk op boven de rijweg. Het bracht me op de gedachte dat je het zonnetje en de berk en de dennen gewoon hun gang moet laten gaan en dat er dan echt iets moois te beleven valt. Daarnaast vond ik dat onze wijk er rijk en proper uitzag, - het tegengestelde van vrolijk en levendig, zoals de buurt waar Miesje woont. Dat rijke en propere heeft, denk ik, veel met het afgemaaide gras en met de keurig onderhouden rozenperken te maken. Als ik Karel, mijn buurjongen op zijn vrije woensdagnamiddag achter de grasmaaier zie lopen, vind ik het allemaal een stomme, tijdverslindende repetitie, precies zoals dat wekelijkse poetsen van de auto. Ik mag van geluk spreken dat Papa na het avondeten weinig om handen heeft en, opdat het precies naar zijn wens zou gebeuren, liefst alles zelf doet. Zo kan ik met mijn welgevuld, heen en weer schuddend washandje vol knikkers naar de Nadorst lopen, waar de sproetige Omer woont. Omer heeft een dik, ros zusje dat Marita heet. Ik heb haar al eens getongzoend. Maar dat doe ik nooit meer. Want daarna brandde mijn gezicht van neus tot kin drie dagen lang vuurrood. Mama meende dat ik te veel ijsjes had gegeten. Terwijl ze zalf bij me inwreef, liet ik haar in haar wijsheid.
   Soms komt Omer ook bij ons. Felicia laat nooit een kans schieten om hem te plagen. Daarna vraagt zij alles over Daan, de voetbalkampioen die tegenover hem woont.
   Wanneer ik met mijn fietsje uit de bocht kom, de witte berkenstam opmerk en Papa’s auto op de oprijlaan, wat ’s middags zelden voorvalt, word ik verontrust door de beklemmende gedachte dat daarbinnen weer van alles gaande is. Volgens mij is het de schuld van onze voorgevel. Die ziet er te rijk uit en te proper. En daarom vroegen de bandieten voor onze Matthias een losgeld. Ik ben nog maar acht jaar, en toch weet ik veel over die zaak, - meer dan Felicia. Zelfs meer dan Mama. Toen ik er de eerste keer van hoorde, zat ik onder de tafel op het tapijt met de knikkers te spelen. Ik dacht dat de verhalen uit het wilde westen enkel op de tv bestonden. Maar nee, ik hoorde het Mama duidelijk beslissen: ‘Ook al vragen ze het dubbele; betalen doen we!’ Ik keek naar de schoen van mijnheer Treinhout, en ineens wist ik waar de stank vandaan kwam. Treinhout had in Cartouches poep getrapt! Dat uitgedroogde rolletje lag al een week op de oprijlaan, waar de mensen uit hun auto stappen. Elke dag nam ik me voor het straks op te rapen. Daar ik het te druk had met knikkeren, was ’t er nog niet van gekomen. En nu bleek het te laat! Uit angst dat de vieze korst aan die meneers wiegende zool mijn zondagse hemdje zou raken, durfde ik me nauwelijks te verroeren. Ik liet de knikkers rusten, en toen Mama naar de keuken vertrok, deed Papa na zacht aandringen van Treinhout een verhaal waarvan ik, zoals Omer het zo sappig kan uitleggen, geen kloten van snapte. Papa vertelde dat Niessen een drieste cowboy is die leeft in een oerenkot. En hij zei dat de cowboy in tweeën gescheiden is door zijn nieuwe Mercedes en dat zijn kind niet langer bij hem woont.
   Ik vroeg Omer die kloten voor mij eens uit de doeken te doen. Maar eerst: ‘Wat is een oerenkot?’


‘In een oerenkot,’ begon Omer, ‘daar wonen hete wijven. En de venten die daar komen, die veranderen dan in hete bokken.’
   Hé, dat was raar, want zo kreeg ik er nog een tweedelige vraag bij. Ten tweede a: ‘Wat is een heet wijf?’
   ‘Hete wijven, genaamde stoeipoezen, zijn leuke dames zoals... zoals... jouw tante Francesca! Het zijn dames met... Tja, hoe zal ik zeggen?’
   ‘O, maar ik weet het al!’ riep ik. Want zoals iedereen wilde ik ook altijd bij die mooie, lekkere, malse, steeds vriendelijke, lachende, leuk pratende en heerlijk ruikende tante Francesca zijn. Tante Francesca woont in Rome, in de Villa Oriëntali van de rijke onkel Fabio. En vorig jaar toen we er op visite waren, mocht ik op Francesca’s heerlijke schoot zitten en toen ik daar zo al een tijdje zat, veranderde ik ook in een hete bok, zodat ik Omer de tweede vraag b eigenlijk al niet meer hoefde te stellen. Ja, ik wist er alles van, precies zoals mijn tante: want opeens voelde zij iets aan mij, vond zij me als jongen zeker ‘te stijf, te groot, te heet,’ en zij zette het bokje weer op de grond. Na een ondeugend lachje legde Mama al die onbegrijpelijke Italiaanse woorden van tante Francesca aan me uit. Ze zei gewoon dat ik te zwaar geworden was. Ik geloofde haar niet; want welk een vracht had zij niet aan onkel Fabio? Wat het ook mocht zijn; ik heb nooit meer op tantes schoot mogen zitten.
   Ik wilde nog iets aan Omer vragen, maar ik wist niet meer hoe het luidde. Dat kwam doordat Omer, terwijl hij zijn duim tegen de knikker spande, ook in een bokje veranderd was. Hij had mijn tante nog maar één keer gezien. En toen hij vroeg wanneer zij nog eens naar België komt, zei ik: ‘Volgende week!’ en hij schoot er ver naast. Ja, dat komt ervan!
   Nu ik weet dat ik ook een heet bokje ben, hield ik dat over het oerenkot maar voor mezelf. Met Umberto heb ik het over... Ik weet niet waar ik het met Umberto zoal over heb. Gisteravond kon ik de slaap niet vatten. Misschien doordat het te warm was, of doordat de volle maan scheen. Ik liep op mijn blote voeten naar het venster en rukte de draperieën open om in de tuin te kijken. En toen ik het beu werd, stak ik de lamp aan en ging ik weer op het bed liggen. En toen zei ik: ‘Kijk Umberto! Eén toverslag en het wordt buiten stikdonker!’
   ‘Dat komt… omdat jij… de lamp aanknipt. Schijn bedriegt! In de tuin is het nog even helder… als tevoren. Als je me niet gelooft, moet je je hoofd… maar eens naar buiten steken!’
   ‘Ik geloof je wel, maar ik snap er geen kloten van!’
   ‘Van wie… heb je dat woord nu weer? - Kloten!’
   ‘Van Omer!’
   ‘Zeg hem dat het een lelijk woord is. Je mag het niet meer gebruik…!’
   ‘Waarom is dat woord lelijk?’
   Daarmee weet ik ineens waarover ik met Umberto praat. Wij hebben het nooit over iets. Wij lachen. Wij maken grapjes. Wij verzinnen verhaaltjes. Wij redetwisten. Hij luistert geduldig, ja. Hij vertelt me waar Mongolië ligt. Dat een mastodont niets te maken heeft met een masturbator; want dat het een uitgestorven slurfdier is, met reusachtige slagtanden. En soms wijst hij me terecht, dat is alles.
   Met Felicia vlot het beter. Vooral als het over Daan gaat, zoals gister. Dat ging zo: ‘Heb je Daan gezien? Met wat was hij bezig? En heeft hij je iets gezegd?’
   ‘Daan zegt nooit iets tegen me! Hij vindt mij een snotjoch! Hij praat enkel met Pros, Omers oudste broer. Pros verklapte ons geheim over het losgeld aan Omer! Zo hoorde ik het van Omer, al wist ik het eerder dan hij.’
   ‘Zeg eens, wat wauwelen jullie allemaal?’ Ik zag Felicia’s wangen rood aanlopen. De vraag joeg een druppeltje speeksel tegen mijn neus. Gelukkig waren we in de tuin. Niemand anders kon het horen.
   Ik keek rond. ‘Papa had gevraagd je mond te houden, maar je bent ongehoorzaam geweest! En nu weet heel de Nadorst het dat er voor onze Matthias een losgeld werd betaald!’


Dat was vorige week.
   Vandaag is het de eerste schooldag. In mijn boekentas zitten rekensommetjes en invuloefeningen, – gekregen van meneer Swolfs, onze nieuwe meester. Ik kom uit de bocht, bewonder de neerhangende berkentak en terwijl ik Papa’s auto op de oprijlaan zie, duw ik harder op de pedalen, klemmen mijn handen angstig rond het stuur en hoor ik mijn adem jagen en het wrijvende geluid van het voorste wiel tegen mijn verwrongen slijklap: ‘Tak! Hak! Hakketak! Tak! Hak! Hakketak!’
   Ik gooi mijn boekentas in het hoekje van de woonkamer en zie Papa aandachtig bezig stapels bankbiljetten te tellen. Hij heeft een lopend getal in zijn hoofd; dus mag ik hem niet onderbreken om te vragen of die andere keurige hoopjes op tafel ook al geteld zijn.
   Ik heb nog niet gegeten en ik wil graag met Omer gaan knikkeren. Maar de tafel moet nog gedekt worden en Mama ligt languit op de sofa. Zij lijkt in een diepe slaap. Ik zie dat ik nog vreselijk geduld moet oefenen; en ik heb geen geduld, zeker niet nu Omer en ik en heel de klas, al weken in de ban zijn van het knikkeren.
   Ik ga aan Mama’s voeten zitten en bekijk haar gezicht. Haar boezem beweegt nauwelijks. Onder haar dichtgelijmde ogen lopen twee donkere watergeulen, zoals ik soms bij oude of zieke mensen zie. Ik vraag me af in wat voor wereld Mama onvermoeibaar ronddoolt, tussen welke eenzame muren zij met een razend hart naar onze Matthias op zoek blijft. Mijn aandacht wordt getrokken door een verband rond haar pols waarin langs de binnenkant een bloedvlek zit. De lange, benige vingers lijken wit, ijskoud. Ik denk dat Mama onderweg gevallen is en nu met een morsdode hand neerligt. Hé, haar been is nog warm!
   ‘Vierentwintigduizend!’ zegt Papa en schrijft het bedrag op. Hij weet niet dat Mama aan de andere kant van de wereld is, op onbekende plaatsen. En ik kan niet zeggen of het genoemde bedrag veel is of weinig. Het kan me eigenlijk ook niks schelen, zoals het Mama evenmin iets kan schelen, daar zij haar ogen gesloten houdt en alles verlaat wat rond haar beweegt.
   Ik sta op en zeg Papa dat Mama slaapt en dat zij een dik verband heeft rond haar pols.
   Hij draait een wikkel rond elke stapel en propt de stapels in een harde koffer. ‘Laat haar slapen! Wat rust zal haar deugd doen!’
   Terwijl Papa de tafel begint te dekken, komt Umberto in zijn rolstoel het tuinpad af. Ik open de deur voor hem.
   ‘Is de dokter geweest?’ vraagt hij aan Papa.
   ‘Hij heeft haar een spuitje gegeven! Zij slaapt.’
   Verder wordt er geen woord meer gezegd. Het heeft nooit goed tussen Papa en Umberto geboterd. Maar zonder Mama gaat het nog stroever. Ik krijg het gevoel van een ondraaglijke spanning, het gevoel dat er, terwijl ik op school was, iets vreselijks moet zijn voorgevallen, waarvoor zij de schuld op elkaar schuiven en nog steeds zo erg boos zijn dat ze hun boterham, ondanks het zwijgend kauwen, met geen macht ter wereld doorgeslikt krijgen. Ik heb het gevoel dat onze gedachten en het brood vermengd worden tot vette brokken kleefstof waarmee wij, met onze mond vol, ieder apart bij Mama vertoeven.
   ‘De dokter zei dat het alarmerend is,’ deelt Papa ons eindelijk mee. Zijn vermoeide stem begon in de helft van zijn boterham en bleef daar steken, als een soort van ongezellige tussenpauze waar hij doorheen moest. ‘Hij raadde me aan haar te laten opnemen.’
   Dit zwijgen van Umberto, daar kan niemand tegenop. Dit is een heel ander zwijgen dan vroeger. Dit zwijgen spreekt harde taal. Dit zwijgen oordeelt bitter: En wat heb je dan besloten?


‘Waar blijft Felicia?’ Mijn vraag die ons op het gemak moet stellen, komt net iets te laat, want daar beweegt iets achter het venster. Met een vleug van blijde hoop zie ik Felicia van haar fiets stappen. Maar dit keer staan haar ogen somber. Haar ruzie met Umberto en nu zeker ook met Daan, lijkt de kersenmond van mijn zus minder zoet te hebben gemaakt. Misschien heeft ze het woord ‘kloten’ gebruikt. Waarom weet ik niet: kloten mag niet van Umberto. Mogelijk misvormt het haar lippen, maakt het ze lelijk of zuur. Maar daar trekt Felicia, nu zij met iedereen ruzie heeft, zich geen he... kloten van aan.
   ‘Dag allemaal!’ Felicia gooit haar jas over de rugleuning van een stoel en voegt zich met een geveinsde opgeruimdheid aan tafel. Na een eerste slok koffie vraagt ze: ‘Is dat smerig geld helemaal terug?’ Nog meer brood, nog meer gedachten, nog meer vettige brokken in onze strot. Het was of ik Mama hoorde. Sinds onze Matthias weg is, en sinds die brief over het losgeld, vergeet zij, telkens het woord ‘geld’ valt, ons er nooit aan te herinneren dat het ‘smerig’ is. Desondanks lijkt Papa hier minder van overtuigd. Dat hoor je aan zijn antwoord. ‘Er ontbreekt nog duizend euro. Maar dat komt ook wel terug!’
   Als Papa zijn boterham naar binnen gewerkt heeft, volgt een mededeling.
   ‘Nu onze Matthias niet op de proppen gekomen is, werd het nog een stuk erger met Mama. Zij is volledig ingestort! De dokter zegt dat het zo niet verder kan! Als zij straks wakker wordt, breng ik haar weg naar Sint-Antonius.’
   Bij het horen van Sint-Antonius schrik ik me verrot. Daar komen allemaal zotten. Of mensen die hun leven beu zijn. Of bijna-zelfmoordenaars. Een tante van Miesje verbleef ook in Sint-Antonius. Zij is er nooit van teruggekeerd.
   ‘Zou... d... dat de beste op... oplossing zijn?’ probeert Umberto Papa alsnog tegen te houden.
   ‘Ja, zou je dat wel doen?’ laat ik me buiten mijn wil in paniek ontvallen. Mijn gedachten snellen in ijltempo vooruit. Oei, als Papa morgen doodvalt, ben ik een wees. Dan moet ik tot mijn twintigste naar het weeshuis! Een akelig, roetzwart gebouw met allemaal uitgehongerde, ruzieachtige jongens, gekleed in te nauwe of te ruime, vieze broeken, zoals deze aan huis maandelijks in zakken worden opgehaald. Ik heb het allemaal op tv gezien: elke donderdag om zeven uur in de reeks over David Copperfield. Het is de hel! Ik bid Jezus dat mij zulks nooit zal overkomen.
   Ik heb nu mijn mond wel dicht. Maar misschien juist omdat ik mijn tanden zo hard op elkaar zet, spuit er water uit mijn ogen. Pas dan begrijp ik wat er met mij aan de hand is. Ik huil! Ik huil doordat ik angst heb. En ik wil eigenlijk liever voor andere dingen huilen: voor onze kleine Matthias, voor Mama, voor allen die hier aan deze tafel zitten; deze tafel die nu als een vliegende schotel door de ruimte scheert en mij alleen laat met het uitbarstende verdriet achter mijn gesloten ogen, met het brood in mijn handen, met de kwak in mijn mond, met mijn dikke kwijl en lange, vieze snottebellen.
   Wat een troost dat Papa me niet in de steek laat! ‘Felicia, haal een schone zakdoek!’ hoor ik hem boven mijn gebogen nek.
   Zijn sterke handen tillen me op uit mijn stoel. Mijn neus wordt omgeven door een fris, gestreken doek, ruikend naar groene weiden.
   ‘Mijn kleine jongen... Hier, snuit je neus!’ En terwijl ik dankbaar gehoorzaam, gaat zijn kalme stem verder: ‘Je moet je over Mama niet te veel zorgen maken, Titus. De dokter zegt dat zij nergens beter wordt opgevangen en begeleid dan in Sint-Antonius.’
   ‘J... Ja...?’
   Zijn strelende hand over mijn wilde haren stelt me verder gerust. Het lijkt of de hand bij elke streek opnieuw ‘ja’ antwoordt. Ja, ja en nog eens ja!
   ‘G... Gaat zij ginds niet dood?’
   ‘Maar jongen... Nee!’ Nee, nee en nog eens nee!


Gister moesten wij van meneer Swolfs voor onze huistaak een kartonnen kubus in elkaar knutselen. Door al dat knikkeren van de laatste dagen, was de opdracht me helemaal ontglipt. Pas vanmorgen, toen ik in de rij stond en mijn klasgenoten het ding op hun vlakke hand pronkend omhooghielden om te tonen hoe mooi ze de gekleurde zijden hadden gevouwen, geknipt en aaneengelijmd, schoot het me te binnen.
   Al tijdens het eerste lesuur vroeg Swolfs me naar mijn knutselwerk.
   ‘Ik heb het thuis laten liggen,’ zei ik, ervan overtuigd dat ik wel een tweede kans zou krijgen. Maar zijn ongelovige blik pinde me muurvast aan mijn leugen.
   ‘Weet je, Titus, omdat je in de buurt woont, krijg je mijn toestemming om het werkje nu meteen te halen!’
   Daar stond ik dan: met lege handen, mijn borst vol angst en beklemming. Als Mozes met zijn staf begaf ik me op weg door de woestijn. Daarmee kon ik de jongens verzekeren dat de vrije wereld niet zo leuk is buiten de schooluren. De huisvrouwen die het wasgoed aan de lijn hingen, de rondrijdende melkboer, de postbode, iedereen die ik tegenkwam, trok strenge ogen, - zo van: ‘Hé, wat loopt dat jochie daar? Zou hij gestraft zijn?’ En terwijl ik de bel van Litzske hoorde en zijn galmende afroepen langs de straat: ‘Mosselen! Pladijs! Schelvis! Sprot!’ begreep ik voor het eerst iets van die ongeschreven, geheiligde orde van de grote mensen, waarin iedereen tijdig op zijn plaats moet aankomen, en dat het vreselijk schande is van deze algemene bedrijvigheid af te wijken, zoals ik door mijn ongepermitteerde aanwezigheid.
   Dat de wereld zo in elkaar steekt, heeft vast zijn redenen. De grote mensen zijn aan de slag op fabrieken of bouwwerven; ouderlingen verdienen het om op een rustbank onder de bomen te zitten mijmeren; kinderen horen op schoolbanken.
   Het schoot me te binnen dat ik hier een jaar tevoren ook tijdens de schooluren had rondgelopen. Daar ik toen wegens ziekte naar huis gestuurd was, had ik geen schaamte ondervonden. Dit keer zag ik er niet uit als een zieke. Daarom zocht ik een andere oorzaak voor mijn aanwezigheid. Ik trok een grimas en drukte een schone zakdoek tegen mijn wang, zodat het zelfs de voorbijgangers aan de overkant van de straat niet moest uitgelegd worden dat ik op weg was naar de tandarts.
   Thuis trof ik niemand, - alleen Felicia. Ingespannen bezig haar betraande ogen in de spiegel droog te vegen, schrok zij vreselijk op. Ik legde haar mijn probleem uit, en omdat ik erg in tijdnood zat, vroeg ik haar me te helpen.
   Wij gingen op zoek naar glad karton, maar vonden enkel wat staaltjes van Papa, - dik golfkarton, ongeschikt om te plooien.
   ‘Laat me maar begaan,’ zei Felicia terwijl ze met een aardappelschiller en liniaal het golfkarton onder handen nam. In een oogwenk vouwde zij een grillig meetkundig lichaam dat mits wat goede wil als een soort kubus kon aanvaard worden. Maar dan moesten de zijden nog aan elkaar gelijmd worden, en hiervoor ontbrak ons het juiste middel. Want op zoek naar plakband had ik in de kelder niets beters gevonden dan een vieze, vettige tape, waarschijnlijk afkomstig van een loodgieter om een lek te dichten. Daar die tape bovendien langs beide kanten hardnekkig kleefde, raakte die zogenaamde kubus, nauwelijks van onze vingers los. Felicia had er nog wat aan willen doen, maar mijn tijd was om.
   Zo keerde ik langs dezelfde straat weer naar school: als een jongen met één kies minder in zijn mond. Litzske kwam juist met zijn bestelwagen de hoek omgedraaid. Door zijn microfoon riep hij me spottend toe, alsof ’t hem toegestaan was te raden wat voor raar ding er aan mijn vingers bungelde: ‘Sprot!’
   Swolfs pakte het voorwerp in dank aan. Maar nu zat hij ermee. Uit vrees dat hij nooit meer van die vuile sprot aan zijn vingers af zou raken, stak ik de neus, het hoofd, de nek en als het kon heel mijn lijf, struisvogelachtig diep in mijn leerboek. Ik had gehoopt dat het daaropvolgende dictee de meester verder zou afleiden, maar tussen twee regels riep hij: ‘Titus, blijf jij straks wat langer in de klas!’


‘Wat wil jij later worden?’ schreeuwde Swolfs, buiten zichzelf. Het was dus waar wat de jongens van vorig schooljaar zeiden: dat hij een barst in de muur kon razen. Zijn strenge ogen hadden alle kleur verloren. Daardoor kreeg ik meer aandacht voor zijn borstelige wenkbrauwen en zijn erg bleke huid.
   ‘Manager, zoals mijn Papa,’ ontsnapte het piepend uit mijn keel. Voor de eerste keer in mijn leven herhaalde ik het vastbesloten: ‘Manager van een groot bedrijf!’
   ‘Dan zul je het anders moeten aanpakken!’ Zijn woede zocht een uitweg. Zo stond hij op het punt me een flinke oorvijg te geven; maar wellicht doordat ik zijn hand niet ontweek, had de leerkracht tijdig ingezien dat hij met lijfstraffen zijn boekje te buiten zou gaan. Zijn plakkerige wijs- en middenvinger pletsten tegen mijn wang. Ofschoon ik niet inzag welk nut het had mijn wang te bevuilen, wilde ik ook wat durven: mijn kleine vingers schoten uit, gaven zijn stoppelkin van hetzelfde laken een broek.
   De geschrokken Swolfs versteende. Het volgende ogenblik schoot hij in een klaterende lach. ‘Zullen we boksen?’ En daar gingen zijn vingers, sneller en krachtiger dan de mijne: Plets! Klets! Plets!
   ‘Wanneer heb je dan besloten om manager te worden?’ hijgde hij, laattijdig verbaasd. De straf was voltrokken. Zijn handen rustten weer op het bureau.
   ‘Vanmorgen, toen ik langs de straat naar huis liep! Ik zei dat het uit moet zijn met dat stomme knikkeren. Ik wil de beste worden van de klas!’
   Ik hield me aan mijn woord: weer thuis schudde ik het washandje volledig uit, zodat mijn rijke schat massaal in Omers begerig gespreide vingers rolde. Ik hoorde zijn uitroep van verbazing bij het vallende geluid van die honderden glijdende glinsteringen. Hij begreep er geen kloten van. Ik juist wel. Het was voorbij en ik zou er geen spijt van krijgen.
   Daarna vroeg ik Papa of ik met hem naar Mama op bezoek mocht in Sint-Antonius. En toen hij ja gezegd had, waste ik mijn handen, kamde mijn haar en ging met mijn leerboek van Nederlandse spraakkunst geopend op schoot, in de auto op hem zitten wachten.
   ‘Ik moet eerst nog even langs het bedrijf,’ zei Papa. Ik vroeg wat hij daar zo laat nog moest uitvoeren. Dat was een vraag van de grote Titus; een vraag waar de kleine, voorbije Titus niet eens aan zou gedacht hebben.
   ‘Om zes uur komt Niessen zijn spullen ophalen. Daarna heb ik een onderhoud met Hamersmidt.’
   Ondertussen wist ik alles over Niessen. Dat hij samen met Donkers het brein was geweest van een lastercampagne tegen Papa. Dat hij van het bedrijf verwijderd werd. Dat er schande over hem gekomen is. Dat hij voorlopig onder elektronisch toezicht rondloopt maar, zoals ik vanmorgen, niet langer in het vertrouwde straatbeeld tussen de huismoeders, de bakker, de melkboer en andere grote mensen, thuishoort.
   ‘Wie is Hamersmidt?’ Ik had de naam van die ijzervreter al vaker tussen Papa en Mama horen vallen.
   ‘Hamersmidt is de directeur-generaal.’
   ‘Hoger dan manager?’
   Toen Papa met een stom knikje ‘ja’ zei, viel me dat erg tegen. Ik was er altijd van overtuigd dat híj alleen over het golfkarton besliste.


Wij reden het bedrijf op. Terwijl we langs de geopende poort passeerden, schrokken we op door een auto die ons met een overdreven snelheid rakelings kruiste. Ik keek om naar het opwaaiende stof en hoorde het knerpen van zijn banden terwijl de auto met een haakse bocht achter de hoek verdween.
   ‘Dat was Niessen,’ zei Papa. Hij legde de auto stil. Niessen uit het oerenkot. Op hetzelfde ogenblik kwam de ijzervreter naar buiten. Een hoge heer. ‘En daar hebben we Hamersmidt!’ Het klonk wat onzeker. ‘Blijf even wachten!’
   Terwijl Papa naar hem toeliep, bleef IJzervreter staan. Daaraan kon je zien wie de hoogste in rang was. Aan de wijze waarop zij elkaar de hand schudden, kon je dat ook al merken. Papa was iets vriendelijker en meer goedlachs. Toen begon een ernstig gesprek; tenminste, ik zag IJzervreters mond ernstig bewegen. Ik veronderstelde dat hij een levensgevaarlijke vraag stelde, - misschien wel over het oerenkot, - en dat Papa de vraag in zijn eigen belang zo goed mogelijk beantwoordde. In elk geval was het antwoord uitgebreider dan de vraag. Ook daaraan kon je zien wie de touwtjes in handen had. Het was zoals bij een bokswedstrijd: aan honderd en één dingen kon je de superieur herkennen. Ik kon mijn favoriet aanmoedigen, ik kon hem in mijn gedachten wel toeschreeuwen: Papa, let op je houding! Laat je niet overbluffen! Pas op voor zijn rechtse! Spaar je krachten! Kom een beetje terug!
   Niets hielp, want ik zag in IJzervreter een ongenaakbare, logge blok graniet waar Papa met zijn schermende woorden, zijn krachteloze mepjes, wat als een dartele vlinder omheen fladderde, zonder iets wezenlijks te treffen.
   Nee, het zat ‘m in de indrukwekkende spierballen van zijn tegenstrever. Het zat ‘m in diens stoere houding. Het zat ‘m in alles. IJzervreter was een zwaargewicht. En daarom bestudeerde ik hem. Want plotseling was het voor mij niet meer genoeg om later ook manager te worden. Eens zou ik op mijn beurt zo ‘n onoverwinnelijke, ijzer vretende mastodont tegen het lijf lopen, en tegen dan moest ik volledig op de hoogte zijn van zijn zwakste plek om hem op het juiste moment en zonder een spier te vertrekken, met één rake klap neer te vellen.
   ‘Eindelijk! Het is allemaal dik in orde,’ glimlachte Papa, zichtbaar opgelucht, daar hij tijdig door de gong of op een andere miraculeuze wijze nog net van een moordende knock-out was gered. Vandaar kon ‘t ook geen overwinning genoemd worden. Want de hele weg naar Sint-Antonius bleef hij ingekeerd zwijgen, alsof hij het nog te druk had om voor zichzelf na te gaan wat er niet goed was aan zijn tactiek, en waar hij dan precies zijn nederlaag op punten had opgelopen.


Hé! Toen ik aan de hand van Papa door de gaanderij van Sint-Antonius liep, botste ik op een miraculeuze verschijning! Moet je horen: nadat ik al die tijd met mijn gedachten bij mijn toekomstig, saai ambt van directeur-generaal had getoefd, probeerde ik me een voorstelling te maken van mijn latere echtgenote. Zij moest knap zijn, mals, goedlachs, vriendelijk. Zij moest lekker ruiken en altijd lekker spannend gekleed gaan. Zo kwam ik erachter dat mijn voorstelling niets anders was dan een kopie van tante Francesca. Vermits ik dus later ook een onoverwinnelijke mastodont zou worden, met een eigen Villa Oriëntali in het noorden, kostte het mij al minder moeite om me voor te stellen dat het gewicht van de bok op haar schoot voor haar best te dragen zou vallen; als het maar een rijke bok was, zoals onkel Fabio.
   Stel je voor: terwijl ik volop aan tante Francesca in het verre Rome dacht, kwam haar bekoorlijke verschijning tussen al die onbekenden hier langs de gaanderij mij totaal onverwachts, welhaast als een miracolo tegemoet! Het miracolo droeg een lange, nauwsluitende jurk die haar dwong korte pasjes te nemen. Haar bovenlijf was gehuld in een ruime blouson met pofmouwen. Haar wit gezicht met de zwarte ogen en de bloedrode lach contrasteerde fel tegen de brede, geplooide randen van haar hoed.
‘Tante Francesca! Tante Francesca!’ Ik liet Papa’s hand los. Gooide me in haar armen. Vreemd genoeg verkeerde zij in het gezelschap van die rare meneer Treinhout, privédetective.
   ‘Dag Reinhout,’ hoorde ik Papa duidelijk. Hoewel hij toch vierentwintigduizend euro aan die man te danken had, schudde hij diens hand koeltjes. Daarna gaf hij tante Francesca twee zoenen, — naar mijn gevoel eveneens vrij koeltjes.
   ‘Spero che non mi biasimerai!…’ Tante Francesca barstte los. Haar vinnige, fel gekleurde spaghettiwoordjes slingerden rond Papa’s nek, zetten hem ononderbroken onder vuur.
   ‘Yes! Yes!’ reageerde Papa als een stijf bevroren Engelsman. Het begon er verdacht veel als een heuse familieruzie uit te zien. Het Italiaans deed me aan wapperende vlaggetjes denken of aan het dwarrelen van gekleurde confetti. En ik was niet alleen met mijn indruk, want alle voorbijgangers hadden het opgemerkt. Sommigen bleven zelfs staan, ervan profiterend om dat leuke, lekker geklede, zuiderse temperament met huid en haar in zich op te nemen.
   Na tien keren ‘Yes! Yes!’ kreeg Papa eindelijk de kans voor wat uitleg. Ik versta geen Engels. Niettemin begreep ik dat hij haar duidelijk wilde maken waarom, voor vrouwen met een overgesneden pols, Sint-Antonius de beste keuze is. Desondanks slaagde hij er niet in tantetje tot rede te brengen. Terwijl zij onverminderd bleef doorgaan, wendde hij zich tot Reinhout. ‘Wat zijn de plannen?’
‘Ik breng haar dadelijk naar een hotel. Morgen stappen we naar Marchand van de gerechtelijke politie voor inzage van het dossier. Zij wil mijn onderzoek op de voet volgen!’
   ‘Waar bemoeit ze zich mee!’ Papa vloekte. Daarop zei hij iets dat ik graag hoorde. Hij keek tante Francesca recht in de ogen, en terwijl hij zijn opgerichte wijsvinger tussen hen verbiedend heen en weer zwaaide, hoorde ik hem in een Engels dat niets had van het droge uit David Copperfield: ‘No hotel! Now, you’re our guest! All the time! Understand? — No hotel!
En tegen Reinhout: ‘Alsjeblief, probeer haar te kalmeren! Breng haar naar de logeerkamer. Straks praten we verder!’
   En daarop met zijn mond weer vol nat Engels tegen tante, als was zij een verdwaald kind: ‘Mister Reinhout will take you to our house now. Understand? I see you later!


Van opzij was het moeilijk te zien of tante een knikje had gegeven. Om die reden hoopte ik dat Papa er voldoende van overtuigd was dat zij het had begrepen; want reeds het volgende ogenblik pakte hij mijn hand en vervolgden wij onze weg langs de gaanderij.
   Papa nam me mee naar een nieuw gebouw met allemaal ruime, witte gangen en deuren zoals in een ziekenhuis; maar in gedachten bleef ik bij mijn tante Francesca die ik straks opnieuw bij miracolo zou tegenkomen.
   Mama lag half slapend in een witte kamer. Zij glimlachte naar ons. Toen ik haar gezoend had, en zij haar mond opendeed om te praten, ontsnapte uit haar borst een krachteloze ademstoot die in de ruimte verloren ging. Ik verstond wel een lief woord, maar zag dat het praten een ontoereikende inspanning vergde. Daarom had ik liever dat zij haar mond hield.
   Papa zette een vrije stoel neer aan het voeteneinde van het bed, zodat ik kon gaan zitten. Ik opende mijn leerboek Nederlandse spraakkunst. Onvoltooid verleden tijd. Hij boog zich naar Mama. Hun handen grepen vast in elkaar. Na al hun tegenslagen had hij wellicht te laat ontdekt dat Mama lag ondergedompeld in een betoverde rivier, zodat zijn hand in de hare ondanks alle bovenmenselijke inspanningen niet langer kon verhinderen dat zij onherroepelijk met een onderstroom wegdreef. Onvoltooid toekomstige tijd. Mama zal doodgaan.
   De wereld is saai en kaal, Titus. Alleen een tweede Francesca brengt verstrooiing! En daarom moet je hard studeren! Wellicht kan niemand uitleggen waarom sommige woorden vies zijn, maar dat de wereld van de grote mensen ook zonder knikkers draait, omdat knikkers daar niet echt in thuishoren, lijkt me duidelijk!
   De gedachte aan een wereld zonder knikkers liet me niet meer los. Het was, zo mag het gerust gezegd worden, de eerste grote ontdekking in mijn leven. Eindelijk had ik iets om met Umberto over te praten.
Om me op het gesprek voor te bereiden, vroeg ik aan Papa waarom Umberto geen directeur-generaal wil worden, waarom hij zijn studies heeft opgegeven. Ik had gewacht tot we in het donker naar huis reden. Met zijn handen rond het stuur en zijn starende ogen strak voor zich uit, zei Papa een beetje geërgerd: ‘Umberto is zo eigenzinnig dat hij naar niemand luistert. Hij wil alleen maar doen wat hij doet. Misschien wil hij gewoon “zichzelf” zijn. Dat moet je aan hem vragen!’ Papa’s spraak werd hoe langer hoe driftiger. Daarom besloot ik niet verder op de kwestie in te gaan.

*
   ‘Hoe kom jij tot “jezelf” Umberto?’
   ‘Ik ontdoe me… van alle op mij geplakte… etiketten.’
   ‘Etiketten?’
   ‘Dat kan van alles zijn, zoals mijn naam, of zoals sommige zogenaamde verdiensten of gebreken. Ik    richt me liever op mijn pure gewaarwordingen: een ander woord voor leven! De essentie.’
   ‘Essentie?’
   ‘Leven is leegte die… kijkt naar het volle. Leven is stilte… die luistert. Is roerloosheid… die elke beweging op de voet volgt, alsof elke stap de laatste is.’
   ‘Ik begrijp er geen kl… he… snars van!’
   Hoewel hij ferm bezig is van zijn stomheid te genezen, blijft het moeilijk praten met Umberto. Hij heeft het nooit over iets.


Geen opmerkingen:

Een reactie posten